ECLI:NL:TACAKN:2026:7 Accountantskamer Zwolle 25/1787 Wtra AK

ECLI: ECLI:NL:TACAKN:2026:7
Datum uitspraak: 23-02-2026
Datum publicatie: 23-02-2026
Zaaknummer(s): 25/1787 Wtra AK
Onderwerp:
Beslissingen: Klacht ongegrond
Inhoudsindicatie: Klager verwijt betrokkene dat hij valse facturen en dreigementen naar klager stuurt, dat hij op onprofessionele wijze met klager communiceert en dat hij hem in de jaarrekening van de stichting heeft neergezet als wanbetaler. De Accountantskamer verklaart de klacht in al haar onderdelen ongegrond.

ACCOUNTANTSKAMER

UITSPRAAK van 23 februari 2026 op grond van artikel 38 Wet tuchtrechtspraak accountants (Wtra) in de op 8 juli 2025 ontvangen klacht met nummer 25/1787 Wtra AK van

X

zaakdoende te [plaats1]

K L A G E R

t e g e n

Y

registeraccountant

wonende te [plaats1]

B E T R O K K E N E

advocaat: mr. C.M. Harmsen te Amsterdam

1.             De procedure

1.1.        De Accountantskamer heeft kennisgenomen van de volgende stukken:

  • het klaagschrift met bijlagen
  • het aanvullend klaagschrift met bijlage, ontvangen op 22 juli 2025
  • het verweerschrift met bijlagen
  • de brief van klager met bijlagen, ontvangen op 15 januari 2026
  • de op de zitting door beide partijen overgelegde pleitaantekeningen.

1.2.        De klacht is behandeld op de openbare zitting van 2 februari 2026. Klager is verschenen, bijgestaan door zijn echtgenote. Betrokkene is ook verschenen, bijgestaan door zijn advocaat. 

2.             De uitspraak samengevat

2.1.        Klager verwijt betrokkene dat hij valse facturen en dreigementen naar klager stuurt, dat hij op onprofessionele wijze met klager communiceert en dat hij hem in de jaarrekening van de stichting heeft neergezet als wanbetaler. De Accountantskamer verklaart de klacht in al haar onderdelen ongegrond.

3.             De feiten

3.1.        Betrokkene is sinds 2015 ingeschreven in het accountantsregister van de NBA. Hij staat ingeschreven als accountant in business en is werkzaam voor de Vrije Universiteit te Amsterdam.

3.2.        Betrokkene is sinds 2022 bestuurslid van de Stichting [A] (hierna: de stichting). Hij is de penningmeester van de stichting. Dit is een onbezoldigde functie.

3.3.        De stichting verhuurt sinds 2014 een deel van een onroerende zaakaan klager, die daar een horecagelegenheid exploiteert. In de huurovereenkomst staat voor zover van belang het volgende:

“(…) 3.11 Tenzij het op grond van de wet of andere regelgeving niet is toegestaan om deze kosten op deze wijze aan huurder door te berekenen, komen voor rekening van huurder, ook indien verhuurder daarvoor wordt aangeslagen:

1. de onroerendzaakbelasting en de waterschaps- of polderlasten terzake het feitelijk gebruik van het gehuurde;

2. milieuheffingen, waaronder de verontreinigingsheffing oppervlaktewateren en zuiveringsheffing afvalwater;

3. baatbelasting of daaraan verwante belastingen of heffingen, geheel of een evenredig gedeelte daarvan, indien en voor zover huurder is gebaat bij datgene op grond waarvan de aanslag of heffing is opgelegd;

4. overige bestaande of toekomstige belastingen, milieubeschermingsbijdragen, lasten, heffingen en retributies ter zake het feitelijk gebruik van het gehuurde en ter zake goederen van huurder, die niet geheel of gedeeltelijk zouden zijn geheven of opgelegd als het gehuurde niet aan huurder in

gebruik zou zijn gegeven.

3.12 De voor rekening van huurder komende lasten, rechten, belastingen, bijdragen en/of heffingen worden door huurder op eerste verzoek aan verhuurder betaald.

(…)

12.1 Indien huurder niet tijdig aan zijn betalingsverplichting voldoet, is hij verhuurder de wettelijke rente verschuldigd over het betreffende bedrag gedurende de periode waarin hij met betaling van dat bedrag in verzuim is, vermeerderd met drie maandelijkse huurtermijnen, onverminderd de overige rechten van verhuurder als hierna omschreven. (…)

3.4.        Tussen klager en de stichting is een geschil ontstaan over onder andere het gebruik van het gehuurde en de indexering van de huurprijs, wat heeft geleid tot een civiele procedure.  

3.5.        Vervolgens is een geschil ontstaan over de vraag of klager BTW moet betalen over de huur en of hij het gebruikersdeel van de gemeentelijke lasten aan de stichting is verschuldigd. Betrokkene heeft deze kosten namens de stichting aan klager gefactureerd, maar klager heeft deze kosten niet betaald. Omdat klager deze kosten niet tijdig heeft betaald, heeft de stichting boetes in rekening gebracht.

3.6.        De stichting heeft klager in 2024 in kort geding gedagvaard en onder andere gevorderd dat hij wordt veroordeeld tot ontruiming van het gehuurde en tot betaling van een geldbedrag, bestaande uit kort gezegd achterstallige bedragen en boetes wegens te late betaling. De voorzieningenrechter heeft deze vorderingen afgewezen, omdat de strenge norm voor toewijzing van een geldbedrag in kort geding niet is gehaald. Tegen dit vonnis is geen hoger beroep ingesteld.

3.7.        Betrokkene heeft na dit vonnis verschillende facturen en aanmaningen namens de stichting aan klager gestuurd met betrekking tot onder andere onvolledig betaalde huur, gebruikersbelasting, incassokosten en boetes wegens te late betaling.

3.8.        In de jaarrekening 2024 van de stichting, die op de website van de stichting is gepubliceerd, stond op enig moment het volgende:

“(…) Vlottende activa

Achterstallige huur                                                                                                        11.629                  6.111

Voorziening oninbaarheid geringe kredietwaardigheid huurder                 -9.726

(…)”      

3.9.        Klager heeft op 18 juni 2025 bezwaar gemaakt tegen de vermelding “Voorziening oninbaarheid geringe kredietwaardigheid huurder”, waarna deze de volgende dag is aangepast in “Voorziening oninbaarheid”. De vermelding “Achterstallige huur” is toen gewijzigd in “Achterstallige huur vordering”.

4.             De klacht

4.1.        Betrokkene heeft volgens klager gehandeld in strijd met de voor hem geldende gedrags- en beroepsregels.

4.2.        De klacht van klager komt in de kern op het volgende neer: 

1. betrokkene stuurt valse facturen en dreigementen naar klager;  

2. betrokkene communiceert op onprofessionele wijze met klager;

3. klager is in de jaarrekening van de stichting over 2024 neergezet als wanbetaler.

5.             De beoordeling

5.1.        Betrokkene heeft in de eerste plaats aangevoerd dat klager misbruik maakt van tuchtrecht. Volgens betrokkene probeert klager hem met deze klacht onder druk te zetten en wil hij daarmee bereiken dat de stichting haar vordering op klager zal verminderen en de huuropzegging ongedaan zal maken.

5.2.        Voor zover betrokkene met dit verweer bedoelt dat klager niet kan worden ontvangen in zijn klacht, volgt de Accountantskamer hem niet. Dat klager bij deze tuchtprocedure (mogelijk) ook een eigen belang heeft dat niet samenvalt met de doelstelling van de tuchtrechtspraak, is namelijk onvoldoende om aan te kunnen nemen dat sprake is van misbruik van tuchtrecht.

5.3.        De klacht ziet op het handelen van betrokkene als penningmeester van de stichting. Dat betrokkene deze werkzaamheden als vrijwilliger heeft uitgevoerd, betekent niet dat geen sprake is van een professionele dienst als bedoeld in artikel 1 van de Verordening gedrags- en beroepsregels accountants (VGBA). Betrokkene heeft bij de uitvoering van deze functie immers zijn vakbekwaamheid als accountant aangewend of kunnen aanwenden. Om deze reden wordt hij geacht zijn beroep als accountant te hebben uitgeoefend en moest hij zich houden aan alle in artikel 2 VGBA genoemde fundamentele beginselen. Betrokkene heeft dat ook niet bestreden. De Accountantskamer zal het handelen en/of nalaten waarop de klacht betrekking heeft toetsen aan deze beginselen.

Klachtonderdeel 1: betrokkene stuurt valse facturen en dreigementen naar klager

5.4.        Klager heeft met betrekking tot dit klachtonderdeel aangevoerd dat betrokkene hem  sinds 2022 lastigvalt met valse facturen en dat hij ten onrechte dreigt met het inschakelen van deurwaarders en incassobureaus. Daarbij heeft klager gesteld dat hij de maandelijkse huur steeds op tijd betaalt. De daarnaast in rekening gebrachte belastingen en boetes heeft klager niet betaald, omdat volgens hem uit het vonnis van de voorzieningenrechter volgt dat hij deze bedragen niet hoeft te betalen. Omdat tegen dit vonnis van de voorzieningenrechter geen hoger beroep is ingesteld en er ook geen bodemprocedure is gestart, is klager van mening dat dit vonnis nog steeds bindend is en dat betrokkene dit vonnis moet naleven. Doordat betrokkene facturen met betrekking tot deze bedragen blijft sturen, doet hij dat volgens klager niet. Betrokkene geeft daarmee geen blijk van enig moreel kompas of ethisch en integer gedrag naar de huurder, aldus klager.

5.5.        De Accountantskamer overweegt dat volgens vaste jurisprudentie[1] het een accountant is toegestaan in een zakelijk conflict een verdedigbaar civielrechtelijk standpunt aan zijn wederpartij, en ook aan derden, kenbaar te maken, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. Van bijzondere omstandigheden op grond waarvan geoordeeld zou moeten worden dat een accountant zich met het oog op de fundamentele beginselen anders had moeten opstellen, kan onder meer sprake zijn als de accountant bewust een onjuist of misleidend standpunt heeft ingenomen of indien de accountant in sterke mate verweten kan worden dat hij een onjuist of misleidend standpunt heeft ingenomen.

5.6.        Klager heeft niet aannemelijk gemaakt dat betrokkene met het versturen van de facturen en aanmaningen bewust of verwijtbaar een onjuist of misleidend standpunt heeft ingenomen of anderszins in strijd met de voor hem geldende gedrags- en beroepsregels heeft gehandeld. Hiervoor is van belang dat de stichting op basis van de schriftelijke huurovereenkomst, waarin met klager afspraken zijn gemaakt over de verschuldigdheid van belastingen en boetes, van mening is dat klager deze bedragen aan haar moet betalen. Op grond daarvan heeft betrokkene namens de stichting facturen en aanmaningen gestuurd met betrekking tot deze bedragen. Anders dan klager meent, volgt uit de uitspraak van de voorzieningenrechter niet dat de stichting geen recht heeft op betaling daarvan. De voorzieningenrechter heeft de vordering van de stichting tot betaling van deze bedragen immers alleen afgewezen, omdat de strenge norm voor toewijzing van een geldbedrag in kort geding niet is gehaald. Daarmee heeft de voorzieningenrechter geen inhoudelijk eindoordeel gegeven over de (on)gegrondheid van deze vordering, maar een voorlopig oordeel na summiere toetsing. Het klachtonderdeel is daarom ongegrond.

Klachtonderdeel 2: betrokkene communiceert op onprofessionele wijze met klager

5.7.        Klager heeft naar voren gebracht dat betrokkene op onprofessionele manier met hem communiceert, omdat hij zijn berichten aan klager begint met de achternaam van klager en niet met een formele of een informele aanhef. Volgens klager is dit hoogst onprofessioneel en respectloos.

5.8.        De Accountantskamer overweegt dat een accountant op een gepaste en zakelijke wijze moet communiceren. Dat betrokkene zijn berichten aan klager niet is begonnen met een aanhef, zoals geachte of beste, is (in de gegeven omstandigheden) onvoldoende om aan te kunnen nemen dat betrokkene in zijn communicatie met klager de grenzen van het betamelijke heeft overschreden. Het klachtonderdeel is ongegrond.

Klachtonderdeel 3: klager is in de jaarrekening van de stichting over 2024 neergezet als wanbetaler

5.9.        Ten aanzien van dit klachtonderdeel heeft klager aangevoerd dat in de oorspronkelijke jaarrekening 2024 de posten “achterstallige huur” en “voorziening oninbaarheid geringe kredietwaardigheid van de huurder” waren opgenomen. Na bezwaar van klager (hiervoor, 3.9) heeft betrokkene deze omschrijving aangepast in “achterstallige huur vorderingen” en “voorziening oninbaarheid”. Omdat klager de enige huurder is, is klager van mening dat hij nog steeds wordt neergezet als wanbetaler. Volgens klager laat betrokkene hiermee zien dat hij niet professioneel, integer, objectief en vakbekwaam en zorgvuldig handelt.  

5.10.      Dit klachtonderdeel is ongegrond. Hiervoor is van belang dat betrokkene de omschrijving van de huurvordering en de voorziening gelijk heeft aangepast nadat klager daarover had geklaagd. De volgende dag (op 19 juni 2025) heeft klager in een e-mail aan betrokkene laten weten dat hij heeft gezien dat een en ander is aangepast in de jaarrekening en op de website. Klager heeft toen geen bezwaar gemaakt tegen de aangepaste omschrijving en heeft, zoals hij op de zitting heeft erkend, ook op een later moment niet rechtstreeks bij betrokkene daarover geklaagd. Betrokkene mocht er daarom van uitgaan dat klager geen bewaar had tegen de gewijzigde omschrijving van deze posten. Dat klager tijdens een overleg met de voorzitter van de stichting wel zou hebben gezegd dat hij niet tevreden was met de wijziging, omdat deze nog steeds naar hem herleidbaar zou zijn, leidt niet tot een ander oordeel. Klager heeft deze stelling pas op de zitting naar voren gebracht en niet onderbouwd, en overigens niet gesteld dat die gestelde mededeling aan de voorzitter ook weer is doorgegeven aan betrokkene.  

De aangepaste weergave van de huurvordering en de voorziening is naar het oordeel van de Accountantskamer aanvaardbaar. Betrokkene hoefde dan ook niet uit eigen beweging aanleiding te zien voor een verdere aanpassing. Hierbij is in aanmerking genomen dat betrokkene op de zitting heeft toegelicht dat hij de huurvordering op klager afzonderlijk heeft opgenomen in de jaarrekening, omdat hij de gebruikers van de jaarrekening, waaronder donateurs en sponsoren, inzicht wilde geven in wat er binnen de stichting is gebeurd. Verder heeft betrokkene verklaard dat er bij de stichting gerede twijfel bestaat over de kredietwaardigheid van klager vanwege betalingsproblemen uit het verleden en de hoogte van de omzet in 2021 en 2022 en dat om die reden een voorziening is opgenomen in de jaarrekening.

5.11.      De klacht zal in al haar onderdelen ongegrond worden verklaard.

6.             De beslissing

De Accountantskamer:

  • verklaart de klacht ongegrond.

Aldus beslist door mr. J.W. Frieling, voorzitter, mr. A.P.W. Esmeijer en mr. I.F. Clement (rechterlijke leden) en drs. J. Hetebrij RA en D.J. ter Harmsel AA (accountantsleden), in aanwezigheid van mr. E.N.M. van de Beld, secretaris, en uitgesproken in het openbaar op 23 februari 2026.

_________                                                                                                                       __________

secretaris                                                                                                                           voorzitter

Deze uitspraak is aan partijen verzonden op:_____________________________

Op grond van artikel 43 Wtra kan tegen deze uitspraak binnen 6 weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld door middel van het indienen van een beroepschrift bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven (adres: Postbus 20021, 2500 EA  Den Haag). Het beroepschrift moet de gronden van het beroep bevatten en moet zijn ondertekend.

[1] Zie bijvoorbeeld ECLI:NL:CBB:2020:285 en ECLI:NL:TACAKN:2025:64