ECLI:NL:TACAKN:2026:21 Accountantskamer Zwolle 26/719 Wtra AK 26/720 Wtra AK
| ECLI: | ECLI:NL:TACAKN:2026:21 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 30-03-2026 |
| Datum publicatie: | 03-04-2026 |
| Zaaknummer(s): |
|
| Onderwerp: | |
| Beslissingen: | klacht kennelijk ongegrond |
| Inhoudsindicatie: | Voorzittersbeslissing. De klacht is kennelijk ongegrond. Klager heeft onvoldoende duidelijk gemaakt welk handelen of nalaten ieder van de betrokkenen persoonlijk wordt verweten. Het is duidelijk dat klager een diepgaand geschil heeft met de middelbare school en meent dat hem en/of zijn dochter onrecht is aangedaan. Het is echter naar het oordeel van de voorzitter een brug te ver om accountants, die mogelijk zitting hebben in de Raad van Toezicht van de middelbare school, daarvan een tuchtrechtelijk verwijt te maken. Hersteluitspraak van 3 april 2026 is niet gepubliceerd. |
ACCOUNTANTSKAMER
UITSPRAAK van 30 maart 2026 van de voorzitter op grond van artikel 39 lid 1 Wet tuchtrechtspraak accountants (Wtra) in de op 19 februari 2026 ontvangen klacht met nummers 26/719 Wtra AK en 26/720 Wtra AK van
X
wonende in [plaats1]
K L A G E R
t e g e n
1. Y1
2. Y2
beiden registeraccountant
B E T R O K K E N E N
1. De beoordeling
1.1. De voorzitter heeft kennisgenomen van het klaagschrift met bijlagen over het handelen en nalaten van betrokkenen.
1.2. De gebruikelijke procedure is dat de tuchtklacht op een zitting wordt behandeld. De voorzitter van de Accountantskamer mag de zaak echter zonder zitting afdoen, als de klacht kennelijk niet-ontvankelijk, kennelijk ongegrond of van onvoldoende gewicht is[1]. De voorzitter is van oordeel dat de onderhavige klacht kennelijk ongegrond is en zal de klacht daarom niet verder in behandeling nemen. Die beslissing zal de voorzitter hierna toelichten.
Wat aan de klacht vooraf is gegaan.
1.3. De dochter van klager ([A]) is een leerling op [school1], een school voor middelbaar onderwijs in [plaats1]. [A] ondervindt leerproblemen, waarover klager met de school een zorgoverleg heeft gevoerd op 3 november 2025. Klager heeft op 6 november 2025 notulen van dat overleg ontvangen. Volgens klager zijn deze notulen vervalst, waarbij aanpassingen zijn gedaan om voor te wenden dat aan de zorgplicht wordt voldaan. De vervalsing blijkt volgens klager uit de metadata van het bestand: de vermelde totale bewerkingstijd bedraagt slechts 1 minuut.
1.4. Klager heeft op 21 januari 2026 in een e-mailbericht de volgende melding gedaan bij de Raad van Toezicht (RvT) inzake fraude en integriteitsschending door [B], de voorzitter van het College van Bestuur van [school1]:
Er is onomstotelijk vastgesteld (middels technische metadata) dat er binnen de schoolleiding dossierstukken zijn gemanipuleerd en geantedateerd om tekortkomingen in de zorgplicht te maskeren. De heer [B] is hiervan op de hoogte, maar weigert tot op heden om de noodzakelijke consequenties te verbinden aan deze feiten (zie bijgevoegd VSO-voorstel dat door hem is afgewezen).
Naast de integriteitsschendingen rondom de dossiervorming, maak ik mij ernstige zorgen over de willekeur waarmee bestuurder [B] de zorgplicht invult. Het afgenomen WISC-V onderzoeksverslag adviseert expliciet om toetsen mondeling af te nemen en tijdsdruk te vermijden. In de beginfase heeft de heer [B] hier zelf — terecht — druk op gezet om dit te faciliteren. Nu er een confiict is ontstaan over zijn bestuurlijke handelen, draait hij deze noodzakelijke zorg plotseling terug met het argument dat de school “te ver is meegegaan”.
Hiermee gaat hij in tegen het advies van de gedragswetenschapper, het beleid geformuleerd op de eigen website én tegen zijn eigen eerdere besluiten. Het lijkt er sterk op dat de zorgbehoefte van mijn dochterwordt ingezet als drukmiddel in dit conflict. Dit is in strijd met de zorgplicht en getuigt van onbehoorlijk bestuur.
Het risico: Ik heb getracht dit discreet met de heer [B] op te lossen. Echter, zijn weigering om te tekenen voor een feitelijkjuiste weergave en een veilige situatie voor mijn dochter, dwingt mij tot vervolgstappen. Er ligt een formele melding klaar voor:
1. De Inspectie van het Onderwijs (Inzake bestuurlijke integriteit, gekoppeld aan lopend dossier: 1787723).
2. De Vereniging Begaafdheidsprofielscholen (inzake het niet nakomen van zorgstandaarden).
Uw rol: Voordat ik overga tot verzending en externe escalatie, geef ik u als toezichthouder de gelegenheid om in te grijpen. Het kan niet de bedoeling zijn van de RvT dat een bestuurder aantoonbare fraude laat voortbestaan en daarmee de reputatie van de school op het spel zet.
Deadline: Ik ben bereid mijn meldingen op te schorten tot vrijdag 23januari 12:00 uur. Indien ik voor die tijd geen getekende vaststellingsovereenkomst (zie bijlage) heb ontvangen waarin de veiligheid van mijn dochter en de integriteit van het dossier zijn geborgd, wordende meldingen verstuurd. Tevens zal ik dan onverwijld de procedure starten bij de Landelijke Klachtencommissie. Aangaande het strafrechtelijke aspect van de zaak (valsheid in geschrifte) behoud ik mij nadrukkelijk alle rechten voor om hier op een later moment alsnog aangifte van te doen.
1.5. De voorzitter van de RvT heeft klager op 29 januari 2026 bericht dat de melding is besproken in een RvT-vergadering en dat de RvT ervan uitgaat dat de klacht inmiddels is ingediend bij de Geschillencommissies Bijzonder Onderwijs (GCBO). Hij schrijft: ‘Dat is overigens ook de weg die u moet gaan bij dergelijke klachten. Dit hebben we ook onze bestuurder aangegeven’.
1.6. Klager heeft daarop in zijn aangetekende brief van 31 januari 2026 de RvT erover geïnformeerd dat de Functionaris Gegevensbescherming (FG) onderzoek doet naar de data-integriteit van het leerlingdossier. Hij schrijft ook: ‘Gelet op uw toezichthoudende rol vertrouw ik erop dat u de technische bevindingen van de FG zult gebruiken om deze integriteit te waarborgen, aangezien dit een primaire verantwoordelijkheid van de Raad van Toezicht betreft welke u niet door kunt schuiven naar de GCBO’. In een opvolgend bericht van 7 februari 2026 heeft klager zijn constatering gedeeld dat de FG onvoldoende doorpakt om de logbestanden te leveren die de gestelde fraude kunnen aantonen. Klager stelt de RvT een ultimatum: ‘Ik geef u tot woensdag 11 februari 12:00 uur de gelegenheid om uw toezichthoudende rol alsnog waar te maken. Dit betekent concreet dat u erop toeziet dat de gevraagde, ongefilterde audit-logs per ommegaande worden verstrekt en dat u passende maatregelen treft tegen de bestuurder die deze integriteitsschending heeft gefaciliteerd.
Mocht ingrijpen uitblijven, dan zal ik mij genoodzaakt zien om woensdagmiddag direct over te gaan tot:
1. Een vervolgmelding bij de Inspectie van het Onderwijs inzake bestuurlijk onvermogen en een onveilige werkcultuur (dossier 1787723).
2. Een vervolgmelding en handhavingsverzoek bij de Autoriteit Persoonsgegevens (zaaknummer: 2026-002753).
3. Het indienen van tuchtrechtelijke klachten bij de Accountantskamer (NBA) en de NOREA inzake de betrokken toezichthouders wegens het verzaken van hun professionele zorgplicht.
4. Het deponeren van een rechtstreekse aangifte bij de Officier van Justitie wegens valsheid in geschrifte (Art. 225 Sr) en begunstiging (Art. 189 Sr) (…).
1.7. De voorzitter van de RvT heeft per e-mailbericht van 11 februari 2026 gereageerd op dit ultimatum. Volgens de voorzitter heeft de RvT de bestuurder van [school1] geadviseerd een advocaat in te schakelen. Reden daartoe is de (vaak dreigende) toon die klager hanteert in zijn berichten en het negeren van het beroep op klager vooral een klacht in te dienen bij de externe klachtencommissie.
De klacht.
1.8. Klager heeft drie klachtonderdelen aan de Accountantskamer voorgelegd.
1.8.1. Volgens klager hebben betrokkenen het fundamentele beginsel van vakbekwaamheid en zorgvuldigheid geschonden, omdat zij de signalen van fraude en manipulatie niet serieus hebben onderzocht.
1.8.2. Daarnaast hebben betrokkenen het fundamentele beginsel van integriteit geschonden, doordat zij in verband worden gebracht met rapportages of mededelingen die materieel onjuist, misleidend of onvolledig zijn.
1.8.3. Tot slot hebben betrokkenen in strijd gehandeld met het fundamentele beginsel van professionaliteit. De school heeft klager juridisch geïntimideerd op advies van de RvT.
Waarom is de klacht kennelijk ongegrond?
1.9. De klacht moet zo zijn geformuleerd dat het voor zowel de betrokken accountants als voor de Accountantskamer duidelijk is waarover de klacht gaat. En, omdat het accountantstuchtrecht zich richt op de individuele beroepsbeoefenaar, moet de aangeklaagde accountant persoonlijk betrokken zijn bij het verweten handelen of nalaten.
1.10. Betrokkenen zijn volgens het klachtenformulier ofwel lid van de RvT ofwel van de Auditcommissie, of van beide (klager maakt dat niet duidelijk). Enige persoonlijke betrokkenheid van betrokkene bij het geschil dat klager inzake [A] heeft met [school1] blijkt niet uit het klachtenformulier of uit de bijlagen. Dat betekent dat klager vooral klaagt over het gegeven dat de RvT niet ingrijpt naar aanleiding van de gemelde integriteitsschending, zoals klager dat van haar eist in de diverse e-mailberichten. Klager onderbouwt echter niet dat betrokkenen daarmee persoonlijk tuchtrechtelijk verwijtbaar hebben gehandeld of nagelaten.
1.10.1. In de eerste plaats is het dus niet duidelijk of betrokkenen lid zijn van de RvT. Maar als de voorzitter daar vanuit zou gaan, geldt dat betrokkenen niet de enige leden zijn van de RvT. Er is in ieder geval nog een derde lid, de voorzitter van de RvT. Dat maakt dat het toezicht collegiaal wordt gehouden. Het voert te ver om als uitgangspunt te nemen dat betrokkenen zonder meer de tuchtrechtelijke verantwoordelijkheid dragen voor de in gezamenlijkheid genomen besluiten en dat het feit dat klager het niet eens is met het handelen/nalaten van RvT tuchtrechtelijke verwijtbaarheid oplevert.
1.10.2. In de tweede plaats heeft klager niet toegelicht waarom betrokkenen, al aangenomen dat zij tuchtrechtelijk verantwoordelijk zijn voor het handelen en nalaten van de RvT, tuchtrechtelijk verwijtbaar hebben gehandeld of nagelaten. Uit de overgelegde stukken blijkt dat de RvT de berichten van klager serieus in onderzoek heeft genomen. Kort na de eerste melding heeft de RvT zijn visie al gedeeld dat het geschil tussen klager en [school1] vooral opgelost zou moeten worden via de GCBO. Dat acht de voorzitter een pleitbare opvatting, omdat aangenomen moet worden dat zowel klager als [school1] in het belang van [A] handelen. Wat hen verdeeld houdt, moet zo snel mogelijk worden opgelost.
1.10.3. Uit de daarop volgende e-mailberichten blijkt dat klager het geschil snel verder escaleert, onder meer door de zeer vergaande vervolgstappen in het vooruitzicht te stellen als de school of de RvT niet doet wat klager wil. Wanneer dergelijke ernstige (juridische) gevolgen worden voorgehouden, is het begrijpelijk dat de RvT adviseert een advocaat in de arm te nemen. Klager onderbouwt niet waarom dat advies strijdig zou zijn met hetgeen van een accountant wordt verlangd, al aangenomen dat betrokkenen hiervoor tuchtrechtelijke aansprakelijkheid dragen.
1.11. Kortom, klager heeft onvoldoende duidelijk gemaakt welk handelen of nalaten ieder van de betrokkenen persoonlijk wordt verweten. Het is duidelijk dat klager een diepgaand geschil heeft met [school1] en meent dat hem en/of [A] onrecht is aangedaan. Het is echter naar het oordeel van de voorzitter een brug te ver om accountants, die mogelijk zitting hebben in de RvT, mee te zuigen in dat geschil. De klacht zal daarom kennelijk ongegrond worden verklaard.
2. De beslissing
De voorzitter van de Accountantskamer:
- verklaart de klacht ongegrond.
Aldus beslist door mr. A.A.A.M. Schreuder, voorzitter, in aanwezigheid van mr. C.J.H. Terwal, secretaris, en uitgesproken in het openbaar op 30 maart 2026.
_________ __________
secretaris voorzitter
Deze uitspraak is aan partijen verzonden op:_____________________________
Op grond van artikel 39, derde lid, Wtra kan tegen deze uitspraak binnen 6 weken na verzending daarvan verzet worden gedaan. Het verzet kan worden gericht aan de Accountantskamer (adres: Postbus 10067, 8000 GB Zwolle).
[1] Zie artikel 39 van de Wet tuchtrechtspraak accountants.