ECLI:NL:TACAKN:2026:17 Accountantskamer Zwolle 25/710 Wtra AK 25/1817 Wtra AK
| ECLI: | ECLI:NL:TACAKN:2026:17 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 27-03-2026 |
| Datum publicatie: | 27-03-2026 |
| Zaaknummer(s): |
|
| Onderwerp: | |
| Beslissingen: | Klacht ongegrond |
| Inhoudsindicatie: | Ongegronde klacht. Betrokkene heeft in opdracht van een rechtbank in relatie tot een civielrechtelijk geschil een rapport opgesteld. Klager vindt dat het rapport niet deugt onder meer omdat het onderzoek door betrokkene veel te beperkt was. De Accountantskamer overweegt dat de toetsing van een rapport dat in opdracht van een rechtbank in relatie tot een gerechtelijke procedure is opgesteld slechts in beperkte mate mogelijk is. Daarvan uitgaande wijst de Accountantskamer de klachten af omdat klager de gegrondheid van zijn verwijten tegenover het verweer van betrokkene niet aannemelijk heeft gemaakt. |
ACCOUNTANTSKAMER
UITSPRAAK van 27 maart 2026 op grond van artikel 38 Wet tuchtrechtspraak accountants (Wtra) in de op 6 februari 2025 en 3 juli 2025 ontvangen klachten met nummers 25/710 en 25/1817 Wtra AK van
X
wonende te [plaats1]
K L A G E R
gemachtigde: mr. [A] te [plaats2]
t e g e n
DRS. Y
registeraccountant
kantoorhoudende te [plaats3]
B E T R O K K E N E
advocaten: mrs. F.C.M. van der Velden en D.C. Theunis te Amsterdam
1. De procedure
1.1. De Accountantskamer heeft kennisgenomen van de volgende stukken:
- het klaagschrift van 5 februari 2025 met bijlagen, geregistreerd onder nummer 25/710 Wtra AK
- de e-mail van klager van 21 februari 2025 met bijlagen
- het klaagschrift van 5 september 2025 met bijlagen, geregistreerd onder nummer 25/1817 Wtra AK
- de brief van klager van 19 september 2025 met bijlagen
- het verweerschrift met bijlagen van 6 oktober 2025
- de e-mail van klager van 4 december 2025 met bijlagen
- de e-mail van klager van 8 december 2025 met bijlage[1]
- de op de zitting door beide partijen overgelegde pleitaantekeningen.
1.2. Klager heeft op 3 juli 2025 een brief naar de Accountantskamer gestuurd met daarbij een aanvullend klaagschrift met bijlagen. Dit klaagschrift is geregistreerd onder nummer 25/1817 Wtra AK. Omdat dit klaagschrift bestaat uit 240 pagina’s tekst in klein lettertype en zonder paginanummering en daarnaast niet duidelijk was welke nieuwe klachtonderdelen naar voren werden gebracht en op welke gronden deze rusten, is het klaagschrift ter verbetering teruggestuurd aan klager. Klager heeft op 5 september 2025 een nieuw aanvullend klaagschrift ingediend.
1.3. De klachten zijn behandeld op de openbare zitting van 15 december 2025. Klager is verschenen, bijgestaan door mr. [A]. Betrokkene is ook verschenen, bijgestaan door mr. Theunis.
2. De uitspraak samengevat
Betrokkene heeft in opdracht van een rechtbank in relatie tot een civielrechtelijk geschil een rapport opgesteld. Klager vindt dat het rapport niet deugt onder meer omdat het onderzoek door betrokkene veel te beperkt was. De Accountantskamer overweegt dat de toetsing van een rapport dat in opdracht van een rechtbank in relatie tot een gerechtelijke procedure is opgesteld slechts in beperkte mate mogelijk is. Daarvan uitgaande wijst de Accountantskamer de klachten af omdat klager de gegrondheid van zijn verwijten tegenover het verweer van betrokkene niet aannemelijk heeft gemaakt.
3. De feiten
3.1. De Accountantskamer vermeldt hierna alleen de voor de uitspraak relevante feiten[2].
3.2. Betrokkene is sinds 2009 ingeschreven in het accountantsregister van de NBA. Hij is verbonden aan [accountantsorganisatie1].
3.3. Klager en de heer [B] (hierna [B]) hebben in het voorjaar van 2020 door middel van hun vennootschappen [BV1] (hierna [BV1]) en [BV2] (hierna [BV2]) een samenwerking opgezet in verband met de bestrijding van de gevolgen van de coronapandemie. De samenwerking zag onder meer op het exploiteren van locaties waar mensen zich konden laten testen op een mogelijke besmetting met het Covid-19-virus, zoals Testen Voor Toegang[3] (hierna TVT).
3.4. In oktober 2020 hebben [BV1] en [BV2] hun samenwerking vastgelegd. Dit is in de hierna te noemen gerechtelijke procedure als het eerste samenwerkingsverband aangeduid.
3.5. [BV2] had ook een samenwerkingsverband met de vennootschappen [BV3] en [BV4], in de procedure aangeduid als het tweede samenwerkingsverband. [BV1] was daarbij niet rechtstreeks, als contractspartij, betrokken. [BV1] en [BV2] zijn op 19 juni 2021 (nader) overeengekomen dat het aan [BV2] toekomende aandeel in het resultaat van het tweede samenwerkingsverband tussen [BV2] en [BV1] zal worden verdeeld.
3.6. Het personeel dat werkzaam was op testlocaties werd onder meer door uitzendbureau [BV5] (hierna [BV5]) aan [BV2] uitgeleend. Deze personeelskosten kwamen via het eerste samenwerkingsverband mede ten laste van [BV1].
3.7. In de loop van 2022 is de verhouding tussen klager en [B] verstoord geraakt en is de samenwerking tussen [BV1] en [BV2] geëindigd.
3.8. Tussen [BV1] en [BV2] is een geschil ontstaan over de eindafrekening van hun samenwerkingsverband.
3.9. [BV1] heeft [BV2] op 7 april 2022 voor de Rechtbank Amsterdam gedagvaard en onder meer gevorderd dat [BV2] zal worden veroordeeld tot het verlenen van haar medewerking aan het opstellen van een eindafrekening zowel over de periode van het eerste samenwerkingsverband als over de periode van het tweede samenwerkingsverband. [BV2] heeft tegenvorderingen ingesteld. [BV2] heeft onder meer gevorderd dat [BV1] haar medewerking verleent aan een door een deskundige op te stellen eindafrekening.
3.10. In het tussenvonnis van 1 maart 2023 heeft de rechtbank onder de feiten de volgende verdeling van de resultaten tussen alle betrokken partijen bij de samenwerkingsverbanden vastgesteld:
2.4. [BV2] had ook een samenwerkingsverband met [BV3]. (hierna: [BV3]) en [BV4] (hierna: [BV4]). Afspraak in dat verband ten aanzien van de verdeling van de winst was eerst zo dat [BV3] 50% kreeg en [BV2] en [BV4] ieder 25%. Van die 25% die [BV2] kreeg, kwam dan 40% toe - volgens afspraak van partijen - aan [B] en 60% aan [BV1]. Vervolgens is op 19 juni 2021 een afwijkende afspraak gemaakt: [BV3] zou 45% van de opbrengsten krijgen en [BV2] en [BV4] ieder 27,5%. Van de 27,5% die [BV2] kreeg, kwam 36,36% toe aan [B] en 63,64% aan [BV1].
3.11. De rechtbank heeft in hetzelfde tussenvonnis overwogen dat ‘partijen het er over eens zijn dat het opstellen van een eindafrekening de volgende stap is in de afwikkeling’ en heeft vervolgens het voornemen geuit een deskundige te benoemen. De rechtbank heeft in het vonnis overwogen:
4.18. De rechtbank is voornemens om een deskundige te benoemen omdat zij behoefte heeft aan voorlichting van een deskundige. Mede gelet op hetgeen partijen bij de mondelinge behandeling naar voren hebben gebracht zal het deskundigenonderzoek zich moeten richten op:
(i) het controleren van de meeste recente versie van de winst- en verliesrekening opgesteld door [C][4] (productie 25 van [BV2]);
(ii) een extra controle voor de onderliggende grondslag en juistheid van de facturen van [BV5] en personeelskosten van de periode oktober 2021 tot juni 2022 (via programma EITJE); en
(iii) een extra controle naar aanleiding van de observaties van [D], de reactie daarop van [BV2] van 19 september 2022 (productie 20 van [BV2]) en de reactie daarop van [D][5] (productie 28 van [BV1]).
3.12. De rechtbank heeft de namen van drie deskundigen, waaronder die van betrokkene, genoemd die zij geschikt acht om het onderzoek te verrichten. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld op de voorgestelde vragen en namen van de deskundigen te reageren.
3.13. In het daaropvolgende tussenvonnis van 7 juni 2023 staat dat partijen het eens zijn over de benoeming van betrokkene als deskundige, dat zij bij de conceptvraagstelling van de rechtbank één of enkele aan- en/of opmerkingen hebben gemaakt en dat de rechtbank contact met betrokkene heeft gehad over de conceptvraagstelling. Vervolgens heeft de rechtbank in rechtsoverweging 3.1. van het tussenvonnis de volgende vier onderzoeksvragen geformuleerd:
1. Kunt u op grond van onderzoek de eindafrekening per 31 december 2022 opmaken, rekening houdend met de eerste en tweede samenwerkingsovereenkomst, de afwijkende afspraak op 19 juni 2021 over de winstverdeling en de reeds opgemaakte concept eindafrekening en andere relevante processtukken?
2. Kunt u in dit verband de facturen van [BV5] en andere facturen aangaande ingehuurde uitzendkrachten op authenticiteit en/of juistheid beoordelen?
3. Kunt u de observaties van [D] (en de reactie van [BV2] daarop in productie 20)
meenemen bij uw onderzoek ten behoeve van het opmaken van de eindafrekening?
4. Welke andere feiten of omstandigheden, voortvloeiend uit het onderzoek, kunnen van belang zijn voor een goed begrip van de zaak?
3.14. Begin augustus 2023 is betrokkene als gerechtelijk deskundige met zijn onderzoek gestart. Bij brief van 23 oktober 2023 heeft betrokkene zes vragen voorgelegd aan de rechtbank met betrekking tot zijn opdracht. De advocaat van [BV1] heeft naar aanleiding van deze brief op 2 november 2023 aan de rechtbank geschreven:
[BV1] waardeert de suggesties van de heer [Y] ten aanzien van mogelijke beperkingen van het onderzoek. De kosten zijn immers nu al fors opgelopen en het is in het belang van beide partijen de kosten zo beperkt mogelijk te houden. Concreet betekent dit het volgende. [BV1] sluit zich aan bij het voorstel van de heer [Y] om:
- de door de Rechtbank Amsterdam in haar tussenvonnis van 7 juni 2023 gestelde vraag 3[6] uit het deskundigenonderzoek te laten;
- het onderzoek te beperken tot de onderwerpen die de heer [Y] met de letters A, B, E, F, G en D.i.[7] heeft aangeduid.
3.15. De rechtbank heeft bij brief van 15 november 2023 de zes vragen van betrokkene beantwoord.De antwoorden luiden, voor zover van belang:
Vraag 1
Het uitgangspunt bij uw deskundigenonderzoek is inderdaad rechtsoverweging 2.4 van het tussenvonnis van 1 maart 2023. Op eventuele verdere discussie hierover van partijen dient u niet in te gaan.[8]
Vraag 2
Het uitgangspunt is dat de deskundige naar eigen inzicht zijn onderzoek moet kunnen verrichten en dat partijen bij de eindversie van het (concept)deskundigenrapport moeten kunnen controleren op welke informatie het deskundigenrapport is gebaseerd.
Vraag 3
In het kader van het deskundigenonderzoek is het aan u om te bepalen welke gegevens u nodig heeft om uw onderzoek goed te kunnen uitvoeren.
Vraag 4
De rechtbank kan zich, evenals partijen, vinden in de door u gedane suggesties voor beperking van het deskundigenonderzoek. Dat houdt in dat vraag 3 (observaties van [D]) zal worden geschrapt.
Vraag 5
Op basis van de beperking van het onderzoek zoals toegelicht onder vraag 4, zal een aanvullend voorschot van € 49.500 (inclusief btw) worden toegewezen. U heeft het verzoek daartoe deugdelijk toegelicht en inzichtelijk gemaakt en de rechtbank acht toekenning daarvan gerechtvaardigd.
Vraag 6
De rechtbank vertrouwt erop dat u, zoals u al heeft aangekondigd, het[9] zo snel als redelijkerwijs mogelijk is zal afronden. Verder merkt de rechtbank nog op dat de notitie van [BV1] over de valse Medjob facturen, eerder ook de Annex bij de akte van 29 maart 2023 genoemd, niet tot het procesdossier hoort (zie de rolbeslissing van 12 april 2023). Het is niet de bedoeling dat dit stuk alsnog via een omweg bij u terecht komt.
3.16. Betrokkene heeft op 13 maart 2024 zijn conceptrapport voor wederhoor voorgelegd aan [BV1] en [BV2], die daarop hebben gereageerd.[BV1] heeft 228 opmerkingen gemaakt en [BV2] tien. Betrokkene heeft de opmerkingen in de bijlagen 54 en 55 bij zijn rapport besproken.
3.17. Op 27 mei 2024 heeft betrokkene zijn definitieve rapport uitgebracht. In dit rapport heeft betrokkene geschreven dat hij zijn onderzoek in overleg met de rechtbank heeft beperkt. Betrokkene is in zijn onderzoek uitgegaan van de juistheid van de administratie van het eerste en tweede samenwerkingsverband, met uitzondering van de posten die hij heeft onderzocht. Dit zijn de facturen van [BV5] aan het tweede samenwerkingsverband [BV2] - [BV3] -[BV4] en daarmee, via [BV2], aan het eerste samenwerkingsverband [BV1] - [BV2] en drie posten in de administratie van [BV2][10]. In verband met de beperking van het onderzoek heeft betrokkene vraag drie niet beantwoord.
3.18. Betrokkene heeft, kort samengevat, bericht dat hij niet in staat is om de eindafrekening per 31 december 2022 op te maken, omdat hij op grond van zijn onderzoek niet de juistheid kan vaststellen van de door [BV5] in rekening gebrachte stand-by-uren[11] voor een totaalbedrag van afgerond € 1.382.000, welk bedrag onderdeel is van de personeelskosten. Betrokkene is ook niet in staat geweest om vast te stellen dat de in rekening gebrachte stand-by uren niet juist zijn. Betrokkene heeft de in de eindafrekening te verwerken personeelskosten inzake de door [BV5] gefactureerde stand-by uren geschat, waarbij hij vier scenario’s heeft geschetst en drie berekeningen van de eindafrekening inzake het project TVT heeft gemaakt. In het vierde scenario heeft betrokkene op de personeelskosten de [BV5]-facturen wegens stand-by-uren geheel in mindering gebracht.
3.19. De Rechtbank Amsterdam heeft in het tussenvonnis van 8 januari 2025 geoordeeld dat het vierde scenario moet worden gevolgd en dat de kosten van het deskundigenbericht (afgerond € 150.000 inclusief btw) niet volledig voor rekening van [BV2] komen, omdat ‘[BV1] door haar wijze van procederen ook voor de (hoge) kosten van het deskundigenbericht heeft gezorgd.’ Een derde deel van de kosten van het deskundigenbericht is daarom voor rekening van [BV1] gebracht.
3.20. Bij eindvonnis van 13 augustus 2025 heeft de rechtbank [BV2] veroordeeld tot betaling aan [BV1] van € 36.618, vermeerderd met rente en kosten. Tegen dit vonnis is door [BV2] hoger beroep ingesteld. Dat hoger beroep loopt nog.
4. De klacht
4.1. Betrokkene heeft volgens klager gehandeld in strijd met de voor hem geldende gedrags- en beroepsregels.
4.2. [BV1] heeft twee uitvoerige klaagschriften met veel producties[12] ingediend. De Accountantskamer zal de verwijten in beide klaagschriften zakelijk samenvatten[13], ook omdat de klaagschriften vaak herhaalde verwijten en stellingen bevatten. Het tweede klaagschrift begint met klacht 58, maar de aansluiting met het eerste klaagschrift ontbreekt. Daarin staan namelijk geen genummerde klachtonderdelen. Hoe klager bij nummer 58 komt, is onduidelijk.
4.3. Betrokkene heeft aan de beide klaagschriften de hierna opgesomde klachtonderdelen ontleend. Klager heeft op de zitting gesteld dat betrokkene lang niet alle verwijten heeft benoemd[14], maar zonder toelichting van de kant van klager, die ontbreekt, wordt die stelling gepasseerd. Klager was in staat om gemotiveerd te reageren op de weergave door betrokkene van de klacht, omdat betrokkene in zijn verweerschrift de paragrafen in de beide klaagschriften heeft opgesomd waaraan betrokkene zijn samenvatting in tien klachtonderdelen heeft ontleend.De Accountantskamer is van oordeel dat de samenvatting door betrokkene weergegeven in het verweerschrift een juiste en volledige, zakelijke samenvatting is van de verwijten.
4.4. Het tiende klachtonderdeel inzake het nalaten van het doen van een Wwft-melding heeft klager ter zitting ingetrokken. De Accountantskamer onderscheidt de volgende negen klachtonderdelen.
Klachtonderdeel 1) betrokkene heeft de rechtbank niet aangegeven dat hij niet alle stukken kreeg van [BV2], hij heeft de opdracht niet teruggegeven aan de rechtbank en de ontbrekende stukken niet bij derden opgevraagd.
Klachtonderdeel 2) betrokkene heeft de schuld voor het oplopen van de kosten ten onrechte bij klager gelegd door zich te beklagen over de omvang van de commentaren van klager en hij heeft de rechtbank opzettelijk misleid met de bedoeling extra uren te kunnen declareren en zijn budget te overschrijden.
Klachtonderdeel 3) betrokkene heeft opzettelijk de bewijsmiddelen die klager hem heeft aangedragen (‘red flags’ in productie 1 van klager) genegeerd waardoor het rapport een deugdelijke grondslag ontbeert.
Klachtonderdeel 4) betrokkene heeft een ‘graai in de kas’ als ‘huur’ en ‘kosten’ laten meetellen in zijn opgestelde scenario’s van de eindafrekening en zonder deugdelijke grondslag een rapport uitgebracht.
Klachtonderdeel 5) betrokkene is afgeweken van de voor hem gebruikelijke werkwijze door geen personen te interviewen.
Klachtonderdeel 6) betrokkene heeft nagelaten de rechtbank erop te wijzen dat de rechtbank in het tussenvonnis van 1 maart 2023 de winstafspraken onjuist heeft weergegeven en hij heeft geen onderzoek gedaan naar de winstafspraken.
Klachtonderdeel 7) betrokkene heeft nagelaten de rechtbank expliciet erop te wijzen dat de concepteindafrekening van [BV2] (gebaseerd op overzichten van Munt Masters en [C]) ondeugdelijk is (onvolledig is en valse facturen vermeldt) en hij heeft op basis daarvan onlogische scenario’s opgesteld, terwijl de rechtbank in een brief van 15 november 2023 heeft bepaald dat hij geen scenario’s en eindafrekeningen mag opstellen en hij heeft niet helder welke grote financiële geschilpunten nog openstaan.
Klachtonderdeel 8) betrokkene heeft de observaties van [D] niet gecontroleerd, terwijl hij heeft toegezegd dat wel te doen.
Klachtonderdeel 9) betrokkene heeft geen geschikte controle-informatie verzameld over transacties met verbonden partijen bedoeld in Standaard 550, hij heeft geen frauderisico-onderzoek gedaan in de zin van Standaard 240 en hij heeft de takenlijst in ‘bijlage A’ niet gecontroleerd.
5. De beoordeling
5.1. Voordat de Accountantskamer deze klachtonderdelen bespreekt, wordt het volgende overwogen. Betrokkene stelt dat klager misbruik van tuchtrecht maakt omdat hij met de tuchtklacht opkomt tegen een civielrechtelijke uitspraak. Die situatie is naar het oordeel van de Accountantskamer echter niet aan de orde. Klager richt, zoals uit de hiervoor weergegeven klachtonderdelen blijkt, zijn pijlen op het handelen en nalaten van betrokkene als gerechtelijk deskundige in de procedure tussen [BV1] en [BV2]. Waar klager in zijn klaagschriften soms ook kritiek uit op de vonnissen van de Rechtbank Amsterdam, staat dat aan de ontvankelijkheid van de klacht tegen betrokkene niet in de weg. Uiteraard doet de Accountantskamer geen uitspraak over de vonnissen van de rechtbank.
5.2. Betrokkene betoogt ook dat hij in zijn verdedigingsbelang is geschaad doordat klager heel veel producties in het geding heeft gebracht. Het laatste is zonder meer waar[15] en de vraag kan worden gesteld of het overleggen van zoveel producties niet contraproductief is, maar dat is in de eerste plaats aan klager. Het is begrijpelijk dat de verdediging niet gebaat is bij het grote aantal producties van klager, maar dat leidt op zichzelf niet tot de conclusie dat klager in strijd handelt met de beginselen van een goede procesorde. Bovendien, en betrokkene heeft dat zelf ook opgemerkt, zijn de producties vaak niet of onvoldoende toegelicht. Op producties die niet of onvoldoende zijn toegelicht hoeft betrokkene niet te reageren, omdat de Accountantskamer die producties buiten de beoordeling laat. Het is immers niet aan de Accountantskamer om zelfstandig in de overgelegde producties op zoek te gaan naar wat al dan niet dienstig zou kunnen zijn voor de onderbouwing van een klacht[16]. Daarvan uitgaande kon betrokkene zijn verweer beperken tot die producties waarnaar op een zodanige wijze is verwezen dat het voor betrokkene duidelijk is welke feiten en stellingen aan deze producties worden ontleend ter staving van de klacht.
5.3. De Accountantskamer overweegt verder het volgende. Betrokkene is een door de rechtbank benoemde deskundige en heeft in die hoedanigheid zijn onderzoek gedaan en gerapporteerd. Volgens vaste jurisprudentie[17] strekt een tuchtrechtelijke procedure er niet toe om de inhoud of de wijze van totstandkoming van een deskundigenbericht dat is opgesteld in het kader van een civielrechtelijke procedure, opnieuw en integraal te onderzoeken. Beoordeeld moet worden of de accountant bij het opstellen van zijn deskundigenbericht in strijd heeft gehandeld met de voor hem geldende beroeps- en gedragsregels. Van die beroeps- en gedragsregels maakt het fundamentele beginsel van vakbekwaamheid en zorgvuldigheid onderdeel uit.
5.4. Betrokkene diende zijn opdracht uit te voeren overeenkomstig de Leidraad deskundigen in civiele zaken van de Rechtspraak en volgens de instructies van de rechtbank. De rechtbank bepaalde de onderzoeksvragen, zag toe op het verloop van het onderzoek, gaf instructies aan betrokkene, betrok het onderzoeksrapport bij de te nemen beslissing en stelde de vergoeding van betrokkene vast. De beoordelingsruimte van de Accountantskamer is daarmee beperkt. De Accountantskamer gaat niet op de stoel van de rechtbank zitten en toetst alleen of betrokkene, binnen de door de klacht getrokken grenzen, een of meer fundamentele beginselen heeft geschonden.
Klachtonderdeel 1) betrokkene heeft de rechtbank niet aangegeven dat hij niet alle stukken kreeg van [BV2], hij heeft de opdracht niet teruggegeven aan de rechtbank en de ontbrekende stukken niet bij derden opgevraagd.
5.5. Blijkens de toelichting op het klachtonderdeel gaat het klager om stukken die de rechtbank in het tussenvonnis van 7 juni 2023, rov. 2.11 en 2.12, heeft opgesomd, te weten (j.) alle specificaties van de facturen van uitzendbureaus, (k.) alle bankafschriften inzake de betalingen aan werknemers/uitzendkrachten en (l.) alle loonstroken. Volgens klager heeft betrokkene over deze informatie niet de beschikking gekregen en ook niet geprobeerd om deze informatie te krijgen.
5.6. De Accountantskamer overweegt het volgende. Betrokkene heeft onweersproken verklaard dat hij over de facturen van uitzendbureaus (j.) heeft beschikt. En in zijn rapport (§ 3.3.1.14) heeft betrokkene vermeld dat hij de facturen van [BV5] aan [BV2] inzake het project TVT (de teststraat-uren) alsmede de bijbehorende urenspecificaties heeft gekregen. Betrokkene heeft de aldus verkregen gegevens geanalyseerd. Betrokkene heeft ook de door [BV5] aan [BV2] gefactureerde stand-by-uren geanalyseerd, maar in de bijbehorende specificaties stonden, anders dan in de specificaties van de teststraat-uren, geen namen van uitzendkrachten maar alleen initialen. Nadere informatie hierover heeft betrokkene desgevraagd niet van de oud-bestuurders van [BV5] ontvangen. Betrokkene was hierdoor niet in staat de individuele uitzendkrachten te identificeren in het urenregistratiesysteem van Eitje (§ 7.2.5.6). In zijn rapport is betrokkene uitvoerig ingegaan op deze en andere belemmeringen die hij bij zijn onderzoek heeft ondervonden (§ 7.2.5.1. en volgende). Daaruit blijkt dat betrokkene meerdere keren heeft verzocht om aanvullende gegevens, maar die vaak niet heeft gekregen.
5.7. Betrokkene heeft de bankafschriften (k.) en loonstroken (l.) niet gekregen. Betrokkene heeft in zijn rapport (§ 7.2.5.13) vermeld dat hij aan oud-bestuurders van [BV5] heeft gevraagd om gegevens uit de administratie van [BV5] waaruit blijkt dat ‘uitzendkrachten zijn verloond en uitbetaald ten aanzien van de stand-by uren die door [BV5] bij [BV2] in rekening zijn gebracht’. Die gegevens heeft betrokkene dus wel gevraagd maar (ook) niet ontvangen.
5.8. De Accountantskamer is van oordeel dat betrokkene in zijn rapport voldoende inzicht heeft gegeven in het verloop van het onderzoek en de daarbij opgetreden belemmeringen, waardoor zowel partijen als de rechtbank in staat waren zich ook over die belemmeringen een oordeel te vormen. Klager heeft niet aannemelijk gemaakt dat betrokkene geen andere weg openstond dan het teruggeven van de opdracht. Op grond van de informatie waarover hij wel kon beschikken, heeft betrokkene zijn rapport kunnen opstellen. De beperkingen die betrokkene heeft ondervonden, heeft hij in zijn rapport tot uitdrukking gebracht, zodat daarover in redelijkheid geen misverstand kon ontstaan. Het klachtonderdeel is ongegrond.
Klachtonderdeel 2) betrokkene heeft de schuld voor het oplopen van de kosten ten onrechte bij klager gelegd door zich te beklagen over de omvang van de commentaren van klager en hij heeft de rechtbank opzettelijk misleid met de bedoeling extra uren te kunnen declareren en zijn budget te overschrijden.
5.9. De Accountantskamer is van oordeel dat het klachtonderdeel ongegrond is. Dit oordeel berust op het volgende. Betrokkene heeft verslag gedaan van het verloop van zijn onderzoek en daarbij onder meer gewezen op de (tijdverslindende) belemmeringen die hij heeft ondervonden om de voor zijn analyses benodigde informatie te verkrijgen. Zo heeft bijvoorbeeld het verkrijgen van toegang tot Eitje betrokkene veel correspondentie, en dus tijd, gekost. Daarnaast ontving betrokkene veel e-mails van partijen. Als voorbeeld noemt de Accountantskamer dat betrokkene van [BV1] op 16 augustus 2023 een memo met bijlagen van 122 bladzijden en een USB-stick met meer dan 26 Gigabyte aan data heeft ontvangen. Op het conceptrapport reageerde [BV1] met 228 opmerkingen die betrokkene allemaal heeft verwerkt. Klager heeft onder meer in zijn klaagschrift van 5 februari 2025 (randnummer 2.1.17) erkend dat hij ter weerlegging van de standpunten van [BV2] stukken voor betrokkene heeft geproduceerd die ‘complex en lang’ zijn.
5.10. Betrokkene heeft de rechtbank in zijn brief van 23 oktober 2023 en in latere brieven onderbouwd geïnformeerd over zijn tijdbesteding. Deze brief heeft, nadat partijen zich hierover mochten uitlaten, tot de toekenning van een aanvullend voorschot geleid. In het tussenvonnis van 8 januari 2025 heeft de rechtbank geoordeeld, en dit oordeel is in het eindvonnis van 13 augustus 2025 bevestigd, dat van de onderzoekskosten een derde deel voor rekening van [BV1] komt. Dat kwam, hoewel de door [BV2] opgestelde eindafrekening niet correct en het onderzoek door betrokkene dus gerechtvaardigd was, ‘omdat [BV1] door haar wijze van procederen ook voor de (hoge) kosten van het deskundigenbericht heeft gezorgd’, aldus de rechtbank. De Accountantskamer treedt niet in dit oordeel van de rechtbank. In een e-mail van de rechtbank van 24 augustus 2024 aan [BV1] en [BV2] staat het volgende: ‘De rechtbank constateert dat de opmerkingen van [BV1] bij het conceptrapport inderdaad zeer omvangrijk zijn. De tijd die de deskundige heeft besteed aan het bestuderen en adresseren van deze opmerkingen wordt niet als buitensporig beschouwd.’ Klager heeft niet aannemelijk gemaakt dat betrokkene bewust en te kwader trouw hoge kosten heeft veroorzaakt of dat betrokkene tegen beter weten in de omvang van die kosten mede aan de opstelling van [BV1] heeft toegeschreven.
Klachtonderdeel 3) betrokkene heeft opzettelijk de bewijsmiddelen die klager hem heeft aangedragen (‘red flags’ in productie 1 van klager) genegeerd waardoor het rapport een deugdelijke grondslag ontbeert.
5.11. Klager stelt dat hij betrokkene heeft gewezen op fraude in de administratie van [BV2], maar betrokkene heeft slechts drie zogenoemde ‘trucjes’ in zijn rapport onderkend. Klager verwijst in dit verband naar zijn productie één. De Accountantskamer stelt vast dat productie één uit 40 subproducties (producties 1.1 t/m 1.40) bestaat, waaronder geluidsopnames. De Accountantskamer is, zoals eerder is overwogen, niet gehouden om zelfstandig in de overgelegde producties op zoek te gaan naar wat al dan niet dienstig zou kunnen zijn voor de onderbouwing van een klacht en, zonder nadere duiding van klager, bijvoorbeeld de geluidsopnames (integraal) te beluisteren. Het klachtonderdeel is onvoldoende toegelicht omdat klager slechts verwijst naar producties en dat is – zonder toelichting, die ontbreekt – onvoldoende.
5.12. Anders dan in het klachtonderdeel ligt besloten, was het niet de taak van betrokkene de gehele administratie op juistheid en volledigheid te onderzoeken. In het tussenvonnis van 7 juni 2023 heeft de rechtbank, na partijen en betrokkene te hebben gehoord, een onderzoek bevolen ter beantwoording van een viertal vragen. Volgens de opdracht van de rechtbank diende betrokkene de eindafrekening per 31 december 2022 op te maken, onder meer rekening houdend met de reeds opgemaakte concepteindafrekening en andere relevante processtukken. Tot de opdracht behoorde wel de beoordeling van de facturen van [BV5] en andere facturen aangaande ingehuurde (uitzend)krachten op authenticiteit en juistheid, maar niet de beoordeling van alle posten in de administratie waarbij [BV1] haar vragen had. De Accountantskamer leidt dat ook af uit de brief van de rechtbank van 15 november 2023 aan betrokkene. Daarin gaat de rechtbank in op de omvang van het onderzoek en de rechtbank schrijft: ‘Punt D.ii. betreft nieuwe stellingen van [BV1] die buiten de reikwijdte van het deskundigenonderzoek vallen. U kunt dit punt dus ook schrappen’. Punt D.ii. had betrekking op kosten van [BV3] die volgens [BV1] door [BV2] waren voorgeschoten maar niet op eerstgenoemde zouden zijn verhaald waardoor de winstberekening van het tweede samenwerkingsverband niet zou kloppen.
5.13. In dit verband is verder van belang dat betrokkene in zijn brief aan de rechtbank van 23 oktober 2023 voorstellen heeft gedaan tot beperking van zijn onderzoek. Die hadden onder meer betrekking op de 15 bevindingen (beweerdelijke onregelmatigheden) van [D] inzake de administratie van [BV2]. Betrokkene heeft de rechtbank in overweging gegeven de derde onderzoeksvraag, die hiermee in verband stond, uit het onderzoek te laten. Betrokkene heeft ook voorgesteld de overige door [BV1] gestelde onjuistheden in de administratie te beperken en te volstaan met aspect D.i. ‘betreffende de drie onderwerpen die al door mij onderzocht zijn en nog in mijn deskundigenbericht moeten worden uitgewerkt.’ Deze drie onderwerpen zijn drie door [BV1] genoemde ‘trucjes’ in de administratie van het eerste samenwerkingsverband ([BV1] en [BV2]). Namens [BV1] is in een e-mail van zijn advocaat van 2 november 2023 ingestemd met de door betrokkene voorgestelde beperkingen van het onderzoek. In dit licht bezien kan het verwijt van klager dat betrokkene niet veel meer ‘red flags’ heeft onderzocht niet standhouden. [BV1] heeft immers met de beperktere scope van het onderzoek ingestemd en de rechtbank heeft de opdracht aan betrokkene dienovereenkomstig geformuleerd. Klager verliest dit aspect uit het oog. Het klachtonderdeel is ongegrond.
Klachtonderdeel 4) betrokkene heeft een ‘graai in de kas’ als ‘huur’ en ‘kosten’ laten meetellen in zijn opgestelde scenario’s van de eindafrekening en zonder deugdelijke grondslag een rapport uitgebracht.
5.14. Het klachtonderdeel ziet op één van de drie door [BV1] zo genoemde ‘trucjes’. Ten laste van het eerste samenwerkingsverband is een bedrag van € 9.600 per jaar exclusief BTW wegens huur van een testlocatie gebracht. Volgens klager is dit onjuist en had betrokkene deze kostenpost buiten beschouwing moeten laten.
5.15. De Accountantskamer overweegt dat betrokkene in zijn rapport heeft opgenomen dat één van de testlocaties een locatie van 12 m² met parkeerruimte was die als zodanig door het eerste samenwerkingsverband in gebruik was genomen en eigendom was van de aan [BV2] gelieerde vennootschap [BV7]. Betrokkene heeft tevens de redelijkheid van de huurprijs getoetst en zijn bevindingen vermeld in zijn rapport en in bijlage 22 van zijn rapport. De Accountantskamer is van oordeel dat klager niet aannemelijk heeft gemaakt dat betrokkene voor zijn bevinding geen deugdelijke grondslag had. Het oordeel of de huur al dan niet terecht ten laste van het eerste samenwerkingsverband is gebracht, is aan de rechtbank. Het klachtonderdeel is ongegrond.
Klachtonderdeel 5) betrokkene is afgeweken van de voor hem gebruikelijke werkwijze door geen personen te interviewen.
5.16. Klager beroept zich ter onderbouwing van dit klachtonderdeel op de website van [accountantsorganisatie1] aan welke organisatie betrokkene is verbonden. Daaruit volgt volgens klager dat betrokkene interviews had moeten afnemen, wat hij niet heeft gedaan.
5.17. De Accountantskamer is van oordeel dat het klachtonderdeel ongegrond is. Uit de tekst op de website volgt namelijk niet dat altijd interviews worden afgenomen. Het houden van interviews is volgens de website één van de onderzoeksmiddelen die kan worden gebruikt. In het algemeen geldt dat voor het verkrijgen van een deugdelijke grondslag voor een rapport een interview nodig kan zijn, maar dat is niet steeds het geval. Tot slot: betrokkene heeft er met juistheid op gewezen dat de rechtbank in de brief van 15 november 2023 heeft geschreven dat ‘[h]et uitgangspunt is dat de deskundige naar eigen inzicht zijn onderzoek moet kunnen verrichten…’. Klager heeft niet aannemelijk gemaakt dat een deugdelijke grondslag ontbreekt doordat betrokkene geen interviews heeft gehouden.
Klachtonderdeel 6) betrokkene heeft nagelaten de rechtbank erop te wijzen dat de rechtbank in het tussenvonnis van 1 maart 2023 de winstafspraken onjuist heeft weergegeven en hij heeft geen onderzoek gedaan naar de winstafspraken.
5.18. Ook dit klachtonderdeel is ongegrond. In het tussenvonnis van de rechtbank van 1 maart 2023 (rechtsoverweging 2.4.) is de winstverdelingsafspraak opgenomen zoals de rechtbank die als vaststaand feit (en dus niet als geschilpunt) heeft vastgesteld. In de brief van de rechtbank van 15 november 2023 heeft de rechtbank aan betrokkene geschreven: ‘Het uitgangspunt bij uw deskundigenonderzoek is inderdaad rechtsoverweging 2.4 van het tussenvonnis van 1 maart 2023. Op eventuele verdere discussie hierover van partijen dient u niet in te gaan’. Op deze niet voor tweeërlei uitleg vatbare mededeling van de rechtbank stuit het klachtonderdeel af.
Klachtonderdeel 7) betrokkene heeft nagelaten de rechtbank expliciet erop te wijzen dat de concepteindafrekening van [BV2] (gebaseerd op overzichten van Munt Masters en [C]) ondeugdelijk is (onvolledig is en valse facturen vermeldt) en hij heeft op basis daarvan onlogische scenario’s opgesteld, terwijl de rechtbank in een brief van 15 november 2023 heeft bepaald dat hij geen scenario’s en eindafrekeningen mag opstellen en hij heeft niet helder welke grote financiële geschilpunten nog openstaan.
5.19. De Accountantskamer overweegt dat vooral dit klachtonderdeel duidelijk maakt dat klager vanuit een ander uitgangspunt naar het onderzoek en het rapport van betrokkene kijkt dan het uitgangspunt van de rechtbank, welk uitgangspunt betrokkene diende te volgen. Klager gaat uit van een winstverdelingsafspraak op basis van geleverde prestaties en uit zijn verwijten volgt dat hij van mening is dat (vrijwel) de volledige administratie door betrokkene moest worden onderzocht. De rechtbank koos echter als uitgangspunt de winstverdelingsafspraak die in het tussenvonnis van 1 maart 2023, rechtsoverweging 2.4. is opgenomen en begrensde de omvang van het onderzoek door middel van de vraagstelling aan betrokkene in het tussenvonnis van 7 juni 2023, rechtsoverweging 3.1. Klager is het oneens met de procentuele winstverdelingsafspraak die de rechtbank als vaststaand feit heeft aangenomen en vindt dat ‘de winstverdeling moest worden vastgesteld op basis van de feitelijke workload en de initiële stortingen van de partijen’, aldus klager in zijn tweede klaagschrift onder 6.1. Ook vindt klager dat betrokkene veel meer had moeten onderzoeken dan de authenticiteit en/of juistheid van de facturen van [BV5] en andere facturen aangaande ingehuurde (uitzend)krachten zoals de rechtbank in het tussenvonnis van 7 juni 2023 heeft bepaald. Zo stelt klager in zijn tweede klaagschrift onder 9.1: ‘verweerder had ook de geschilpunten van € 11,4 mln winstvoorschotten en de [BV5] VOF-facturen van € 3.29 mln moeten benoemen’. En hij stelt: ‘Door niet duidelijk te zijn over de omvang van deze openstaande kwesties heeft [betrokkene] de rechtbank een verkeerd beeld gegeven, wat bijdroeg aan een eindvonnis op ondeugdelijke basis’. Klager gaat uit van veel meer geschil- en onderzoekspunten dan de rechtbank heeft vastgesteld en, in navolging van haar vonnis, betrokkene heeft onderzocht. De klacht richt zich daarmee in wezen tegen overwegingen en beslissingen van de rechtbank, maar daarvoor kan klager bij de appelrechter (het Gerechtshof Amsterdam) terecht en niet bij de Accountantskamer.
5.20. De Accountantskamer merkt in dit verband nog op dat de facturen van [BV5] VOF voor de bemensing van de teststraten (volgens klager € 3,29 mln.), anders dan klager stelt, door betrokkene in zijn rapport wel zijn benoemd en onderzocht. Hij heeft daarvan verslag gedaan vanaf § 7.2. van zijn rapport en hij is in § 7.2.4 tot de conclusie gekomen dat ter zake van deze facturen geen aanpassing nodig is van de eindafrekening van het tweede samenwerkingsverband.
5.21. Wat betreft de door klager gestelde valse facturen van [BV5] overweegt de Accountantskamer dat betrokkene in zijn rapport heeft vermeld dat hij niet in staat is geweest de juistheid van de facturen van [BV5] voor stand-by-uren vast te stellen. Daaruit volgt niet dat die facturen vals zijn, maar alleen dat de juistheid ervan niet vaststaat. Klager is het met deze bevinding van betrokkene niet eens, maar heeft niet aannemelijk weten te maken dat betrokkene voor zijn bevinding geen deugdelijke grondslag had. Betrokkene heeft vanaf § 7.2.5 van zijn rapport verslag gedaan van zijn werkzaamheden om zo mogelijk de juistheid van de facturen voor stand-by-uren vast te stellen.
5.22. De Accountantskamer overweegt verder dat betrokkene, zoals hij ter zitting heeft verklaard, de reeds bestaande concepteindafrekening van het tweede samenwerkingsverband, kon volgen. Betrokkene kon naar het oordeel van de Accountantskamer vraag één van de opdracht aan betrokkene zo uitleggen. Er staat immers: ‘Kunt u op grond van onderzoek de eindafrekening per 31 december 2022 opmaken, rekening houdend met (…) de reeds opgemaakte concept eindafrekening (…)?’ Klager vindt dat betrokkene ‘blindelings gebruik heeft gemaakt van ondeugdelijke Munt-Masters-overzichten’ (tweede klaagschrift onder 6.1), omdat die niet uitgaan van de volgens klager overeengekomen winstverdelingsafspraak op basis van feitelijke workload en initiële stortingen. De rechtbank had echter een andere winstverdelingsafspraak als vaststaand feit aangenomen en betrokkene diende hiervan uit te gaan, zo blijkt ook uit de brief van de rechtbank aan betrokkene van 15 november 2023.
5.23. Betrokkene heeft in § 5.3 van zijn rapport de scope van zijn onderzoek geformuleerd en daarbij de beperkingen weergegeven. Betrokkene heeft geschreven: ‘Ik heb geen onderzoek gedaan naar de juistheid van alle overige posten in de administraties van het eerste samenwerkingsverband (Reeleezee administratie) en het tweede samenwerkingsverband (Exact 1.0). Ik merk op dat hierin zijn begrepen posten waarvan [BV1] stelt dat sprake is van onjuistheden in de administratie. Dit is ook in mijn brief van 23 oktober 2023 aan de rechtbank aangegeven onder punt 4.3 en 4.4., ik verwijs naar <bijlage 1> bij dit deskundigenbericht. Ook in wederhoor is door [BV1] betoogd dat sprake is van onjuistheden. Ik heb die niet onderzocht maar mij gehouden aan de op 15 november 2023 door de rechtbank aangebrachte beperking in de scope van mijn onderzoek’.
5.24. Volgens het tussenvonnis van de rechtbank van 8 januari 2025, rechtsoverweging 2.5., is tijdens een zitting met partijen aan de orde geweest dat ‘de deskundige, in overleg met de rechtbank en partijen, de omvang van het onderzoek heeft beperkt, waardoor (nog) niet de gehele administratie van [BV2] is onderzocht. [BV1] heeft voorgesteld om, ook uit oogpunt van kostenbesparing, zelf de administratie te onderzoeken en dan op basis van de door [BV2] opgestelde eindafrekening aan te geven welke posten er niet kloppen. [BV2] heeft met dit voorstel ingestemd.’ Vervolgens is [BV1] in de gelegenheid gesteld het veel bredere onderzoek te doen, maar dit heeft niet tot een voor haar positief resultaat geleid. Dat blijkt uit het eindvonnis van 13 augustus 2025, rechtsoverweging 2.11. waarin staat: ‘Het voorgaande betekent dat hetgeen [BV1] heeft aangevoerd geen aanleiding geeft om van andere cijfers uit te gaan dan de deskundige heeft gedaan.’ Uit (onder meer) deze rechtsoverweging kan bezwaarlijk een andere conclusie worden getrokken dan dat de rechtbank van oordeel is dat betrokkene een rapport heeft uitgebracht waarop de rechtbank haar beslissing kon baseren. De andersluidende visie van klager stuit hierop af. Klager heeft niet aannemelijk gemaakt dat betrokkene zich niet naar behoren van zijn taak heeft gekweten.
5.25. Tot slot: het verwijt dat betrokkene ten onrechte scenario’s en eindafrekeningen heeft opgesteld kan de Accountantskamer niet plaatsen. Vraag één van de rechtbank was immers een eindafrekening op te maken. Die vraag heeft betrokkene zo beantwoord dat hij geen eindafrekening kon opstellen omdat hij niet in staat was de juistheid van de facturen voor de stand-by-uren (€ 1,382 mln.) vast te stellen. Betrokkene heeft in zijn rapport (§ 8.1.1.3) om begrijpelijke redenen geschreven dat ‘de rechter noch partijen gebaat zijn bij een deskundigenbericht waarin geen eindafrekening is opgenomen’. Vervolgens heeft betrokkene vier scenario’s en drie eindafrekeningen in zijn rapport opgenomen. In het vierde scenario heeft hij de personeelskosten wegens stand-by-uren volledig buiten beschouwing gelaten, welke scenario de rechtbank in haar eindvonnis van 13 augustus 2025, in het voordeel van [BV1], heeft gevolgd.
5.26. Het klachtonderdeel is ongegrond.
Klachtonderdeel 8) betrokkene heeft de observaties van [D] niet gecontroleerd, terwijl hij heeft toegezegd dat wel te doen.
5.27. Dit klachtonderdeel is ongegrond omdat de rechtbank met instemming van [BV1] - in de e-mail van zijn advocaat aan de rechtbank van 2 november 2023 - heeft besloten dat vraag drie in het tussenvonnis van 7 juni 2023 buiten het onderzoek zal worden gelaten. Die vraag had betrekking op de observaties van [D] (beweerdelijke onregelmatigheden in de administratie van [BV2]) die betrokkene aanvankelijk bij zijn onderzoek ten behoeve van het opmaken van de eindafrekening zou betrekken. Het klachtonderdeel mist feitelijke grondslag.
Klachtonderdeel 9) betrokkene heeft geen geschikte controle-informatie verzameld over transacties met verbonden partijen bedoeld in Standaard 550, geen frauderisico-onderzoek heeft gedaan in de zin van Standaard 240 en de takenlijst in ‘bijlage A’ niet gecontroleerd.
5.28. Anders dan klager meent zijn de controlestandaarden, opgenomen in de Nadere voorschriften Controle en overige standaarden niet op de opdracht van toepassing. De opmerkingen van klager ter zitting over bijvoorbeeld ‘fraude-indicatoren’ die betrokkene zou hebben gemist en de onvoldoende ‘controlewerkzaamheden’ van betrokkene, treffen dan ook geen doel. De opdracht aan betrokkene was geen assurance-opdracht en betrokkene heeft dat in § 6.2.1.2 van zijn rapport met zoveel woorden ook vermeld. De opdracht aan betrokkene was een zogeheten overige opdracht, zoals betrokkene in de eerdergenoemde § 6.2.1.2 heeft geschreven. Voor een dergelijke opdracht bestaat geen standaard. Wel een handreiking, namelijk NBA-Handreiking 1111 Overige opdrachten. De in dit klachtonderdeel besloten verwijten, die ervan uitgaan dat betrokkene assurance heeft gegeven en (onvoldoende) controlewerkzaamheden heeft verricht, missen feitelijke grondslag en daarmee is het klachtonderdeel ongegrond.
Conclusie
5.29. Geen van de klachtonderdelen is gegrond. Daarom zullen de klachten ongegrond worden verklaard.
6. De beslissing
De Accountantskamer verklaart de klachten ongegrond.
Aldus beslist door mr. C.H. de Haan, voorzitter, mr. A.A.A.M. Schreuder en mr. P. van der Stroom (rechterlijke leden) en drs. E.R. van der Wösten RA en drs. J. Hetebrij RA (accountantsleden), in aanwezigheid van mr. E.N.M. van de Beld, secretaris, en uitgesproken in het openbaar op 27 maart 2026.
_________ __________
secretaris voorzitter
Deze uitspraak is aan partijen verzonden op:_____________________________
Op grond van artikel 43 Wtra kan tegen deze uitspraak binnen 6 weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld door middel van het indienen van een beroepschrift bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven (adres: Postbus 20021, 2500 EA Den Haag). Het beroepschrift moet de gronden van het beroep bevatten en moet zijn ondertekend.
[1] Uit het proces-verbaal van de zitting blijkt, dat de Accountantskamer alleen productie 278 van klager, een e-mail van zijn advocaat van 3 december 2025, heeft toegelaten. De producties 279 t/m 282 die klager op 4 en 8 december 2025 heeft toegezonden, zijn als tardief geweigerd.
[2] Zie ECLI:NL:CBB:2022:310: ‘Het College stelt voorop dat volgens zijn vaste jurisprudentie (zie onder meer de uitspraak van 6 september 2012, ECLI:NL:CBB:2012:BX8338) de tuchtrechter in eerste aanleg niet is gehouden alle hem gebleken feiten in de tuchtbeslissing op te nemen, maar zich mag beperken tot de volgens hem relevante feiten.’
[3] Bij een negatieve testuitslag kon toegang worden verkregen tot horecagelegenheden.
[4] [C], de accountant van [BV2], had een voorlopige winst-en-verliesrekening / eindafrekening per 31 december 2022 opgesteld.
[5] [D], de financieel adviseur van [BV1], had onregelmatigheden in de administratie van [BV2] waargenomen, zoals valse facturen van uitzendbureau [BV5], en daarover gerapporteerd.
[6] Dit betrof de observaties door [D].
[7] Dit betrof kort gezegd A) afronding onderzoek [BV5]-facturen, inclusief analyse Eitje, B) eindafrekeningen en aansluiting met administraties, E) opstellen conceptdeskundigenbericht, F) opvolging wederhoor, G) afronden deskundigenbericht, D.i) drie geadministreerde transacties in de samenwerking [BV2]-[BV1], door [BV1] ‘trucjes’ genoemd.
[8] Rechtsoverweging 2.4 betreft de procentuele winstverdeling tussen [BV2], [BV3] en [BV4] en tussen [BV1] en [BV2].
[9] Bedoeld is het deskundigenbericht. Betrokkene vroeg ontheffing van de termijn van drie maanden waarbinnen zijn rapport gereed moest zijn.
[10] Dit betreft 1) een betaling door [BV6] aan [BV2], 2) een factuur wegens verhuur van een testlocatie door [BV7]. aan [BV2] en 3) een in de administratie verwerkte boeking van een factuur ter zake van juridisch advies.
[11] Dit zijn uren gedurende welke het uitzendpersoneel voor de teststraten zich beschikbaar diende te houden maar geen werkzaamheden op de teststraten heeft verricht.
[12] Betrokkene telt in 11 ordners meer dan 1100 producties doordat per productie -278 toegelaten producties- vaak subproducties zijn overgelegd.
[13] Zie ECLI:NL:CBB:2022:17: Het College stelt voorop dat het de Accountantskamer vrij staat om een klacht zakelijk samen te vatten (zie bijvoorbeeld de uitspraak van het College van 27 oktober 2015, ECLI:NL:CBB:2015:359). De Accountantskamer hoeft daarbij niet alle argumenten te betrekken die een klager ter onderbouwing van zijn klacht heeft aangedragen.
[14] Volgens klager ter zitting heeft betrokkene op ‘meer dan 70 van de 80+ klachten’ geen verweer gevoerd.
[15] Zie noot 12.
[16] Zie ECLI:NL:CBB:2016:117: Naar het oordeel van het College heeft de Accountantskamer terecht geoordeeld dat het niet aan de tuchtrechter is om zelfstandig in ingebrachte stukken op zoek te gaan naar wat wel en niet dienstig zou kunnen zijn voor de klacht. Het is in een tuchtprocedure immers aan de klager om een klacht(onderdeel) voldoende te concretiseren en in het klaagschrift gespecificeerd te onderbouwen. Tot uitgangspunt dient daarbij dat het enkel overleggen en verwijzen naar producties in het algemeen niet voldoende is om een klacht(onderdeel) te onderbouwen. Een klacht(onderdeel) dient te worden gemotiveerd, op zodanige wijze dat degene tegen wie de klacht is ingediend zich daartegen gericht kan verweren. Als ter onderbouwing vande klacht wordt verwezen naar producties dient dit op zodanige wijze te gebeuren dat voor de wederpartij en de tuchtrechter duidelijk is welke feiten en stellingen aan deze producties worden ontleend ter staving van de klacht.
[17] Zie bijvoorbeeld ECLI:NL:CBB:2023:694 rov. 6.