ECLI:NL:TADRAMS:2026:104 Raad van Discipline Amsterdam 26-270/A/A

ECLI: ECLI:NL:TADRAMS:2026:104
Datum uitspraak: 18-05-2026
Datum publicatie: 22-05-2026
Zaaknummer(s): 26-270/A/A
Onderwerp: Grenzen van het tuchtrecht, subonderwerp: Advocaat in overige hoedanigheden
Beslissingen: Voorzittersbeslissing
Inhoudsindicatie: Voorzittersbeslissing; klacht over verweerder in zijn hoedanigheid van klachtenfunctionaris kennelijk ongegrond. Vertrouwen advocatuur niet geschaad.

Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort Amsterdam
van 18 mei 2026 
in de zaak 26-270/A/A

naar aanleiding van de klacht van:

klager

over:

verweerder

De plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline (hierna ook: de voorzitter) heeft kennisgenomen van de brief van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Amsterdam (hierna: de deken) van 30 maart 2026 met kenmerk 2524419/EvR/FS, door de raad ontvangen op dezelfde datum, en van de op de inventarislijst genoemde bijlagen 01 tot en met 04. 

1    FEITEN
Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier, uit van de volgende feiten.
1.1    Op 22 april 2025 heeft klager zich daarom tot het kantoor van verweerder (hierna: het kantoor) gewend met een verzoek tot rechtsbijstand. 
1.2    Diezelfde dag is klager door het kantoor om nadere informatie verzocht. 
1.3    Klager heeft in een brief van 24 april 2025 aanvullende informatie aan het kantoor verstrekt. 
1.4    Op 19 mei 2025 heeft een advocaat van het kantoor, mr. Z, een bericht aan klager gestuurd met daarin: 
“Geachte [klager], we hebben de stukken bekeken maar kunnen helaas u niet helpen hiermee. Het spijt me. […]” 
1.5    Klager heeft hierop diezelfde dag gereageerd met, voor zover relevant: 
“(…) 
Dank voor uw reactie. Deze kwam echter erg hard bij mij binnen. Ik had toch inmiddels een beetje mijn hoop op uw kantoor gevestigd. Maar het roept ook vragen op: Waarom kunt u. kan uw kantoor niet helpen? / Kunt u mij toch misschien iets van advies of een verwijzing meegeven? 
En ik wil u toch vragen uw beslissing te heroverwegen. Misschien kan een gesprek helpen? 
Ik hoop het toch een beetje. […]” 
1.6    Op 6 juni 2025 heeft klager een rappel e-mailbericht aan het kantoor gestuurd. 
1.7    Op 17 juni 2025 heeft klager nogmaals e-mailbericht gestuurd aan het kantoor met daarin, voor zover relevant: 
“(…) 
Ik schrijf u omdat ik graag zou willen weten waarom […] mij geen bijstand kan verlenen. Ik heb haar 19 mei jl. gevraagd wat daar de reden van is en of ze misschien een verwijzing of iets van een advies kon geven. En of zij haar beslissing misschien zou willen heroverwegen. Deze mail heb ik 6 juni nogmaals opgestuurd. Tot op heden niets teruggehoord. Helaas. 
Ik heb zojuist de receptie van uw kantoor gebeld en gevraagd of ik hier iemand over zou kunnen spreken. Waarop ik te horen kreeg dat als […] het niet wil doen, zij het niet wil doen. En dat de kous daarmee af is. Het was volgens receptie niet mogelijk iemand te spreken te krijgen. 
P.s. Ik heb nog lang hoop gekoesterd omdat door mij naar uw kantoor opgestuurde stukken nog altijd daar zijn. Ik begrijp niet waarom het zo loopt. Ik hoop dat u me kunt helpen.
(…)” 
1.8    Hierop heeft een medewerker van het kantoor bij e-mailbericht van 18 juni 2025 gereageerd met, voor zover relevant: 
“(…) 
Hartelijk dank voor uw bericht. Helaas moeten wij – tot onze spijt – opnieuw laten weten dat wij uw zaak, vanwege de aanhoudend hoge werklast binnen ons kantoor, niet verder in behandeling kunnen nemen. Onze excuses voor het eventuele ongemak dat dit voor u veroorzaakt. 
Wij willen u vragen of u uw toegezonden documenten graag fysiek retour wilt ontvangen, of dat u liever een digitale scan per e-mail ontvangt. Laat u ons alstublieft weten wat uw voorkeur heeft? (…)” 
1.9    Op 19 juni 2025 heeft klager een e-mailbericht aan verweerder gestuurd met daarin, voor zover relevant: 
“(…) 
Uit de klachtenregeling van uw kantoor heb ik begrepen dat ik mij tot u kan wenden, betreffende de mail- en informatiewisseling met uw kantoor tussen 22 april en 18 juni van dit jaar. Een wisseling waar ik nu met stijgende verbazing en veel onvrede op terugkijk. Ik wil daar graag met u over praten.
(…)” 
1.10    Verweerder heeft hierop bij e-mailbericht van dezelfde dag gereageerd. 
1.11    In een brief van 23 juni 2025 heeft klager aanvullende informatie aan verweerder verstrekt.
1.12    Op 3 juli 2025 heeft klager in een e-mailbericht aan verweerder geschreven dat hij graag een persoonlijke afspraak wil maken. Verweerder hier op 4 juli 2025 middels een e-mailbericht op gereageerd met, voor zover relevant:  
“(…)Vanwege vakanties en drukte in de praktijk is de eerste mogelijkheid 15 augustus half 11 -half 12 op kantoor. Kunt u laten weten of dat schikt? (…)”
1.13    Op 15 augustus 2025 heeft klager een gesprek gevoerd op het kantoor van verweerder. 
1.14    Op 16 augustus 2025 heeft klager aan verweerder geschreven, voor zover relevant: 
“(…) 
Ik noteer het volgende ter informatie: 
Op 15 augustus jl. heb ik een gesprek gevoerd met de klachtenfunctionaris van [het kantoor] (..). Aanwezig was ook (…) van datzelfde kantoor. 
Tijdens dit gesprek kreeg ik onvoldoende gelegenheid om mijn klacht toe te lichten. Ook heb ik de houding van de klachtenfunctionaris als zeer onvriendelijk en intimiderend ervaren. 
Ik leg dit formeel vast, zodat mijn ervaring onderdeel uitmaakt van het dossier. Ik verzoek u mij alsnog de gelegenheid te geven mijn klacht volledig en in alle rust naar voren te brengen, met ook een andere (objectieve, onafhankelijke, externe) klachtenfunctionaris. (…)”
1.15    Op 28 augustus 2025 heeft verweerder het gespreksverslag en de klachtbeoordeling aan klager gestuurd en klager geïnformeerd dat hierover niet verder kan worden gecorrespondeerd. Verweerder heeft klager verwezen naar de deken. 
1.16    Op 16 september 2025 heeft klager bij de deken een klacht ingediend over verweerder. 

2    KLACHT
2.1    De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klager verwijt verweerder dat hij hem tijdens het klachtgesprek van 15 augustus 2025 onvoldoende de gelegenheid heeft gegeven om zijn klacht toe te lichten. Klager heeft de houding van verweerder als onvriendelijk, agressief en intimiderend ervaren. Klager voelde zich daardoor onveilig. Hij voelt zich door verweerder onheus, respectloos en niet serieus bejegend. 

3    VERWEER
3.1    Verweerder heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De voorzitter zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.

4    BEOORDELING
4.1    De voorzitter stelt bij de beoordeling van de klacht voorop dat tussen klager en verweerder geen advocaat-cliënt relatie tot stand is gekomen. Het verwijt van klager ziet op het handelen van verweerder in een andere hoedanigheid dan die van advocaat. De klacht dient daarom te worden beoordeeld op grond van het hierna te noemen toepasselijk toetsingskader. 
4.2    Het tuchtrecht is bedoeld om te waarborgen dat advocaten hun beroep behoorlijk uitoefenen. Het tuchtrecht kan ook gelden als een advocaat niet optreedt als advocaat. Dat is het geval als er voldoende aanknopingspunten zijn tussen het beroep van advocaat en zijn doen en laten in de andere hoedanigheid. Dan is het advocatentuchtrecht volledig van toepassing. Als deze aanknopingspunten er niet zijn, dan beperkt de tuchtrechter de beoordeling tot de vraag of de advocaat het vertrouwen in de advocatuur heeft geschaad. 
4.3    Klager verwijt verweerder dat hij zich in het gesprek op 15 augustus 2025 agressief en intimiderend heeft opgesteld, als gevolg waarvan klager zich onveilig heeft gevoeld. Van een zorgvuldig en respectvol gesprek was hierdoor geen sprake, aldus klager.  
4.4    Verweerder heeft in zijn verweer begrip getoond voor het feit dat het klager het gesprek op 15 augustus 2025 als moeizaam heeft ervaren. Ook begrijpt verweerder dat klager het onprettig vond dat verweerder hem tijdens het gesprek een aantal keren heeft moeten onderbreken. Verweerder heeft hierover naar het oordeel van de voorzitter echter gemotiveerd toegelicht dat hij dit, in zijn hoedanigheid als klachtenfunctionaris, deed om klager zo goed mogelijk te begrijpen en van dienst te kunnen zijn. Het gesprek had sturing nodig. Verweerder probeerde van klager een concreet beeld te krijgen waaruit de vermeende onbehoorlijkheid zou bestaan en welke schade er door de handelswijze van het kantoor zou zijn veroorzaakt. Dit verliep moeizaam, maar het was niet de intentie van verweerder om klager te intimideren. 
4.5    Naar het oordeel van de voorzitter is geen sprake van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen. Dat klager het gesprek met verweerder als onprettig heeft ervaren, betekent niet dat verweerder (daarom) een tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt. Dat verweerder zich agressief of intimiderend richting klager heeft opgesteld, heeft klager niet geconcretiseerd en wordt door verweerder betwist. Verweerder heeft, in zijn hoedanigheid als klachtenfunctionaris, geprobeerd om klager te helpen. Het was gerechtvaardigd en noodzakelijk dat verweerder klager erop heeft gewezen waar het gesprek wel en niet over kon gaan en dat hij zo goed mogelijk bij klager probeerde te achterhalen waarop zijn klacht nu precies zag. Dat verweerder hiermee het vertrouwen in de advocatuur zou hebben geschaad, is de voorzitter niet gebleken. 
4.6    Op grond van het voorgaande zal de voorzitter de klacht, met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, daarom kennelijk ongegrond verklaren. 


BESLISSING
De voorzitter verklaart: 
de klacht, met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, kennelijk ongegrond. 

Aldus beslist door mr. S.D. Arnold, plaatsvervangend voorzitter, bijgestaan door mr. E.E. Wouters als griffier en uitgesproken in het openbaar op 18 mei 2026. 


Griffier         Voorzitter

Verzonden op: 18 mei 2026