ECLI:NL:TACAKN:2026:42 Accountantskamer Zwolle 25/3329 Wtra PE

ECLI: ECLI:NL:TACAKN:2026:42
Datum uitspraak: 23-04-2026
Datum publicatie: 23-04-2026
Zaaknummer(s): 25/3329 Wtra PE
Onderwerp:
Beslissingen: Klacht gegrond met doorhaling
Inhoudsindicatie: Doorhaling 6 maanden: Gegronde klacht, betrokkene krijgt de maatregel van doorhaling voor de duur van zes maanden opgelegd. PE-zaak. Betrokkene heeft voor de jaren 2023 en 2024 geen PE-portfolio opgesteld. Daarnaast heeft betrokkene voor deze jaren ten onrechte een complianceverklaring afgelegd. De fundamentele beginselen van vakbekwaamheid en zorgvuldigheid en integriteit zijn geschonden.

ACCOUNTANTSKAMER

UITSPRAAK van 23 april 2026 op grond van artikel 38 Wet tuchtrechtspraak accountants (Wtra) in de op 12 november 2025 ontvangen klacht met nummer 25/3329 Wtra PE van

KONINKLIJKE NEDERLANDSE BEROEPSORGANISATIE VAN ACCOUNTANTS (NBA)

gevestigd te Hoofddorp

K L A A G S T E R 

gemachtigde: [A] LLB

t e g e n

Y

registeraccountant

wonende te [plaats1]

B E T R O K K E N E

1.             De procedure

1.1.        De Accountantskamer heeft kennisgenomen van de volgende stukken:

  • het klaagschrift met bijlagen.

1.2.        De klacht is behandeld op de openbare zitting van 9 februari 2026. Namens klaagster zijn verschenen mr. [B] en drs. [C]. Betrokkene is, hoewel behoorlijk opgeroepen, zonder kennisgeving niet verschenen op de zitting en heeft zich evenmin laten vertegenwoordigen.  

2.             De feiten

2.1.        Betrokkene is sinds 1998 ingeschreven in het accountantsregister van de NBA.

2.2.        Op 24 april 2024 heeft betrokkene de verklaring als bedoeld in artikel 4 lid 3 NVPE afgelegd over 2023.

2.3.        Bij e-mail van 30 april 2024 heeft klaagster betrokkene geïnformeerd dat haar PE-portfolio deel uitmaakt van de steekproef. Daarbij heeft klaagster betrokkene verzocht om uiterlijk 14 mei 2024 een afschrift van het PE-portfolio 2023 en de onderliggende stukken te verstrekken. Aan dit verzoek heeft betrokkene niet voldaan.


2.4.        Bij e-mails van 15 mei 2024 en 23 mei 2024 heeft klaagster dit verzoek herhaald met een termijn tot uiterlijk 22 mei 2024 respectievelijk 29 mei 2024.

2.5.        Bij e-mail van 28 mei 2024 heeft betrokkene meegedeeld dat zij “het deze week [zal] uploaden”.

2.6.        Bij e-mail van 29 mei 2024 heeft klaagster de indieningstermijn bepaald op uiterlijk 31 mei 2024.

2.7.        Bij e-mail van 31 mei 2024 heeft klaagster betrokkene gevraagd of het uploaden van het PE-portfolio lukt. Betrokkene heeft hierop niet gereageerd.

2.8.        Bij aangetekende brief van 4 juni 2024 heeft klaagster betrokkene verzocht het PE-portfolio over 2023 met de onderliggende stukken uiterlijk 18 juni 2024 te verstrekken. Aan dit verzoek heeft betrokkene niet voldaan.

2.9.        Betrokkene heeft ook niet gereageerd op de e-mail van klaagster van 25 juni 2024 met hetzelfde verzoek.

2.10.      Bij e-mail van 24 april 2025 heeft klaagster betrokkene geïnformeerd dat haar PE-portfolio deel uitmaakt van de steekproef. Daarbij heeft klaagster betrokkene verzocht om uiterlijk 7 mei 2025 een afschrift van het PE-portfolio 2024 en de onderliggende stukken te verstrekken. Aan dit verzoek heeft betrokkene niet voldaan.

2.11.      Bij e-mails van 13 mei 2025 en 23 mei 2025 heeft klaagster dit verzoek herhaald met een termijn tot uiterlijk 20 mei 2025 respectievelijk 6 juni 2025. Aan deze verzoeken heeft betrokkene niet voldaan.

2.12.      Op 28 mei 2025 heeft betrokkene de verklaring als bedoeld in artikel 4 lid 3 NVPE afgelegd over 2024.

2.13.      Bij e-mail van 13 juni 2025 heeft klaagster betrokkene verzocht om het PE-portfolio 2024 met de onderliggende stukken uiterlijk 18 juni 2025 te verstrekken. Aan dit verzoek heeft betrokkene niet voldaan.

2.14.      Bij aangetekende brief van 28 augustus 2025 heeft klaagster betrokkene verzocht het PE-portfolio over 2024 met de onderliggende stukken uiterlijk 5 september 2025 te verstrekken. Aan dit verzoek heeft betrokkene niet voldaan.

2.15.      Op 16 september 2025 heeft betrokkene telefonisch uitstel gevraagd tot 22 september 2025.

2.16.      Bij e-mail van 22 september 2025 heeft betrokkene wegens ziekte verder uitstel gevraagd tot 23 september 2025.

2.17.      Bij e-mail van 22 september 2025 heeft klaagster uitstel verleend tot dinsdagochtend 23 september 2025 voor 12:00 uur.

2.18.      Betrokkene heeft geen PE-portfolio 2024 aan het bestuur van klaagster verstrekt of onvoorziene omstandigheden naar voren gebracht.

3.             De klacht

3.1.        Betrokkene heeft volgens klaagster gehandeld in strijd met de voor haar geldende gedrags- en beroepsregels. Klaagster verwijt betrokkene dat (i) zij in 2023 en 2024 heeft nagelaten het PE-portfolio over te leggen in weerwil van herhaalde verzoeken van het bestuur.

3.2.        Mocht blijken dat betrokkene over 2023 en/of 2024 in weerwil van haar verklaringen op 24 april 2024 en 28 mei 2025 geen portfolio heeft opgesteld, dan verwijt klaagster betrokkene dat (ii) zij heeft nagelaten een PE-portfolio voor het jaar 2023 en/of 2024 op te stellen en dat (iii) zij herhaaldelijk ten onrechte de verklaring heeft afgegeven.

4.             De beoordeling

4.1.        De Accountantskamer toetst de klacht aan de Verordening gedrags- en beroepsregels accountants (VGBA) en de Nadere voorschriften permanente educatie 2019 (NVPE).

4.2.        Klaagster heeft aangevoerd dat sinds 1 januari 2021 een ander systeem voor (de registratie van de inspanningen voor) permanente educatie (PE) geldt, vastgelegd in de NVPE. De PE-activiteiten moeten worden bijgehouden in een portfolio. Vóór 1 februari van elk jaar moeten accountants expliciet verklaren of ze aan hun PE-verplichtingen van het afgelopen jaar hebben voldaan via een complianceverklaring op de persoonlijke webpagina van iedere accountant op ‘MijnNBA’. Klaagster stelt dat betrokkene een complianceverklaring heeft afgelegd zonder dat zij een portfolio heeft gemaakt voor de jaren 2023 en 2024. Volgens klaagster heeft betrokkene daarmee in strijd gehandeld met artikel 3 lid 1 en artikel 4 lid 3 van de NVPE.

4.3.        De Accountantskamer is van oordeel dat alle klachtonderdelen gegrond zijn. Betrokkene heeft in strijd met diverse door haar gedane toezeggingen nagelaten het PE-portfolio over 2023 en 2024 aan klaagster over te leggen. Daarbij is veel coulance betracht en hulp aangeboden aan betrokkene. Op meerdere verzoeken van klaagster om dat alsnog te doen heeft betrokkene niet meer gereageerd. Het moet er aldus voor worden gehouden dat betrokkene in afwijking van artikel 3 lid 1 van de NVPE haar portfolio over 2023 en 2024 niet heeft bijgehouden, wat in strijd is met het fundamentele beginsel van vakbekwaamheid en zorgvuldigheid. Artikel 4 lid 3 van de NVPE verlangt dat de accountant een verklaring aflegt aan het bestuur van klaagster of zij heeft voldaan aan de verplichtingen, bedoeld in artikel 3. Omdat betrokkene aan het bestuur van klaagster heeft opgegeven dat zij in 2023 en 2024 volledig aan de in artikel 3 van de NVPE genoemde verplichtingen heeft voldaan, terwijl zij kennelijk geen PE-portfolio heeft bijgehouden, heeft betrokkene ook in strijd gehandeld met het fundamentele beginsel van integriteit. De Accountantskamer acht dat te meer kwalijk, omdat het systeem van permanente educatie zo is ingericht dat een accountant in beginsel op zijn woord wordt geloofd dat hij voldoende en relevante PE-activiteiten heeft ondernomen en die in een portfolio heeft vastgelegd. Door op de website van klaagster aan te vinken (de complianceverklaring) dat zij aan haar PE-verplichtingen heeft voldaan, heeft betrokkene het bestuur van klaagster bewust op het verkeerde been gezet.

5.             De maatregel

5.1.        Omdat de klacht gegrond is, kan een tuchtrechtelijke maatregel worden opgelegd. De maatregel van doorhaling voor de duur van zes maanden is passend en geboden.

5.2.        De Accountantskamer heeft bij de beslissing tot het opleggen van de tuchtrechtelijke maatregel rekening gehouden met de aard en de ernst van de fouten van betrokkene. Daarbij is in aanmerking genomen dat de NVPE de kwaliteit van de beroepsuitoefening van accountants beoogt te bewaken. Het voortdurend op peil houden van de vakbekwaamheid is immers één van de essentiële vereisten voor een goede beroepsuitoefening. Betrokkene heeft het bestuur van klaagster bewust op het verkeerde been gezet door tweemaal te verklaren dat zij heeft voldaan aan de verplichtingen ingevolge de NVPE voor de jaren 2023 en 2024. De registratie van de PE-activiteiten is gebaseerd op het vertrouwen dat een accountant naar waarheid verklaart dat is voldaan aan de PE-verplichtingen. Betrokkene heeft dat vertrouwen geschonden. Gelet op een en ander kan niet met een lichtere maatregel dan een tijdelijke doorhaling voor de duur van zes maanden worden volstaan. 

6.             De beslissing

De Accountantskamer:

  • verklaart de klacht gegrond op de wijze zoals hiervoor is omschreven;
  • legt aan betrokkene op de maatregel als bedoeld in artikel 2, eerste lid onder e. Wtra, te weten die van doorhaling van de inschrijving van de accountant in de registers, welke maatregel ingaat op de tweede dag volgend op de dag waarop deze beslissing onherroepelijk is geworden én de voorzitter van de Accountantskamer een last tot tenuitvoerlegging heeft uitgevaardigd;
  • bepaalt de termijn waarbinnen betrokkene niet opnieuw in de registers kan worden ingeschreven op zes maanden;
  • verstaat dat de AFM en de voorzitter van de NBA na het onherroepelijk worden van deze uitspraak én de uitvaardiging van een last tot tenuitvoerlegging door de voorzitter van de Accountantskamer, zorgen voor opname van deze tuchtrechtelijke maatregel in de registers, voor zover betrokkene daarin is of was ingeschreven.

Aldus beslist door mr. A.A.A.M. Schreuder, voorzitter, mr. P. van der Stroom (rechterlijk lid) en A.M.H. Homminga AA (accountantslid), in aanwezigheid van E.N.M. van de Beld, secretaris, en uitgesproken in het openbaar op 23 april 2026.

_________                                                                                                                       __________

secretaris                                                                                                                           voorzitter

Deze uitspraak is aan partijen verzonden op:_____________________________

Op grond van artikel 43 Wtra kan tegen deze uitspraak binnen 6 weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld door middel van het indienen van een beroepschrift bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven (adres: Postbus 20021, 2500 EA  Den Haag). Het beroepschrift moet de gronden van het beroep bevatten en moet zijn ondertekend.