ECLI:NL:TACAKN:2026:2 Accountantskamer Zwolle 25/1104 Wtra AK
| ECLI: | ECLI:NL:TACAKN:2026:2 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 16-01-2026 |
| Datum publicatie: | 19-01-2026 |
| Zaaknummer(s): | 25/1104 Wtra AK |
| Onderwerp: | |
| Beslissingen: | Klacht ongegrond |
| Inhoudsindicatie: | Klacht tegen accountant in relatie tot een geschil tussen klaagster en haar ex-echtgenoot. Klacht is ongegrond omdat de verweten gedragingen door een fiscalist, verbonden aan het kantoor van de accountant, zijn gedaan en de fiscalist valt onder eigen tuchtrecht. |
UITSPRAAK van 16 januari 2026 op grond van artikel 38 Wet tuchtrechtspraak accountants (Wtra) in de op 31 maart 2025 ontvangen klacht met nummer 25/1104 Wtra AK van
1. X1
wonende te [plaats1]
2. X2 Holding B.V.
statutair gevestigd te [plaats2]
K L A A G S T E R S
t e g e n
Y
accountant-administratieconsulent
kantoorhoudende te [plaats3]
B E T R O K K E N E
advocaat: mr. D.J.P. van Barneveld te Oosterbeek
1. De procedure
1.1. Klaagsters zullen hierna voor de leesbaarheid waar nodig afzonderlijk worden aangeduid als klaagster respectievelijk de holding.
1.2. De Accountantskamer heeft kennisgenomen van de volgende stukken:
- het klaagschrift met bijlagen;
- de e-mail van klaagster mede namens de holding van 17 april 2025 met bijlagen;
- het verweerschrift met bijlage;
- de brief van betrokkene van 10 oktober 2025 met bijlagen.
1.3. De klacht is behandeld op de openbare zitting van 27 oktober 2025. Mede namens de holding is klaagster verschenen. Betrokkene is ook verschenen, bijgestaan door zijn advocaat.
2. De uitspraak samengevat
2.1. Klaagster heeft een aandeelhoudersconflict en andere geschillen met haar ex-partner. Tot eind 2023 waren zij allebei bestuurder en aandeelhouder van de holding. Via haar vennootschap
heeft de moeder van de ex-partner een geldlening verstrekt aan een dochtermaatschappij van de holding. De ex-partner en zijn moeder zijn klant van betrokkene. Klaagsters verwijten betrokkene onder meer “een brede rolvervaging en verwevenheid in de relatie tussen [accountantskantoor1][1] en (de belangen van) haar cliënten, die het vertrouwen in de beroepsgroep fundamenteel schaadt”. Volgens klaagsters heeft betrokkene in strijd gehandeld met de fundamentele beginselen genoemd in de Verordening gedrags- en beroepsregels accountants (VGBA). Betrokkene betwist dit en voert als verweer dat de verweten handelingen niet door hem maar vooral door een ander (een fiscalist verbonden aan hetzelfde kantoor) zijn uitgevoerd. Daarnaast voert hij aan dat de verwijten onvoldoende zijn onderbouwd. De Accountantskamer volgt dit verweer en verklaart de klacht ongegrond.
3. De feiten
3.1. Sinds 2006 staat betrokkene ingeschreven in het accountantsregister van de NBA. Betrokkene is verbonden aan [accountantskantoor1] te [plaats4] (hierna: het accountantskantoor). De heer mr. [A] RB is als fiscalist eveneens werkzaam bij het accountantskantoor (hierna: de fiscalist).
3.2. In 2013 is klaagster in gemeenschap van goederen gehuwd met de heer [B] (hierna: [B]).
3.3. Vanaf de oprichting in 2014 tot eind 2023 waren klaagster en [B] allebei bestuurder en aandeelhouder van de holding. De holding is op haar beurt enig bestuurder en aandeelhouder van [BV1] (hierna: [BV1]). Deze vennootschap houdt zich bezig met de aan- en verkoop, het beheer en de ontwikkeling van vastgoed alsmede met de levering van energie aan een appartementencomplex.
3.4. Mevrouw [C] is enig bestuurder van [BV2] (hierna: [BV2]) en de moeder van [B]. [BV2] heeft een geldlening verstrekt aan [BV1]. [BV1], klaagster en [B] zijn hoofdelijk aansprakelijk voor deze schuld.
3.5. [B], zijn moeder en [BV2] zijn klant (bij het accountantskantoor) van betrokkene.
3.6. Op 8 december 2023 heeft een algemene vergadering van aandeelhouders (AVA) van de holding plaatsgevonden. [B] was daarbij niet aanwezig. Tijdens deze AVA is [B] als bestuurder ontslagen. Klaagster heeft dit ontslag laten registreren bij de Kamer van Koophandel (KvK) waardoor zij vanaf dat moment als enig bestuurder van de holding staat geregistreerd. De fiscalist heeft namens [B] hiertegen bezwaar gemaakt. Op 3 juni 2024 heeft de KvK dit bezwaar ongegrond verklaard. De fiscalist heeft namens [B] daartegen beroep ingesteld bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb). Dit beroep is nog aanhangig.
3.7. Bij beschikking van 19 juni 2024 heeft de rechtbank Gelderland de echtscheiding tussen klaagster en [B] uitgesproken. Er loopt nog een procedure over de verdeling van hun huwelijksgoederengemeenschap.
3.8. Bij beschikking van 8 november 2024 heeft de Ondernemingskamer van het gerechtshof Amsterdam de verzoeken van [B] om een onderzoek te bevelen naar het beleid van en de gang van zaken bij onder andere de holding en [BV1] over de periode vanaf 1 januari 2021, alsmede onmiddellijke voorzieningen voor de duur van de procedure te treffen, afgewezen.
3.9. Bij vonnis van de rechtbank Gelderland van 4 juni 2025 zijn [BV1], klaagster en [B] hoofdelijk veroordeeld, onder meer, om aan [BV2] te betalen € 1.300.000 (het vervallen deel van de lening), vermeerderd met de wettelijke rente.
4. De klacht
4.1. Betrokkene heeft volgens klaagsters gehandeld in strijd met de voor hem geldende gedrags- en beroepsregels als accountant.
4.2. Klaagsters verwijten betrokkene, zoals ter zitting is bevestigd, het volgende:
(1) ernstige en structurele belangenverstrengeling zonder waarborgen;
(2) structurele roloverschrijding en onbevoegde juridische bemoeienis;
(3) ongeoorloofde inmenging in en nalatigheid met betrekking tot de belastingpositie van klaagster;
(4) doelgerichte partijdigheid en gebruik van drukmiddelen.
5. De beoordeling
Reikwijdte tuchtrechtelijke verantwoordelijkheid
5.1. Klaagsters stellen dat een aanzienlijk deel van de gewraakte handelingen is uitgevoerd door de fiscalist, onder regie van betrokkene, en dat betrokkene als partner eindverantwoordelijk is. Ter zitting hebben klaagsters nader toegelicht dat de klacht zich uitdrukkelijk richt op het handelen van het accountantskantoor en dat betrokkene als medevennoot medeverantwoordelijk is, ook in tuchtrechtelijke zin, dat hij in alle relevante communicatie in cc is meegenomen en dat hij aanwezig was bij meerdere rechtszittingen. Volgens klaagsters blijkt hieruit dat betrokkene niet 'op afstand' stond, maar dat hij op de hoogte, aanwezig en betrokken was. Klaagsters menen dat betrokkene had moeten ingrijpen in plaats van te faciliteren.
5.2. Betrokkene betwist dit en wijst, kort gezegd, op de rolverdeling binnen het accountantskantoor tussen hem en de fiscalist.
5.3. De Accountantskamer overweegt als volgt. Vaste jurisprudentie is dat een accountant alleen tuchtrechtelijk verantwoordelijk kan worden gehouden voor eigen handelen of nalaten, tenzij een accountant als vaktechnisch verantwoordelijke voor handelen of nalaten van een ander heeft te gelden. Register belastingadviseurs vallen onder eigen tuchtrecht (de Raad van Tucht van de Vereniging Register Belastingadviseurs) en een accountant is in beginsel niet tuchtrechtelijk aansprakelijk voor handelen van een kantoorgenoot die zelf onder het bereik van accountantstuchtrecht of (zoals hier) het tuchtrecht voor register belastingadviseurs valt.[2]
5.4. De Accountantskamer overweegt dat de fiscalist geen accountant is en tot een andere beroepsgroep behoort die via eigen tuchtrecht kan worden aangesproken. Gelet hierop is de Accountantskamer van oordeel dat er geen grond is betrokkene tuchtrechtelijk aan te spreken voor door de fiscalist verrichte werkzaamheden, als ware het zijn eigen handelen of nalaten. Voor zover de klacht ziet op gedragingen of handelingen van de fiscalist, kan betrokkene hiervan dus geen tuchtrechtelijk verwijt worden gemaakt. Dit aspect zal bij de bespreking van de klachtonderdelen weer aan de orde komen.
Professionele dienst
5.5. Betrokkene erkent dat hij in 2023 door [B] is benaderd om hem en zijn advocaten op fiscaal, fiscaal-juridisch en financieel vlak te ondersteunen in de geschillen tussen [B] en klaagster. Betrokkene heeft in dat kader incidenteel advies verstrekt aan [B] en vragen van zijn advocaten beantwoord. [B] heeft hiervoor een (mondelinge) opdracht aan betrokkene verstrekt. De vraag is of daarmee sprake is van een professionele dienst als accountant als bedoeld in artikel 1 VGBA. Van een professionele dienst als accountant is sprake als er werkzaamheden worden uitgevoerd waarvoor vakbekwaamheid als accountant wordt of kan worden aangewend. Als sprake is van een professionele dienst dan zijn alle fundamentele beginselen genoemd in artikel 2 VGBA van toepassing op de werkzaamheden van een accountant. Als geen sprake is van een professionele dienst, dan dient een accountant zich bij de uitoefening van zijn werkzaamheden te houden aan het fundamentele beginsel van professionaliteit.
5.6. Omdat de werkzaamheden van betrokkene (ook) betrekking hadden op de financiële afwikkeling van de echtscheiding van [B], is naar het oordeel van de Accountantskamer sprake van werkzaamheden waarbij betrokkene vakbekwaamheid als accountant heeft aangewend dan wel heeft kunnen aanwenden. Om deze reden wordt betrokkene geacht zijn beroep als accountant te hebben uitgeoefend en moest hij zich houden aan alle in artikel 2 VGBA genoemde fundamentele beginselen.
5.7. Voorop wordt gesteld dat het in beginsel aan klaagsters is om feiten en omstandigheden te stellen en - in geval van (gemotiveerde) betwisting - aannemelijk te maken, die tot het oordeel kunnen leiden dat betrokkene tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. De Accountantskamer toetst het handelen of nalaten van betrokkene aan de VGBA.
Klachtonderdeel (1): ernstige en structurele belangenverstrengeling zonder waarborgen
5.8. Klaagsters stellen dat het accountantskantoor zich schuldig heeft gemaakt aan belangenverstrengeling door gelijktijdig op te treden voor partijen met direct en aantoonbaar tegengestelde belangen binnen dezelfde entiteit. Daartoe voeren klaagsters aan dat het accountantskantoor enerzijds optrad voor [B] in zijn hoedanigheid van bestuurder en aandeelhouder van de holding en anderzijds voor zijn moeder in haar rol van bestuurder van [BV2], tevens de grootste schuldeiser én juridisch tegenpartij van [BV1], waarvan [B] tot 8 december 2023 middellijk bestuurder was en klaagster nog steeds middellijk bestuurder is. Volgens klaagsters had deze gecombineerde rol nooit mogen worden geaccepteerd zonder strikte onafhankelijkheidswaarborgen en transparantie naar alle betrokkenen. Klaagsters stellen dat die volledig ontbraken. Zij menen dat het accountantskantoor het gezamenlijk juridisch en financieel optreden van moeder en zoon tegen klaagster als (mede)bestuurder en aandeelhouder van de
holding juist legitimeerde en faciliteerde. Volgens klaagsters blijkt dit uit het zogeheten “RC Bewijs (29 mei 2024)”, de e-mail van [B] van 8 november 2023 aan klaagster naar aanleiding van een uitnodiging voor een te houden AVA, en de e-mail van klaagster van 19 oktober 2023 aan [B] over de fiscale gevolgen van de Wet excessief lenen. Door het gelijktijdig bedienen van conflicterende belangen, zonder daarover transparant te zijn, analyse of mitigerende maatregelen, heeft het accountantskantoor het fundamentele beginsel van objectiviteit geschonden. Deze schending is opzettelijk, weloverwogen, structureel en heeft aantoonbaar geleid tot misleiding, fiscale risico’s en escalatie van het conflict binnen de holding, aldus klaagsters.
5.9. Betrokkene betwist dit en voert als verweer dat het feit dat [B], zijn moeder en [BV2] klant van hem zijn, niet relevant is. Dat geldt ook voor het feit dat [BV2] een vordering heeft op [BV1]. Volgens betrokkene maken deze feiten op zichzelf niet dat er sprake is van een tegenstrijdig belang of dat hij niet objectief is. Betrokkene betwist dat sprake was van belemmeringen, risico’s of bedreigingen van de fundamentele beginselen waarop hij (anders) had moeten acteren. Tussen [B] (als voormalig bestuurder van de holding) en [BV2] bestond volgens betrokkene geen tegenstrijdig belang, omdat [B] de vordering van [BV2] op [BV1] erkende.
5.10. De Accountantskamer oordeelt dat klaagsters onvoldoende feiten of omstandigheden hebben gesteld en onderbouwd waaruit blijkt dat betrokkene zelf werkzaamheden heeft verricht voor [B] in diens hoedanigheid van aandeelhouder en (voormalig) bestuurder van de holding en (indirect) van [BV1]. Reeds daarop strandt het verwijt. Indien klaagsters aannemelijk zouden hebben gemaakt dat betrokkene die werkzaamheden wel heeft verricht, dan hadden zij tevens aannemelijk moeten maken dat betrokkene zich daarbij ongepast heeft laten beïnvloeden en dat dus sprake is geweest van een bedreiging van het zich houden aan het fundamentele beginsel van objectiviteit zonder dat betrokkene een toereikende maatregel had genomen. Ook dat hebben klaagsters echter niet aannemelijk gemaakt. De stukken die klaagsters in dit verband ter onderbouwing van hun standpunt in het geding hebben gebracht, vormen geen bewijs van het verwijt dat in dit klachtonderdeel besloten ligt. De Accountantskamer neemt hierbij ook in aanmerking dat betrokkene onweersproken heeft gesteld dat de discussie over de toepassing van de Wet excessief lenen op de rekening-courantverhoudingen tussen de holding enerzijds en klaagster en [B] anderzijds in relatie tot het fiscaal partnerschap een vraagstuk is dat op het terrein van de fiscalist lag en dat hij bij de hiervoor genoemde producties van klaagsters in het geheel niet betrokken is geweest. Ook uit andere, door klaagsters overgelegde stukken, zoals e-mails en brieven, volgt dat het vooral de fiscalist is geweest die zich inhoudelijk met de (gevolgen van de) geschillen bezig heeft gehouden. Dat zal hierna ook bij de bespreking van de andere klachtonderdelen aan de orde komen. Tot slot: betrokkene is niet tuchtrechtelijk aansprakelijk voor het handelen of nalaten van het accountantskantoor zoals klaagsters ingang willen doen vinden. Betrokkene moet persoonlijk een verwijt kunnen worden gemaakt. Dit hebben klaagsters niet aannemelijk gemaakt. Klachtonderdeel (1) is ongegrond.
Klachtonderdeel (2): structurele roloverschrijding en onbevoegde juridische bemoeienis
5.11. Klaagsters stellen dat het accountantskantoor zich herhaaldelijk en doelgericht heeft opgesteld als juridisch belangenbehartiger van [B] in plaats van onafhankelijk accountant. Daarmee heeft het accountantskantoor de beroepsmatige bevoegdheden als accountant overschreden en zich begeven op het terrein van procesvertegenwoordiging, zonder
enige wettelijke grondslag of opdracht daartoe. Volgens klaagsters blijkt dit uit het beroepschrift dat de fiscalist bij het CBb heeft ingediend tegen het ontslag van [B] als bestuurder van de holding, de brief van de fiscalist van 8 februari 2024 aan klaagster over hetzelfde ontslag en het uitstelverzoek van de fiscalist van 5 juli 2023 aan de voorzieningenrechter. Klaagsters vinden dat het accountantskantoor hiermee het onderscheid tussen accountant en procespartij heeft laten vervallen, hetgeen een ernstige schending vormt van het fundamentele beginsel van professionaliteit.
5.12. Betrokkene betwist dit en voert als verweer dat geen rechtsregel zich ertegen verzet dat een accountant als (partij)deskundige optreedt, zolang hij niet uitsluitend het belang van de opdrachtgever dient maar ook oog houdt voor het algemeen belang, in die zin dat de accountant ervoor moet waken dat hij de objectieve waarheidsvinding door de rechter niet belemmert. Daarnaast wijst betrokkene erop dat de door klaagsters aangehaalde correspondentie afkomstig is van de fiscalist die onder eigen tuchtrecht valt. Subsidiair betwist betrokkene dat de fiscalist (tuchtrechtelijk) verwijtbaar heeft gehandeld.
5.13. De Accountantskamer stelt vast dat de gewraakte handelingen (kort gezegd: beroepschrift, brief en uitstelverzoek) alle door de fiscalist zijn uitgevoerd. Zoals hiervoor is overwogen, valt de fiscalist onder eigen tuchtrecht. Betrokkene is niet tuchtrechtelijk aansprakelijk voor het handelen of nalaten van de fiscalist. Bovendien is het een accountant toegestaan om ook in een juridische procedure de belangen van zijn cliënt te behartigen, zolang hij zich daarbij aan de gedragsnormen van de VGBA houdt. Klachtonderdeel (2) is ongegrond.
Klachtonderdeel (3): ongeoorloofde inmenging in en nalatigheid met betrekking tot de belastingpositie van klaagster
5.14. Klaagsters stellen dat het accountantskantoor zich ongevraagd en zonder opdracht of toestemming heeft bemoeid met de persoonlijke belastingpositie van klaagster, wat in strijd is met de geheimhoudingsplicht en de vereiste integriteit. Daarbij verwijzen klaagsters naar de brief van de fiscalist van 19 oktober 2023 aan de Belastingdienst. Volgens klaagsters wordt in die brief – op initiatief van betrokkene – gesuggereerd dat klaagster onregelmatigheden zou hebben begaan in haar aangifte inkomstenbelasting en in de verslaglegging van de holding, terwijl klaagster geen partij was in deze communicatie en geen toestemming heeft gegeven voor het gebruik van haar gegevens. Daarnaast blijkt uit de e-mail van mr. [D] MFP (financieel adviseur van klaagster) van 28 november 2023 dat het accountantskantoor expliciet is gewaarschuwd voor de risico’s van het niet verbreken van het fiscaal partnerschap tussen klaagster en [B]. Deze waarschuwing werd volledig genegeerd, terwijl het accountantskantoor wel actief communiceerde over de fiscale situatie van klaagster naar de Belastingdienst. Volgens klaagsters onderstreept dit de eenzijdige, partijdige en onzorgvuldige manier waarop met vertrouwelijke informatie is omgegaan. Deze bemoeienis is niet alleen ongepast, maar had ook verstrekkende gevolgen, waaronder fiscale heffingen en reputatieschade, aldus klaagsters.
5.15. Betrokkene betwist dit en voert als verweer dat klaagsters wederom de facto klagen over het (vermeende) handelen van de fiscalist. Subsidiair betwist betrokkene dat de fiscalist (tuchtrechtelijk) verwijtbaar heeft gehandeld. De fiscalist heeft als opdrachtnemer van [B] de Belastingdienst gemotiveerd verzocht om (bijzonder) uitstel voor het indienen van de
aangifte inkomstenbelasting 2021 van [B] in verband met onduidelijkheden en discrepanties in door of namens klaagster verstrekte informatie. Volgens betrokkene valt niet in te zien dat dit uitstelverzoek, met daarbij gevoegd de door klaagster zelf verstrekte stukken, tegenover haar onzorgvuldig is.
5.16. De Accountantskamer stelt vast dat de (uitstel)brief van 19 oktober 2023 door de fiscalist is opgesteld. Daarnaast is het zo dat klaagster en [B] in 2021 nog fiscaal partners waren. De fiscalist valt onder eigen tuchtrecht en betrokkene is niet tuchtrechtelijk aansprakelijk voor diens handelen of nalaten. Wat betreft de e-mail van [D] van 28 november 2023 is het verwijt van klaagsters dat betrokkene hierop niet heeft gereageerd. Betrokkene had evenwel geen opdracht daartoe en hij kende [D] ook niet. Bovendien betrof de inhoud van deze e-mail een fiscale
aangelegenheid die op het terrein van de fiscalist lag. Klachtonderdeel (3) is ongegrond.
Klachtonderdeel (4): doelgerichte partijdigheid en gebruik van drukmiddelen
5.17. Klaagsters stellen dat het accountantskantoor zich in meerdere situaties niet neutraal maar strategisch partijdig heeft opgesteld met het duidelijke doel om de positie van klaagster als bestuurder en aandeelhouder van de holding en als privépersoon onder druk te zetten ten gunste van [B]. Volgens klaagsters blijkt dit uit de gezamenlijke e-mails van de fiscalist en betrokkene van 27 juni 2023 aan mr. [E] (advocaat van klaagster), de e-mail van de fiscalist van 16 juni 2023 aan klaagster en de eerdergenoemde e-mail van de fiscalist van 5 juli 2023 aan de voorzieningenrechter.
5.18. Betrokkene betwist dat klaagster met de door klaagsters genoemde correspondentie onder druk is gezet.
5.19. De Accountantskamer stelt vast dat de e-mails van 16 juni 2023 en 5 juli 2023 door de fiscalist zijn opgesteld. De fiscalist valt onder eigen tuchtrecht. De e-mail van de fiscalist van 27 juni 2023 verzonden om 15:52 uur waarnaar klaagsters verwijzen, bevat geen oneigenlijk drukmiddel, zoals klaagsters dat noemen, maar betreft een poging om een kort geding te voorkomen door erop te wijzen dat er volgens [B] geen advocaat op kosten van de vennootschappen mag worden ingeschakeld. Die e-mail is afkomstig van alleen de fiscalist. Mochten klaagsters een andere e-mail op het oog hebben die ook van 27 juni 2023 is maar wel van de fiscalist en betrokkene afkomstig is (verzonden om 11:42 uur), dan valt ook daarin geen oneigenlijke druk te onderkennen. Klachtonderdeel (4) is ongegrond.
Conclusie
5.20. De slotsom is dat de klacht in al haar onderdelen ongegrond zal worden verklaard.
6. De beslissing
De Accountantskamer:
- verklaart de klacht ongegrond.
Aldus beslist door mr. C.H. de Haan, voorzitter, mr. J.N. Bartels en mr. P. van der Stroom (rechterlijke leden) en P. Mansvelder RA en C.M. Verdiesen AA (accountantsleden), in aanwezigheid van mr. E.N.M. van de Beld, secretaris, en uitgesproken in het openbaar op 16 januari 2026.
_________ __________
secretaris voorzitter
Deze uitspraak is aan partijen verzonden op:_____________________________
Op grond van artikel 43 Wtra kan tegen deze uitspraak binnen 6 weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld door middel van het indienen van een beroepschrift bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven (adres: Postbus 20021, 2500 EA Den Haag). Het beroepschrift moet de gronden van het beroep bevatten en moet zijn ondertekend.
[1] Het accountantskantoor van betrokkene.
[2] Vgl. de uitspraak van de Accountantskamer van 26 april 2024, ECLI:NL:TACAKN:2024:12.