ECLI:NL:TACAKN:2026:19 Accountantskamer Zwolle 26/714 Wtra AK
| ECLI: | ECLI:NL:TACAKN:2026:19 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 30-03-2026 |
| Datum publicatie: | 30-03-2026 |
| Zaaknummer(s): | 26/714 Wtra AK |
| Onderwerp: | |
| Beslissingen: | klacht kennelijk ongegrond |
| Inhoudsindicatie: | Voorzittersbelissing. De klacht is kennelijk ongegrond. Het eerste klachtonderdeel ziet op handelen van een register belastingadviseur, die onder een eigen tuchtrecht valt. Voor dit handelen draagt betrokkene geen tuchtrechtelijke verantwoordelijkheid. Het tweede klachtonderdeel is door klager onvoldoende onderbouwd. |
UITSPRAAK van 30 maart 2026 van de voorzitter op grond van artikel 39 lid 1 Wet tuchtrechtspraak accountants (Wtra) in de op 3 maart 2026 ontvangen klacht met nummer 26/714 Wtra AK van
X
wonende te [plaats1]
K L A G E R
t e g e n
Y
accountant-administratieconsulent
kantoorhoudende te [plaats2]
B E T R O K K E N E
1. De procedure
1.1. De voorzitter heeft kennisgenomen van de volgende stukken:
- het klaagschrift met bijlagen, ontvangen op 18 februari 2026
- de brief van de Accountantskamer van 19 februari 2026
- het aanvullend klaagschrift, ontvangen op 3 maart 2026.
2. De beoordeling
2.1. Klager heeft een klaagschrift ingediend. De gebruikelijke procedure is dat de tuchtklacht op een zitting wordt behandeld. De voorzitter van de Accountantskamer mag de zaak echter zonder zitting afdoen, als de klacht kennelijk niet-ontvankelijk, kennelijk ongegrond of van onvoldoende gewicht is[1]. De voorzitter is van oordeel dat de onderhavige klacht kennelijk ongegrond is en zal de klacht daarom niet verder in behandeling nemen. Die beslissing zal de voorzitter hierna toelichten.
Waarover gaat de klacht?
2.2. Klager was klant van [accountantskantoor1] (hierna: het kantoor). Op 10 mei 2019 heeft een register belastingadviseur, werkzaam bij het kantoor, aan klager toegezegd bezwaar te zullen maken tegen de aanslag inkomstenbelasting over 2018 in verband met de heffing over fictief rendement (box 3-vermogen). In november 2025 kwam klager erachter dat het bezwaar nooit is ingediend.
2.3. Klager heeft getracht rechtsherstel te verkrijgen door een formulier ‘Opgave werkelijk rendement 2018’ in te dienen bij de Belastingdienst. De Belastingdienst heeft dit formulier niet in behandeling genomen, omdat de hiervoor geldende termijn van vijf jaren reeds was verstreken.
2.4. De klacht gaat samengevat over het volgende.
1. De register belastingadviseur heeft toegezegd bezwaar te zullen maken tegen de aanslag Inkomstenbelasting 2018, maar heeft dat niet gedaan. Volgens klager is betrokkene tuchtrechtelijk verantwoordelijk voor de uitvoering van deze opdracht.
2. Klager heeft schade geleden en heeft het kantoor aansprakelijk gesteld. Volgens klager wikkelt betrokkene de beroepsfout niet integer af, door ontwijkende juridische standpunten in te nemen.
2.5. De Accountantskamer heeft klager in de brief van 19 februari 2026 erop gewezen dat zijn klacht niet compleet is. Klager is verzocht zijn klaagschrift aan te vullen met informatie waaruit volgt dat betrokkene verantwoordelijk is voor het handelen/nalaten van de register belastingadviseur.
Verder is klager verzocht het klaagschrift aan te vullen met informatie waaruit kan blijken dat betrokkene niet integer heeft gehandeld en welke ontwijkende juridische standpunten hij heeft ingenomen, die volgens klager tuchtrechtelijk verwijtbaar zijn.
2.6. Klager heeft per brief van 27 februari 2026 op dit verzoek gereageerd en het volgende aangevoerd.
- De register belastingadviseur trad in 2019 op als vast contactpersoon voor klager namens de rechtsvoorganger van het kantoor.
- Door opeenvolgende fusies is betrokkene thans de verantwoordelijk accountant voor de praktijk en het dossier van klager.
- Volgens vaste jurisprudentie van de Accountantskamer blijft de individuele accountant verantwoordelijk voor de organisatie van de praktijk en het toezicht op medewerkers en opvolgers, inclusief correcte dossieroverdracht.
- Het niet nakomen van de toezegging tot het indienen van bezwaar is mede een gevolg van gebrekkige interne kwaliteitsborging en dossieroverdracht binnen de praktijk. Betrokkene is als verantwoordelijk accountant tuchtrechtelijk aanspreekbaar voor deze tekortkomingen.
- Dat de register belastingadviseur onder eigen tuchtrecht valt, ontneemt betrokkene niet zijn eigen verantwoordelijkheid.
Waarom is de klacht ongegrond?
2.7. Vaste jurisprudentie is dat een accountant alleen tuchtrechtelijk verantwoordelijk kan worden gehouden voor eigen handelen of nalaten, tenzij een accountant als vaktechnisch verantwoordelijke voor handelen of nalaten van een ander heeft te gelden. Register belastingadviseurs vallen onder eigen tuchtrecht (de Raad van Tucht van de Vereniging Register Belastingadviseurs) en een accountant is in beginsel niet tuchtrechtelijk aansprakelijk voor handelen van een kantoorgenoot die zelf onder het bereik van accountantstuchtrecht of (zoals hier) het tuchtrecht voor register belastingadviseurs valt.[2]
2.8. Uit het klaagschrift en het aanvullende klaagschrift blijkt dat de toezegging om bezwaar te maken tegen de aanslag Inkomstenbelasting 2018 is gedaan door de register belastingadviseur, die onder een eigen tuchtrecht valt.
2.9. Niet gebleken of aannemelijk is geworden dat betrokkene enige bemoeienis heeft gehad met de toezegging om voornoemd bezwaar in te dienen. Voor het niet nakomen van die toezegging draagt betrokkene dan ook geen tuchtrechtelijke verantwoordelijkheid. Klachtonderdeel 1 zal daarom kennelijk ongegrond worden verklaard.
2.10. In het aanvullend klaagschrift van 27 februari 2026 is klager niet concreet ingegaan op het verwijt dat betrokkene niet integer zou hebben gehandeld door ontwijkende juridische standpunten in te nemen. Klager heeft niet beschreven welke juridische standpunten door of namens betrokkene zijn ingenomen en waarom deze ontwijkend of onjuist zouden zijn en daarom tuchtrechtelijk verwijtbaar. Klachtonderdeel 2 is onvoldoende onderbouwd en zal ook kennelijk ongegrond worden verklaard.
3. De beslissing
De voorzitter van de Accountantskamer:
- verklaart de klacht ongegrond.
Aldus beslist door mr. A.A.A.M. Schreuder, voorzitter, in aanwezigheid van mr. E.L. Vedder, secretaris, en uitgesproken in het openbaar op 30 maart 2026.
_________ __________
secretaris voorzitter
Deze uitspraak is aan partijen verzonden op:_____________________________
Op grond van artikel 39, derde lid, Wtra kan tegen deze uitspraak binnen 6 weken na verzending daarvan verzet worden gedaan. Het verzet kan worden gericht aan de Accountantskamer (adres: Postbus 10067, 8000 GB Zwolle).
[1] Zie artikel 39 van de Wet tuchtrechtspraak accountants.
[2] Vgl. de uitspraak van de Accountantskamer van 16 januari 2026, ECLI:NL:TACAKN:2026:2.