ECLI:NL:TADRAMS:2026:1 Raad van Discipline Amsterdam 25-566/A/A 25-567/A/A
| ECLI: | ECLI:NL:TADRAMS:2026:1 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 05-01-2026 |
| Datum publicatie: | 12-01-2026 |
| Zaaknummer(s): |
|
| Onderwerp: | Ontvankelijkheid van de klacht, subonderwerp: Tijdverloop tussen gewraakte gedraging en indienen van de klacht |
| Beslissingen: | Regulier |
| Inhoudsindicatie: | Raadsbeslissing. Klacht over de eigen advocaten. Klager verwijt verweerders dat zij hem er niet op hebben gewezen dat hij mogelijk in aanmerking kwam voor gefinancierde rechtsbijstand. De raad verklaart de klacht niet ontvankelijk. De mogelijkheid van een toevoeging is in 2018 wel besproken met klager. Klager beschikte op dat moment over informatie die gaat over de gevolgen van het handelen of nalaten waar de klacht over gaat. Klager heeft zijn klacht buiten de driejaarstermijn ingediend. |
Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Amsterdam van 5 januari 2026 in de zaken
25-566/A/A en 25-567/A/A naar aanleiding van de klachten van:
klager
over
verweerders
1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE
1.1 Bij twee afzonderlijke klachtformulieren van 3 januari 2025 heeft klager bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Amsterdam (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerders.
1.2 Op 20 augustus 2025 heeft de raad de klachtdossiers met kenmerken 439544/JS/FS en 2439547/JS/FS van de deken ontvangen.
1.3 De klachten zijn gezamenlijk behandeld op de zitting van de raad van 21 november 2025. Daarbij waren klager en verweerders aanwezig. Van de behandeling is proces-verbaal opgemaakt.
1.4 De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossiers en van de op de inventarislijsten genoemde bijlagen 1 tot en met 4.
2 FEITEN
2.1 Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten.
2.2 In 2017 heeft klager van een gemeente een kavel gekocht om daarop een woning te bouwen. De koopovereenkomst is op 22 februari 2017 getekend. Op basis van een tekening van een architect heeft de gemeente het bouwplan goedgekeurd. De woning zou gebouwd worden door een bouwbedrijf.
2.3 In 2017 is tussen klager en - onder meer - het bouwbedrijf een geschil ontstaan over de bouw van de woning. Klager werd in dit geschil eerst bijgestaan door mr. A. Mr. A heeft klager ongeveer tot begin april 2018 als advocaat bijgestaan.
2.4 Vervolgens heeft klager zich tot het kantoor van verweerders (hierna: het kantoor) gewend met een verzoek om rechtsbijstand. Op 20 april 2018 heeft het kantoor een opdrachtbevestiging aan klager gestuurd. De opdrachtbevestiging is ondertekend door verweerder in opdracht van verweerster en op briefpapier van het kantoor gesteld. In de brief staat over het honorarium het volgende:
“Conform de afspraak zal ons kantoor u juridische bijstand verlenen tegen het honorarium van € 175,- per uur plus 6% kantoorkosten en BTW.”
2.5 Op 1 juni 2018 is de rechtbank Midden-Nederland namens klager verzocht een datum te bepalen voor een kort geding tegen BG B.V. en de heer O. Het verzoek is op naam gesteld van verweerder i/o van verweerster. In de aanhef van de met het verzoek meegestuurde concept dagvaarding staat het volgende:
“Heden, de (….) tweeduizend achttien, ten verzoeke van [klager], wonende te Almere, die ten dezen woonplaats kiest op het kantooradres van [het kantoor] aan [adres], van welk kantoor [verweerder] deze zaak als advocaat behandelt, met het recht van vervanging, en als zodanig zal occuperen (…)”
2.6 Op 21 september 2018 heeft de rechtbank het kantoor inzake het kort geding een nota gestuurd. De nota is op naam gesteld van verweerder.
2.7 Op 24 september 2018 heeft de rechtbank Midden-Nederland vonnis gewezen in het kort geding tussen klager en BG B.V. en de heer O. In het vonnis staat vermeld dat verweerder klager als advocaat heeft bijgestaan.
2.8 Bij brief van 24 september 2018 heeft de rechtbank het vonnis aan verweerder gestuurd. Op 25 september 2018 heeft de juridisch medewerker van het kantoor (mevrouw K) vanaf het e-mailadres info@[naam kantoor].nl het vonnis aan klager doorgestuurd.
2.9 Bij machtiging van 15 november 2018 heeft klager zowel verweerder als verweerster gemachtigd om zijn belangen in de procedure tegen de gemeente en het bouwbedrijf te behartigen.
2.10 In de periode van april 2018 tot en met november 2020 zijn door het kantoor meerdere facturen aan klager gestuurd. Dit gebeurde door de heer of mevrouw D vanaf het e-mailadres info@[naam kantoor]advocaten.nl of door verweerster vanaf het e-mailadres [naam verweerster]@[naam kantoor].nl.
2.11 Eind november 2020 heeft mr. J. de behandeling van de zaak van klager overgenomen.
2.12 Op 1 mei 2024 heeft klager aan verweerster op het e-mailadres [naam verweerster]@[naam kantoor].nl het volgende bericht gestuurd:
“U heeft in het verleden mij rechtsbijstand verleend inzake een geschil met [BG B.V.] en de heer [O]. In alle procedures heeft u mij voor uw werkzaamheden facturen verzonden, welke door mij zijn voldaan.
Ik heb van mijn huidige advocaat in een andere kwestie vernomen dat ik recht heb op gesubsidieerde rechtsbijstand. Hij is de eerste advocaat die mij op de toevoeging heeft gewezen. U heeft mij niet eerder gewezen op de mogelijkheden van een toevoeging waardoor mij thans het vermoeden is gewekt dat ik nodeloos honorarium heb betaald.
Graag verneem ik van u een reactie.”
2.13 Op 3 mei 2024 heeft verweerder klager naar aanleiding van zijn e-mail van 1 mei 2024 aan verweerster als volgt geantwoord:
“[Verweerster] zit sinds 2020 niet meer hier en heeft sindsdien een eigen kantoor gehad. Zij heeft al haar dossiers meegenomen. Ik kan u dan ook niet verder helpen dan haar bij mij bekende gegevens aan u te geven.
Ik heb van haar in 2021 het mailadres info@[naam verweerster]advocatuur.nl gekregen als het mailadres waarop ze bereikbaar zou zijn en heb haar mobiele telefoonnummer (…) die u waarschijnlijk ook heeft.
Ik heb zelf ook contact met haar gezocht maar krijg alleen geen reactie van haar.”
2.14 Op 3 mei 2024 heeft klager verweerster aangeschreven op het e-mailadres dat hij van verweerder had gekregen. Op 7 mei 2024 heeft verweerster als volgt op het bericht van klager gereageerd:
“Met referte aan uw e-mailbericht van 3 mei 2024 bericht ik u het volgende: Van uw huidige advocaat voor een andere kwestie zou u voor het eerst vernomen hebben, dat u recht heeft op gesubsidieerde rechtsbijstand. U heeft nu het vermoeden dat u ook in 2018 t/m 2020 recht had op gesubsidieerde rechtsbijstand.
Destijds hebben wij als [kantoor] op uw herhaaldelijke aandringen uw dossier op 20 april 2018 aangenomen. Uw dossier was eerst bij mr. [A] in behandeling. Mijn advies was dat u bij mr. [A] zou blijven. Voordat wij uw dossier aannamen, hebben wij diverse keren uw vragen via de telefoon beantwoord. Keer op keer zei u dat u een eigen onderneming [naam onderneming] had, waarmee u een goed inkomen geneerde, en dat u in staat was uw juridische kosten zelf te betalen. Als kantoor vragen wij gewoontegetrouw altijd naar de financiële situatie van de rechtzoekenden. Bij u is de situatie niet anders geweest. (…)
Om in 2018 en in 2019 in aanmerking te kunnen komen voor gesubsidieerde rechtsbijstand, mocht uw gezamenlijke inkomen in 2018 niet hoger zijn dan € 38.000,- en in 2019 niet hoger dan € 38.600,-. Los van de vraag of u financieel gezien al dan niet in aanmerking had kunnen komen voor gesubsidieerde rechtsbijstand, kwam u daarvoor niet in aanmerking omdat u een rechtsbijstandsgeschil met de gemeente had; niet een probleem waarvoor rechtsbijstand dient te worden verleend. U wordt geacht dit soort gevallen zelf te regelen en/of op te lossen.
Los van uw mededeling dat u een onderneming had waarmee u goed verdiende, was er in uw dossier geen aanwijzing dat u financieel niet in staat was om uw juridische kosten te betalen. U betaalde netjes onze facturen en uit uw dossier wisten we ook dat de andere kosten van de aannemers, architect, projectmaker, uw twee hypotheken, eigen onderhoud etc. zonder problemen betaalde. In ieder geval zou u met een gezamenlijk inkomen van € 38.000 en/of € 38.600,- niet in staat zijn geweest zulke hoge uitgaven te doen. Dat u nu kennelijk vanwege een wijziging van uw financiële situatie in aanmerking komt voor een toevoeging, wil niet zeggen dat u in 2018 en 2019 recht had op gesubsidieerde rechtsbijstand. (…)”
2.15 Bij e-mail van 30 augustus 2024 om 16:13 uur heeft klager verweerder het volgende meegedeeld:
“Ik had destijds een contract met uw kantoor. [Verweerster] was werkzaam bij u en derhalve uw hulppersoon. De gelden zijn ook overgemaakt aan uw kantoor.
Het is duidelijk dat ik financieel nadeel heb geleden nu ik facturen heb betaald, terwijl ik deze niet had hoeven betalen. Ik ben nimmer gewezen op de mogelijkheden van de toevoeging. Het ging hier niet om een zakelijk conflict en mijn verzamelinkomens waren toereikend.”
2.16 Bij e-mail van diezelfde dag om 16:27 uur heeft verweerder klager als volgt geantwoord:
“U heeft nooit met mij te maken gehad en werkte [verweerster] voor zichzelf en was niet in loondienst. Een advocaat is niet verplicht u op grond van toevoeging te helpen, ook al had u daar misschien recht op. Wat de afspraken tussen u zijn of waren en of zij u wel of niet op uw rechten heeft gewezen weet ik niet en kan ik niet beoordelen.
Wat u aan haar hebt betaald heb ik eveneens geen weet van. U hebt mij of mijn kantoor in ieder geval niets betaald. Met uw wederpartij of u heb ik nooit te maken mee gehad en ken ik u alleen van uw onderstaande mails. U hebt ook geen datum in uw mails genoemd en weet ik niet eens of [verweerster] bij mij op kantoor zat toen u bij haar klant werd.
Zoals ik in mijn vorige mails ook heb vermeld heb ik al jaren geen contact meer met [verweerster] en reageert zij ook niet op mijn telefoons of berichten.”
2.17 Op 3 januari 2025 heeft klager bij de deken over verweerders klachten ingediend.
3 KLACHT
3.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerders tuchtrechtelijk verwijtbaar hebben gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klager verwijt verweerders dat zij klager er niet op hebben gewezen dat hij mogelijk in aanmerking kwam voor gefinancierde rechtsbijstand. Hierdoor heeft klager facturen betaald, terwijl dat niet had gehoeven.
4 VERWEER
4.1 Verweerders hebben los van elkaar verweer gevoerd tegen de klacht. De raad zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.
5 BEOORDELING
Standpunt klager
5.1 Klager is van 2018 tot 2020 bijgestaan door het kantoor. Zowel verweerder als verweerster hebben klager rechtsbijstand verleend. Klager heeft ongeveer € 12.000,- aan facturen betaald aan het kantoor, inclusief griffierechten en deurwaarderskosten. In 2024 wees zijn nieuwe advocaat klager erop dat hij in aanmerking kwam voor een toevoeging. Verweerder noch verweerster hebben klager in 2018 op de mogelijkheid van gefinancierde rechtsbijstand gewezen. Klager heeft derhalve duizenden euro's voor niets betaald.
5.2 In mei 2024 heeft klager aan de bel getrokken bij verweerder en verweerster. Verweerder betwist dat verweerster destijds bij het kantoor in loondienst was. Volgens verweerder bestond er tussen het kantoor en klager geen overeenkomst. Dit bevreemdt klager omdat hem vanuit kantoor verschillende facturen zijn toegezonden die hij heeft betaald. Ook heeft verweerster vanuit het kantoor met klager gecorrespondeerd.
5.3 Verweerster meent dat klager in 2018-2020 niet in aanmerking kwam voor een toevoeging. Dit is volgens klager echter onjuist. Het inkomen van klager in 2016 was € 38.964,-, in 2017 € 27.703,- en in 2018 € 31.360,-. Klager verwijst in dit kader naar door hem overgelegde aanslagen inkomstenbelasting. Als verweerder en verweerster klager op de mogelijkheid van een toevoeging hadden gewezen, dan had klager op basis van zijn verzamelinkomen in 2016, dan wel peiljaarverlegging 2018, een toevoeging gekregen en slechts de eigen bijdrage en griffierechten hoeven te voldoen. Verweerster heeft zich daarnaast op het standpunt gesteld dat zij klager wel hebben gewezen op de mogelijkheid van gesubsidieerde rechtsbijstand, maar ook dat is niet juist.
Verweer verweerder
5.4 Verweerder voert aan dat klager cliënt was bij verweerster en niet bij hem. Verweerster was in 2018 niet bij verweerder in loondienst. Zij werkten op basis van kostendeling. Verweerster gebruikte de faciliteiten van het kantoor, waaronder het e-mailsysteem. Klager heeft nooit met verweerder gesproken of gecorrespondeerd. Verweerder wijst daarom alle aansprakelijkheid van de hand.
5.5 In dupliek voert verweerder aan dat hij zich klager oprecht niet meer kan herinneren als cliënt. Door stressvolle omstandigheden in zijn privéleven vanaf eind 2018, waarmee de deken bekend is, is verweerder een heleboel zaken vergeten. Verder merkt verweerder op dat de klacht van klager te laat is ingediend. Ook vindt verweerder het onaannemelijk en ongeloofwaardig dat alle voormalige advocaten van klager hem niet zouden hebben ingelicht over de mogelijkheid van gefinancierde rechtsbijstand. Wat betreft de inhoud van de klacht concludeert verweerder dat klager blijkens de stukken die hij heeft ingediend hoe dan ook niet in aanmerking kwam voor een toevoeging. Verweerder meent dan ook niets klachtwaardigs te hebben gedaan.
Verweer verweerster
5.6 De zaak van klager was eerst in behandeling bij mr. A. Mr. A heeft klager tegen een honorarium van € 175 per uur exclusief BTW bijgestaan. Toen de zaak nog bij mr. A in behandeling was, heeft klager diverse keren telefonisch contact opgenomen met het kantoor voor advies over zijn situatie. Tijdens die gesprekken bracht klager telkens naar voren dat hij een goed verdienende ondernemer was, dat hij geen toevoegingscliënt was en dat hij in staat was zijn eigen juridische kosten te betalen, wat ook bij mr. A het geval was. Telkens liet het kantoor klager weten dat zij hem adviseerden om bij mr. A te blijven en dat de afwijzing van zijn zaak niets te maken had met zijn financiële situatie. Mocht hij in aanmerking komen voor gesubsidieerde rechtsbijstand, dan zou een advocaat, waaronder het kantoor, hem met een toevoeging kunnen bijstaan. Na deze mededeling nam klager even geen contact op met het kantoor. Op aandringen van klager heeft het kantoor de zaak op 5 april 2018 toch van mr. A overgenomen. Op 20 april
Ontvankelijkheid
5.7 Een klacht over een advocaat moet worden ingediend binnen drie jaar nadat de klager op de hoogte was of redelijkerwijs kon zijn van de feiten waarover wordt geklaagd (artikel 46g lid 1 onder a Advocatenwet). Het moet gaan om kennis die de klager uit objectieve bronnen heeft verkregen. Als deze driejaarstermijn is verlopen zonder dat klager een klacht heeft ingediend, vervalt in principe het recht om te klagen. Dit is anders als klager pas na de driejaarstermijn over informatie beschikt (en ook daar niet eerder over kon beschikken), die gaat over de gevolgen van het handelen of nalaten waar de klacht over gaat. In dat geval vervalt het recht om te klagen één jaar nadat klager van de informatie kennis heeft genomen (artikel 46g lid 2 Advocatenwet). Alleen onder (zeer) bijzondere omstandigheden kan een overschrijding van de vervaltermijn verschoonbaar zijn.
5.8 De achterliggende gedachte van deze regel is dat een advocaat niet tot in lengte van dagen rekening hoeft te houden met tuchtklachten over zijn doen en laten uit het verleden.
5.9 Klager heeft op 3 januari 2025 klachten ingediend over de bijstand door het kantoor in de periode van 2018 tot 2020. Op de zitting van de raad heeft klager het volgende verklaard over het eerste telefoongesprek met verweerster:
“Zij zei telefonisch tegen mij iets over een toevoeging. Ik wist niet wat dat was. Ze had het over subsidie aanvragen. Ik zei tegen haar ‘doe maar’. Ik wist niet wat er gebeurde. Toen vroeg ze of mijn loon hoger was dan 40.000 euro of zoiets. Ik dacht van wel. Ik verdiende ongeveer 40 euro per uur. Het zal wel boven de 40.000 zijn geweest. Toen heeft ze gezegd dan gaan we die toevoeging niet aanvragen. Maar als je netto naar mijn inkomen kijkt, er gaat nog heel veel af. Ik had er wel recht op. Zo is het gegaan.”
5.10 Uit deze toelichting van klager volgt dat hij in 2018 op de hoogte was van het bestaan van een toevoeging en dat daar een inkomensgrens voor bestond. Klager heeft ook tegenover verweerster de hoogte van zijn inkomen toegelicht. Hieruit kan worden afgeleid dat de mogelijkheid van een toevoeging in 2018 dus wel is besproken met klager en dat klager op dat moment ook beschikte over informatie die gaat over de gevolgen van het handelen of nalaten waar de klacht over gaat. Klager had vanaf dat moment drie jaar de tijd om een klacht in te dienen. Klager had zijn klachten dus uiterlijk in 2021 moeten indienen. Daarmee staat vast dat klager zijn klachten buiten de driejaarstermijn heeft ingediend. Tot slot ziet de raad in het dossier ook geen bijzondere omstandigheden op grond waarvan deze termijnoverschrijding toelaatbaar is.
5.11 De klachten zijn niet-ontvankelijk.
BESLISSING
De raad van discipline:
verklaart de klachten niet-ontvankelijk.
Aldus beslist door mr. S.D. Arnold, voorzitter, mrs. I.J. de Laat en M.J.E. van den Bergh, leden, bijgestaan door mr. K.J. Verschueren als griffier en uitgesproken in het openbaar op 5 januari 2026.
Griffier Voorzitter
Verzonden op: 5 januari 2026