ECLI:NL:TADRAMS:2026:101 Raad van Discipline Amsterdam 26-284/A/NH

ECLI: ECLI:NL:TADRAMS:2026:101
Datum uitspraak: 18-05-2026
Datum publicatie: 22-05-2026
Zaaknummer(s): 26-284/A/NH
Onderwerp: Grenzen van het tuchtrecht, subonderwerp: Advocaat in hoedanigheid van deken of tuchtrechter
Beslissingen: Voorzittersbeslissing
Inhoudsindicatie: Voorzittersbeslissing; kennelijk ongegronde klacht over verweerder in hoedanigheid van deken.

Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort Amsterdam
van 18 mei 2026
in de zaak 26-284/A/NH

naar aanleiding van de klacht van:

klagers
gemachtigde: 

over:

verweerder

De plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline (hierna ook: de voorzitter) heeft kennisgenomen van de brief van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Noord-Holland (hierna: de deken) van 1 april 2026 met kenmerk Z 2503311, door de raad ontvangen op 1 april 2026, en van de op de inventarislijst genoemde bijlagen 1 tot en met 7 (A-klachtdossier) en 9 tot en met 10 (B-Overige correspondentie). 

1    FEITEN
Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier, uit van de volgende feiten.
1.1    Verweerder is de huidige deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Gelderland. 
1.2    Klager 1 heeft als de gemachtigde van klager 2 op 9 mei 2025 via het daarvoor bestemde webformulier bij verweerder als deken een klacht ingediend over mr. M. De klachtzaak betreft een klacht over de advocaat van de wederpartij van klager 2. 
1.3    Bij e-mail van 20 mei 2025 is namens verweerder de ontvangst van de klacht bevestigd en de Leidraad dekenaal klachtenonderzoek 2023 (hierna: de leidraad) meegezonden. 
1.4    Bij e-mail van 22 mei 2025 heeft klager 1 vervolgens een klacht ingediend over verweerder en de leidraad die verweerder hanteert. Volgens klager 1 staat in 1.2 van de leidraad ten onrechte vermeld dat de klacht beknopt moet worden beschreven. Hiermee wordt de vrijheid van een klager om een klacht in te dienen onnodig beperkt.
1.5    Bij e-mail van 23 mei 2025 heeft een medeweker van verweerder namens verweerder - en met mr. M in cc - als volgt geantwoord, voor zover relevant: 
“In uw e-mail van 22 mei jl. beklaagt u zich over de deken met betrekking tot de inhoud van de leidraad.(. ....). In het geval u een klacht wil indienen tegen de deken (…), verwijs ik u naar het Hof van Discipline: https:l/hofvandiscipline.n/”
1.6    Klager 1 heeft hierop per e-mail van 26 mei 2025 aan de deken geantwoord: 
“Betreft klacht tegen de deken Geachte heer/ mevrouw
In reactie op mijn klacht over de handelwijze van de deken heeft mijnheer Van W(…) [juridisch medewerker verweerder] mij verwezen naar het hof van discipline. Die verwijzing is niet juist. Een klacht over de deken kan wel degelijk ook bij de deken worden ingediend.
Ik vraag u daarom om mijn klacht tegen de deken alsnog en naar behoren in behandeling te nemen.
Ik wil de zaak niet op de spits drijven maar u moet zich dan niet verschuilen achter een apert onjuist standpunt van mijnheer Van Weefden.
Groet
[klager 1]”
1.7    Namens verweerder heeft de juridisch medewerker bij e-mail van 3 juni 2025 het Klachtenreglement van de Orde van Advocaten in het arrondissement Gelderland toegezonden en in de begeleidende e-mail namens verweerder geschreven: 
“Het is mogelijk om een klacht in te dienen tegen de deken (…). Bijgaand zend ik u het klachtenreglement* van de Orde van Advocaten Gelderland.
Voor de inhoud verwijs ik u naar de bijlage.
Gelet op artikel 2 lid 1 juncto lid 2 van het klachtenreglement heeft eenieder het recht om een klacht in te dienen over de wijze waarop een bestuursorgaan of een persoon werkzaam onder de verantwoordelijkheid van een bestuursorgaan zich jegens hem of een ander heeft gedragen. Vriendelijk verzoek ik u in uw klaagschrift te motiveren over welke gedraging van het bestuursorgaan of de persoon werkzaam onder de verantwoordelijkheid van het bestuursorgaan u klaagt.”
1.8    Op 4 juni 2025 heeft klager 1 bij de voorzitter van het Hof van Discipline een klacht over verweerder ingediend. 
1.9    Bij beslissing van 26 juni 2025 heeft de voorzitter van het Hof van Discipline de klacht voor onderzoek en afhandeling verwezen aan de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Noord-Holland. 
1.10    Bij e-mail van 29 juli 2025 heeft klager 1 de deken laten weten dat klager 2 zich gelet op het door verweerder op de klachtonderdelen a tot en met c gevoerde niet-ontvankelijkheidsverweer aansluit bij die klachtonderdelen.
1.11    Na het overleggen van een machtiging, is de deken ermee akkoord gegaan dat de klacht wordt beschouwd als mede ingediend door klager 2 voor zover het betreft klachtonderdelen a), b) en c).  Nadien zijn de door klagers ingediende klachtonderdelen b) en c) ingetrokken, zodat uitsluitend één klachtonderdeel namens beide klagers ter beoordeling voorligt. 

2    KLACHT
2.1    De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. 
2.2    Klagers 1 en 2 verwijten verweerder het volgende:  
a)    verweerder heeft zich ten onrechte bediend van de leidraad waarin staat vermeld dat een klacht beknopt moet zijn omschreven;
2.3.    Klager 1 verwijt verweerder het volgende:
b)    verweerder heeft in zijn brief van 23 mei 2023 ten onrechte vermeld “in het geval u een klacht wil indienen tegen de deken” terwijl reeds op 22 mei 2025 een klacht over de deken was ingediend; 
c)    verweerder heeft voor het indienen van een klacht tegen hem als deken dwingend verwezen naar het Hof van Discipline;
d)    verweerder heeft ten onrechte de klacht van klager 1 van 22 mei 2025 niet in behandeling genomen;
e)    verweerder heeft ten onrechte aan klager 1 verzocht om te motiveren over welke gedraging van het bestuursorgaan of de persoon werkzaam onder de verantwoordelijkheid van het bestuursorgaan hij klaagt;
f)    verweerder heeft ten onrechte een kopie van de brief van 23 mei 2025 aan de advocaat van de wederpartij van klager 2 gestuurd.
g)    verweerder heeft ten onrechte in zijn verweer de stellingname gehandhaafd dat een klacht tegen hem (als deken) uitsluitend via het Hof van Discipline kan worden ingediend en niet ook door een bij de deken zelf ingediende klacht.

3    VERWEER
3.1    Verweerder heeft tegen de klachtonderdelen verweer gevoerd. De voorzitter zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.

4    BEOORDELING
Maatstaf 
4.1    De klacht heeft betrekking op het handelen van verweerder in zijn hoedanigheid van deken. Het tuchtrecht is bedoeld om te waarborgen dat advocaten hun beroep behoorlijk uitoefenen. Het tuchtrecht kan ook gelden als een advocaat niet optreedt als advocaat. Dat is het geval als er voldoende aanknopingspunten zijn tussen het beroep van advocaat en zijn doen en laten in de andere hoedanigheid. Dan is het advocatentuchtrecht volledig van toepassing. Als deze aanknopingspunten er niet zijn, dan beperkt de tuchtrechter de beoordeling tot de vraag of de advocaat het vertrouwen in de advocatuur heeft geschaad. 
4.2    Als deken oefent verweerder - in beginsel - niet zijn beroep van advocaat uit, maar houdt hij toezicht op de naleving van (onder meer) de Advocatenwet. Mede gelet hierop zijn er naar het oordeel van de voorzitter onvoldoende aanknopingspunten met het beroep van advocaat en zal getoetst worden of verweerder zich in zijn functie van deken zodanig heeft gedragen dat daardoor het vertrouwen in de advocatuur is geschaad.
Klachtonderdeel a) van klagers 1 en 2
4.3    Dit klachtonderdeel gaat over de behandeling van de klacht, die klager 1 op 9 mei 2025 namens klager 2 over mr. M bij verweerder heeft ingediend. Klagers verwijten verweerder dat hij met zijn ontvangstbevestiging van 20 mei 2025 zonder voorbehoud de leidraad heeft meegestuurd, waarin in artikel 1.2 staat dat een klacht beknopt moet zijn omschreven. Door deze leidraad als uitgangspunt te nemen bij de behandeling van klachten wordt de vrijheid om een klacht in te dienen onnodig beperkt. 
4.4    Voor zover de klacht door klager 1 is ingediend geldt het volgende. Op grond van de Advocatenwet heeft alleen de persoon of de rechtspersoon die door het handelen of nalaten van een advocaat direct in zijn belang wordt of kan worden getroffen, het recht om hierover een klacht in te dienen. Het verwijt in dit klachtonderdeel gaat over het handelen van verweerder in relatie tot de cliënt van klager 1 (dat is klager 2) in de behandeling van de klachtzaak van klager 2 over mr. M. Klager 1, die zelf niet geklaagd heeft over mr. M, is hierdoor niet rechtstreeks in zijn belang geraakt. Klager 1 wordt dan ook kennelijk niet-ontvankelijk verklaard in klachtonderdeel a). 
4.5    Voor zover dit klachtonderdeel ingediend is door klager 2 dient het kennelijk ongegrond te worden verklaard. Zoals verweerder terecht heeft aangevoerd is artikel 1.2 in de leidraad opgenomen om de klachtbehandeling zo effectief mogelijk te laten verlopen. Een duidelijke en beknopte klacht stelt de deken in staat om de inhoud snel en zorgvuldig te beoordelen. Op verzoek van de klager of wanneer het de klager niet lukt om de klacht op de gewenste wijze te formuleren of samen te stellen, zal de deken hem op grond van artikel 46c Advocatenwet daarbij behulpzaam zijn. Artikel 1.2 draagt er daarmee aan bij dat zowel de deken als - indien van toepassing - de raden van discipline hun taken goed kunnen uitvoeren. Verder geldt dat de leidraad niet meer is dan een richtsnoer. Er staan geen bepalingen in waaraan de deken zich onder alle omstandigheden moet houden. Anders dan klager 2 stelt, kan verweerder niet worden verweten dat hij de klacht conform de leidraad behandelt. Klachtonderdeel a) voor zover ingediend door klager 2 is daarmee kennelijk ongegrond. 
Klachtonderdelen b), c), d), e) en g) van klager 1
4.6    Deze klachtonderdelen lenen zich gelet op hun onderlinge samenhang voor een gezamenlijke beoordeling. Klager 1 verwijt verweerder dat hij in zijn brief van 23 mei 2025 aan klager 1 heeft geschreven “in het geval u een klacht wil indienen tegen de deken”, terwijl klager 1 op 22 mei 2025 al een klacht over verweerder had ingediend (klachtonderdeel b). Verder heeft verweerder klager 1 voor het indienen van een klacht over hem als deken ten onrechte dwingend verwezen naar het Hof van Discipline en ten onrechte zijn stellingname in verweer gehandhaafd dat een klacht over een deken uitsluitend bij het Hof van Discipline kan worden ingediend. Een klacht over een deken kan namelijk wel degelijk ook ingediend worden bij de betrokken deken, aldus klager 1 (klachtonderdelen c en g). Verweerder had in de e-mail van klager 1 van 26 mei 2025 aanleiding moeten zien om de klacht alsnog direct in behandeling te nemen. In plaats daarvan heeft verweerder klager 1 op 3 juni 2025 meegedeeld dat het ook mogelijk was om op grond van het Klachtenreglement van de Orde van Advocaten Gelderland een klacht over de deken in te dienen (klachtonderdeel d). Tot slot heeft verweerder klager in diezelfde e-mail van 3 juni 2025 ten onrechte verzocht te motiveren over welke gedraging van het bestuursorgaan of de persoon werkzaam onder de verantwoordelijkheid van het bestuursorgaan klager 1 klaagt. Door dit zo te vragen heeft verweerder geprobeerd om klager 1 op het verkeerde been te zetten. In de klacht van 22 mei 2025 staat namelijk al duidelijk dat zijn de klacht ging over de deken (klachtonderdeel e).  
4.7    Deze klachtonderdelen slagen niet. Op grond van de Advocatenwet worden tuchtrechtelijke klachten over een deken via het Hof van Discipline ingediend. De voorzitter van het Hof verwijst een dergelijke klacht, conform artikel 46c, lid 5, van de Advocatenwet, vervolgens naar een deken van een andere orde voor onderzoek en afhandeling. De deken verricht zelf geen onderzoek naar over hem ingediende tuchtklachten. Verweerder heeft in overeenstemming met dit wettelijke systeem gehandeld door klager 1 hierop in zijn e-mail van 23 mei 2025 te wijzen. Dat klager 1 op 22 mei 2025 al rechtstreeks bij verweerder een klacht had ingediend, maakt dit niet anders. De klacht was immers bij het verkeerde loket ingediend. Daarmee zijn klachtonderdelen b), c) en g) kennelijk ongegrond. Naar aanleiding van de e-mail van klager 1 van 26 mei 2025 heeft verweerder klager 1 op 3 juni 2025 terecht gewezen op de mogelijkheid om conform het Klachtenreglement van zijn orde een bestuursrechtelijke klacht in te dienen, voor zover klager 1 dat zou beogen. Anders dan klager 1 lijkt te veronderstellen had verweerder naar aanleiding van de e-mail van klager 1 van 26 mei 2025 niet alsnog zelf de klacht over hem in behandeling kunnen nemen. Ook klachtonderdeel d) is daarmee kennelijk ongegrond. Op grond van artikel 3, lid 2, van het Klachtenreglement dient uit de klacht duidelijk te blijken tegen welke gedraging de klacht is gericht. Met dit doel is het aan klager 1 om te motiveren over welke gedraging er werd geklaagd. Het is de voorzitter niet gebleken dat verweerder hiermee geprobeerd heeft om klager 1 op het verkeerde been te zetten. klachtonderdeel e) is derhalve eveneens kennelijk ongegrond.   
Klachtonderdeel f) van klager 1
4.8    In dit klachtonderdeel verwijt klager 1 verweerder dat hij ten onrechte een kopie van zijn e-mail aan klager 1 van 23 mei 2025 aan de advocaat van de wederpartij van klager 2 (mr. M) had gestuurd. Mr. M staat volledig buiten de klacht van klager 1 over de deken. Door mr. M een kopie van de e-mail te verstrekken heeft verweerder de geheimhouding en vertrouwelijkheid geschonden.  
4.9    De voorzitter volgt klager 1 niet in deze stelling en overweegt hiertoe het volgende. De klacht van klager 1 van 22 mei 2025 had deels betrekking op de toepassing en inhoud van de leidraad in de klachtzaak van klager 2 over mr. M en stond daarmee in direct verband met die klachtzaak. De klacht bevatte dan ook informatie die de beklaagde advocaat, mr. M, aanging en is gelet hierop terecht met mr. M gedeeld. Verder geldt dat de e-mail van verweerder van 23 mei 2025, zoals verweerder terecht heeft betoogd, slechts de algemene opmerking bevat dat klachten over de deken bij het Hof van Discipline kunnen worden ingediend. Daarmee is geen sprake van het delen van vertrouwelijke informatie of van gegevens die onder de geheimhoudingsplicht van de deken vallen. Klachtonderdeel f) is kennelijk ongegrond.
4.10    De voorzitter komt op grond van het voorgaande tot de slotsom dat verweerder in zijn hoedanigheid van deken zorgvuldig heeft gehandeld en niet het vertrouwen in de advocatuur heeft geschaad. 

BESLISSING
De voorzitter verklaart: 
klachtonderdeel a) voor zover ingediend door klager 1, met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, kennelijk niet-ontvankelijk;
klachtonderdeel a) voor zover ingediend door klager 2 met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, kennelijk ongegrond; 
klachtonderdeel b), c), d), e), f) en g) ingediend door klager 1 met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, kennelijk ongegrond. 

Aldus beslist door mr. C.S. Schoorl, plaatsvervangend voorzitter, bijgestaan door mr. N. Borgers-Abu Ghazaleh als griffier en uitgesproken in het openbaar op 18 mei 2026. 


Griffier         Voorzitter

Verzonden op: 18 mei 2026