ECLI:NL:TADRAMS:2026:103 Raad van Discipline Amsterdam 26-272/A/A 26-276/A/A
| ECLI: | ECLI:NL:TADRAMS:2026:103 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 18-05-2026 |
| Datum publicatie: | 22-05-2026 |
| Zaaknummer(s): |
|
| Onderwerp: |
|
| Beslissingen: | Voorzittersbeslissing |
| Inhoudsindicatie: | Voorzittersbeslissing; kennelijk ongegronde klacht over de advocaten van de wederpartij. Geen sprake van rauwelijks dagvaarden, het niet-meewerken aan verplaatsing zittingsdatum of het doen van valse verklaringen. |
Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort Amsterdam
van 18 mei 2026
in de zaken 26-272/A/A en 26-276/A/A
naar aanleiding van de klacht van:
klaagster
over:
verweerders
De plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline (hierna ook: de voorzitter) heeft kennisgenomen van de brief van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Amsterdam (hierna: de deken) van 31 maart 2026 met kenmerk 2497855 en 2497856/ER/FS, door de raad ontvangen op dezelfde datum en van de op de inventarislijst genoemde bijlagen 01 tot en met 04.
1 FEITEN
Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier,
uit van de volgende feiten.
1.1 Klaagster is eigenaar van een pand in Amsterdam.
1.2 V.o.f. P huurt de begane grond van dit pand.
1.3 Tussen klaagster en v.o.f. P is een huurgeschil ontstaan.
1.4 Verweerders staan v.o.f. P bij in dit geschil.
1.5 Op 10 maart 2025 heeft verweerder 1 klaagster per brief namens v.o.f. P een
ingebrekestelling en sommatie gestuurd. In de brief is heeft verweerder 1 geschreven,
voor zover relevant:
“(…)
Ik verzoek u om mij binnen 1 week na dagtekening van deze brief per e-mail onvoorwaardelijk
te bevestigen dat u aan bovenstaande sommatie gehoor geeft. Indien ik de gevraagde
schriftelijke bevestiging niet binnen laatstgenoemde termijn van u ontvang, ga ik
ervan uit dat u geen gehoor zult geven aan bovenstaande sommatie en acht ik mij vrij
om namens cliënte zonder nadere aankondiging rechtsmaatregelen jegens u te treffen.
(…)”
1.6 Op 19 maart 2025 heeft verweerder 1 een e-mailbericht aan klaagster gestuurd,
met verweerster 2 in de cc. In het bericht heeft verweerder 1 geschreven:
“Op 10 maart jl. zond ik u de bijgaande ingebrekestelling. Tot op heden heb ik hierop
geen reactie van u ontvangen. Bij die stand van zaken gaat cliënte ervan uit dat u
geen gehoor zult geven aan de sommatie zoals vermeld in de bijgaande brief en ziet
cliënte zich genoodzaakt om rechtsmaatregelen te treffen. In dat verband verzoek ik
u om mij binnen 3 dagen na heden te voorzien van uw verhinderdata voor de komende
6 weken. Indien ik binnen de genoemde termijn geen verhinderdata van u ontvang, ga
ik ervan uit dat u geen verhinderdata heeft.”
1.7 Op (eveneens) 19 maart 2025 heeft klaagster per brief inhoudelijk op de ingebrekestelling
en sommatie van 10 maart 2025 gereageerd.
1.8 Op 18 april 2025 heeft verweerder 1 een e-mailbericht aan klaagster gestuurd
met verweerster 2 in de cc. In het bericht heeft verweerder 1 geschreven:
“Uw brief van 19 maart jl. heb ik in goede orde ontvangen. Cliënte leidt daaruit
af dat u niet voornemens bent om gehoor te geven aan de sommatie in mijn brief van
10 maart jl. Cliënte betreurt dat en ziet zich genoodzaakt om een kort geding op te
starten. In dat verband treft u bijgaand de dagbepaling alsmede de concept dagvaarding
aan. De definitieve versie van de dagvaarding zal binnenkort door een deurwaarder
aan u worden betekend.”
1.9 Als bijlage bij voornoemd e-mailbericht van 18 april 2025 heeft verweerder
1 het op die dag bij de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank) ingediende aanvraagformulier
voor een kort geding gevoegd. Bij verhinderdata van vof P stonden in het formulier
data in april, mei en juni vermeld. Bij verhinderdata van klaagster stond hierop vermeld:
“Niet bekend, opgevraagd maar niet ontvangen.”
1.10 De datum voor het kort geding is hierna door de rechtbank bepaald op 8 mei
2025 om 13:30 uur.
1.11 Op 22 april 2025 heeft de advocaat van klaagster (hierna: mr. W) in een
e-mailbericht aan verweerder 1 geschreven, voor zover relevant:
“(…)
Behalve dat begreep ik van cliënte, althans [de heer D] dat deze niet aanwezig zal
kunnen zijn op 8 mei ter zitting, dit in verband met een al langer geleden gepland
verblijf in het buitenland. Zijn aanwezigheid beschouwt cliënte als onmisbaar en kan
mij voorstellen dat uw cliënten daar net zo over denken.
Mij viel op dat, ten einde de voornoemde datum te kunnen veiligstellen, uiterlijk
25 april aanstaande de dagvaarding zal moeten zijn uitgebracht.
Cliënte stelt voor dat, na opgave van verhinderdata, zij bereid is vrijwillig te
verschijnen. Als het toch van betekening zal komen, dan verzoekt cliënte u cliënten
dat aan mijn kantooradres te doen.”
1.12 Op 23 april 2025 heeft verweerder 1 aan mr. W, met verweerster 2, in een
e-mailbericht geschreven, voor zover relevant:
“(…)
Cliënte heeft mij laten weten dat zij niet akkoord is met uw verzoek tot verplaatsing
c.q. uitstel van de mondelinge behandeling. Indien u de rechtbank aanschrijft ga ik
ervan uit dat u mij gelijktijdig een kopie van uw bericht aan de rechtbank toestuurt,
zodat ik daarop zo nodig namens cliënte kan reageren.
Tot slot verzoek ik u vriendelijk om toekomstige correspondentie in dit dossier
zowel aan mij als aan mijn kantoorgenote [verweerster 2] (cc) te richten, aangezien
zij deze zaak samen met mij behandelt.”
1.13 Op 24 april 2025 heeft mr. W aan de rechtbank, met verweerders in de cc
geschreven, voor zover relevant:
“In de zaak [v.o.f. P] vs [klaagster] (…) is vooralsnog op 8 mei aanstaande om 13:30
een kort geding gepland op verzoek van [v.o.f. P]. Ik sta gedaagde [klaagster], cliënte,
sinds kort bij.
Omdat de belanghebbende bij cliënte, [de heer D] afwezig is op 8 mei, dit in verband
met een al langer gepland verblijf is het verre buitenland, zal [de heer D] niet in
staat zijn de zitting bij te wonen. [De heer D] is persoonlijk nauw betrokken bij
het geschil, dit vanaf de aanvang daarvan hetgeen van grote (inhoudelijke) waarde
blijken te zijn ter zitting, zo niet onmisbaar De dagvaarding is nog niet uitgebracht,
zodat de vele producties cliënte ontbreken. Het is daarmee lastig thans een deugdelijke
inschatting te maken van het te voeren verweer c.a. ter zitting.
De aanwezigheid van [de heer D] is mede van groot belang ten einde partijen ter
zitting in staat te stellen een minnelijke regeling te beproeven. [V.o.f. P] is gevraagd
er mee in te stemmen de zitting te laten plaatsvinden op een andere datum waarbij
cliënte heeft aangegeven als dan vrijwillig te zullen verschijnen. [V.o.f. P] heeft
dat verzoek ongemotiveerd geweigerd en daarbij geen verhinderdata opgegeven.
In verband met de goede procesorde en goed proceseconomie zoals hiervoor omschreven
verzoekt cliënte tot bepaling van een (nieuwe) zittingsdatum.
De verhinderdata zijdens [klaagster] luiden als volgt:
(…)
Dit bericht is gelijktijdig gezonden aan de beide advocaten van [v.o.f. P]. Cliënte
neemt aan dat zij in hun op zeker te verwachten reactie tevens de verhinderdata zullen
opgeven.”
1.14 Op 24 april 2025 heeft verweerder 1 per e-mailbericht aan de rechtbank,
met mr. W en verweerster 2 in de cc, geschreven, voor zover relevant:
“Zojuist nam ik kennis van het onderstaande bericht van [mr. W].
Namens cliënte, [v.o.f. P], maak ik bezwaar tegen het verzoek van [klaagster] om
verplaatsing c.q. uitstel van de geplande mondelinge behandeling. Ten eerste heb ik
[de heer D] reeds op 19 maart jl. per e-mail verzocht om opgave van zijn verhinderdata
(zie 1e bijlage). [De heer D] heeft echter geen verhinderdata aan mij doorgegeven.
Daarom is in het ingediende aanvraagformulier voor het kort geding aangegeven dat
de verhinderdata van [klaagster] wel zijn opgevraagd, maar niet zijn ontvangen. Dat
[de heer D] nu naar eigen zeggen op 8 mei a.s. is verhinderd om de mondelinge behandeling
bij te wonen, vormt wat cliënte betreft dus geen reden om de mondelinge behandeling
te verplaatsen c.q. uit te stellen. Temeer, nu de verhindering van [de heer D] naar
eigen zeggen verband houdt met een al langer gepland verblijf in het buitenland en
[de heer D] dus kennelijk al geruime tijd weet dat hij op 8 mei a.s. verhinderd is.
Ten tweede betreft het een spoedeisende kwestie: (…) Ook om die reden verzet cliënte
zich tegen uitstel van de mondelinge behandeling.
Ten derde gaat cliënte ervan uit dat [de heer D] de mondelinge behandeling zo nodig
ook langs digitale weg (…) bijwonen. Het enkele feit dat [de heer D] naar eigen zeggen
op 8 mei a.s. in het buitenland verblijft is geen reden om de mondelinge behandeling
uit te stellen.
Verder bericht ik u dat ik de dagbepaling en het concept van de kort geding dagvaarding
reeds op 18 april jl. per e-mail aan [de heer D] heb verstuurd (zie 2e bijlage). Cliënte
betwist dan ook dat [klaagster] geen goede inschatting kan maken van het ter zitting
te voeren verweer. Ten overvloede laat ik u hierbij weten dat de kort geding dagvaarding
met producties uiterlijk morgen – dus ruim op tijd – aan [klaagster] zal word[en]
betekend op het kantooradres van [mr. W] (conform het verzoek van [mr. W]). Al met
al hebben [mr. W] en [klaagster] dus voldoende tijd om zich op de mondelinge behandeling
van 8 mei a.s. voor te bereiden.
Kortom, van een klemmende reden om de mondelinge behandeling te verplaatsen c.q.
uit te stellen is geen sprake. Onder verwijzing naar het bepaalde in artikel 9.2 van
het procesreglement verzoek ik u dan ook om het verplaatsingsverzoek van [klaagster]
af te wijzen.
Voor het geval uw rechtbank het verplaatsingsverzoek van [klaagster] wel honoreert,
treft u hieronder de verhinderdata zijdens cliënte aan voor de maanden april en mei:
(…)”
1.15 Dezelfde dag heeft de rechtbank Amsterdam aan verweerder 1 en mr. W per
e-mailbericht geschreven, voor zover relevant:
“Bij berichten van vandaag 10.56 en 12.40 is eerst door [mr. W] verzocht een nieuwe
zittingsdatum te bepalen. Daar heeft [verweerder 1] bezwaar tegen gemaakt.
Gelet op de berichten van partijen ziet de kantonrechter op dit moment geen aanleiding
tot het bepalen van een nieuwe zittingsdatum. De zitting op 8 mei a.s. om 13.30 uur
zal daarom doorgang vinden.
De rechtbank kan desgewenst voor [de heer D] een digitale verbinding faciliteren.
(…)”
1.16 Op 25 april 2025 is de dagvaarding met producties door de deurwaarder op
het kantoor van mr. W aan klaagster betekend.
1.17 Op 8 mei 2025 heeft het kort geding plaatsgevonden. De heer heeft digitaal
aan de zitting deelgenomen. Mr. W was in persoon namens klaagster bij de zitting aanwezig.
1.18 Op 10 juni 2025 heeft de rechtbank vonnis gewezen in het kort geding. Klaagster
is daarbij in het gelijk gesteld.
1.19 Op 11 juni 2025 heeft klaagster bij de deken een klacht ingediend over verweerders.
2 KLACHT
2.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerders tuchtrechtelijk
verwijtbaar hebben gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klaagster verwijt
verweerders:
a) buiten de termijn waarvoor verhinderdata zijn gevraagd een dagvaarding te
hebben uitgebracht, althans een zittingsdatum te hebben laten plannen, waardoor er
sprake is van rauwelijks dagvaarden;
b) te hebben geweigerd mee te werken aan het verplaatsen van de zittingsdatum,
waardoor klaagster werd geschaad in haar mogelijkheid tot een goede verdediging;
c) de rechtbank foutief te hebben voorgelicht door te stellen dat klaagster was
verzocht om verhinderdata door te geven voor de periode waarin ook de bepaalde zittingsdag
viel. Hiermee hebben verweerders een valse verklaring afgegeven aan de rechtbank.
3 VERWEER
3.1 Verweerders hebben tegen de klacht verweer gevoerd. De voorzitter zal hierna,
waar nodig, op het verweer ingaan.
4 BEOORDELING
4.1 Deze zaak betreft een klacht over de advocaten van de wederpartij. Voor alle
advocaten geldt dat zij partijdig zijn en in principe alleen de belangen van hun eigen
cliënt hoeven te behartigen. Zij hebben veel vrijheid om te doen wat in het belang
van hun cliënt nodig is, maar die vrijheid is wel begrensd. Advocaten mogen de belangen
van de wederpartij niet onnodig of op een ontoelaatbare manier schaden. Zij mogen
zich bijvoorbeeld niet onnodig kwetsend uitlaten over de wederpartij. Ook mogen advocaten
niet bewust onjuiste informatie verschaffen. Daarbij geldt dat advocaten er in beginsel
van mogen uitgaan dat de informatie die zij van hun cliënt hebben gekregen juist is.
Slechts in uitzonderingsgevallen zijn advocaten gehouden de juistheid van die informatie
te controleren. Tot slot hoeven advocaten in het algemeen niet af te wegen of het
voordeel dat zij voor hun cliënt willen bereiken, opweegt tegen het nadeel dat zij
aan de wederpartij toebrengen.
4.2 De voorzitter stelt voor de ontvankelijkheid van de klacht voorop dat alleen
de persoon of de rechtspersoon die door het handelen of nalaten van een advocaat direct
in zijn belang wordt of kan worden getroffen, het recht heeft om hierover een klacht
in te dienen. Dit staat in de Advocatenwet. Als het in het algemeen belang is dat
er een tuchtprocedure komt, dan heeft de deken het recht om te klagen.
4.3 De voorzitter stelt vast dat de klacht zich in alle onderdelen tegen beide
verweerders richt. Alhoewel de correspondentie steeds door verweerder 1 is gevoerd,
is verweerster 2 hierin wel consequent meegenomen. Daarbij heeft verweerder 1 in zijn
mailbericht van 23 april 2025 duidelijk gesteld dat hij de zaak tegen klaagster samen
met verweerster 2 behandelde en dat de wederpartij daarom wordt verzocht om de correspondentie
ook aan verweerster 2 te richten. De voorzitter ziet hierin aanleiding om de vermeend
verwijtbare handelingen in de genoemde klachtonderdelen aan beide verweerders toe
te schrijven. De klacht is daarom ten aanzien van beide verweerders ontvankelijk en
zal hierna ten aanzien van hen beiden verder inhoudelijk worden beoordeeld.
Klachtonderdeel a)
4.4 Klaagster verwijt verweerders dat zij haar rauwelijks hebben gedagvaard.
Verweerders hebben buiten de termijn van zes weken waarvoor verhinderdata waren opgevraagd,
een dagvaarding uitgebracht, of in ieder geval een zittingsdatum laten plannen, terwijl
klaagster/de heer D op die datum verhinderd was.
4.5 De voorzitter stelt voorop dat van rauwelijks dagvaarden sprake is als een
partij niet van tevoren door de wederpartij in kennis is gesteld van het voornemen
om een procedure te starten en daardoor wordt overrompeld. Naar het oordeel van de
voorzitter doet die situatie zich hier niet voor.
4.6 De voorzitter weegt hierin het volgende mee. Uit het feitenrelaas volgt dat
verweerder 1 op 10 maart 2025 een ingebrekestelling en sommatie aan klaagster (in
de persoon van de heer D) heeft gestuurd. Omdat hierop geen reactie van de heer D
volgde, heeft verweerder 1 op 19 maart 2025 een e-mailbericht aan hem gestuurd, waarin
hij schrijft dat zijn cliënt zich, bij deze stand van zaken, genoodzaakt zag om rechtsmaatregelen
te treffen. Verweerder 1 heeft de heer D verzocht om hem binnen drie dagen te voorzien
van verhinderdata voor de komende zes weken. De heer D heeft hierop op 18 april 2025
alleen een inhoudelijke reactie gegeven, zonder dat hij daarbij zijn verhinderdata
heeft opgegeven. Hierna heeft verweerder 1 op 18 april 2025 aan de heer D geschreven
dat zijn cliënt zich genoodzaakt zag om een kort geding te starten. Verweerder 1 heeft
daarbij een concept van de dagvaarding aan de heer D gestuurd, alsmede een ingevuld
aanvraagformulier voor een kort geding waarop stond vermeld dat er bij klaagster verhinderdata
waren opgevraagd maar dat deze niet waren ontvangen. Vervolgens hebben de advocaat
van klaagster, mr. W, en verweerders verder met elkaar gecorrespondeerd, waarna het
door mr. W ingediende uitstelverzoek op 24 april 2025 door de rechtbank is afgewezen.
De zitting heeft vervolgens op 8 mei 2025 plaatsgevonden.
4.7 Zoals door verweerders gemotiveerd uiteen is gezet, blijkt uit de hiervoor
beschreven gang van zaken dat verweerders klaagster (de heer D) herhaaldelijk en ruim
van tevoren op de hoogte hebben gesteld van het voornemen van v.o.f. P om klaagster
in rechte te betrekken. Aan klaagster is vooraf een concept dagvaarding gestuurd en
ook was klaagster ruim van tevoren op de hoogte van de geplande zittingsdatum. Pas
nadat de rechtbank op 24 april 2025 had beslist dat de zitting niet werd uitgesteld,
is de dagvaarding aan klaagster betekend, zodat van rauwelijks dagvaarden geen sprake
was.
4.8 Voor zover klaagster verweerders in dit klachtonderdeel (ook) verwijt dat
de zitting was gepland op een datum waarop klaagster verhinderd was, overweegt de
voorzitter dat verweerder 1 op 19 maart 2025 om opgave van verhinderdata heeft verzocht.
Verweerder 1 heeft toen aan de heer D geschreven dat hij, indien hij binnen drie dagen
geen verhinderdata van klaagster zou ontvangen, ervan uit zou gaan dat de heer D geen
verhinderdata had. Omdat de heer D hierna geen verhinderdata aan verweerders heeft
verstrekt, mochten en konden zij ervan uitgaan dat klaagster deze niet had. Dat de
rechtbank de zitting uiteindelijk op een datum heeft bepaald waarop de heer D verhinderd
was, kan verweerders daarom niet worden verweten.
4.9 De voorzitter concludeert op grond van het voorgaande dat geen sprake is
van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen. Klachtonderdeel a) is kennelijk ongegrond.
Klachtonderdeel b)
4.10 Het in dit klachtonderdeel aan verweerders gemaakte verwijt dat zij ten
onrechte hebben geweigerd mee te werken aan het verplaatsen van de zittingsdatum,
slaagt naar het oordeel van de voorzitter evenmin. Verweerders hoeven, gelet op het
onder 4.1 genoemde toetsingskader, alleen het belang van hun cliënt te behartigen.
V.o.f. P, de cliënte van verweerders, stemde niet in met het verzoek van klaagster
tot het wijzigen van de zittingsdatum. Verweerders waren daarom gehouden om bezwaar
te maken tegen het verzoek van klaagster. Het stond hen daarbij vrij om dit te doen
op de wijze zoals zij dit hebben gedaan in het e-mailbericht van 24 april 2025. Dat
klaagster hierdoor in haar verdediging zou zijn geschaad, is de voorzitter niet gebleken.
De voorzitter weegt hierin mee dat klaagster zich ter zitting heeft laten vertegenwoordigen
door haar advocaat, mr. W. Daarnaast was de heer D, bestuurder van klaagster, digitaal
bij de zitting aanwezig. Klaagster heeft dan ook voldoende gelegenheid gekregen om
tijdens de zitting verweer te voeren en heeft daarvan ook gebruik gemaakt. Het verwijt
dat de zitting op een voor de heer D ongunstig tijdstip was en digitaal voor hem niet
te volgen was, heeft klaagster niet nader onderbouwd en dit is de voorzitter ook overigens
niet gebleken. Bovendien zou dat geen omstandigheid zijn die verweerders kan worden
aangerekend.
4.11 Klachtonderdeel b) is kennelijk ongegrond.
Klachtonderdeel c)
4.12 Ten aanzien van klachtonderdeel c) stelt de voorzitter vast dat verweerder
1 in zijn brief van 24 april 2025 aan de rechtbank heeft geschreven dat hij de heer
D op 19 maart 2025 had verzocht om opgave van zijn verhinderdata, maar dat daarop
geen verhinderingen waren doorgegeven. Gelet daarop heeft verweerder 1, zo schrijft
hij aan de rechtbank, in het aanvraagformulier kort geding opgeschreven dat de verhinderdata
van klaagster “wel zijn opgevraagd, maar niet zijn ontvangen”. Verweerder 1 heeft
bij dit bericht aan de rechtbank als bijlage 1 een kopie van zijn e-mailbericht aan
de heer D van 19 maart 2025 meegezonden.
4.13 Naar het oordeel van de voorzitter blijkt uit het voorgaande niet dat door
verweerders aan de rechtbank zou zijn gesuggereerd dat de verhinderdata van klaagster
waren opgevraagd voor de periode waarin de geplande zittingsdatum viel. Van het doen
van een valse verklaring van verweerders aan de rechtbank is geen sprake.
4.14 Daarmee is ook klachtonderdeel c) kennelijk ongegrond.
BESLISSING
De voorzitter verklaart:
de klachtonderdelen a), b) en c) met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, ten
aanzien van beide verweerders kennelijk ongegrond.
Aldus beslist door mr. J.J. Roos, plaatsvervangend voorzitter, bijgestaan door mr.
E.E. Wouters als griffier en uitgesproken in het openbaar op 18 mei 2026.
Griffier Voorzitter
Verzonden op: 18 mei 2026