ECLI:NL:TACAKN:2026:20 Accountantskamer Zwolle 25/1784 Wtra AK

ECLI: ECLI:NL:TACAKN:2026:20
Datum uitspraak: 30-03-2026
Datum publicatie: 30-03-2026
Zaaknummer(s): 25/1784 Wtra AK
Onderwerp:
Beslissingen: Klacht gegrond met berisping
Inhoudsindicatie: Gedeeltelijk gegronde klacht. Klaagster heeft in februari 2024 de aandelen in een tweetal vennootschappen verworven. Bij het samenstellen van de jaarrekening 2024 is discussie ontstaan over de toerekening van enkele omzetfacturen die bepalend zijn voor de vraag of verkoper recht heeft op een overeengekomen earn-outvergoeding. Betrokkene was zowel voor als na de overname de samenstellend accountant van de vennootschappen. Klaagster verwijt betrokkene dat hij zijn rol onvoldoende heeft bewaakt, dat hij over de omzettoerekening is blijven communiceren met de voormalige directie van de vennootschappen, dat hij zich op ongepaste wijze heeft laten beïnvloeden en dat hij onvoldoende rekening en verantwoording heeft afgelegd. De Accountantskamer verklaart de klacht gedeeltelijk gegrond. Betrokkene heeft gehandeld in strijd met de fundamentele beginselen vakbekwaamheid en zorgvuldigheid, objectiviteit en vertrouwelijkheid. Betrokkene krijgt de maatregel van berisping opgelegd.

UITSPRAAK van 30 maart 2026 op grond van artikel 38 Wet tuchtrechtspraak accountants (Wtra) in de op 7 juli 2025 ontvangen klacht met nummer 25/1784 Wtra AK van

x B.V.

gevestigd te [plaats1]

K L A A G S T E R

advocaat: mr. M.J. van Aalderen te Utrecht

t e g e n

Y

registeraccountant

kantoorhoudende te [plaats2]

B E T R O K K E N E

advocaat: mr. R. Bosman te Rotterdam

1.             De procedure

1.1.        De Accountantskamer heeft kennisgenomen van de volgende stukken:

  • het klaagschrift met bijlagen
  • het verweerschrift met bijlagen
  • de op de zitting overgelegde pleitaantekeningen.

1.2.        De klacht is behandeld op de openbare zitting van 12 januari 2026. Namens klaagster is verschenen de heer [A], bijgestaan door de advocaat. Betrokkene is ook verschenen, bijgestaan door de advocaat. 

2.             De uitspraak samengevat

Waarover gaat deze zaak?

2.1         Klaagster heeft in februari 2024 de aandelen in een tweetal vennootschappen verworven. Bij het samenstellen van de jaarrekening 2024 is discussie ontstaan over de toerekening van enkele omzetfacturen die bepalend zijn voor de vraag of verkoper recht heeft op een overeengekomen earn-outvergoeding. Betrokkene was zowel voor als na de overname de samenstellend accountant van de vennootschappen. Klaagster verwijt betrokkene dat hij zijn rol onvoldoende heeft bewaakt, dat hij over de omzettoerekening is blijven communiceren met de voormalige directie van de vennootschappen, dat hij zich op ongepaste wijze heeft laten beïnvloeden en dat hij onvoldoende rekening en verantwoording heeft afgelegd.

De beslissing van de Accountantskamer

2.2          De klacht is gedeeltelijk gegrond. Betrokkene heeft gehandeld in strijd met de fundamentele beginselen vakbekwaamheid en zorgvuldigheid, objectiviteit en vertrouwelijkheid.

De Accountantskamer legt de maatregel van berisping op.

3.             De feiten

3.1.        Betrokkene is sinds 1998 ingeschreven in het accountantsregister van de NBA en is als openbaar accountant werkzaam bij [accountantskantoor1] (“het accountantskantoor”) te [plaats2].

3.2          Klaagster drijft een HR-onderneming met kantoren in [plaats3], [plaats2] en [plaats buitenland4], die zich richt op recruitment en detachering van IT-professionals. De enig bestuurder van klaagster is de heer [A].

3.3         Op 5 februari 2024 heeft klaagster van [BV1] (“de verkoper”) alle geplaatste aandelen in het kapitaal van twee vennootschappen (“de Vennootschappen”) gekocht, welke vennootschappen gespecialiseerd zijn in de bemiddeling van hoogopgeleide professionals in IT, Finance en HR. De verkoper heeft twee aandeelhouders, tevens bestuurders.

3.4          In de koopovereenkomst is bepaald dat de jaarrekeningen voor het boekjaar 2023 door de huidige accountant van de Vennootschappen worden samengesteld. Betrokkene was namens het accountantskantoor de samenstellend accountant van de Vennootschappen. Betrokkene was vervolgens ook de samenstellend accountant voor de jaarrekeningen 2024 van de Vennootschappen.

3.5         Onderdeel van de afspraken zoals vastgelegd in de koopovereenkomst is een Earn-Out ten behoeve van de verkoper van de Vennootschappen. Op grond van de Earn-Out is klaagster aan de verkoper een eenmalige extra vergoeding verschuldigd van € 400.000 als de gezamenlijke EBITDA van de Vennootschappen in 2024 minimaal € 1 miljoen bedraagt. Wordt dat niet gehaald, dan is er geen Earn-Out verschuldigd. Ten behoeve van de Earn-Out bleef een van de voormalige aandeelhouders/bestuurders van de verkoper werkzaamheden verrichten voor de onderneming van de Vennootschappen.

3.6          In artikel 3.10 van de koopovereenkomst is met betrekking tot de Earn-Out het volgende overeengekomen:

"Koper zal na vaststelling van de jaarrekeningen van de Vennootschappen van 2024, die zo spoedig als redelijkerwijs mogelijk is na afloop van het betreffende boekjaar zullen worden opgesteld en vastgesteld, doch uiterlijk 1 mei 2025, Verkoper een schriftelijke kennisgeving (“Earn-Out Bericht”) sturen met daarin zijn berekeningen van (i) de gezamenlijke EBITDA van de Vennootschappen over de Earn-Out Periode en (ii) de vastgestelde Earn-Out.”

3.7          Op 5 mei 2025 is klaagster door de verkoper in gebreke gesteld vanwege het niet vaststellen van de jaarrekeningen van de Vennootschappen over 2024 uiterlijk 1 mei 2025. Ook stelde de verkoper klaagster in gebreke vanwege het niet uiterlijk 1 mei 2025 verstrekken van het Earn-Out Bericht. De verkoper heeft daarbij aan klaagster het volgende laten weten:

“Wij verwachten dat het Earn-Out Bericht zal laten zien dat de 2024 EBITDA drempel is gehaald, waarmee zal komen vast te staan dat wij de Earn-Out (volledig) hebben behaald en zowel [X] als wij de koop met een positief gevoel kunnen afsluiten.”

3.8         Tussen betrokkene en klaagster is een discussie ontstaan over de verwerking in de jaarrekening van een omzetbestanddeel van circa € 89.000. Daarbij was betrokkene van mening dat dit volgens een bestendige gedragslijn aan 2024 moest worden toegerekend, hetgeen betekende dat de Earn-Out was behaald, terwijl klaagster en haar adviseurs zich op het standpunt stelden dat dit omzetbestanddeel aan 2025 moest worden toegerekend, hetgeen betekende dat de Earn-Out niet was behaald.

3.9         Betrokkene heeft de samenstelopdracht met betrekking tot de jaarrekening 2024 niet afgerond. Betrokkene informeerde klaagster en het bestuur van de verkoper per e-mail van 8 mei 2025 als volgt:

“Over de discussie over het earn out bericht als ook de definitieve jaarrekeningen. En dan speciaal over deze definitieve jaarrekeningen. Omdat er tussen partijen een discussie is over de omzet, althans de benoemde 90k, en de toewijzing daarvan aan december 2024 dan wel een andere periode (2025) alsmede de rechtmatigheid van deze omzet binnen de door jullie gesloten overeenkomst is het voor ons niet mogelijk de jaarrekeningen definitief uit te brengen. Een earn out bericht zal dan, als dat wel mogelijk is, gebaseerd moeten zijn op de eerder uitgebrachte concepten met zelf te maken aantekeningen. Het is niet anders.”

3.10       Nadien heeft de discussie tussen betrokkene en klaagster en diens adviseurs en advocaten zich voortgezet, waarbij de standpunten niet nader tot elkaar zijn gekomen.

3.11       Op 12 juni 2025 heeft betrokkene zijn samenstelopdracht teruggegeven en klaagster daarover als volgt per e-mail bericht:

“Hierbij delen we u mede dat we onze opdracht tot het samenstellen van de jaarrekeningen 2024 van [BV2] en [BV3] aan u moeten teruggeven. De reden is dat we niet in staat zijn de opdracht te voltooíen.

Dit is het gevolg van onder andere:

  • Het niet aanleveren van door ons herhaald gevraagde aanvullende informatie met betrekking tot onder andere aansluitingen van omzet en inkoop detacheringen;
  • Het bij het continueren van de opdracht niet langer kunnen naleven van het fundamentele beginsel van objectiviteit.

Deze omstandigheden leiden tot de maatregel zoals genoemd in de aanhef van deze mail.”

4.             De klacht

4.1.        Betrokkene heeft volgens klaagster gehandeld in strijd met de voor hem geldende gedrags- en beroepsregels.

4.2.        Klaagster verwijt betrokkene het volgende:

1. Na de overname heeft betrokkene zijn rol onvoldoende bewaakt. Hij is blijven communiceren met de voormalige directie van de Vennootschappen over de inhoud van de samenstelopdracht. Daarmee heeft betrokkene het fundamentele beginsel van vertrouwelijkheid geschonden;

2. Betrokkene heeft niet professioneel en niet integer gehandeld door onvoldoende rekening en verantwoording af te leggen en zich onvoldoende toetsbaar op te stellen;

3. Betrokkene heeft nagelaten maatregelen te treffen om de bedreiging van zijn objectiviteit bij de uitvoering van de samenstelopdracht weg te nemen;

4. Betrokkene heeft zich tijdens de uitvoering van de samenstelopdracht op ongepaste wijze laten beïnvloeden door de verkoper en haar bestuurders.

5.             De beoordeling

5.1         De Accountantskamer toetst het handelen of nalaten van betrokkene aan de Verordening gedrags- en beroepsregels accountants (VGBA) en de Nadere voorschriften controle- en overige Standaarden (NV COS).

5.2          Het is aan klaagster de feiten en omstandigheden te stellen en bij betwisting aannemelijk te maken die tot de conclusie kunnen leiden dat betrokkene tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Het is aan de Accountantskamer om op basis van de vastgestelde feiten en omstandigheden en het relevante toetsingskader vast te stellen of het handelen of nalaten van betrokkene in strijd is met een of meer fundamentele beginselen.

Klachtonderdeel 1:

Na de overname heeft betrokkene zijn rol onvoldoende bewaakt. Hij is blijven communiceren met de voormalige directie van de Vennootschappen over de inhoud van de samenstelopdracht. Daarmee heeft betrokkene het fundamentele beginsel van vertrouwelijkheid geschonden.

5.3          Klaagster voert ter onderbouwing van dit klachtonderdeel aan dat de Vennootschappen de formele opdrachtgever voor de samenstelopdracht aan betrokkene waren en dat na de overname de heer [A] de enig bestuurder van de Vennootschappen is. Betrokkene had zich met betrekking tot de samenstelopdracht over het boekjaar 2024 daarom enkel dienen te verhouden tot zijn opdrachtgever, maar is onnodig blijven communiceren met de voormalige bestuurders van de Vennootschappen.

5.3.1      Klaagster wijst met name op een door haar overgelegde e-mail van 13 mei 2025 van betrokkene waarin hij gelijktijdig aan [A] en het bestuur van de verkoper zijn definitieve standpunt inzake de omzettoerekening kenbaar maakt.

5.4          Betrokkene heeft gesteld dat hij in het kader van het afronden van de jaarcijfers over 2023 met [A] heeft afgesproken dat hij rechtstreeks met de voormalige directie kon communiceren en dat [A] hem zelfs heeft verzocht het contact hierover met de voormalige directie te onderhouden. Betrokkene stelt dat dit voor de samenstelopdracht 2024 niet anders is geweest. Wel heeft hij direct na aanvang van de werkzaamheden geconstateerd dat er een discussie was tussen koper en verkoper met betrekking tot de toerekening van een omzetbedrag van circa € 89.000. Betrokkene heeft dit aan [A] en de verkoper voorgehouden met het verzoek om hierover onderling in overleg te treden. [A] reageerde hierop aan alle partijen  met de mededeling dat als dit een discussiepunt zou worden, een onafhankelijke accountant kon worden ingeschakeld om een objectief oordeel over dit punt te vellen. Volgens betrokkene is dit de manier geweest waarop partijen open, transparant en op een constructieve manier met elkaar hebben gecommuniceerd. [A] heeft volgens betrokkene ook steeds de verkoper in de e-mailcorrespondentie opgenomen in de cc. Dit was volgens betrokkene ook de meest aangewezen manier van communiceren, nu het hier een punt betrof dat beide partijen aanging en waarover alleen zij overeenstemming konden bereiken, zodat betrokkene inzake de omzetverantwoording een instructie kon worden gegeven om tot afronding van de jaarrekeningen over 2024 te komen.

5.4.1      Met betrekking tot de e-mail van 13 mei 2025 stelt betrokkene dat hij, na daartoe door [A] te zijn verzocht, onderzoek heeft gedaan naar de manier van omzetverantwoording binnen de Vennootschappen in eerdere jaren en zijn visie heeft gegeven op hoe, indachtig deze gedragslijn, in welk boekjaar de ter discussie staande omzet van € 89.000 moest worden verantwoord.

5.5          De Accountantskamer overweegt dat betrokkene onweersproken heeft gesteld en met documenten heeft onderbouwd dat hij met [A] de afspraak heeft gemaakt om over de afronding van de jaarrekening 2023 rechtstreeks met de verkoper te communiceren en dat hij dus met betrekking tot die jaarrekening van zijn geheimhoudingsverplichting was ontheven.  Betrokkene mocht er naar het oordeel van de Accountantskamer echter niet van uitgaan dat die afspraak ook voor 2024 van toepassing was. Dat geldt teminder omdat betrokkene kort na het einde van het boekjaar 2024 door [A] op de hoogte werd gebracht van de discussie over de omzet en andere geschillen tussen partijen waaruit betrokkene kon afleiden dat er een evident tegengesteld belang was tussen klaagster als zijn opdrachtgever en de verkoper van de aandelen.

5.5.1      Waar betrokkene stelt dat partijen steeds open en transparant hebben gecommuniceerd, stelt de Accountantskamer vast dat dit niet strookt met het e-mailverkeer dat is overgelegd. Daaruit blijkt weliswaar dat tussen alle partijen is gecommuniceerd over het gegeven dat er een geschil bestaat over de omzettoerekening, maar dat in de e-mails over de inhoudelijke aspecten daarvan die [A] en zijn adviseurs na 10 februari 2025 aan betrokkene hebben gestuurd geen van de twee voormalige aandeelhouders van de verkoper is in gekopieerd. Het is juist betrokkene geweest die dat in de door hem verzonden e-mails wel heeft gedaan. Dat geldt in het bijzonder voor de e-mail van 13 mei 2025 waaraan klaagster refereert waarin betrokkene zijn standpunt over de omzettoerekening heeft kenbaar gemaakt en die hij gelijktijdig aan [A] en de beide aandeelhouders van de verkoper heeft gezonden.

5.6          Volgens artikel 16 VGBA is de accountant die de beschikking krijgt over gegevens of inlichtingen waarvan deze het vertrouwelijke karakter kent of redelijkerwijs moet vermoeden, verplicht tot geheimhouding van die gegevens of inlichtingen. Betrokkene had moeten beseffen dat informatie over de omzettoerekening die mede van belang was voor de standpuntbepaling van zijn opdrachtgever vertrouwelijk was en dat het hem niet vrij stond deze te delen met (de aandeelhouders van) de verkoper, tevens wederpartij van klaagster. In relatie tot het samenstellen van de jaarrekeningen 2024 van de Vennootschappen was het betrokkene uitsluitend nog toegestaan aan hun bestuurder vertrouwelijke gegevens en inlichtingen te verstrekken, waaronder de conceptjaarrekeningen 2024 en de daarin al dan niet te verwerken omzet van circa € 89.000. Dat zou slechts anders zijn indien betrokkene van klaagster in het kader van een specifiek doel schriftelijke toestemming tot het verstrekken van de gegevens of inlichtingen heeft verkregen en dit doel wordt vastgelegd.[1] Die toestemming had betrokkene echter niet. Dat [A] niet direct bezwaar heeft gemaakt tegen de handelwijze van betrokkene maakt dat niet anders en kan niet als toestemming worden opgevat, nog daargelaten dat de toestemming op grond van artikel 16 aanhef en onder d VGBA schriftelijk moet worden gegeven. Dit betekent dat betrokkene heeft gehandeld in strijd met het fundamentele beginsel van vertrouwelijkheid.

5.7         Vanwege de samenhang met het vorige klachtonderdeel zal de Accountantskamer hierna eerst de klachtonderdelen 3 en 4 bespreken.

Klachtonderdeel 3

Betrokkene heeft nagelaten maatregelen te treffen om de bedreiging van zijn objectiviteit bij de uitvoering van de samenstelopdracht weg te nemen.

5.8          Klaagster voert ter onderbouwing van dit klachtonderdeel aan dat het accountantskantoor vóór de overname van de Vennootschappen de ‘huisaccountant’ was van de verkoper en gelieerde vennootschappen en dat zij dat nog steeds is. Volgens klaagster heeft betrokkene dit ook onderkend, nu hij in een e-mail van 28 mei 2025 aan klaagster en haar advocaat heeft geschreven:

“Onze organisatie onderhoudt nog steeds banden met de verkoper.” En: “Bij het samenstellen van deze onderhavige jaarrekeningen zijn wij ons er uiteraard direct van bewust geweest dat er tegengestelde belangen zouden kunnen ontstaan.”

5.8.1      Klaagster heeft betrokkene verzocht de vastlegging uit zijn opdrachtdossier over te leggen waaruit blijkt welke maatregelen betrokkene heeft getroffen om de bedreiging van het fundamentele beginsel van objectiviteit weg te nemen. Nu betrokkene deze vastlegging niet aan klaagster heeft verstrekt, concludeert klaagster dat die niet bestaat en dat de bedreiging van de objectiviteit gedurende de samenstellingsopdracht is blijven bestaan. Daarmee heeft betrokkene zich volgens klaagster onvoldoende rekenschap gegeven van deze bedreiging.

5.9          Betrokkene heeft gesteld dat er in zijn visie niet op voorhand een bedreiging van zijn objectiviteit hoefde te ontstaan omdat door klaagster en de verkoper duidelijke afspraken waren gemaakt over de samen te stellen jaarrekeningen, waaronder de afspraak dat bij het opstellen van de jaarrekeningen over het boekjaar 2024 geen wijzigingen worden aangebracht ten opzichte van de verslagleggings- en rapportagepraktijken en -principes zoals die bij het opstellen van de jaarrekeningen over het boekjaar 2023 zijn gehanteerd. Omdat er wel bedreigingen zouden kunnen ontstaan heeft betrokkene niettemin een maatregel getroffen om de naleving van de fundamentele beginselen te waarborgen.

5.9.1      De getroffen maatregel zag er volgens betrokkene op dat hij zich uitsluitend nog zou bezighouden met de samensteldossiers van de Vennootschappen en op geen enkele manier meer betrokken zou zijn bij de behandeling van andere dossiers van de verkoper en aan haar gelieerde partijen. Betrokkene heeft een dossierstuk overgelegd waaruit de onderkende bedreiging en de getroffen maatregel blijken.

5.9.2      Betrokkene stelt voorts dat klaagster bekend was met het feit dat het accountantskantoor de huisaccountant was van (de bestuurders van) de verkoper en gelieerde vennootschappen. Niettemin is klaagster welbewust met de verkoper overeengekomen dat het accountantskantoor de jaarrekeningen van de Vennootschappen over het boekjaar 2023 zal samenstellen en heeft zij dit kantoor opdracht gegeven ook de jaarrekeningen over het boekjaar 2024 samen te stellen. Klaagster had hier ook een andere afweging kunnen maken.

5.10       Naar het oordeel van de Accountantskamer heeft betrokkene voldoende aannemelijk gemaakt dat hij een bedreiging van zijn objectiviteit heeft onderkend en een maatregel heeft getroffen om die bedreiging weg te nemen. De vraag of deze maatregel toereikend was kan in het midden blijven vanwege het feit dat deze teniet werd gedaan doordat betrokkene in het kader van de samenstellingsopdracht verkoper in de inhoudelijke discussie over de omzettoerekening van circa € 89.000 heeft betrokken. Bij klachtonderdeel 1 heeft de Accountantskamer al geoordeeld dat betrokkene daarmee het fundamentele beginsel van vertrouwelijkheid heeft geschonden. Betrokkene is daarmee echter ook – in weerwil van de door hem getroffen maatregel ter waarborging van zijn objectiviteit – betrokken geraakt dan wel gebleven bij de behartiging van de belangen van de verkoper. De verkoper had immers een rechtstreeks belang bij de uitkomsten van de discussie over de Earn-Out dat tegengesteld was aan het belang van klaagster als opdrachtgever van betrokkene. Op grond van de door betrokkene getroffen maatregel had hij zich bij deze discussie afzijdig moeten houden. Nu betrokkene dat niet heeft gedaan was de getroffen maatregel – zo die al effectief had kunnen zijn – niet toereikend. Betrokkene heeft vervolgens ook geen andere maatregelen getroffen om de bedreiging van zijn objectiviteit weg te nemen, zoals het uitvoering geven aan het eerder door hem in zijn e-mail van 11 februari 2025 aan de betrokken partijen gedane voorstel om het oordeel van een onafhankelijke deskundige te vragen.

5.11       Betrokkene stelt verder dat klaagster bekend was met de relatie tussen het accountantskantoor en de verkoper en niettemin met de verkoper is overeengekomen dat betrokkene de jaarrekening 2023 zal samenstellen en vervolgens de opdracht heeft gegeven ook de jaarrekening 2024 samen te stellen. Als betrokkene daarmee bedoelt te stellen dat klaagster zelf medeverantwoordelijk is voor de ontstane situatie, dan constateert de Accountantskamer dat betrokkene zijn verantwoordelijkheid niet begrijpt. Het is immers betrokkene die moet beoordelen of het aanvaarden of continueren van een opdracht tot een bedreiging van de fundamentele beginselen leidt en, indien dat het geval is, toereikende maatregelen moet treffen om te zorgen dat hij zich houdt aan de fundamentele beginselen. Als dat niet mogelijk is, moet betrokkene de opdracht weigeren of beëindigen. Dit vloeit voort uit artikel 21 VGBA. Belanghebbenden mogen erop vertrouwen dat de accountant in overeenstemming met de bepalingen van (ook) dit artikel handelt.

5.12       Op grond van het vorenstaande is klachtonderdeel 3 gegrond. Betrokkene heeft geen toereikende maatregelen getroffen om de bedreiging van het fundamentele beginsel objectiviteit weg te nemen en heeft daarmee gehandeld in strijd met dit beginsel.

Klachtonderdeel 4

Betrokkene heeft zich tijdens de uitvoering van de samenstelopdracht op ongepaste wijze laten beïnvloeden door de verkoper en haar bestuurders.

5.13       Klaagster heeft de stellige indruk dat betrokkene zich tijdens de samenstellingsopdracht 2024 op ongepaste wijze heeft laten beïnvloeden door de verkoper en haar bestuurders. Betrokkene wenst aan klaagster echter geen inzage te verlenen in zijn onderlinge correspondentie met deze partijen.

5.14       De Accountantskamer begrijpt dat deze indruk bij klaagster heeft kunnen ontstaan, maar stelt vast dat klaagster geen concrete feiten heeft aangedragen om haar stelling dat betrokkene zich op ongepaste wijze heeft laten beïnvloeden aannemelijk te maken. Daarmee ontbeert dit klachtonderdeel een feitelijke grondslag. Klaagster heeft evenmin onderbouwd waarom betrokkene zou zijn gehouden om te voldoen aan haar verzoek om inzage in zijn eventuele correspondentie met de verkoper en haar bestuurders. Het klachtonderdeel is ongegrond.

Klachtonderdeel 2:

Betrokkene heeft niet professioneel en niet integer gehandeld door onvoldoende rekening en verantwoording af te leggen en zich onvoldoende toetsbaar op te stellen.

5.15       Volgens klaagster heeft betrokkene haar vragen en nadere vragen niet of op zijn minst  onduidelijk of onvoldoende beantwoord. Uit de overgelegde stukken leidt de Accountantskamer echter af dat betrokkene steeds de schriftelijke vragen van klaagster en haar advocaat heeft beantwoord en ook op nadere vragen die naar aanleiding daarvan zijn gesteld antwoord heeft gegeven. Dat klaagster met deze antwoorden niet altijd tevreden was maakt dat niet anders. Klaagster heeft niet onderbouwd welke antwoorden van betrokkene onduidelijk of onvoldoende waren en waarom betrokkene daarmee tuchtrechtelijk verwijtbaar zou hebben gehandeld. In zoverre is dit klachtonderdeel ongegrond.

5.16       Voorts is volgens klaagster sprake van onnavolgbare tournures bij betrokkene, met name met betrekking tot de verslaggevingsaspecten aangaande de omzet, waarbij betrokkene de bepalingen van de koopovereenkomst voorop heeft gesteld. Klaagster doelt daarbij specifiek op de bewering van betrokkene dat met toepassing van 2:362 lid 4 BW[2] kan worden afgeweken van de voorschriften van Boek 2 Titel 9 BW.

5.17       Ten aanzien van dit verwijt overweegt de Accountantskamer het volgende. Betrokkene heeft onweersproken gesteld dat hij zich consequent op het standpunt heeft gesteld dat de betreffende omzet aan 2024 moet worden toegerekend. De Accountantskamer is daarom met betrokkene van oordeel dat van tournures geen sprake is. In zoverre is het klachtonderdeel ook ongegrond.

5.17.1    Naar het oordeel van de Accountantskamer heeft betrokkene echter in zijn e-mail van 28 mei 2025 aan de advocaat van klaagster wel een onjuiste onderbouwing van zijn standpunt gegeven. In relatie tot de toepassing van artikel 2:362 lid 4 BW heeft betrokkene gesteld dat de bepalingen in koopovereenkomst leidend zijn voor de door hem samen te stellen jaarrekeningen, nu deze jaarrekeningen de basis vormen voor de Earn-Out. Dat betekent volgens betrokkene dat de jaarrekeningen 2024 hoe dan ook volgens dezelfde verslaggevingsprincipes en -praktijken moeten worden opgesteld als de jaarrekeningen 2023. Betrokkene heeft in dat kader aangegeven dat artikel 2:362 lid 4 BW de mogelijkheid biedt om af te wijken van de voorschriften van Boek 2 Titel 9 BW en dat daarmee een toetsing van de verslaggeving aan de wet en de Richtlijnen Jaarverslaggeving achterwege kan blijven. Naar het oordeel van de Accountantskamer is dit standpunt van betrokkene onbegrijpelijk. Bovendien is dit standpunt in tegenspraak met de door betrokkene samengestelde jaarrekeningen 2023 waaruit in het geheel niet blijkt dat van de voorschriften van Boek 2 Titel 9 BW is afgeweken. Betrokkene heeft ter zitting erkend dat het ingenomen standpunt niet juist is. Het klachtonderdeel is in zoverre wel gegrond.

5.18       Verder verwijt klaagster betrokkene dat hij geen inzage heeft willen geven in zijn onderlinge correspondentie met de verkoper. Naar het oordeel van de Accountantskamer heeft klaagster niet onderbouwd waarom betrokkene zou zijn gehouden om te voldoen aan haar verzoek om inzage in zijn eventuele correspondentie met de verkoper en haar bestuurders. Betrokkene heeft bovendien terecht aangevoerd dat zijn geheimhoudingsplicht jegens hen aan het verstrekken van deze informatie in de weg staat. Het klachtonderdeel is op dit punt ongegrond.

5.19       Tot slot verwijt klaagster betrokkene dat hij zich aan zijn verantwoordelijkheden heeft getracht te onttrekken door de opdracht terug te geven, terwijl dit hem niet ontsloeg van het afleggen van rekening en verantwoording. De Accountantskamer stelt vast dat het klaagster is die aan de opzegging door betrokkene de conclusie verbindt dat betrokkene daarmee zou hebben getracht voor zijn verantwoordelijkheid weg te lopen. Deze gevolgtrekking van klaagster is echter niet onderbouwd. Het is niet aannemelijk geworden dat aan de opzegging door betrokkene andere omstandigheden ten grondslag liggen dan de gronden genoemd in zijn e-mail van 12 juni 2025. Het klachtonderdeel is in zoverre ongegrond.

5.20       Samenvattend komt de Accountantskamer tot de conclusie dat klachtonderdeel 2 gegrond is ten aanzien van het verwijt dat betrokkene een onjuist standpunt heeft ingenomen over de toepassing van artikel 362 lid 4 Boek 2 BW. Betrokkene heeft daarmee gehandeld in strijd met het fundamentele beginsel vakbekwaamheid en zorgvuldigheid. Voor het overige is het klachtonderdeel ongegrond.

5.21       De klacht zal wat betreft de klachtonderdelen 1, 2 (gedeeltelijk) en 3 gegrond worden verklaard en wat betreft klachtonderdeel 4 ongegrond.

6.             De maatregel

6.1.        Omdat de klacht (gedeeltelijk) gegrond is, kan een tuchtrechtelijke maatregel worden opgelegd. De maatregel van berisping  is passend en geboden. Daarbij heeft de Accountantskamer het volgende overwogen.

6.2          Bij de uitvoering van een samenstellingsopdracht door betrokkene is sprake van meerdere verwijtbare gedragingen, waarmee betrokkene gehandeld heeft in strijd met de fundamentele beginselen vakbekwaamheid en zorgvuldigheid, objectiviteit en vertrouwelijkheid. In beginsel is de geëigende maatregel voor dit samenstel van gedragingen een tijdelijke doorhaling. In het voordeel van betrokkene heeft de Accountantskamer echter meegewogen dat hij ter zitting zelfinzicht heeft getoond en zich bewust is geworden van het tekortschieten van zijn handelen. Betrokkene heeft daarvoor ook ter zitting zijn excuses aan klaagster aangeboden. Voorts heeft de Accountantskamer meegewogen dat betrokkene in verband met deze tuchtklacht eerder dan gepland zal uittreden als partner en nog slechts lopende dossiers zal afhandelen.

7.             De beslissing

De Accountantskamer:

  • verklaart de klachtonderdelen 1, 2 (gedeeltelijk) en 3 gegrond;
  • verklaart klachtonderdeel 4 ongegrond;
  • legt aan betrokkene op de maatregel van

- berisping;

  • verstaat dat de AFM en de voorzitter van de NBA na het onherroepelijk worden van deze uitspraak én de uitvaardiging van een last tot tenuitvoerlegging door de voorzitter van de Accountantskamer, zorgen voor opname van deze tuchtrechtelijke maatregel in de registers, voor zover betrokkene daarin is of was ingeschreven;
  • verstaat dat, op grond van het bepaalde in artikel 23, derde lid Wtra, betrokkene het door klaagster betaalde griffierecht ten bedrage van € 70,-- (zeventig euro) aan klaagster vergoedt.

Aldus beslist door mr. C.H. de Haan, voorzitter, mr. A.P.W. Esmeijeren mr. I.F. Clement    (rechterlijke leden) en Th.A. Verkade RA en C.M. Verdiesen AA (accountantsleden), in aanwezigheid van mr. E.N.M. van de Beld, secretaris, en uitgesproken in het openbaar op 30 maart 2026.

_________                                                                                                                       __________

secretaris                                                                                                                          voorzitter

Deze uitspraak is aan partijen verzonden op:_____________________________

Op grond van artikel 43 Wtra kan tegen deze uitspraak binnen 6 weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld door middel van het indienen van een beroepschrift bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven (adres: Postbus 20021, 2500 EA  Den Haag). Het beroepschrift moet de gronden van het beroep bevatten en moet zijn ondertekend.

[1] VGBA artikel 16 onderdeel d.

[2] Dit artikellid luidt als volgt:

Indien het verschaffen van het in lid 1 bedoelde inzicht dit vereist, verstrekt de rechtspersoon in de jaarrekening gegevens ter aanvulling van hetgeen in de bijzondere voorschriften van en krachtens deze titel wordt verlangd. Indien dit noodzakelijk is voor het verschaffen van dat inzicht, wijkt de rechtspersoon van die voorschriften af; de reden van deze afwijking wordt in de toelichting uiteengezet, voor zover nodig onder opgaaf van de invloed ervan op vermogen en resultaat.