We werken hard aan het herstel van de stabiliteit van tuchtrecht.overheid.nl. Excuus voor het ongemak.

ECLI:NL:TACAKN:2026:54 Accountantskamer Zwolle 26/969 Wtra AK

ECLI: ECLI:NL:TACAKN:2026:54
Datum uitspraak: 12-06-2026
Datum publicatie: 12-06-2026
Zaaknummer(s): 26/969 Wtra AK
Onderwerp:
Beslissingen: klacht kennelijk ongegrond
Inhoudsindicatie: Voorzittersbeslissing, de klacht is kennelijk ongegrond. De voorzitter van de Accountantskamer is van oordeel dat klager de feiten en omstandigheden onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt om de zware conclusie te rechtvaardigen dat betrokkene niet integer zou hebben gehandeld.

UITSPRAAK van 12 juni 2026 van de voorzitter op grond van artikel 39 lid 1 Wet tuchtrechtspraak accountants (Wtra) in de op 10 maart 2026 ontvangen klacht met nummer  26/969 Wtra AK van

X

wonende in [plaats1]

K L A G E R

t e g e n

Y

registeraccountant

kantoorhoudende te [plaats2]

B E T R O K K E N E

1.             De procedure

1.1.        De voorzitter heeft kennisgenomen van de volgende stukken:

  • het klaagschrift met bijlagen
  • de brief van de Accountantskamer van 18 maart 2026
  • de reactie daarop van klager van 30 maart 2026

2.             De beoordeling

2.1.        De gebruikelijke procedure is dat de tuchtklacht op een zitting wordt behandeld. De voorzitter van de Accountantskamer mag de zaak echter zonder zitting afdoen, als de klacht kennelijk niet-ontvankelijk, kennelijk ongegrond of van onvoldoende gewicht is[1]. De voorzitter is van oordeel dat de onderhavige klacht kennelijk ongegrond is en zal de klacht daarom niet verder in behandeling nemen. Die beslissing zal de voorzitter hierna toelichten.

Wat aan de klacht vooraf is gegaan.

2.2.        Betrokkene is sinds 1996 ingeschreven in het register van de NBA. Hij was verbonden aan [accountantskantoor1]. In de periode van mei 2005 tot en met november 2023 was hij lid van de Raad van Bestuur.

2.3.        Klager was werkzaam bij [accountantskantoor1] als senior belastingadviseur en later, sinds januari 2009, als manager Belastingadvies.

2.4.        In 2007 heeft [accountantskantoor1] een participatieregeling voor haar medewerkers beschikbaar gesteld. Daarvoor is [BV1] opgericht. De leden van de Raad van Bestuur (RvB) van [accountantskantoor1] zijn bestuurder van [BV1]. De aandelen in [BV1] zijn omgezet in certificaten van de stichting STAK [A]. Op de deelname aan de participatieregeling zijn de Voorwaarden voor medewerkersparticipaties in certificaten van aandelen in de besloten vennootschap [BV1] (hierna: de Voorwaarden) van toepassing. Een van de onderwerpen die in de Voorwaarden is geregeld betreft de hoeveelheid certificaten die per functie(groep) gekocht mag worden.

2.5.        In 2010 zijn de Voorwaarden aangepast waardoor er minder certificaten in de functie van Manager gekocht mogen worden. Klager heeft zijn onvrede daarover geuit en heeft vanaf november 2022 herhaaldelijk verzocht om inzage in de officiële besluitvorming omtrent de wijzing van de Voorwaarden (agenda en de notulen van [BV1], toestemming van de Raad van Commissarissen (RvC)). 

2.6.        Tijdens een gesprek op 7 november 2023 met betrokkene en [B] (lid van de RvB), waarbij klager werd bijgestaan door [C], heeft betrokkene enkele documenten getoond, waaronder de notulen en een agenda van de vergadering van een gremium binnen [BV1].

De verwijten van klager .

2.7.        Klager verwijt betrokkene dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan valsheid in geschrifte en antedateren. Dat zit zo.

2.7.1.    In 2008 heeft klager gesproken met zijn leidinggevende over de mogelijkheid te worden benoemd in de functie van manager. Bij succesvolle benoeming, zou klager het ‘dan geldende aantal certificaten voor managers’ mogen kopen, oftewel 20 stuks.

2.7.2.    Klager is per 1 januari 2010 benoemd als manager Belastingadvies. Conform de Voorwaarden ontstaat daardoor het recht om tien certificaten bij te kopen. Klager krijgt echter slechts twee certificaten aangeboden.

2.7.3.    Op 25 juni 2010 ontvangen alle participanten een brief van de RvB waarin is meegedeeld dat met instemming van de RvC en de ondernemingsraad de Voorwaarden zijn aangepast.

2.7.4.    In juli 2010 krijgt klager het aanbod om twee certificaten bij te kopen.

2.7.5.    Tijdens een bespreking op 22 november 2022 met [D], die lid was van het bestuur van [BV1] vanaf oprichting tot maart 2009, verneemt klager dat de besluitvorming rondom de Voorwaarden niet reglementair is doorgevoerd.

2.7.6.    In de periode augustus tot en met oktober 2023 heeft klager diverse besprekingen gevoerd met verschillende personen binnen [accountantskantoor1]. Klager heeft gevraagd om de agenda, notulen en goedkeuring van de RvC uit 2009 en 2010 als bewijs van de wijziging van de Voorwaarden. [Accountantskantoor1] heeft daarnaar laten zoeken door de directiesecretaresse maar zonder succes. Echter, tijdens een bespreking op 7 november 2023 met betrokkene heeft betrokkene een vel papier getoond met daarin de notulen van de vergadering met het bestuur van [BV1] en STAK [A] van juni 2009, alsmede de vastlegging van de goedkeuring door de RvC. Het ging om agendapunt 17. Gesteld wordt dat tijdens deze vergadering de Voorwaarden zijn aangepast, waarbij het recht op de aankoop van certificaten is gehalveerd.

2.7.7.    Volgens klager zijn de toen getoonde notulen niet juist.

  • Als voorbeeld voor wie de wijziging geldt, worden alleen de namen van twee personen genoemd die inderdaad managers zijn, maar zij zijn pas na wijziging van de Voorwaarden daadwerkelijk manager geworden.
  • De wijziging geldt ook voor andere categorieën participanten, die echter niet door betrokkene zijn genoemd in de voorgelezen passage van de notulen.
  • Het is onwaarschijnlijk dat op de agenda voor de vergadering van STAK [A] en [BV1] zeventien agendapunten stonden, omdat beide rechtspersonen geen actieve ondernemingen uitoefenen.
  • De notulen konden, ondanks zoekpogingen door de directiesecretaresse, lange tijd niet worden gevonden.

2.7.8.    Klager concludeert hieruit dat het besluit tot wijziging van de Voorwaarden eenzijdig is genomen door betrokkene, zonder toestemming van de RvC en dat van het besluit geen vastlegging in notulen is opgemaakt. Doordat betrokkene ‘opeens’ op 7 november 2023 wel kon verwijzen naar notulen, die qua inhoud aan alle kanten rammelen, blijkt volgens klager dat betrokkene deze notulen achteraf heeft opgesteld (geantedateerd).

Waarom is de klacht kennelijk ongegrond?

2.8.        De voorzitter wijst erop dat de Accountantskamer geen klachten in behandeling neemt als tussen het moment van het handelen of nalaten door de aangeklaagde accountant en het moment van indiening van de klacht een periode van tien jaar is verstreken. Daarom kan de Accountantskamer niet oordelen over de besluitvorming in 2009/2010.

2.9.        Een van de uitgangspunten in deze tuchtprocedure is dat het op de weg van klager ligt om de feiten en omstandigheden, die leiden tot de conclusie dat de aangeklaagde accountant tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld, niet alleen te stellen maar ook aannemelijk te maken. ‘Aannemelijk maken’ gaat niet zover dat de feiten onomstotelijk moeten zijn bewezen, maar het voert te ver om een tuchtklacht enkel te baseren op vermoedens of bijkomstige omstandigheden. In dit geval is de voorzitter van de Accountantskamer van oordeel dat klager de feiten en omstandigheden onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt om de zware conclusie te rechtvaardigen dat betrokkene niet integer zou hebben gehandeld.

2.9.1.    Klager heeft de notulen van juni 2009, die pas veel later zouden zijn opgesteld, niet overgelegd. Klager roept in bijlage 1 bij het klaagschrift de Accountantskamer op ‘om een kopie van de agenda, notulen alsmede de goedkeuring door RvC van de notulen van deze vergadering van 11 juni 2009 op te vragen bij [Y] of [accountantskantoor1]. Tevens dient een digitaal rapport of de digitale versie van de voormelde documenten opgevraagd te worden, waaruit blijkt dat de betreffende agenda, notulen en de goedkeuring van de notulen door de RvC in 2009 zijn opgemaakt en opgeslagen’. Een vergelijkbaar verzoek doet klager aan de Accountantskamer met betrekking tot de vergaderstukken maart-juni 2010 van de RvC. Ook betwijfelt klager of de goedkeuring van de OR wel is verkregen; klager meent dat de Accountantskamer dat na kan gaan. Dat alles is echter aan klager, die indachtig voornoemd uitgangspunt de feiten en omstandigheden aannemelijk moet maken. De Accountantskamer kan niet op basis van vermoedens van een klager lukraak stukken opvragen bij een accountantskantoor.

2.9.2.    De omstandigheden die klager schetst, zoals dat de notulen een tijd niet gevonden konden worden of dat het onwaarschijnlijk is dat er zeventien agendapunten waren, voeden wellicht het vermoeden van klager dat er iets niet in de haak is met de notulen. Deze omstandigheden maken naar het oordeel van de voorzitter op zichzelf nog niet aannemelijk dat betrokkene de notulen onjuist en achteraf moet hebben opgesteld.

2.9.3.    Daarbij komt nog dat [accountantskantoor1] de compliance officer opdracht heeft gegeven een onderzoek in te stellen naar aanleiding van een melding van klager. In het onderzoeksrapport van 5 januari 2025, dat klager heeft overgelegd, staat als een van de bevindingen dat het volgende:

“‘Besluit tot herziening wordt niet ingediend door het stichtingsbestuur maar door [Y] eenzijdig’

In de bestuursvergadering van Stichting [A] op 11 juni 2009 is in besluiten 16 tot en met 18 besloten het participantenreglement te wijzigen. De notulen van deze vergadering zijn door [E] en [Y] op 11 juni 2009 te [plaats3] ondertekend. Dit besluit is nooit voorgelegd aan de RvC en heeft niet tot een wijziging van het participantenreglement geleid. In de bestuursvergadering van Stichting [A] op 15 april 2010 is (opnieuw) een besluit genomen tot wijziging van het participantenreglement. Deze wijziging is op 22 juni 2010 goedgekeurd door de RvC, nadat zij een oplegger met uitleg bij dit agendapunt aangereikt hadden gekregen door het Bestuur. In de melding refereert [X] enkele malen aan inconsistenties tussen de notulen van de bestuursvergadering van 11 juni 2009 en de doorgevoerde wijzigingen in het participantenterglement van 22 juni 2010. Deze inconsistenties tussen de notulen (…) zijn verklaarbaar vanuit het bestaan van twee bestuursbesluiten, namelijk die van 11 juni 2009 en 15 april 2010, die niet geheel identiek waren. Het eerste bestuursbesluit heeft nooit geleid tot een aanpassing participantenreglement”.

Hoewel de onderliggende stukken niet bij het onderzoeksrapport zijn gevoegd, maken de bevindingen van de compliance offer aannemelijk dat de notulen daadwerkelijk in 2009/2010 zijn opgesteld en geen onjuiste inhoud bevatten. Daarmee is naar het oordeel van de voorzitter het tegendeel van de stellingen van klager aannemelijk gemaakt.

2.10.      De klacht zal daarom kennelijk ongegrond worden verklaard.

3.             De beslissing

De voorzitter van de Accountantskamer:

  • verklaart de klacht ongegrond.

Aldus beslist door mr. A.A.A.M. Schreuder, voorzitter, in aanwezigheid van mr. C.J.H. Terwal, secretaris, en uitgesproken in het openbaar op 12 juni 2026.

_________                                                                                                                       __________

secretaris                                                                                                                           voorzitter

Deze uitspraak is aan partijen verzonden op:_____________________________

Op grond van artikel 39, derde lid, Wtra kan tegen deze uitspraak binnen 6 weken na verzending daarvan verzet worden gedaan. Het verzet kan worden gericht aan de Accountantskamer (adres: Postbus 10067, 8000 GB  Zwolle).

[1] Zie artikel 39 van de Wet tuchtrechtspraak accountants.