ECLI:NL:TACAKN:2026:14 Accountantskamer Zwolle 25/1673 Wtra AK

ECLI: ECLI:NL:TACAKN:2026:14
Datum uitspraak: 23-03-2026
Datum publicatie: 23-03-2026
Zaaknummer(s): 25/1673 Wtra AK
Onderwerp:
Beslissingen: Klacht ongegrond
Inhoudsindicatie: Klager verwijt betrokkene dat hij een samenstellingsopdracht heeft aanvaard en uitgevoerd die in strijd is met de statuten van de opdrachtgever. De klacht is ongegrond.

ACCOUNTANTSKAMER

UITSPRAAK van 23 maart 2026 op grond van artikel 38 Wet tuchtrechtspraak accountants (Wtra) in de op 17 juni 2025 ontvangen klacht met nummer 25/1673 Wtra AK van

X

wonende te [plaats1]

K L A G E R

t e g e n

Y

accountant-administratieconsulent

kantoorhoudende te [plaats2]

B E T R O K K E N E

advocaat: mr. J.J. Vetter te Amsterdam

1.             De procedure

1.1.        De Accountantskamer heeft kennisgenomen van de volgende stukken:

  • het klaagschrift met bijlagen
  • het verweerschrift met bijlagen
  • de brief van klager van 21 december 2025 met bijlagen
  • de op de zitting door partijen overgelegde spreekaantekeningen.

1.2.        De klacht is behandeld op de openbare zitting van 19 januari 2026. Klager is verschenen. Betrokkene is ook verschenen, bijgestaan door zijn advocaat. 

2.             De uitspraak samengevat

2.1.        Klager verwijt betrokkene dat hij een samenstellingsopdracht van [vereniging1] ([vereniging1]) heeft aanvaard en uitgevoerd die in strijd is met de statuten van [vereniging1]. Betrokkene betwist dit. De Accountantskamer verklaart de klacht ongegrond.

3.             De feiten

3.1.        Betrokkene is sinds 2006 ingeschreven in het accountantsregister van de NBA. Hij is verbonden aan [accountantskantoor1][1] te [plaats2](hierna: het accountantskantoor).

3.2.        Sinds 2006 is klager lid van [vereniging1]. [vereniging1] is een brancheorganisatie voor bloemist-winkeliers in Nederland met circa 1.300 aangesloten leden en heeft een ledenraad waaruit het bestuur en de financiële commissie worden gekozen. Klager maakte tot begin 2024 deel uit van deze ledenraad en financiële commissie. Klager is samen met twee andere leden opgestapt, omdat zij “geen verantwoording konden nemen voor het gevoerde financiële beleid van de [vereniging1]”.

3.3.        Sinds 2017 is [vereniging1] klant bij het accountantskantoor. Aanvankelijk had het accountantskantoor een beoordelingsopdracht. Voor de boekjaren 2019 en later is een samenstellingsopdracht overeengekomen. In de opdrachtbevestiging van 5 juni 2020 is onder meer opgenomen:

“Wij zullen op basis van de door u te verstrekken gegevens de jaarrekening 2019 en volgende jaren van [vereniging1] samenstellen. Bij de jaarrekening verstrekken wij een samenstellingsverklaring. Voor alle duidelijkheid vermelden wij dat wij geen controle- of beoordelingswerkzaamheden zullen uitvoeren die ons in staat stellen om een oordeel te geven of een conclusie te trekken met betrekking tot de getrouwheid van de jaarrekening.”

Ten aanzien van de verantwoordelijkheid van het bestuur is in de opdrachtbevestiging het volgende opgenomen:

“Wij vestigen er de aandacht op dat het bestuur van de entiteit de verantwoordelijkheid draagt voor zowel de juistheid als de volledigheid van de aan ons ter beschikking gestelde informatie. Voorts is het bestuur ten opzichte van de gebruikers verantwoordelijk voor de door ons samengestelde jaarrekening. Deze verantwoordelijkheid strekt zich ook uit tot de inrichting van een toereikende administratie en maatregelen van interne beheersing alsmede tot de keuze en het toepassen van juiste grondslagen voor financiële verslaggeving.”

3.4.        Betrokkene heeft deze opdracht aanvaard en uitgevoerd.

3.5.        Artikel 23 lid 5 van de statuten van [vereniging1] (versie 2014) luidde, voor zover hier van belang, als volgt:

“(…). Uit de accountantsverklaring, die bij het financieel verslag aanwezig behoort te zijn, moet blijken, dat de accountant ook aandacht heeft geschonken aan de budgetbewaking en of er voor hem ook aanleiding is geweest het bestuur te attenderen op het te voeren of gevoerde beleid, speciaal waar het de financiële consequenties daarvan betreft. (…).”

In de huidige statuten van [vereniging1] (versie 2022) is artikel 23 lid 5 ongewijzigd vernummerd tot artikel 24 lid 5.

3.6.        Klager heeft eerder een klacht ingediend tegen betrokkene. In deze eerdere klacht (hierna: de eerste klacht) heeft klager betrokkene onder meer verweten dat deze de vereniging eerder had moeten waarschuwen voor de wijze waarop de resultaten tussen de vereniging en een BV (waarvan de vereniging 95,05% en de directeur van de vereniging 4,95% van de aandelen bezat) werden verdeeld, alsmede over tegengestelde belangen van de vereniging en de directeur bij de waardering van het minderheidsbelang van de directeur. Bij uitspraak van 21 maart 2025 heeft de Accountantskamer de eerste klacht ongegrond verklaard.[2]

4.             De klacht

4.1.        Betrokkene heeft volgens klager gehandeld in strijd met de voor hem geldende gedrags- en beroepsregels.

4.2.        Klager verwijt betrokkene dat hij de samenstellingsopdracht voor de jaarekening 2019 in strijd met artikel 23 lid 5 (versie 2014) van de statuten van [vereniging1] heeft aanvaard en uitgevoerd.

5.             De beoordeling

5.1.        Als meest verstrekkend verweer voert betrokkene aan dat de onderhavige klacht niet-ontvankelijk is, voor zover deze overlap kent met de eerste klacht. Zo is volgens betrokkene in de eerste klacht het tegengestelde belang tussen [vereniging1] en haar directeur al aan de orde geweest en geldt dit ook voor de gang van zaken rondom de terugkoop van de aandelen van de directeur door [vereniging1].

5.2.        De Accountantskamer overweegt dat de beginselen van een behoorlijke tuchtprocedure beogen de tuchtprocedure op een eerlijke en rechtvaardige manier te laten verlopen. Het hieruit voortvloeiende beginsel van ne bis in idem biedt een accountant bescherming tegen dubbele vervolging voor hetzelfde feit. Op grond van dit beginsel kan niet voor een tweede keer (of nog vaker) over dezelfde gedraging van een accountant worden geklaagd.

5.3.        Tijdens de zitting over de eerste klacht heeft klager betrokkene hetzelfde verwijt gemaakt als dat nu onderwerp van deze tuchtprocedure is. Wegens strijd met de goede procesorde heeft de Accountantskamer dit (pas op de zitting naar voren gebrachte) verwijt toen niet beoordeeld.[3] Er is dus geen sprake van ne bis in idem. Daarmee komt de Accountantskamer toe aan een inhoudelijke beoordeling van de klacht die nu voorligt.

5.4.        De Accountantskamer toetst het handelen of nalaten van betrokkene aan de Verordening gedrags- en beroepsregels accountants (VGBA) en de Nadere voorschriften controle- en overige Standaarden (NV COS).

5.5.        De Accountantskamer overweegt dat het in beginsel aan klager is om feiten en omstandigheden te stellen en – in geval van (gemotiveerde) betwisting – aannemelijk te maken die tot het oordeel kunnen leiden dat betrokkene tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld.

5.6.        Klager stelt dat onder “accountantsverklaring" als bedoeld in artikel 23 lid 5 (versie 2014) van de statuten van [vereniging1] een controleverklaring moet worden verstaan. Volgens klager had betrokkene de samenstellingsopdracht dan ook niet mogen aanvaarden, omdat hiermee de belangen van [vereniging1] en haar leden worden geschaad (zij mogen immers vertrouwen op een adequate controle) en de verantwoordelijkheden van de accountant worden doorgeschoven naar het bestuur van [vereniging1]. Daarnaast diende betrokkene volgens klager op de hoogte te zijn van de volgende feiten:

(a) de directeur had een tegengesteld belang in de organisatie;

(b) tussen de activiteiten van [vereniging1] en de onderliggende BV (Service en Advies BV) bestond geen harde grens – de activiteiten liepen in elkaar over – waardoor het gemakkelijk was om met resultaten te schuiven en;

(c) het bestuur en de ledenraad van [vereniging1] worden gevormd door hardwerkende ambachtelijk georiënteerde vakmensen met een enorme passie voor hun vak, die voldoende bedrijfseconomische kennis hebben om hun bedrijf te runnen maar het financiële plaatje van de redelijk complexe [vereniging1]-organisatie moeilijk kunnen overzien, zodat het juist daarom van groot belang is dat de leden kunnen vertrouwen op controle en beoordeling door de accountant. Volgens klager zijn de gevolgen voor [vereniging1] en haar leden vanaf boekjaar 2019 door het niet verstrekken van de voorgeschreven controleverklaring ernstig te noemen en beloopt de directe schade voor [vereniging1] vele tonnen. Zo heeft [vereniging1] teveel vennootschapsbelasting en dividend betaald. Ook werd binnen de organisatie de afgegeven samenstellingsverklaring gepresenteerd als 'accountantsverklaring', onder andere in de Algemene Ledenvergadering, waardoor veel leden op het verkeerde spoor zijn gezet. Dit heeft geleid tot onrust en spanning in de organisatie met mede als gevolg dat de ledenraad (en de financiële commissie als onderdeel daarvan) thans geen mogelijkheden meer heeft om de BV’s te controleren (waar ruim 90% van de acitiviteiten plaatsvinden), aldus klager.

5.7.        De Accountantskamer overweegt dat het begrip “accountantsverklaring” in de wet- en regelgeving voor accountants twee verschillende definities (kende en) kent, namelijk in de Wet toezicht accountantsorganisaties (Wta) respectievelijk de NV COS en Nadere voorschriften kwaliteitssystemen (NVKS). De Wta verstaat onder het begrip een schriftelijke mededeling inhoudende de uitkomst van een wettelijke controle[4]. De NV COS/NVKS verstaat onder het begrip een schriftelijke verklaring van een accountant naar aanleiding van een assurance- of aan assurance verwante opdracht[5]. Hieronder vallen onder andere controle-, beoordelings- en samenstellingsopdrachten. Uit de overgelegde stukken is niet af te leiden wat in de statuten van [vereniging1] met “accountantsverklaring” is bedoeld. Feit is dat [vereniging1] niet op grond van de wet controleplichtig is, en gesteld noch gebleken is dat zij dit ooit is geweest. Betrokkene had daarom geen aanleiding om aan te nemen dat de statuten voor het financieel verslag als zodanig een controle- of beoordelingsopdracht vereisten. Wél vergen de statuten meer dan alleen een samenstellingsverklaring bij het financieel verslag als zodanig – dit onderschrijft betrokkene zelf ook –, te weten dat uit de accountantsverklaring moet blijken dat de accountant ook aandacht heeft geschonken aan de budgetbewaking en of er voor hem ook aanleiding is geweest het bestuur te attenderen op het te voeren of gevoerde beleid, speciaal waar het de financiële consequenties daarvan betreft.

5.8.        Dit betekent echter niet dat betrokkene geen samenstellingsopdracht mocht aanvaarden (en uitvoeren). Dat daardoor (nog) niet werd voldaan aan artikel 23 lid 5 van de statuten (versie 2014)  als het gaat om de aspecten budgetbewaking en toetsing van het beleid, staat aan de aanvaarding van de samenstellingsopdracht niet in de weg. Hiervoor zou (het bestuur van) [VERENIGING1] een nadere opdracht kunnen verstrekken. Dat heeft [vereniging1], volgens betrokkene vanuit kostenoverwegingen, niet gedaan. Dit is dan een keuze van [vereniging1] waarvoor betrokkene niet verantwoordelijk kan worden gehouden. Daarbij geldt dat betrokkene heeft verklaard dat hij vóór de aanvaarding van de opdracht (de voorzitter van het bestuur van) [vereniging1] erop heeft gewezen dat met de te verstrekken samenstellingsopdracht niet (volledig) zou worden voldaan aan het bepaalde in artikel 23 lid 5 van de statuten (versie 2014) en dat hij – net als zijn voorganger – heeft geadviseerd om een duidelijk normenkader op te stellen waaraan getoetst kan worden, of de statuten te wijzigen. Dit laatste, statutenwijziging, is volgens betrokkene inmiddels ook in gang gezet. In wat klager heeft aangevoerd en ook overigens ziet de Accountantskamer geen aanknopingspunten om aan de juistheid van de verklaring van betrokkene te twijfelen. Van een schending van de fundamentele beginselen als bedoeld in artikel 2 van de VGBA door betrokkene is de Accountantskamer dan ook niet gebleken.

5.9.        Het voorgaande leidt ertoe dat de klacht ongegrond zal worden verklaard.

6.             De beslissing

De Accountantskamer verklaart de klacht ongegrond.

Aldus beslist door mr. J.W. Frieling, voorzitter, mr. J.N. Bartels en mr. P. van der Stroom (rechterlijke leden) en mr.drs. J.B. Backhuijs RA en B.J.G. van den Bragt RA AA (accountantsleden), in aanwezigheid van mr. E.N.M. van de Beld secretaris, en uitgesproken in het openbaar op 23 maart 2026.

_________                                                                                                                       __________

secretaris                                                                                                                           voorzitter

Deze uitspraak is aan partijen verzonden op:_____________________________

Op grond van artikel 43 Wtra kan tegen deze uitspraak binnen 6 weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld door middel van het indienen van een beroepschrift bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven (adres: Postbus 20021, 2500 EA  Den Haag). Het beroepschrift moet de gronden van het beroep bevatten en moet zijn ondertekend.

[1] Voorheen [accountantskantoor2]

[2] ECLI:NL:TACAKN:2025:16.

[3] Zie rov. 5.1 van de uitspraak van 21 maart 2025.

[4] Artikel 1 onder b. Wta.

[5] Paragraaf 8 Standaard 000N.