ECLI:NL:TADRAMS:2026:102 Raad van Discipline Amsterdam 26-279/A/A

ECLI: ECLI:NL:TADRAMS:2026:102
Datum uitspraak: 18-05-2026
Datum publicatie: 22-05-2026
Zaaknummer(s): 26-279/A/A
Onderwerp: Zorg voor de cliënt, subonderwerp: Beleidsvrijheid
Beslissingen: Voorzittersbeslissing
Inhoudsindicatie: Voorzittersbeslissing; klacht is kennelijk ongegrond. Het staat verweerster vrij om een zaak al dan niet aan te nemen.

Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort Amsterdam
van 18 mei 2026 
in de zaak 26-279/A/A

naar aanleiding van de klacht van:

klager

over:

verweerster

De voorzitter van de raad van discipline (hierna ook: de voorzitter) heeft kennisgenomen van de brief van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Amsterdam (hierna: de deken) van 31 maart 2026 met kenmerk 2520607/EvR/AP door de raad ontvangen op dezelfde datum en van de op de inventarislijst genoemde bijlagen 01 tot en met 04. 

1    FEITEN
Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier, uit van de volgende feiten.
1.1    Op 12 mei 2025 heeft klager een brief verweerster gestuurd naar aanleiding van een lezing die verweerster heeft gegeven. Klager schrijft in de brief, voor zover relevant:  
“(…) 
Het is alweer een maand of zeven, acht geleden dat ik het genoegen had om uw Meindert Fennema-lezing te volgen. Een lezing waarvan de inhoud voor mij zeer herkenbaar was. (…) De afgelopen jaren heb ik mij samen met een aantal collegae en geïnspireerd door met name ook het toeslagenschandaal gebogen over de vraag hoe het kan dat onze rechtsstaat niet sterk genoeg is om een dergelijk schandaal te voorkomen en wat daarbij de rol is van de instituties die de burger zouden moeten beschermen. Dat heeft inmiddels een dossier opgeleverd dat gerust verbijsterend mag worden genoemd.
(…)
Denkbaar is dat u met uw lezing slechts een signaal heeft willen afgeven en het daarbij wilt laten. De indruk die ik van u heb is echter dat u, net als wij, wilt dat er nu eens écht wat ten goede verandert. Als die indruk juist is dan weet u mij te bereiken. 
(…)”
1.2    Op 14 mei 2025 heeft verweerster hierop in een e-mailbericht gereageerd met: 
“Dank voor uw bericht. Ik zie geen aanknopingspunt om hier op inhoudelijk te reageren.”
1.3    Op 13 juni 2025 heeft klager nogmaals een e-mailbericht aan verweerster gestuurd, waarin hij haar bedankt voor haar snelle reactie. Klager heeft daarnaast een casus aan verweerster uiteen gezet. Hij heeft zijn bericht afgesloten met, voor zover relevant: 
“(…) Mocht het vervolgens zo zijn onze inmiddels jarenlange inspanningen om de rechtsbescherming van de burger te verbeteren u aanspreken dan zouden wij het ten zeerste waarderen wanneer u ons als advocaat wilt bijstaan in de verdere afwikkeling van de onderhavige zaak. Ik verneem gaarne of u bereid bent om die rol op zich te nemen, en zo ja, onder welke voorwaarden en tegen welke vergoeding u dit zou kunnen doen.”
1.4    Op 21 juli 2025 heeft klager verweerster wederom gemaild, onder verwijzing naar zijn bericht van 13 juni 2025. Klager heeft geschreven: 
“Bij onderstaand mailtje heb ik u verzocht om ons in de kwestie (…), die inmiddels veel meer dan over het functioneren van onze huidige Nationale ombudsman over dat van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State gaat, bij te staan als advocaat. Dat verzoek heeft eerder vandaag nog wat verder aan gewicht gewonnen nu ik tussen de post de brief aantrof die u bijgaand ontvangt in kopie, bij welke brief ik ben uitgenodigd om mij eerdaags te laten aanhouden op verdenking van bedreiging. Hoewel die verdenking mij volkomen ongegrond lijkt laat ik mij in deze gaarne bijstaan door een advocaat die net zo gemotiveerd is om wat te doen aan de falende rechtsbescherming van de burger als ik, waarbij het u wellicht niet zal verbazen dat mijn gedachten nog altijd naar u uitgaan. Ik stel het dan ook op prijs wanneer u mij thans zo spoedig mogelijk wilt laten weten of u bereid bent om die rol te vervullen. Mocht dat onverhoopt niet het geval zijn dan zou ik het alleszins waarderen wanneer u niet alleen wilt verhelderen waarom ik heb aangeklopt bij het verkeerde adres, maar ook wilt aangeven welke van uw collegae die rol wél zou kunnen vervullen vanuit de kritische houding die ook u in uw Meidert Fennema-lezing tentoon heeft gespreid. Waarvoor bij voorbaat dank!”
1.5    Op 3 september 2025 heeft klager verweerster een brief gestuurd met als onderwerp: “een klacht en een uitnodiging”. In de brief heeft klager aan verweerster geschreven, voor zover relevant: 
“Bij e-mail van 21 juli 2025 heb ik in een situatie die ik, naar ik meen op goede gronden, als nogal bedreigend heb ervaren een beroep op u gedaan. (…) 
Tot mijn verbazing heeft u indertijd en zelfs nu nog altijd niet op mijn hulpverzoek gereageerd. Dat had u weliswaar ook niet op het verzoek om bijstand dat ik u eerder al eens bij e-mail van 13 juni 2025 had doen toekomen, maar dat verzoek was aanmerkelijk minder dringend van karakter en behoefde dus ook niet al meteen te worden beantwoord. Nu ik opeens bleek te zullen worden aangehouden en verhoord op verdenking van bedreiging was er sprake van een acute noodsituatie waarin naar het mij voorkomt van iedere advocaat mag worden verwacht dat zij (m/v) degene die een beroep op haar doet niet zomaar overlaat aan zijn lot. 
(…) 
Daarnaast heb ik kennisgenomen van de moedige uitspraken die u in uw Meindert Fennema-lezing heeft gedaan (…) En dan is uw naam ook nog eens verbonden aan die van (…) waardoor u over een goede neus lijkt te beschikken voor de geur die ontstaat wanneer de Staat, zoals dat ook bij mij inmiddels het geval is, het grovere geschut van stal haalt. Dat alles maakte – en maakt – dat ik mij niet zonder enige verwachtingen juist tot u heb gewend. U begrijpt ongetwijfeld de teleurstelling die mij zal bekruipen wanneer alsnog zou blijken dat ik mij in uw persoon heb vergist. (…) In uw geval vertrouw ik er echter nog steeds op dat er vast een goede reden zal zijn geweest die heeft gemaakt dat ik geen reactie op mijn verzoek om hulp heb ontvangen. Ik nodig u dan ook gaarne uit om te beproeven of wij langs de weg van een gesprek de lucht kunnen klaren (…)”
1.6    Verweerster heeft hierop dezelfde dag in een e-mailbericht gereageerd met: 
“Op 13 mei 2025 heb ik u per email medegedeeld dat ik geen aanknopingspunten zie. Het is dus niet juist wat u schrijft dat ik niet heb gereageerd op uw bericht. Mijn standpunt is niet gewijzigd. Ik sluit bij deze de correspondentie.”
1.7    In een e-mailbericht van 4 september 2025 heeft klager hierop gereageerd met, voor zover relevant: 
“(…)
Het is op dit verzoek dat ik toch echt graag een reactie had ontvangen. Een reactie die bij voorkeur ongeveer net zo vlot zou zijn gekomen als de reactie die u gisteren wist te geven en die liefst ook wat minder bot zou zijn geweest dan de reactie waarmee u nu wel even ‘de correspondentie’ denkt te kunnen sluiten. 
(…)”
1.8    Op 6 september 2025 heeft klager bij de deken een klacht ingediend over verweerster. 

2    KLACHT
2.1    De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klager verwijt verweerster dat zij: 
a)    heeft verzuimd om in een juridische noodsituatie - klager zou daags daarna worden aangehouden en verhoord omdat hij een ernstig misdrijf zou hebben gepleegd - te reageren op het verzoek om bijstand waarmee klager zich tot haar heeft gericht; 
b)    de klacht van klager, over zijn onvrede over deze kwalijke gang van zaken, die ook nog eens haaks staat op verweerster haar publieke optreden en zich geenszins laat verenigen met de verwachtingen die zij met dat optreden heeft gewekt, op een botte manier te hebben afgedaan. 

3    VERWEER
3.1    Verweerster heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De voorzitter zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.

4    BEOORDELING
4.1    De tuchtrechter toetst bij de beoordeling van een over een advocaat ingediende klacht het aan de advocaat verweten handelen of nalaten aan de in artikel 46 Advocatenwet omschreven normen, waaronder de kernwaarden neergelegd in artikel 10a Advocatenwet. Bij deze toetsing is de tuchtrechter niet gebonden aan de gedragsregels, maar die regels kunnen, gelet op het open karakter van de wettelijke norm, daarbij wel van belang zijn. Of sprake is van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen hangt af van de feitelijke omstandigheden en wordt door de tuchtrechter per geval beoordeeld.
4.2    De voorzitter ziet in de inhoud van de klachtonderdelen aanleiding voor een gezamenlijke beoordeling.
4.3    De voorzitter stelt vast dat klager verweerster bij e-mailbericht van 12 mei 2025 heeft geschreven dat een door haar gehouden lezing hem had aangesproken. Klager had hierdoor de indruk gekregen dat verweerster, net als klager, wenste dat er nu “echt eens iets ten goede zou gaan veranderen”. Klager heeft verweerster in het bericht laten weten dat zij hem wel “wist te vinden” als deze bij klager gewekte indruk zou kloppen. Verweerster heeft hierop op 14 mei 2025 gereageerd met de mededeling dat zij geen aanknopingspunten zag voor een reactie. 
4.4    Nadat klager verweerster hierna nogmaals meerdere keren, te weten op 13 juni 2025, 21 juli 2025 en op 3 september 2025 had aangeschreven, heeft verweerster klager op 3 september 2025 bericht dat zij hiervoor al op klager had gereageerd, dat haar eerdere standpunt niet was gewijzigd en dat zij de correspondentie met klager verder afsloot. 
4.5    Zoals ook door verweerster terecht is aangevoerd, maakt het feit dat klager zich niet kan vinden in de afwijzing van verweerster, en dat deze niet paste bij de indruk die klager, op basis van de lezing van verweerster, van haar had gekregen, niet dat zij (daarom) tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. 
4.6    De voorzitter weegt hierin het volgende mee. Verweerster heeft klager in haar eerste bericht van 14 mei 2025 duidelijk laten weten geen aanknopingspunten te zien voor een inhoudelijke reactie. Dat hierna zou zijn gebleken van een zodanig acute “juridische noodsituatie” of andere veranderde omstandigheden, die toen (alsnog) wel noopte tot een reactie van verweerster, is de voorzitter niet gebleken. Klager was in verband met een tegen hem gerezen verdenking op zoek naar een advocaat. Het staat een advocaat echter vrij om een zaak al dan niet aan te nemen. Indien een advocaat besluit om een zaak niet aan te nemen, kan hem of haar dat niet tuchtrechtelijk worden verweten. 
4.7    Dat het laatste bericht van verweerster van 3 september 2025 “bot” van toon zou zijn, of dat verweerster zich op enige andere wijze tuchtrechtelijk verwijtbaar zou hebben uitgelaten richting klager of zijn klacht onjuist zou hebben afgedaan, mag door klager zo gevoeld zijn, maar wordt door de voorzitter niet gevolgd.
4.8    Op grond van het voorgaande is de voorzitter van oordeel dat geen sprake is van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen. De voorzitter zal de klacht, met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, daarom in beide klachtonderdelen kennelijk ongegrond verklaren. 

BESLISSING
De voorzitter verklaart: 
de klacht, met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, kennelijk ongegrond.

Aldus beslist door mr. M.V. Ulrici, voorzitter, bijgestaan door mr. E.E. Wouters als griffier en uitgesproken in het openbaar op 18 mei 2026. 


Griffier         Voorzitter

Verzonden op: 18 mei 2026