ECLI:NL:TADRAMS:2026:106 Raad van Discipline Amsterdam 25-709/A/A
| ECLI: | ECLI:NL:TADRAMS:2026:106 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 01-06-2026 |
| Datum publicatie: | 01-06-2026 |
| Zaaknummer(s): | 25-709/A/A |
| Onderwerp: |
|
| Beslissingen: | Regulier |
| Inhoudsindicatie: | Raadsbeslissing. Klacht over eigen advocaat. Kwaliteit dienstverlening en excessief declareren. Verweerder heeft het vertrouwen in de advocatuur geschaad door te handelen in strijd met de in de advocatuur belangrijke kernwaarden deskundigheid en (financiële) integriteit. Dat is tuchtrechtelijk verwijtbaar. De aard en ernst daarvan rechtvaardigen de oplegging van een maatregel. In dat verband rekent de raad het verweerder zwaar aan dat hij op geen enkel moment schriftelijk aan klager heeft bevestigd welk risico er kleeft aan de processtrategie om de verklaring van klager te wijzigen, terwijl er al een andersluidende verklaring van klager in het strafdossier zat. Door deze processtrategie wordt de in zedenzaken zo belangrijke betrouwbaarheid van (de verklaring van) de verdachte, klager, aangetast. Verder rekent de raad het verweerder zwaar aan dat hij excessief voor de verrichte werkzaamheden heeft gedeclareerd in een relatief eenvoudig strafdossier van beperkte omvang en dat hij klager voorafgaand aan zijn werkzaamheden geen inschatting heeft gegeven van de totale kosten. Ook het niet maandelijks verstrekken van overzichten, zoals door het kantoor van verweerder toegezegd, en de onoverzichtelijke en niet transparante opdrachtbevestiging en declaraties, waardoor ook ter zitting onduidelijkheid bestond over wat er in totaal is gedeclareerd en welke declaraties klager heeft betaald, is ernstig tuchtrechtelijk verwijtbaar. Voorwaardelijke schorsing van vier weken. |
Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Amsterdam
van 1 juni 2026 in de zaak 25-709/A/A
naar aanleiding van de klacht van:
klager
gemachtigden: mr. B.C. Swier, advocaat te Amsterdam en mr. A.C. Huisman, advocaat
te Deventer
over
verweerder
gemachtigden: mr. W.F. Hendriksen en G. Spong, advocaten te Amsterdam.
1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE
1.1 Op 9 december 2024 is namens klager bij de deken van de Orde van Advocaten
in het arrondissement Amsterdam (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerder.
1.2 Het onderzoek naar de klacht over verweerder is, op verzoek van de deken,
verricht door de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Gelderland,
omdat een van de gemachtigden van klager lid is van de Raad van de Amsterdamse Orde
van Advocaten en daar de portefeuillehouder strafrecht is.
1.3 Op 20 oktober 2025 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk 2393633/JHS/FS
van de deken ontvangen.
1.4 De klacht is gelijktijdig behandeld met de klacht in zaak 25-710/A/A op de
zitting van de raad van 23 maart 2026. Daar waren klager en verweerder met hun gemachtigden
aanwezig. Van de gecombineerde behandeling is proces-verbaal opgemaakt.
1.5 De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier en van
de op de inventarislijst genoemde bijlagen 00 tot en met 04. Verder heeft de raad
kennisgenomen van de e-mail met bijlage van de gemachtigden van klager van 29 januari
2026 en van de e-mail met bijlagen van de gemachtigden van verweerder van 8 maart
2026.
2 FEITEN
2.1 Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier
en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten.
2.2 Klager is verdachte in een strafzaak, waarbij hij wordt verdacht van een
in Frankrijk gepleegd strafbaar feit (een zedendelict). Tijdens twee verhoren door
de Franse politie is klager bijgestaan door een Franse advocaat. Deze verhoren zijn
opgenomen en er was een tolk aanwezig. De verklaring van klager, de vertaling van
de tolk, de verhoorsituatie en detentie in Frankrijk spelen een rol bij de verdediging
van klager in de strafzaak.
2.3 Nadat de strafzaak was overgedragen aan de Nederlandse autoriteiten heeft
verweerder klager bijgestaan in de periode van juli 2019 tot juli 2021. Vanaf juli
2021 is klager bijgestaan door een andere advocaat. In de periode van 19 augustus
2022 tot 15 februari 2024 heeft verweerder klager opnieuw bijgestaan.
2.4 Op 19 augustus 2022 heeft mr. H., kantoorgenoot van verweerder, aan klager
een opdrachtbevestiging gestuurd. Klager heeft deze voor akkoord ondertekend. In
de opdrachtbevestiging is opgenomen:
‘(…)
Werkwijze kantoor
[…] advocaten werkt – teneinde de kwaliteit de waarborgen en de cliënten optimaal
van dienst te kunnen zijn – in veel gevallen in teamverband aan de verschillende zaken.
Concreet kan dit betekenen dat het mogelijk is dat naast uw behandelend advocaat/advocaten
tevens een andere advocaat (of juridisch of wetenschappelijk medewerker) in uw zaak
werkzaam zal zijn. Het voordeel daarvan is onder andere dat u te allen tijde een aanspreekpunt
heeft voor nader overleg en er indien mogelijk voor een lager uurtarief gewerkt wordt.
Rechtsbijstand op betalende basis
Met u is besproken dat u mogelijk in aanmerking komt voor gefinancierde rechtsbijstand.
Wij zijn evenwel met u overeengekomen dat wij onze werkzaamheden zullen verrichten
op betalende basis.
Tarieven van de advocaten van mijn kantoor variëren al naar gelang hun ervaring
en specialistische kennis tussen de € 250,- en € 650,- (exclusief 8% kantoorkosten
en exclusief 21% BTW) Daarnaast zal […] advocaten regelmatig haar juridisch en wetenschappelijk
medewerkers inzetten. Hun uurtarief bedraagt € 175,- (exclusief 8% kantoorkosten en
exclusief 21% BTW).
Graag deel ik hierdoor mede dat mijn kantoor werkt op basis van voorschotnota’s
(…). Met u is een eerste voorschotbedrag van € 50.000,- (exclusief 8% kantoorkosten
en exclusief 21% BTW) afgesproken. (…) Ik verzoek u voornoemd bedrag, zijnde € 65.340,-
inclusief 8% kantoorkosten en 21% BTW, aan mijn kantoor te voldoen.
Indien de werkzaamheden het voorschot zullen overstijgen, zullen wij u een nieuwe
voorschotnota doen toekomen met de daarbij horende specificatie van de gewerkte uren.
(…)
Voor het geval u niet bij machte zult zijn te zijner tijd een volgend voorschotnota
te kunnen voldoen, verzoeken wij u voorafgaand aan de start van onze werkzaamheden,
een borg (…) te voldoen ten bedrage van € 50.000,- (excl. 8% kantoorkosten en 21%
BTW) zijnde € 65.340,- inclusief 8% kantoorkosten en 21% BTW
2.5 Op 23 augustus 2022 heeft klager mr. H. gemaild:
‘Gelet op de inhoudt van de overeenkomst de hoge bevoorschotting en de eveneens
genoemde borg van hetzelfde bedrag en met referte naar ons telefoongesprek nog
even als volgt:
(…)
- wie gaat mijn dossier behandelen binnen u kantoor, voor mij is het van uiterst
belang dat er zelf bemoeienis is van [verweerder] en u alsmede dat [verweerder] en
u zelf de zittingen doen. Gelet op de totaal vooraf te betalen som van € 130.680 euro
lijkt mij dat we daarop op voorhand goede afspraken over dienen te maken en deze ook
als zodanig vast te leggen.
- ten aanzien van het totaal vooraf te factureren bedrag van ad € 130.680 euro hebben
we het telefonisch ook kort gehad over de totaal kosten voor het dossier. Ik heb bij
u aangegeven dat koste wat kost alles uit dit dossier (ook in 1e aanleg) moet worden
gehaald omdat dit alles is waar ik voor sta en er enorme belangen zijn voor mij en
onze bedrijven en ook bij een negatieve uitspraak voor mij in 1e aanleg dit enorme
gevolgen kan hebben. Kosten nog moeite wil ik dus hierop besparen dat moge duidelijk
zijn. Wel zal ik ook naar mijn compagnon ongeveer iets moeten aangeven nu het voorschot
bedrag al ad € 130.680 euro zou ik graag willen weten of dit dan het totaal bedrag
behelst of dat u op voorhand al weet dat gelet op de omvang van het dossier en de
belangen deze kosten overschreden zullen worden. In ons telefoongesprek gaf u aan
dat u daar nog op terug zou komen maar dat mogelijk deze kosten nog overschreden zouden
worden. Als dat in mijn belang is en als het zinvol is laat het dan duidelijk zijn
dat wij kosten nog moeite zullen sparen, maar zou u mij een richting kunnen geven
op het totaal voor de zittingen in 1e aanleg etc? Dat het een grove inschatting is
of een richting is voor mij afdoende overigens.
Ik wil vooraf gelet op mijn belangen en gelet op al het geld welke vooraf al betaal
moet worden aan u kantoor goede afspraken maken en ook enigszins enige inzicht in
de totaal kosten, hetgeen mij ook overeenkomstig de bedragen niet vreemd voorkomt.
(…)’
Dezelfde dag heeft mr. H. klager geantwoord:
‘1. Indien wij met de werkzaamheden aanvangen, zullen drie mensen op uw zaak werken,
[verweerder], [mr. V.] en ondergetekende. Er zal een verdeling van werkzaamheden plaatsvinden
en van overlap zal nauwelijks sprake zijn (bijv. intern overleg over de strategie
of over de bevindingen van deskundigen).
2. Alle werkzaamheden zullen vooraf met u worden besproken en ook het eventueel
inschakelen van deskundigen. Let wel: dit valt buiten het voorschot dat voor onze
werkzaamheden zal worden voldaan.
3. De afspraken worden altijd na overleg schriftelijk vastgelegd. Dit geldt voor
alle clientèle van het kantoor. Aangezien u eerder client bent geweest van ons kantoor,
kunt u dit verifiëren.
4. Vooraf is het niet in te schatten welke werkzaamheden dienen te worden verricht,
hetgeen mede afhankelijk is van de onderzoeksvragen en eigen onderzoeken die zouden
moeten leiden tot een mogelijke vrijspraak, alsmede van de tussentijds met u te maken
keuzes.
5. Iedere maand krijgt u een overzicht van de gewerkte uren. Zo houdt u het overzicht.
6. U betaalt voor de werkzaamheden een voorschot van € 50.000 ex kantoorkosten en
btw.
7. U betaalt separaat een borg. Die wordt niet benut indien daartoe geen aanleiding
is.’
2.6 Op 25 augustus 2022 heeft klager aan mr. H. en verweerder gemaild:
‘(…) Helaas krijg ik mijn familie en compagnon niet zover om vooraf het door u gewenste
voorschot en borg bedrag vooruit te betalen.
Alhoewel een ieder ervan overtuigd is dat er alle belang bij adequate en een zo
goed mogelijke rechtsbijstand in deze zaak genoodzaakt is en vooral omdat ik gewoonweg
onschuldig ben en er enorme belangen spelen, vinden ze de bedragen welke we op voorhand
moeten betalen te hoog.
Niettegenstaande wij alle vertrouwen hebben in u bijstand en dat zulks voor mij
waarschijnlijk de beste optie is om mijn verdediging te voeren zijn ze niet bereid
om vooraf met deze bedragen over de brug te komen.(…) Immers mijn verdediging moet
koste wat kost op alle mogelijke manieren gevoerd worden en ook daarin vinden wij
dat er kosten nog moeite gespaard moeten worden, echter vinden ze een voorschot bedrag
van vooraf 50k ex btw vooraf meer dan voldoende.
(…) echter zijn ze wel bereid om ook garant te staan dat de facturen tijdig zullen
worden betaald. In dat geval kan ik niet anders dan opzoek gaan naar andere rechtsbijstand,
alhoewel ik dat toch jammer zou vinden.’
2.7 Vervolgens hebben klager en (kantoorgenoten van) verweerder contact met elkaar
gehad, in persoon, via e-mail en via WhatsApp.
Juridische bijstand aan klager
2.8 In het dossier van klager zijn werkzaamheden verricht door verweerder, mr.
H., mr. V., advocaat-medewerker, mr. Kx, destijds advocaat-stagiaire, en juridisch
medewerkers van het kantoor van verweerder. Ook zijn in het dossier van klager deskundigen
ingeschakeld.
2.9 Op 13 september 2022 heeft verweerder klager gemaild dat hij met dr. B. contact
heeft gehad over een nieuw DNA-onderzoek en dat hij dr. B. heeft gevraagd een begroting
te maken voor een eerste rapportage. Verder heeft verweerder klager gevraagd of hij
het Franse dossier voor hem heeft. Dezelfde dag heeft klager verweerder bedankt voor
zijn bericht en de voortvarendheid. Ook heeft klager in zijn mail opgemerkt dat hij
zich kan vinden in de werkwijze en dat verweerder het complete dossier van hem heeft
ontvangen.
2.10 Op 14 september 2022 heeft verweerder klager bedankt voor zijn instemming
met het voorstel voor het DNA-onderzoek. Verder heeft verweerder in zijn e-mail opgemerkt
dat hij bij het Openbaar Ministerie (hierna: OM) het complete rapport zal opvragen.
2.11 Op 14 oktober 2022 heeft het kantoor van verweerder het rapport van dr.
B. over het DNA-onderzoek aan klager gemaild.
2.12 Op 20 oktober 2022 heeft het kantoor van verweerder klager een update gemaild
over de zoektocht naar een rechtspsycholoog en over het uurtarief van de benaderde
rechtspsycholoog. In deze e-mail is aan klager toestemming gevraagd om met deze rechtspsycholoog
een overeenkomst tot opdracht aan te gaan zodat zij een begroting kan maken van het
door haar gewenste voorschot. Dezelfde dag heeft klager laten weten dat hij akkoord
is en graag het voorschot verneemt.
2.13 Op 10 november 2022 heeft het kantoor van verweerder namens mr. V. aan klager
een concept verzoekschrift tot onderzoekswensen gemaild.
2.14 Op 14 november 2022 heeft klager verweerder en mr. V. gemaild dat het concept
er in eerste instantie goed uitziet en ‘in lijn zoals besproken’.
2.15 Op 15 november 2022 heeft het kantoor van verweerder een brief aan klager
gemaild met daarin de onderzoekswensen in zijn zaak die aan de rechtbank is gestuurd.
2.16 Op 6 december 2022 heeft mr. V. klager gemaild dat het deskundigenonderzoek
door de rechtspsycholoog is afgezegd, omdat de rechtspsycholoog heeft bericht dat
zij niet verwacht dat haar onderzoek voor de verdediging bruikbaar zal zijn. Verder
heeft mr. V. opgemerkt dat wordt gezocht naar een nieuwe deskundige die in zijn zaak
kan rapporteren en dat zij bezig zijn met de voorbereidingen van de zitting.
2.17 Op 9 december 2022 heeft een pro forma-zitting plaatsgevonden. Klager is
daarbij bijgestaan door mr. V.
2.18 Op 12 december 2022 heeft het kantoor van verweerder klager een nota gemaild
voor de door de rechtspsycholoog gewerkte uren met de vraag om het verschuldigde bedrag
direct aan de rechtspsycholoog over te maken. Dezelfde dag heeft klager bericht dat
hij de factuur zal voldoen.
2.19 Op 19 december 2022 heeft klager op verzoek van verweerder mr. De J., advocaat
in Frankrijk, gevraagd hem bij te staan bij het opvragen van DNA-gegevens bij het
Franse onderzoeksinstituut te behoeve van de verdediging in zijn strafzaak in Nederland.
2.20 Op 6 maart 2023 heeft mr. V. klager gemaild over de te formuleren onderzoeksvragen
met de vraag of hij zich daarin kan vinden. Dezelfde dag heeft klager mr. V. gemaild
dat hij akkoord is en hij heeft daarbij aanvullende opmerkingen gemaakt.
2.21 Op 7 maart 2023 heeft mr. V. klager gemaild dat een Belgische rechtspsychologe
is benaderd voor het opstellen van een deskundigenbericht over de verklaringen in
het Franse strafdossier.
2.22 Op 14 maart 2023 heeft het kantoor van verweerder klager bericht dat de
inhoudelijke zitting in de zaak zal plaatsvinden op 29 september 2023.
2.23 Op 23 maart 2023 heeft mr. Kx klager gemaild over haar contact met een klinisch
psycholoog die bereid is om een psychologisch onderzoek ten behoeve van de strafzaak
af te nemen. Mr. Kx vraagt in haar e-mail of klager hiermee akkoord gaat. Dezelfde
dag heeft klager mr. Kx gemaild dat hij akkoord is.
2.24 Op 12 april 2023 heeft de rechter-commissaris klager verhoord. Tijdens dit
verhoor is klager bijgestaan door mrs. V. en Kx. Op dezelfde dag heeft de rechter-commissaris
de aangeefster verhoord.
2.25 Op 18 april 2023 heeft verweerder klager gemaild over een vervolg DNA-onderzoek.
2.26 Op 20 april 2023 heeft klager verweerder gemaild dat het prima is en dat
het allemaal lang duurt. Dezelfde dag heeft verweerder klager gemaild dat het inderdaad
veel te lang duurt als het gaat om het contact van de procureur met de Franse advocaat
en dat het OM nog steeds bezig is met de vertaling.
2.27 Op 25 mei 2023 heeft mr. V. mr. De J. gemaild over de stelling van klager
dat hij op het Franse politiebureau is mishandeld en inhumaan is behandeld.
2.28 Op 11 juli 2023 heeft mr. V. klager gemaild over zijn vertrek bij het kantoor
van verweerder.
2.29 Op 23 augustus 2023 heeft mr. Kx klager gemaild:
‘(…) [Verweerder] en ik hebben zojuist een concept opgesteld voor de heer B. waarin
we hem verzoeken of hij iets kan schrijven over het zelf verzamelen van celmateriaal,
de betrouwbaarheid hiervan en of het NFI in Nederland hier acht op zou slaan.
(…) is het ons helaas nog niet gelukt een andere rechtspsycholoog te vinden; zoals
telefonisch besproken denk ik dat het raadzaam is als wij ons hier zelf helemaal op
toespitsen en ook voorbeelden tonen in de rechtszaal. Het is immers – volgens ons
– overduidelijk dat de tolk woorden in mond legt, er suggestieve vragen worden gesteld
en dat de omstandigheden waaronder jij tijdens de verhoren verkeerde ontoelaatbaar
zijn.’
Dezelfde dag heeft klager gereageerd:
‘Mijn mening is dat wel alles op alles nog moeten zetten om een expert over de gang
van zaken daar – verhoren, vertaling, woorden in de mond leggen, behandeling – alsnog
te verkrijgen en of zaken op basis van jullie analyse te laten bevestigen dat dit
in Nederland zo nooit zou kunnen … Daar zie ik wel een behoorlijke meerwaarde in.
(…)’
2.30 Op 29 september 2023 heeft de rechtbank Gelderland de strafzaak van klager
inhoudelijk op zitting behandeld. Klager is op deze zitting bijgestaan door verweerder
en mr. Kx. Voor deze zitting is gebruikgemaakt van pleitnotities van verweerder, mr.
H en mr. Kx.
2.31 Op 13 oktober 2023 heeft de meervoudige kamer van de rechtbank Gelderland
klager veroordeeld tot een gevangenisstraf van 24 maanden voor de verkrachting van
de aangeefster. In het vonnis is de door verweerder gevoerde verdediging vermeld:
‘Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft integrale vrijspraak bepleit. Daartoe is aangevoerd dat de
verklaringen van aangeefster inconsistent zijn en van het bewijs dienen te worden
uitgesloten. Bewijsuitsluiting van haar verklaringen in Frankrijk is daarnaast aan
de orde vanwege de onrechtmatige wijze waarop die verklaringen tot stand zijn gekomen
(suggestieve vragen en invullingen door de tolk). De betrouwbaarheid van die verklaringen
is hiermee immers aangetast.
Ook de verklaringen van verdachte in Frankrijk dienen van het bewijs uitgesloten
te worden, ten eerste vanwege de gebreken in de vertaling van het Franse dossier in
het Nederland. Ten tweede dient de wijze van verhoren tot bewijsuitsluiting te leiden.
De tolk legt verdachte woorden in de mond en geeft eigen interpretatie aan vragen
van de verhoorder en de antwoorden van verdachte. Dit blijkt uit de nader uitgewerkte
en opnieuw vertaalde processen-verbaal en de video-opnames van de verhoren. Tot slot
heeft verdachte in Frankrijk onder zeer slechte omstandigheden in detentie verbleven,
waarbij hij ook mishandeld is door de politie. Deze omstandigheden raken de drempel
van artikel 3 van het EVRM. Als gevolg van uitputting en slechte nachtrust zijn zijn
verklaringen niet betrouwbaar, omdat bekend is uit onderzoek dat onder die omstandigheden
de cognitieve capaciteiten afnemen en het concentratievermogen en de werking van geheugen
verminderen.
Verder is aangevoerd dat er geen steunbewijs voor de verklaringen van aangeefster
is, mocht de rechtbank die wel als uitgangspunt nemen. De verklaringen van de ouders
en de vriend van aangeefster zijn onvoldoende specifiek en de emoties die zij hebben
waargenomen bij aangeefster hebben betrekking op de handelingen van de medeverdachte.
Voorts dient het voorhanden DNA-onderzoek uitgesloten te worden van het bewijs. Mocht
de rechtbank toch bewezen vinden dat er seksueel contact is geweest tussen verdachte
en aangeefster, dan biedt het procesdossier geen enkel aanknopingspunt dat er daarbij
sprake is geweest van dwang.’
2.32 Klager heeft tegen het vonnis van 13 oktober 2023 hoger beroep ingesteld.
Op 15 februari 2024 heeft een van de gemachtigden van klager de behandeling van de
strafzaak van klager overgenomen.
Declaraties
2.33 Over de periode van 19 augustus 2022 tot 15 februari 2024 hebben verweerder
en zijn kantoorgenoten in totaal 339,4 uren aan werkzaamheden voor klager verricht.
2.34 Het kantoor van verweerder heeft in de periode van 19 augustus 2022 tot
15 februari 2024 declaraties aan klager gestuurd. Het gaat daarbij in ieder geval
om een voorschot van € 65.340, een borg van in totaal € 65.340, een honorarium van
€ 19.872,75 en een eindafrekening van -/- € 14.546,65.
2.35 Voor de ingeschakelde deskundigen heeft het kantoor van verweerder een bedrag
van in totaal € 24.787,40 inclusief btw bij klager in rekening gebracht.
2.36 Op 20 juli 2023 heeft mr. H. klager gemaild:
‘Gelieve bijgaand aan te treffen de tussentijdse afrekening van het eerste betaalde
voorschotbedrag ten bedrage van € 50.000 excl. K.k. en btw.
Tevens doen wij u een nieuwe voorschotnota toekomen met het vriendelijk verzoek
beide nota’s spoedig te voldoen, waarvoor onze hartelijke dank.’
2.37 Op 18 oktober 2023 heeft mr. H. aan klager gemaild:
‘Gelieve bijgaand, op verzoek van [klager], aan te treffen een tussentijds overzicht
van de gewerkte uren die zien op de periode na 19 juli 2023 tot heden. De bespreking
van vandaag is daarbij nog niet opgenomen in het overzicht (zie bijlage 1).
Graag verzoek ik u vriendelijk om alsnog de tweede voorschotnota van 19 juli jl.
te voldoen (zie bijlage 2), waarvan reeds voor een bedrag van € 44.178,44 is gewerkt.
Graag bevestig ik u nogmaals voor de goede orde dat de betaalde borg primair niet
bedoeld is om daaruit de gewerkte uren gedurende de looptijd van de zaak te voldoen,
maar als buffer is betaald, dat ziet op de financiële perikelen uit het verleden.
Zolang [klager] in staat is om onze nota’s te voldoen zal de borg in reserve blijven
staan tot het einde van de zaak. Daarna zal de borg worden gerestitueerd.’
2.38 Op 15 februari 2024 heeft mr. H. klager gemaild:
‘In verband met de overdracht van uw dossier aan Mr […] doe ik u bijgaand toekomen
de eindafrekening ten behoeve van het dossier OM ll - 2153.
We hebben de nieuwe voorschotnota - die niet was voldaan - gecrediteerd en het honorarium
met de borg verrekend. Graag verneem ik op welke rekening wij het totaal door u te
ontvangen bedrag kunnen overmaken.
Het dossier ligt gereed voor verzending aan mr. […]. Hij heeft ons nog niet aangegeven op welke wijze hij het dossier wenst te ontvangen.
Wij danken u van harte voor het in ons kantoor gestelde vertrouwen tot nu toe, en hopen van harte dat het Hof tot een betere beslissing zal komen en zal inzien dat de rechtbank een onjuiste beoordeling heeft gegeven.’
2.39 Op 25 juli 2024 heeft klager verweerder civielrechtelijk aansprakelijk gesteld op grond van onrechtmatig handelen en terugbetaling van de door hem betaalde bedragen gevorderd. In deze civiele procedure heeft de rechtbank Amsterdam vonnis gewezen op 8 april 2026. Ten tijde van de mondelinge behandeling van de klacht over verweerder was het vonnis in de civiele procedure nog niet gewezen.
3 KLACHT
3.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk
verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klager verwijt
verweerder het volgende:
a) verweerder heeft in strijd gehandeld met de kernwaarde deskundigheid als bedoeld
in artikel 10a lid 1 onder c Advocatenwet, waardoor klager ernstig is benadeeld. In
dat verband verwijt klager, samengevat, het volgende:
- verweerder heeft voor een evident kansloze strategie gekozen door klager te adviseren
afstand te nemen van onderdelen van de verklaringen die hij bij de Franse politie
heeft afgelegd en klager een andersluidende verklaring te laten afleggen bij de bij
de rechter-commissaris op 12 april 2023;
- verweerder heeft op de zitting van 29 september 2023 een pleidooi gevoerd dat
niet voldoet aan de kwaliteitseisen. Het verweer dat de door klager bij de Franse
politie afgelegde verklaringen onrechtmatig zijn verkregen en dat tot bewijsuitsluiting
hiervan zou moeten worden geoordeeld is niet tot nauwelijks onderbouwd, kwalitatief
onder de maat en schadelijk voor de geloofwaardigheid van verweerder;
- verweerder heeft de door hem gekozen risicovolle strategie onvoldoende dan wel
niet schriftelijk vastgelegd en hij heeft klager nooit gewezen op de risico’s;
b) verweerder heeft gehandeld in strijd met artikel 7.5 van de Verordening op
de advocatuur (Voda) door klager niet of onvoldoende te informeren over de advocaten/betrokkenen
die hem bijstand verleenden en door vrijwel alle werkzaamheden uit te besteden aan
een medewerker (mr. V.) en een advocaat-stagiaire (mr. Kx). Dit is uitdrukkelijk in
strijd met de niet mis te verstane mededelingen van klager en de op voet van die mededelingen
gemaakte afspraken zoals vermeld in de e-mail van 23 augustus 2022;
c) verweerder heeft in strijd gehandeld met de kernwaarde (financiële) integriteit:
- verweerder heeft buitenproportioneel gedeclareerd voor onder meer dossierstudie,
intern overleg, interne communicatie en pleitnotities. Tot en met indiening beroepschrift
339 uur gedeclareerd voor het bedrag van € 191.560,51 voor een doorsnee zedenzaak;
- verweerder heeft tijdens de procedure geen maandelijkse overzichten van de gewerkte
uren aan klager gestuurd, waardoor klager is overvallen door de hoge kosten en de
hoge kosten voor deskundigen;
- verweerder heeft vooraf geen risico-inschatting aan klager verstrekt met schriftelijke
informatie over de te verwachten werkzaamheden en kosten;
- verweerder heeft op de declaraties niet vermeld hoeveel uren is gewerkt, door
welke advocaat/juridisch medewerker en voor welk uurtarief;
- verweerder heeft tijdens de behandeling van de zaak zijn uurtarief gewijzigd van
€ 450 naar € 650 zonder voorafgaande kennisgeving of akkoord van klager;
- verweerder heeft geen inzicht geboden welke advocaat tegen welk tarief zou werken;
- verweerder is niet duidelijk geweest over de doorbelasting van (kantoor)kosten;
- verweerder heeft niet-declarabele tijd in rekening gebracht en onbegrijpelijke
kosten gedeclareerd;
- verweerder heeft in strijd gehandeld met gedragsregel 19 door naast het voorschot
van € 65.340 een borg van € 65.340 in rekening te brengen;
- verweerder heeft klager kosten voor deskundigenrapportages en werkzaamheden van
de Franse advocaat in rekening gebracht zonder deugdelijke motivering en voorafgaande
schatting van de kosten;
d) verweerder heeft in strijd gehandeld met gedragsregel 2 lid 2 waarin is bepaald
dat het belang van de cliënt, geen enkel ander belang, de wijze bepaalt waarop de
advocaat zijn zaken behandelt.
Er is sprake van strijd met gedragsregels 1 lid 1, 6 lid 1, 12, 16 lid 1, 16 lid
3, 17 lid 1, 17 lid 2, 17 lid 3, 17 lid 4. Verweerder is niet integer geweest tijdens
zijn bijstand aan klager, hij heeft gehandeld in strijd met de zorg die hij als advocaat
behoort te betrachten.
3.2 De raad zal hierna op de klachtonderdelen ingaan.
4 VERWEER
4.1 Verweerder voert verweer tegen de klacht en betwist dat hij tuchtrechtelijk
verwijtbaar heeft gehandeld. In dat verband heeft verweerder, samengevat, aangevoerd:
a) er was geen sprake van een evident kansloze processtrategie. Klager heeft
altijd volgehouden dat hij nimmer seksueel contact met aangeefster heeft gehad, ook
tijdens zijn laatste woord op de zitting. Voor de onderbouwing van het onschuldscenario
was het essentieel om deskundigenbewijs te verkrijgen op meerdere terreinen. Met instemming
van klager zijn kosten noch moeite gespaard om dit bewijs in handen te krijgen;
b) klager was ervan op de hoogte dat mr. Kx, destijds advocaat-stagiaire, de
assisterende werkzaamheden van mr. V. zou overnemen. Klager heeft hier toestemming
voor gegeven en mailde bijna dagelijks rechtstreeks met mr. Kx. Klager was steeds
op de hoogte van alle handelingen die zijn verricht door de advocaten en de advocaat-stagiaire;
c) er is geen sprake van handelen in strijd met de kernwaarde financiële integriteit.
Alle werkzaamheden zijn vooraf en met instemming van klager uitgevoerd, alles ten
bewijze van zijn overtuiging dat hij ten onrechte in rechte was betrokken. Klager
wist ook wat hij kon verwachten aan facturen, omdat hij vanaf 2019 eerder door het
kantoor van verweerder is bijgestaan. Klager is regelmatig op de hoogte gehouden van
de werkzaamheden en de daaraan bestede uren en klager is er steeds op gewezen als
het voorschotbedrag werd overschreden;
d) er is uitsluitend in het belang van klager gehandeld. Klager wilde koste wat
het kost zijn onschuld bewijzen. Veel gewerkte uren zijn niet bij klager in rekening
gebracht. Klager was bekend met de werkwijze en financiering van verweerder. Verweerder
heeft zich juist intensief ingezet voor klager om het onderste voor hem uit de kan
te halen.
4.2 De raad zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.
5 BEOORDELING
Opmerking vooraf
5.1 De raad stelt voorop dat uit de klacht met onderliggende stukken duidelijk
blijkt dat klager verweerder verwijten maakt over zijn bijstand in de periode van
19 augustus 2022 tot
15 februari 2024. Voor zover partijen in hun stukken ook (tegengestelde) standpunten
hebben ingenomen over de eerdere periode waarin verweerder klager heeft bijgestaan,
laat de raad die voor het oordeel over de klacht buiten beschouwing.
Toetsingskader
5.2 Deze klacht gaat over de kwaliteit van de dienstverlening van de advocaat.
Er is pas sprake van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen als de kwaliteit duidelijk
onder de maat is geweest. De tuchtrechter houdt bij de beoordeling rekening met de
vrijheid die een advocaat heeft bij de wijze waarop hij een zaak behandelt. Ook houdt
de tuchtrechter rekening met de keuzes waar een advocaat bij de behandeling van de
zaak voor kan komen te staan. Die (keuze)vrijheid is niet onbeperkt, maar wordt begrensd
door bepaalde eisen die aan het werk van de advocaat worden gesteld. Als algemene
professionele standaard geldt dat de advocaat te werk moet gaan zoals van een redelijk
bekwame en redelijk handelende beroepsgenoot mag worden verwacht.
5.3 Bij de beoordeling van een over een advocaat ingediende klacht toetst de
tuchtrechter het aan de advocaat verweten handelen of nalaten aan de in artikel 46
Advocatenwet omschreven normen, waaronder de kernwaarden deskundigheid en (financiële)
integriteit zoals omschreven in artikel 10a Advocatenwet. De tuchtrechter is niet
gebonden aan de gedragsregels, maar die regels kunnen wel van belang zijn, gezien
ook het open karakter van de behoorlijkheidsnorm in artikel 46 Advocatenwet. Of sprake
is van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen hangt af van de feitelijke omstandigheden
en wordt door de tuchtrechter per geval beoordeeld.
5.4 In deze zaak is gedragsregel 16 van belang waarin in lid 1 is bepaald dat
de advocaat belangrijke informatie en afspraken schriftelijk aan zijn cliënt dient
te bevestigen ter voorkoming van misverstand, onzekerheid of geschil. In de toelichting
hierop is vermeld dat een advocaat zijn cliënt genoegzaam en tijdig dient te informeren,
te waarschuwen en duidelijk dient te scheppen over de kansen en risico’s en de kosten
van zijn optreden. Ook is in de toelichting vermeld dat juist ook in financiële aangelegenheden
voor advocaten een zorgplicht geldt en dat de financiële integriteit een integraal
onderdeel is van de kernwaarde integriteit.
5.5 Tot slot is gedragsregel 17 van belang waarin in lid 1 is bepaald dat de
advocaat bij het vaststellen van zijn declaratie, alle omstandigheden in aanmerking
genomen, een redelijk honorarium in rekening behoort te brengen. In lid 2 is bepaald
dat de advocaat er zorg voor draagt dat bij het aanvaarden van de opdracht duidelijke
afspraken zijn gemaakt over zijn honorarium, de doorbelasting van kosten en de wijze
van declareren. In lid 4 is bepaald dat de advocaat zijn honorarium in beginsel periodiek
en deugdelijk gespecificeerd declareert onder opgave van tarief en tijdsbesteding
of een andere overeengekomen grondslag.
Klachtonderdeel a) – deskundigheid
5.6 In de kern komt klachtonderdeel a) erop neer dat klager verweerder verwijt
dat hij hem onjuist heeft geadviseerd over zijn verdediging in de strafzaak. In dat
kader merkt de raad op dat de vraag of het advies van verweerder in de strafzaak wel
of niet (inhoudelijk) juist is geweest een strafrechtelijke kwestie is die buiten
het tuchtrecht valt. Het tuchtrecht en het strafrecht zijn verschillende rechtsgebieden
waarbij de tuchtrechter in de regel geen oordeel geeft over een strafzaak. De tuchtrechter
concentreert zich in het advocatentuchtrecht op het handelen van de advocaat in zijn
beroepsuitoefening met het oog op het belang van een gezonde advocatuur in het Nederlandse
rechtsbestel, terwijl de strafrechter zich concentreert op de juridische weging van
het (steun)bewijs en de standpunten van de verdediging (zie HvD 19 januari 2026, ECLI:NL:TAHVD:2026:13).
De raad zal daarom in het kader van deze tuchtprocedure beoordelen of verweerder in
zijn bijstand aan klager te werk is gegaan zoals van een redelijk bekwame en redelijk
handelende beroepsgenoot mag worden verwacht.
5.7 De raad stelt op grond van de stukken vast dat klager tijdens de verhoren
bij de Franse politie in 2019 heeft verklaard dat sprake is geweest van seksueel contact
met de aangeefster en dat klager tijdens het verhoor bij de rechter-commissaris op
12 april 2023 tegenovergesteld heeft verklaard, namelijk dat er geen seksueel contact
heeft plaatsgevonden tussen hem en aangeefster. Een dergelijke wijziging van de proceshouding
is zeker in zedenzaken risicovol, omdat daarmee de betrouwbaarheid van (de verklaring
van) de verdachte in twijfel kan worden getrokken, maar evident kansloos is deze strategie
niet.
5.8 Over de gewijzigde proceshouding hebben klager en verweerder tegengesteld
verklaard: klager ontkent dat hij zijn eerdere verklaring heeft willen wijzigen, terwijl
verweerder stelt dat klager van begin af aan tegen hem heeft gezegd dat geen seksuele
handelingen met de aangeefster hebben plaatsgevonden. Het blijft onduidelijk of en
zo ja wat verweerder klager heeft geadviseerd over de te volgen processtrategie, omdat
verweerder dat op geen enkele wijze schriftelijk heeft vastgelegd. Het standpunt van
verweerder dat hij de processtrategie en het risico daarvan met klager heeft besproken,
is door klager betwist. Het mag zo zijn dat verweerder in zijn praktijk nog nooit
een strategie op papier heeft gezet, zoals verweerder ter zitting heeft verklaard,
maar daarmee handelt verweerder in strijd met gedragsregel 16 en met hetgeen van een
redelijk bekwame en redelijk handelende advocaat mag worden verwacht. Nu kan achteraf
immers niet worden vastgesteld of verweerder klager heeft geadviseerd om zijn proceshouding
te wijzigen en of verweerder het aanzienlijke risico daarvan voor de betrouwbaarheid
van (de verklaring van) klager met klager heeft besproken. Deze onduidelijkheid komt,
door het gebrek aan schriftelijke vastlegging, voor risico van verweerder. In zoverre
is klachtonderdeel a) gegrond.
5.9 Verder leidt de raad uit de stukken, waaronder het mailcontact van verweerder,
mr. V. en mr. Kx met klager, af dat verweerder pas na het verhoor bij de rechter-commissaris
op
12 april 2023 heeft geprobeerd om de gewijzigde verklaring van klager handen en
voeten te geven door onder meer de verhoren bij de Franse politie uit te werken, de
videobeelden van de Franse verhoren te bekijken en deskundigen te raadplegen. In dat
kader heeft verweerder zich in het op de zitting van 29 september 2023 gevoerde pleidooi
onder meer op het standpunt gesteld dat de door klager bij de Franse politie afgelegde
verklaringen moeten worden uitgesloten van het bewijs. Hoewel de raad de nodige bedenkingen
heeft bij de kwaliteit van het pleidooi en de motivering van het standpunt over de
bewijsuitsluiting van de verklaringen van klager in Frankrijk zakt verweerder daarmee
niet door de ondergrens van hetgeen van een redelijk bekwame en redelijk handelende
advocaat mag worden verwacht. In zoverre is klachtonderdeel a) ongegrond.
Klachtonderdeel b) – verantwoordelijkheid voor uitvoering opdracht
5.10 Hoewel de raad het opmerkelijk vindt dat verweerder niet zelf aanwezig was
bij het verhoor van klager en de aangeefster door de rechter-commissaris op 12 april
2023, terwijl dit in een strafzaak als die van klager, naast de inhoudelijke behandeling,
de belangrijkste proceshandeling is, oordeelt de raad dat verweerder de grenzen van
het tuchtrechtelijk betamelijke niet heeft overschreden ten aanzien van de verantwoordelijkheid
voor de uitvoering van de opdracht van klager en het informeren daarover van klager.
Uit de overgelegde stukken en urenspecificaties blijkt weliswaar dat verweerder veel
communicatie en ook belangrijke proceshandelingen, zoals de verhoren van klager en
de aangeefster bij de rechter-commissaris, heeft overgelaten aan mr. V. en mr. Kx,
maar uit de overgelegde e-mailcorrespondentie blijkt ook dat klager daarvan steeds
op de hoogte was of redelijkerwijs had kunnen zijn. In de opdrachtbevestiging van
19 augustus 2022 (zie 2.4) is immers vermeld dat op het kantoor van verweerder in
veel gevallen in teamverband wordt gewerkt en dat ‘het mogelijk is dat naast uw behandelend
advocaat/advocaten tevens een andere advocaat (of juridisch of wetenschappelijk medewerker)
in uw zaak werkzaam zal zijn.’ Klager had op grond hiervan redelijkerwijs kunnen weten
dat meerdere advocaten aan zijn zaak zouden werken. Daarna is in de e-mail van 23
augustus 2022 vermeld dat verweerder, mr. V. en mr. H. werkzaamheden zouden verrichten
en dat is ook gebeurd, tot het vertrek van mr. V. bij het kantoor van verweerder in
juli 2023. Vervolgens is mr. Kx, destijds nog advocaat-stagiaire, onder begeleiding
van en met verweerder aan de zaak van klager gaan werken. Uit de overgelegde e-mails
blijkt dat klager ook daarvan voldoende op de hoogte was, aangezien hij regelmatig
met mr. Kx heeft gemaild over bijvoorbeeld in te schakelen deskundigen. Klachtonderdeel
b) is daarom ongegrond.
Klachtonderdeel c) – financiële integriteit
5.11 De raad stelt voorop dat de tuchtrechter niet bevoegd is om declaratiegeschillen
tussen cliënten en hun advocaten te beslechten. Daar is deze klachtprocedure ook niet
voor bedoeld. De tuchtrechter waakt wel voor excessief declareren. Of daarvan sprake
is hangt af van de omstandigheden van het geval. Daarbij wegen alle omstandigheden
mee, zoals de aard en complexiteit van de zaak, de (financiële) hoedanigheid van de
cliënt, de met de zaak gepaard gaande (financiële) belangen en de verhouding tussen
het in rekening gebrachte bedrag en de verrichte werkzaamheden. Of elk onderdeel van
de declaraties – civielrechtelijk gezien – voor toewijzing in aanmerking komt staat
niet ter beoordeling van de tuchtrechter. Waar het op aankomt is of het totaal van
de declaraties als tuchtrechtelijk verwijtbaar excessief aangemerkt kan worden.
5.12 De raad stelt vast dat partijen verschillende totaalbedragen noemen die
klager voor de werkzaamheden van (het kantoor van) verweerder zou hebben betaald.
Verweerder noemt een bedrag van afgerond € 136.000, terwijl het volgens klager gaat
om een bedrag van afgerond € 191.000 dan wel € 219.000. Ook ter zitting is hier uiteindelijk
onvoldoende duidelijkheid over gekomen. Waar partijen het in ieder geval wel over
eens zijn, is dat klager twee keer een bedrag van € 65.340 aan verweerder heeft betaald
(voorschot en borg), een keer een bedrag van € 19.872,75 (honorarium) en dat de eindafrekening
-/- € 14.546,65 bedraagt. Gelet op deze bedragen gaat de raad uit van een totaalbedrag
aan declaraties van € 136.006,10 dat klager aan (het kantoor van) verweerder heeft
betaald.
5.13 De raad oordeelt dat verweerder excessief heeft gedeclareerd. Uit de dossierstukken
blijkt dat verweerder 339 uren heeft geschreven voor werkzaamheden in een relatief
eenvoudig strafdossier van beperkte omvang, te weten 225 pagina’s. Ook het aantal
proceshandelingen in de strafrechtelijke procedure is beperkt gebleven en bestond
uit de verhoren bij de rechter-commissaris, een pro forma-zitting en een inhoudelijke
zitting. Verweerder heeft het totaal van 339 uren niet weersproken. In tegenstelling
tot wat door en/of namens verweerder ter zitting is aangevoerd, zijn deze uren niet
allemaal te relateren aan het gedrag van klager. Het aantal uren van 339, waar klager
€ 136.006,10 voor heeft betaald, staat niet in verhouding tot de verrichte werkzaamheden
in een strafdossier van een dergelijk beperkte omvang.
5.14 Verder stelt de raad vast dat in de opdrachtbevestiging (zie 2.4) geen kosteninschatting
is opgenomen. Daarmee is verweerder onvoldoende transparant geweest over de kosten
bij aanvang van de opdracht. Daartoe was hij wel gehouden op grond van gedragsregel
17 lid 2 en het arrest van het Hof van Justitie van 12 januari 2023, ECLI:EU:C:2023:14.
Ook staat vast dat verweerder in de opdrachtbevestiging niet heeft vermeld wie van
de betrokken advocaten tegen welk uurtarief zou gaan werken. In de opdrachtbevestiging
is slechts vermeld dat de tarieven variëren tussen € 250 en € 650 euro al naar gelang
de ervaring en specialistische kennis van de advocaten. Ook in de declaraties is niet
terug te vinden welke advocaat tegen welk uurtarief werkzaamheden heeft verricht.
Daar komt nog bij dat het uurtarief van verweerder op enig moment is verhoogd van
€ 450 naar € 650 zonder dat klager hierover vooraf schriftelijk is geïnformeerd. In
het dossier is daarover geen communicatie met klager te vinden, behalve dan de urenspecificatie
van 18 oktober 2023 waaruit het verhoogde uurtarief blijkt. Het had op de weg van
verweerder gelegen om hier vooraf duidelijkheid over te geven aan klager en dat is
niet, althans onvoldoende, gebeurd.
5.15 Daarnaast stelt de raad vast dat (het kantoor van) verweerder geen maandelijkse
overzichten van de gewerkte uren aan klager heeft gestuurd. Dit is niet alleen in
strijd met de verplichting van advocaten om periodiek en deugdelijk gespecificeerd
te declareren, maar ook met de toezegging van (het kantoor van) verweerder om iedere
maand een overzicht van de gewerkte uren aan klager te geven. Zoals ter zitting door
(een kantoorgenoot van) verweerder is bevestigd, is dat niet gebeurd.
5.16 Tot slot stelt de raad vast dat verweerder naast een voorschot van ruim
€ 65.000 ook een borg van € 65.000 bij klager in rekening heeft gebracht. Het vragen
van een voorschot aan een cliënt is toegestaan en is in de advocatuur zelfs gebruikelijk,
maar het vragen van een borg naast een voorschot is in ieder geval niet gebruikelijk.
In dit geval is het in vragen van een voorschot en een borg, wat feitelijk neerkomt
op een voorschot van in totaal € 130.000, van een dergelijke omvang aan een particuliere
cliënt in een strafzaak van beperkte omvang niet betamelijk. In de advocaat-cliëntrelatie
heeft de advocaat ten opzichte van zijn cliënt immers al een zekere machtspositie
en door het vragen van een borg naast een voorschot wordt een aanvullende financiële
machtspositie gecreëerd. Van bijzondere omstandigheden om naast een voorschot ook
een borg in rekening te brengen, is de raad uit het dossier niet gebleken. Ook is
het niet gebleken dat verweerder hierover contact met de deken heeft opgenomen.
5.17 Door het excessief declareren, het niet geven van een kosteninschatting,
de onduidelijke en niet transparante opdrachtbevestiging en declaraties, het niet
verstrekken van maandelijkse overzichten en het vragen van een borg naast een voorschot
heeft verweerder gehandeld in strijd met de kernwaarde (financiële) integriteit. Dat
is tuchtrechtelijk verwijtbaar. Klachtonderdeel c) is gegrond.
Klachtonderdeel d) – belang cliënt
5.18 De raad oordeelt dat verweerder niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld
ten aanzien van het belang van klager. Los van de vraag over de juistheid van de gekozen
processtrategie komt uit de stukken het beeld naar voren dat verweerder het belang
van klager in de strafzaak steeds voorop heeft gesteld. Klager wilde kosten noch moeite
sparen om zijn onschuld te bewijzen en dat heeft verweerder ook gedaan door onder
meer deskundigen in te schakelen, de Franse advocaat van klager te benaderen, aanvullend
DNA-onderzoek te laten verrichten en contact te leggen met mr. De J. in Frankrijk,
om de verklaring van klager te kunnen ondersteunen. De omstandigheid dat dit niet
is gelukt en klager door de rechtbank is veroordeeld, betekent niet dat verweerder
zich onvoldoende voor klager heeft ingezet of dat verweerder, zoals klager heeft gesteld,
misbruik heeft gemaakt van de kwetsbare positie waarin klager zich bevond. Het is
uiteindelijk de rechtbank die in de strafzaak van klager het (steun)bewijs heeft beoordeeld
en op grond daarvan tot een veroordeling is gekomen. Klachtonderdeel d) is ongegrond.
Overig
5.19 De feiten en omstandigheden die partijen in hun uitvoerige stukken voor
het overige nog naar voren hebben gebracht ten aanzien van de verwijten die klager
verweerder maakt, leiden niet tot een ander oordeel.
MAATREGEL
5.20 Verweerder heeft het vertrouwen in de advocatuur geschaad door te handelen
in strijd met de in de advocatuur belangrijke kernwaarden deskundigheid en (financiële)
integriteit. Dat is tuchtrechtelijk verwijtbaar. De aard en ernst daarvan rechtvaardigen
de oplegging van een maatregel. In dat verband rekent de raad het verweerder zwaar
aan dat hij op geen enkel moment schriftelijk aan klager heeft bevestigd welk risico
er kleeft aan de processtrategie om de verklaring van klager te wijzigen, terwijl
er al een andersluidende verklaring van klager in het strafdossier zat. Door deze
processtrategie wordt de in zedenzaken zo belangrijke betrouwbaarheid van (de verklaring
van) de verdachte, klager, aangetast. Verweerder heeft er ter zitting geen blijk van
gegeven dat hij het laakbare van zijn handelen ten aanzien van het gebrek aan schriftelijke
vastlegging van de processtrategie inziet.
5.21 Verder rekent de raad het verweerder zwaar aan dat hij excessief voor de
verrichte werkzaamheden heeft gedeclareerd in een relatief eenvoudig strafdossier
van beperkte omvang en dat hij klager voorafgaand aan zijn werkzaamheden geen inschatting
heeft gegeven van de totale kosten. Ook het niet maandelijks verstrekken van overzichten,
zoals door het kantoor van verweerder toegezegd, en de onoverzichtelijke en niet transparante
opdrachtbevestiging en declaraties, waardoor ook ter zitting onduidelijkheid bestond
over wat er in totaal is gedeclareerd en welke declaraties klager heeft betaald, is
ernstig tuchtrechtelijk verwijtbaar.
5.22 Op grond van alle omstandigheden van deze zaak en de in 5.20 en 5.21 genoemde
overwegingen ziet de raad, ondanks het feit dat niet eerder aan verweerder een tuchtrechtelijke
maatregel is opgelegd, aanleiding om aan verweerder de maatregel op te leggen van
een voorwaardelijke schorsing in de uitoefening van zijn praktijk voor de duur van
vier weken.
6 GRIFFIERECHT EN KOSTENVEROORDELING
6.1 Omdat de raad de klacht gedeeltelijk gegrond verklaart, moet verweerder op
grond van artikel 46e lid 5 Advocatenwet het door klager betaalde griffierecht van
€ 50 aan hem vergoeden binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden.
Klager dient binnen twee weken na de datum van deze beslissing zijn rekeningnummer
schriftelijk aan verweerder door te geven.
6.2 Nu de raad een maatregel oplegt, zal de raad verweerder daarnaast op grond
van artikel 48ac lid 1 Advocatenwet veroordelen in de volgende proceskosten:
a) € 25 reiskosten van klager,
b) € 750 kosten van de Nederlandse Orde van Advocaten en
c) € 500 kosten van de Staat.
6.3 Verweerder moet het bedrag van € 25 aan reiskosten binnen vier weken nadat
deze beslissing onherroepelijk is geworden, betalen aan klager. Klager dient binnen
twee weken na de datum van deze beslissing zijn rekeningnummer schriftelijk aan verweerder
door te geven.
6.4 Verweerder moet het bedrag van € 1.250 (het totaal van de in 7.2 onder b
en c genoemde kosten) binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden,
overmaken naar rekeningnummer lBAN: NL85 lNGB 0000 079000, BIC: INGBNL2A, Nederlandse
Orde van Advocaten, Den Haag, onder vermelding van “kostenveroordeling raad van discipline"
en het zaaknummer.
BESLISSING
De raad van discipline:
- verklaart klachtonderdeel a) ten aanzien van het gebrek aan schriftelijke vastlegging
van de processtrategie gegrond, en voor het overige ongegrond;
- verklaart klachtonderdeel c) gegrond;
- verklaart klachtonderdelen b) en d) ongegrond;
- legt aan verweerder de maatregel op van een schorsing in de uitoefening van
zijn praktijk voor de duur van vier weken;
- bepaalt dat deze maatregel niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de raad
van discipline later anders mocht bepalen op de grond dat verweerder de navolgende
algemene voorwaarde niet heeft nageleefd;
- stelt als algemene voorwaarde dat verweerder zich binnen de hierna te melden
proeftijd niet opnieuw schuldig maakt aan een in artikel 46 Advocatenwet bedoelde
gedraging;
- stelt de proeftijd op een periode van twee jaar, ingaande op de dag dat deze
beslissing onherroepelijk wordt;
- veroordeelt verweerder tot betaling van het griffierecht van € 50 aan klager;
- veroordeelt verweerder tot betaling van de reiskosten van € 25 aan klager,
op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald in 7.3;
- veroordeelt verweerder tot betaling van de proceskosten van € 1.250 aan de
Nederlandse Orde van Advocaten, op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald
in 7.4;
- bepaalt dat de in artikel 8a lid 3 Advocatenwet bedoelde termijn wordt verkort
tot twee jaar.
Aldus beslist door mr. M.V. Ulrici, voorzitter, mrs. K.C. van Hoogmoed, D. Horeman,
I.J. de Laat en R. Vos, leden, bijgestaan door mr. A.E. van Oost als griffier en
uitgesproken in het openbaar op 1 juni 2026.
Griffier Voorzitter
Verzonden op: 1 juni 2026