ECLI:NL:TADRAMS:2026:10 Raad van Discipline Amsterdam 25-529/A/A
| ECLI: | ECLI:NL:TADRAMS:2026:10 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 19-01-2026 |
| Datum publicatie: | 23-01-2026 |
| Zaaknummer(s): | 25-529/A/A |
| Onderwerp: | Zorg voor de cliënt, subonderwerp: Kwaliteit van de dienstverlening |
| Beslissingen: | Regulier |
| Inhoudsindicatie: | Raadsbeslissing. Klacht over de kwaliteit van dienstverlening van de eigen advocaat is ongegrond. Dat binnen de praktijkgroep sprake zou zijn van een financiële verwevenheid tussen verweerster en mr. G wordt door klaagster niet onderbouwd en door verweerster betwist. Het enkele bestaan van een gezamenlijk postadres en secretariaat is hiervoor naar het oordeel van de raad onvoldoende. Van een door verweerster en mr. G gedeeld financieel belang of winstoogmerk is de raad ook overigens niet gebleken. Voor zover klaagster verweerster verwijt dat zij zich schuldig heeft gemaakt aan belangenverstrengeling in de zin van gedragsregel 15, overweegt de raad dat hiervan alleen sprake kan zijn als verweerster de wederpartij, de man, op enig moment als advocaat zou hebben bijgestaan, en dat is hier niet aan de orde. Het is de raad niet gebleken dat verweerster onvoldoende transparantie richting klaagster heeft betracht of dat de kwaliteit van dienstverlening van verweerster op enige andere wijze onder de maat is geweest. De klacht is daarom ongegrond. |
Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Amsterdam van 19 januari 2026
in de zaak 25-529/A/A
naar aanleiding van de klacht van:
klaagster
wonende te Amsterdam
over:
verweerster
gemachtigde: mr. M. Boender-Radder
1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE
1.1 Op 13 januari 2025 heeft klaagster bij de deken van de Orde van Advocaten
in het arrondissement Amsterdam (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerster.
1.2 Op 8 augustus 2025 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk 2441950/JS/MV
van de deken ontvangen.
1.3 De klacht is behandeld op de zitting van de raad van 24 november 2025. Daarbij
waren klaagster met een steun en toeverlaat, en verweerster met haar gemachtigde aanwezig.
Van de behandeling is proces-verbaal opgemaakt.
1.4 De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier en van
de op de inventarislijst genoemde bijlagen 1 tot en met 4.
1.5 Ook heeft de raad kennisgenomen van de door klaagster op 21 augustus 2025
nagezonden stukken en van de door verweerster op 10 november 2025 nagezonden stukken.
2 FEITEN
2.1 Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier
en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten.
2.2 Klaagster is verwikkeld in een echtscheidingsprocedure met haar ex-man (hierna:
de man).
2.3 Verweerster heeft klaagster in deze procedure bijgestaan in de periode van
2019 tot einde 2023.
2.4 Op 5 februari 2019 heeft een intakegesprek tussen klaagster en verweerster
plaatsgevonden.
2.5 Op 9 december 2019 heeft verweerster in een e-mailbericht aan de man geschreven,
voor zover relevant:
“Cliënte, [klaagster], heeft mij gevraagd haar belangen te behartigen in het kader
van het regelen van de gevolgen van de echtscheiding.
Naar ik heb begrepen, heeft u hier gezamenlijk over gesproken en heeft cliënte u
verteld dat u een bericht van mij zult ontvangen. Cliënte ziet graag dat u zich ook
laat bijstaan door een advocaat en dat gezamenlijk naar oplossingen toe wordt gewerkt
(vast te leggen in een echtscheidingsconvenant en ouderschapsplan).
Hierbij nodig ik u en uw advocaat uit voor een 1e bespreking bij mij op kantoor
op dinsdagochtend 17 december a.s. om 10u. Mocht dit niet schikken, dan verneem ik
graag van u een andere datum en tijdstip voor de bespreking.”
2.6 Op 10 december 2019 heeft de man hierop gereageerd met, voor zover relevant:
“Dank voor uw uitnodiging. Mogelijk anders dan u hebt begrepen heeft [klaagster]
mij slechts kort voor uw mail geïnformeerd over dit initiatief en dat u mij zal benaderen.
Derhalve overvalt me dit in de zin dat ik nog geen advocaat heb om mij bij te staan.
Ondertussen heb ik al een oriënterend gesprek afgesproken, echter de eerste gelegenheid
is pas volgende week. Kortom, uw voorgestelde datum van 17 December zal niet lukken.
Haast direct daarna beginnen feestdagen waardoor ik verwacht dat de eerste gelegenheid
zal zijn in januari. Maar ik hoop snel met een concreet voorstel en gegevens van de
door mij gekozen advocaat bij u terug te kunnen komen.”
2.7 Op 11 december 2019 heeft verweerster in een e-mailbericht aan de man geschreven,
voor zover relevant:
“Dank voor uw bericht.
Ik herhaal hierbij dat cliënte graag in onderling overleg naar oplossingen toe wil
werken, waarbij de afspraken zullen worden vastgelegd in een convenant en ouderschapsplan.
Ik heb cliënte wel geadviseerd om nog voor 1 januari a.s. een verzoek tot echtscheiding
met verzoek tot partneralimentatie bij de rechtbank in te dienen, aangezien per 1
januari a.s. de wetgeving op het gebied van partneralimentatie aanzienlijk verandert.
Cliënte wenst graag dat in haar geval de huidige alimentatiewetgeving van kracht blijft.
Ik zal dan ook voor 1 januari a.s. het verzoekschrift indienen bij de rechtbank. Ik
zal vervolgens namens cliënte vragen om de echtscheidingsprocedure zoveel mogelijk
aan te houden om schikkingsonderhandelingen en het bereiken van oplossingen in onderling
overleg een reële kans te geven.
Berichten van u en/of uw advocaat wacht ik verder af.”
2.8 Op 20 december 2019 om 13:17 uur heeft de man in een e-mailbericht aan verweerster
geschreven, voor zover relevant:
“Terugkomende op onze mails van enige dagen geleden kan ik u informeren dat [mr.
G] mij zal bijstaan in de echtscheiding van [klaagster] en mijzelf. Ik begrijp dat
u elkaar professioneel goed kent hetgeen hopelijk zal bijdragen aan goed overleg.
Ik heb [mr. G] op deze mail gekopieerd. [Mr. G] zal u vandaag bellen om de mogelijkheid
van een deelovereenkomst met u te bespreken.”
2.9 Dezelfde dag om 15:44 uur heeft verweerster het bericht van de man aan klaagster
doorgestuurd, met daarbij een e-mailbericht aan klaagster waarin zij schrijft, voor
zover relevant:
“Onderstaand bericht ontving ik nog van [de man]. [Mr. G] heeft mij inmiddels gebeld,
maar ik heb haar nog niet gesproken (ik heb eerder met haar samengewerkt). Kennelijk
wil [de man] dat jullie een deelovereenkomst zullen tekenen waarin de huidige alimentatiewetgeving
van toepassing wordt verklaard. Het is dan niet nodig om een verzoek tot echtscheiding
in te dienen. Zodra ik [mr. G] heb gesproken, zal ik je berichten. Ik zal haar zeggen
dat ik het verzoekschrift al gereed heb liggen voor indiening. Ik hou je uiteraard
op de hoogte en zal je maandag verder berichten.”
2.10 Op 20 december 2019 om 15:56 uur heeft klaagster in een e-mailbericht aan
verweerster geschreven, voor zover relevant:
“Fijn dat er beweging is. Ik ken het begrip deelovereenkomst niet. Kan niet inzien
wat dit inhoudt – ik zal het opzoeken. Geen idee. Goed dat je deze [mr. G] kent in
ieder geval.
Spreken we elkaar nog voor dinsdag ivm indienen verzoek?
Ga ik dit weekend met [de man] in gesprek over ouderschapsplan.”
2.11 Hierna heeft klaagster dezelfde dag om 16:12 uur in een e-mailbericht aan
verweerster geschreven, voor zover relevant:
“Okay-ik zal vriendelijk t gesprek ingaan dit weekend, luisteren, geen afspraken
maken zonder nader overleg met jou.
Heb deelovereenkomst opgezocht. En zal verder lezen.
T is een mediation stap begrijp ik. Ik kan niet bepalen of dit fijn is of niet.
Ik hou jou in elk geval graag als advocaat.”
2.12 In december 2023 kwam klaagster erachter dat er een samenwerkingsverband
bestaat tussen verweerster en mr. G. Beiden zijn aangesloten bij www.marathon-scheiden.nl.
Klaagster heeft de samenwerking met verweerster toen beëindigd wegens een vertrouwensbreuk.
2.13 Klaagster heeft in een e-mailbericht van 12 december 2023 aan het kantoor
van verweerster geschreven, voor zover relevant:
“(…) Bij deze wil ik mijn ongenoegen uiten over de impasse, die is ontstaan in de
afwikkeling van de afspraken conform de beschikking van het gerechtshof Amsterdam
inzake mijn echtscheiding, die al sinds 2019 loopt. In beide procedures ben ik bijgestaan
door uw kantoorgenoot [verweerster].
Zeer recent ben ik erachter gekomen dat er mogelijk sprake is van een verstrengeling
van belangen. Ik heb sterk de indruk dat dit ertoe leidt dat zij niet mijn belangen
optimaal behartigt.
Daarnaast heb ik op aanraden van de deurwaarder haar verzocht om aan het hof een
herstelbeschikking te vragen zodat de afspraken die ter zitting zijn gemaakt kunnen
worden geëxecuteerd. Op dit moment kan dit niet aangezien - naar nu blijkt – [verweerster]
heeft nagelaten het hof direct te verzoeken de afspraken in het dictum op te nemen.
Ik begrijp niet waarom aan een dergelijk simpel verzoek (immers het betreft een kort
briefje aan het hof) nu al weken geen gevolg is gegeven.
Ik verzoek u om op zeer korte termijn hierover een gesprek met u op uw kantoor te
voeren om te bezien of mijn onvrede met de manier waarop mijn belangen worden behartigd
kan worden weggenomen.”
2.14 Op 15 december 2023 heeft klaagster een klacht over verweerster ingediend
bij het kantoor van verweerster. In een toelichting hierop heeft klaagster bij e-mailbericht
van dezelfde datum aan een kantoorgenoot van verweerster geschreven, voor zover relevant:
“Zeer recent ben ik gewezen op een voor mij verzwegen commercieel samenwerkingsverband
tussen mijn advocaat [verweerster], uw kantoorgenoot, en de advocaat van de wederpartij,
[mr. G]. Ik verwijs u naar de pagina's en foto's op www.marathon-scheiden.nl alwaar
u beide advocaten op een steiger aantreft, en met naam en toenaam genoemd worden.
U kunt zich mogelijk voorstellen hoe verbolgen en verontwaardigd ik over deze ontdekking
ben. Dat dit mij nimmer is verteld is buitengewoon kwalijk, immers een samenwerking
met mijn advocaat was met deze kennis van zaken zeker niet door mij aangegaan. Het
kan dan ook niet anders dan dat deze geconstateerde, mogelijke verstrengeling van
belangen, tezamen met alle merkwaardigheden van de afgelopen vier jaar in acht nemend,
mij het vertrouwen in mijn advocaat heeft doen verliezen. Ook zeker gezien de juridische
impasse, waar ik u eerder over schreef, waarin ik verkeer, en waarin nog steeds geen
sprake is van het handelen in mijn belang. (…)”
2.15 Hierop heeft een kantoorgenoot van verweerster in een e-mailbericht van
18 december 2023 gereageerd met, voor zover relevant:
“[Verweerster] is aangesloten bij de VCCP en heeft - als uitvloeisel daarvan- met
een aantal professionele collega’s van verschillende kantoren een initiatief genomen
om een marathon-mediation aan te bieden in de markt. Zo ben ik ook aangesloten bij
de VCCP en heb een intervisie groep met collega’s van andere kantoren. Dat laat onverlet
dat [verweerster] als uw (partijdig) advocaat kan optreden en uw belangen kan vertegenwoordigen.
De informatie over haar activiteiten als VCCP bestuurslid met eveneens (concurrerende)
collega’s als mede-bestuursleden en haar professionele aanpak met collega’s inzake
de marathon-mediation zijn op internet eenvoudig te vinden. Dat is niet te beschouwen
als klachtwaardig gedrag. (…)”
2.16 Op 13 januari 2025 heeft klaagster een klacht tegen verweerster ingediend
bij de deken.
3 KLACHT
3.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerster tuchtrechtelijk
verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klaagster verwijt
verweerster dat zij niet transparant is geweest over haar samenwerkingsverband met
de advocaat van de wederpartij, mr. G, en de financiële verwevenheid van het samenwerkingsverband.
4 VERWEER
4.1 Verweerster heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De raad zal hierna, waar
nodig, op het verweer ingaan.
5 BEOORDELING
De tuchtrechtelijke maatstaf
5.1 Deze klacht gaat over de kwaliteit van de dienstverlening van de advocaat.
Er is pas sprake van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen als de kwaliteit duidelijk
onder de maat is geweest. De tuchtrechter houdt bij de beoordeling rekening met de
vrijheid die een advocaat heeft bij de wijze waarop hij een zaak behandelt. Ook houdt
de tuchtrechter rekening met de keuzes waar een advocaat bij de behandeling van de
zaak voor kan komen te staan. Die (keuze)vrijheid is niet onbeperkt, maar wordt begrensd
door bepaalde eisen die aan het werk van de advocaat worden gesteld. Als algemene
professionele standaard geldt dat de advocaat te werk moet gaan zoals van een redelijk
bekwame en redelijk handelende beroepsgenoot mag worden verwacht.
5.2 In gedragsregel 2 staat dat de advocaat vermijdt dat zijn onafhankelijkheid
in de uitoefening van zijn beroep in gevaar zou kunnen komen en dat het belang van
de cliënt, en geen enkel ander belang, de wijze bepaalt waarop de advocaat zijn zaken
behandelt.
5.3 In gedragsregel 15 staat dat een advocaat in het algemeen niet mag optreden
tegen een voormalige cliënt van hem of van een kantoorgenoot. De advocaat mag zich
immers niet in de situatie begeven waarin hij de kans loopt ten koste van zijn cliënt
in een belangenconflict te geraken. Daarnaast moet de cliënt ten volle erop kunnen
vertrouwen dat gegevens over zijn zaak, zijn persoon of zijn onderneming die de cliënt
aan de advocaat of zijn kantoorgenoot ter beschikking heeft gesteld, niet op enig
moment tegen hem worden gebruikt.
5.4 Klaagster verwijt verweerster gebrek aan transparantie. In december 2023
ontdekte klaagster dat verweerster en de advocaat van de wederpartij, mr. G, met elkaar
samenwerken in het samenwerkingsverband genaamd “marathon-scheiden”. Uit de betreffende
website blijkt dat er volgens klaagster sprake is van innige samenwerking tussen de
twee advocaten. Zo presenteren zij zich als “ons team”. Ook bestaat er een financiële
verwevenheid: er is sprake van een gezamenlijk secretariaat en een gezamenlijk postadres.
Door de hele gang van zaken is het vertrouwen van klaagster in de advocatuur als beroepsgroep
geschaad, aldus klaagster.
5.5 Naar het oordeel van de raad is door verweerster gemotiveerd toegelicht dat
zij lid is van de “Collaborative practice group” Amsterdam. Deze praktijkgroep maakt
onderdeel uit van de Vereniging van Collaborative Professionals (VvCP). Doel van deze
methode is om met verschillende disciplines gezamenlijk te werken aan een duurzame
oplossing van een conflict. “Marathon-scheiden” is een hieruit voortkomende praktijkgroep.
Er bestaat voor de leden van deze groep geen verplichting om met elkaar samen te werken.
Het zijn de cliënten die uiteindelijk de keuze voor de professionals maken en het
interdisciplinaire team samenstellen. Dat binnen de praktijkgroep “marathon-scheiden”
sprake zou zijn van een financiële verwevenheid tussen verweerster en mr. G wordt
door klaagster niet onderbouwd en door verweerster betwist. Het enkele bestaan van
een gezamenlijk postadres en secretariaat is hiervoor naar het oordeel van de raad
onvoldoende. Van een door verweerster en mr. G gedeeld financieel belang of winstoogmerk
is de raad ook overigens niet gebleken.
5.6 Voor zover klaagster verweerster verwijt dat zij zich schuldig heeft gemaakt
aan belangenverstrengeling in de zin van gedragsregel 15, overweegt de raad dat hiervan
alleen sprake kan zijn als verweerster de wederpartij, de man, op enig moment als
advocaat zou hebben bijgestaan, en dat is hier niet aan de orde. Verweerster kan ook
in zoverre geen tuchtrechtelijk verwijt worden gemaakt.
5.7 De raad stelt verder vast dat verweerster al op 20 december 2019 aan klaagster
had laten weten dat zij mr. G professioneel kende en dat zij eerder met haar had samengewerkt.
Hierop heeft klaagster toen gereageerd met “Goed dat je deze [mr. G] kent in ieder
geval.” Daarnaast heeft verweerster aangevoerd dat de website “marathon-scheiden”
in 2019 nog niet bestond, deze site is pas in januari 2021 gepubliceerd. In zoverre
kon verweerster klaagster hiervan in 2019 dus ook nog niet op de hoogte stellen. Op
basis van het voorgaande oordeelt de raad dat ook geen sprake is van een schending
van gedragsregel 2.
5.8 Gelet op het voorgaande is de raad van oordeel dat verweerster geen tuchtrechtelijk
verwijt kan worden gemaakt. Het is de raad niet gebleken dat verweerster onvoldoende
transparantie richting klaagster heeft betracht of dat de kwaliteit van dienstverlening
van verweerster op enige andere wijze onder de maat is geweest. De klacht is daarom
ongegrond.
BESLISSING
De raad van discipline:
- verklaart de klacht ongegrond.
Aldus beslist door mr. W. Aardenburg, voorzitter, mrs. P.J. Mijnssen en L.C. Dufour, leden, bijgestaan door mr. E.E. Wouters als griffier en uitgesproken in het openbaar op 19 januari 2026.
Griffier Voorzitter
Verzonden op: 19 januari 2026