ECLI:NL:TACAKN:2026:45 Accountantskamer Zwolle 25/2184 Wtra PE
| ECLI: | ECLI:NL:TACAKN:2026:45 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 23-04-2026 |
| Datum publicatie: | 23-04-2026 |
| Zaaknummer(s): | 25/2184 Wtra PE |
| Onderwerp: | |
| Beslissingen: | Klacht gegrond met doorhaling |
| Inhoudsindicatie: | Doorhaling 3 maanden: Gegronde klacht, betrokkene krijgt de maatregel van doorhaling voor de duur van drie maanden opgelegd. PE-zaak. Betrokkene heeft voor het jaar 2024 geen PE-portfolio opgesteld. Er is sprake van recidive. |
ACCOUNTANTSKAMER
UITSPRAAK van 23 april 2026 op grond van artikel 38 Wet tuchtrechtspraak accountants (Wtra) in de op 8 augustus 2025 ontvangen klacht met nummer 25/2184 Wtra PE van
KONINKLIJKE NEDERLANDSE BEROEPSORGANISATIE VAN ACCOUNTANTS (NBA)
gevestigd te Hoofddorp
K L A A G S T E R
gemachtigde: [A] LLB
t e g e n
y
registeraccountant
wonende te [plaats1]
B E T R O K K E N E
1. De procedure
1.1. De Accountantskamer heeft kennisgenomen van de volgende stukken:
- het klaagschrift met bijlagen
- het verweerschrift.
1.2. De klacht is behandeld op de openbare zitting van 9 februari 2026. Namens klaagster zijn verschenen mr. [B] en drs. [C]. Betrokkene is ook verschenen.
2. De feiten
2.1. Betrokkene is sinds 2003 ingeschreven in het accountantsregister van de NBA.
2.2. Op 8 oktober 2024 heeft klaagster een klacht tegen betrokkene ingediend, omdat betrokkene heeft nagelaten een PE-portfolio voor het jaar 2023 op te stellen. De Accountantskamer heeft deze klacht bij uitspraak van 17 april 2025 gegrond verklaard en betrokkene de maatregel van tijdelijke doorhaling voor de duur van één maand opgelegd[1]. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep ingesteld.
2.3. Klaagster heeft betrokkene door middel van NBA-nieuws eraan herinnerd dat uiterlijk op 31 januari 2025 de verklaring moet worden ingediend dat voor het kalenderjaar 2024 is voldaan aan de verplichting om een PE-portfolio op te stellen.
2.4. Omdat betrokkene de verklaring niet tijdig heeft ingediend, heeft klaagster betrokkene op 17 februari 2025, 26 februari 2025, 17 maart 2025, 3 april 2025 en 10 april 2025 per e-mail geïnformeerd over dit verzuim en heeft betrokkene nadere termijnen gekregen om deze verklaring alsnog in te dienen.
2.5. Omdat betrokkene ook binnen deze termijnen de verklaring niet heeft ingediend, heeft klaagster betrokkene op 22 april 2025 een brief gestuurd en een termijn geboden tot 7 mei 2025 voor het indienen van de verklaring. In de e-mail van 30 april 2025 heeft klaagster betrokkene herinnerd aan deze brief en de geboden termijn.
2.6. Betrokkene heeft binnen deze termijn geen verklaring afgegeven. Klaagster heeft op 15 mei 2025 een aangetekende brief naar betrokkene gestuurd, waarin een laatste termijn tot en met 28 mei 2025 is geboden. Betrokkene is daarnaast de mogelijkheid geboden om onvoorziene omstandigheden kenbaar te maken.
2.7. Ook binnen deze laatste termijn heeft betrokkene geen verklaring afgegeven of onvoorziene omstandigheden kenbaar gemaakt. Klaagster heeft betrokkene bij brief van 2 juni 2025 verzocht om uiterlijk op 16 juni 2025 het PE-portfolio te verstrekken of om onvoorziene omstandigheden kenbaar te maken.
2.8. Betrokkene heeft geen PE-portfolio aan het bestuur van klaagster verstrekt of onvoorziene omstandigheden naar voren gebracht.
3. De klacht
3.1. Betrokkene heeft volgens klaagster gehandeld in strijd met de voor hem geldende gedrags- en beroepsregels. Klaagster verwijt betrokkene dat (i) hij heeft nagelaten een PE-portfolio voor het jaar 2024 op te stellen, hetgeen klaagster concludeert uit het nalaten van betrokkene om een PE-portfolio over het jaar 2024 over te leggen in weerwil van een verzoek van het bestuur. Mocht blijken dat betrokkene wel een PE-portfolio voor het jaar 2024 heeft opgesteld, dan verwijt klaagster betrokkene dat (ii) hij heeft nagelaten het PE-portfolio over te leggen in weerwil van een verzoek van het bestuur.
4. De beoordeling
4.1. De Accountantskamer toetst de klacht aan de Verordening gedrags- en beroepsregels accountants (VGBA) en de Nadere voorschriften permanente educatie 2019 (NVPE).
4.2. De accountant moet per kalenderjaar in een PE-portfolio vastleggen op welke wijze hij zijn vakbekwaamheid in het desbetreffende kalenderjaar bijhoudt[2]. De accountant moet in dit PE-portfolio (vóór 1 april van het desbetreffende jaar) een plan van aanpak opnemen. In het plan van aanpak moet in elk geval worden vermeld welke werkzaamheden leiden tot het behalen van een leerdoel, de resultaten die deze werkzaamheden moeten opleveren, de leerdoelen per werkzaamheid en de voorgenomen PE-activiteiten[3].
4.3. Uiterlijk op 31 januari van het volgende kalenderjaar moet de accountant in het PE-portfolio vastleggen op welke wijze hij uitvoering heeft gegeven aan de PE-activiteiten die hij voornemens was te verrichten en welke leerresultaten zijn behaald[4]. Bij de vastlegging van de leerresultaten moet de accountant overwegingen vastleggen ten aanzien van verkregen vaktechnische kennis, vaardigheid of houding alsmede de concrete toepassing daarvan in de beroepsuitoefening en de waardering van de toepasbaarheid[5].
4.4. De accountant moet daarnaast uiterlijk op 31 januari van het volgende kalenderjaar verklaren dat hij heeft voldaan aan de verplichtingen uit artikel 3 NVPE[6].
4.5. Het bestuur van klaagster kan het PE-portfolio beoordelen[7]. De accountant dient desgevraagd de gegevens en inlichtingen die van belang zijn voor deze beoordeling aan het bestuur te verstrekken[8].
4.6. Het bestuur van klaagster kan op verzoek een gehele of gedeeltelijke ontheffing verlenen van -onder andere- de verplichtingen die voortvloeien uit artikel 3 NVPE. Betrokkene heeft geen verzoek tot vrijstelling of ontheffing ingediend.
4.7. Betrokkene erkent dat de klacht inhoudelijk gegrond is. Betrokkene heeft aangevoerd dat hij uit principe weigert te voldoen aan de PE-verplichtingen zolang er niet wordt opgetreden tegen de fraude met de verplichte kennistoets. De accountants die zich daaraan schuldig hebben gemaakt zijn volgens betrokkene compleet ontspoord en betrokkene meent dat de beroepsgroep eerst orde op zaken moet stellen. Volgens betrokkene heeft de voorzitter van klaagster in het Financieel Dagblad van 9 april 2025 zelfs publiekelijk aangegeven zijn pogingen op te geven de fraudeurs via het tuchtrecht aan te pakken. Betrokkene vindt dit persoonlijk onacceptabel, omdat het beroep beter verdient en frauderen door registeraccountants op deze wijze wordt gedoogd.
4.8. De Accountantskamer stelt vast dat betrokkene heeft erkend dat hij geen PE-portfolio aan het bestuur van klaagster heeft verstrekt en dat niet is voldaan aan de verplichting om een PE-portfolio op te stellen. Betrokkene heeft daarvoor geen aanvaardbare reden aangevoerd. Niet valt in te zien waarom de (door andere accountants) gepleegde fraude met de verplichte kennistoets tot gevolg zou hebben dat betrokkene zich niet zou hoeven te houden aan de voor hem geldende PE-verplichtingen. Deze staan immers los van elkaar. Daarnaast is niet gebleken dat betrokkene in 2024 wel PE-activiteiten heeft verricht. De enkele stelling van betrokkene dat hij zijn persoonlijke ontwikkeling ondersteunt via zijn arbeidspraktijk en door relevante cursussen is daarvoor onvoldoende. Daarom moet worden geconcludeerd dat betrokkene heeft gehandeld in strijd met het fundamentele beginsel van vakbekwaamheid en zorgvuldigheid. Klachtonderdeel (i) is daarom gegrond.
4.9. Klachtonderdeel (ii) is ingesteld onder de voorwaarde dat is gebleken dat betrokkene wel een PE-portfolio voor het jaar 2024 heeft opgesteld. Omdat niet is voldaan aan deze voorwaarde, komt de Accountantskamer niet toe aan de behandeling van dit klachtonderdeel.
5. De maatregel
5.1. Omdat de klacht gegrond is, kan een tuchtrechtelijke maatregel worden opgelegd. De maatregel van doorhaling voor de duur van drie maanden is passend en geboden.
5.2. De Accountantskamer heeft bij de beslissing tot het opleggen van de tuchtrechtelijke maatregel rekening gehouden met de aard en de ernst van de fouten van betrokkene. Daarbij is in aanmerking genomen dat de NVPE de kwaliteit van de beroepsuitoefening van accountants beoogt te bewaken. Het voortdurend op peil houden van de vakbekwaamheid is immers één van de essentiële vereisten voor een goede beroepsuitoefening. Betrokkene heeft, ondanks veelvuldige aanmaningen en zonder goede reden, voor het jaar 2024 niet voldaan aan de PE-verplichtingen uit de NVPE. Dit duidt op een gebrek aan besef van het belang dat het fundamentele beginsel van vakbekwaamheid en zorgvuldigheid heeft voor een adequate, professionele dienstverlening en het publieke vertrouwen in een goede uitoefening van het accountantsberoep. De Accountantskamer weegt daarbij mee dat betrokkene ook voor het jaar 2023 niet heeft voldaan aan de PE-verplichtingen. Klaagster heeft in verband daarmee eind 2024 een tuchtklacht tegen betrokkene ingediend, die heeft geleid tot het opleggen van de maatregel van tijdelijke doorhaling voor de duur van één maand. Deze tuchtklacht was voor betrokkene een duidelijk signaal dat het belangrijk was om (in ieder geval) voor 2024 de PE-verplichtingen wel na te komen. Betrokkene heeft dat niet gedaan en heeft ook geen gebruik gemaakt van de vele herstelmogelijkheden die de NBA heeft geboden. Hieruit ontstaat het beeld dat betrokkene zich niets gelegen laat liggen aan de PE-verplichtingen uit de NVPE en de eerder opgelegde tuchtmaatregel. Deze maatregel heeft niet de gewenste gedragsverandering bewerkstelligd. Hoewel tijdens de vorige zitting al getracht is duidelijk te maken dat voor het (principiële) standpunt van betrokkene een ander podium nodig is (bijvoorbeeld inspreken tijdens een NBA-vergadering), volhardt betrokkene in zijn standpunt. Dit wordt betrokkene zwaar aangerekend, mede gelet op het maatschappelijke belang dat met naleving van de NVPE is gemoeid.
6. De beslissing
De Accountantskamer:
- verklaart de klacht gegrond op de wijze zoals hiervoor is omschreven;
- legt aan betrokkene op de maatregel als bedoeld in artikel 2, eerste lid onder e. Wtra, te weten die van doorhaling van de inschrijving van de accountant in de registers, welke maatregel ingaat op de tweede dag volgend op de dag waarop deze beslissing onherroepelijk is geworden én de voorzitter van de Accountantskamer een last tot tenuitvoerlegging heeft uitgevaardigd;
- bepaalt de termijn waarbinnen betrokkene niet opnieuw in de registers kan worden ingeschreven op drie maanden;
- verstaat dat de AFM en de voorzitter van de NBA na het onherroepelijk worden van deze uitspraak én de uitvaardiging van een last tot tenuitvoerlegging door de voorzitter van de Accountantskamer, zorgen voor opname van deze tuchtrechtelijke maatregel in de registers, voor zover betrokkene daarin is of was ingeschreven.
Aldus beslist door mr. A.A.A.M. Schreuder, voorzitter, mr. P. van der Stroom (rechterlijk lid) en A.M.H. Homminga AA (accountantslid), in aanwezigheid van mr. E.N.M. van de Beld, secretaris, en uitgesproken in het openbaar op 23 april 2026.
_________ __________
secretaris voorzitter
Deze uitspraak is aan partijen verzonden op:_____________________________
Op grond van artikel 43 Wtra kan tegen deze uitspraak binnen 6 weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld door middel van het indienen van een beroepschrift bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven (adres: Postbus 20021, 2500 EA Den Haag). Het beroepschrift moet de gronden van het beroep bevatten en moet zijn ondertekend.
[1] ECLI:NL:TACAKN:2025:41
[2] Artikel 3 lid 1 NVPE
[3] Artikel 3 lid 2 sub a NVPE
[4] Artikel 3 lid 2 sub b NVPE
[5] Artikel 3 lid 3 NVPE
[6] Artikel 4 lid 3 NVPE
[7] Artikel 5 NVPE
[8] Artikel 4 lid 2 NVPE 9