ECLI:NL:TACAKN:2026:11 Accountantskamer Zwolle 25/2055 Wtra AK

ECLI: ECLI:NL:TACAKN:2026:11
Datum uitspraak: 27-02-2026
Datum publicatie: 27-02-2026
Zaaknummer(s): 25/2055 Wtra AK
Onderwerp:
Beslissingen: Klacht ongegrond
Inhoudsindicatie: Ongegronde klacht. Klaagster is er niet in geslaagd om de verwijten duidelijk en aannemelijk te maken. Zij heeft de verwijten niet duidelijk omschreven met feitelijke details, zoals wanneer een bepaalde vraag is gesteld (waarop geen reactie is gekomen) of welke facturen klaagster niet kon uploaden in een bepaald systeem. Zij heeft dat ook niet gedaan bij gelegenheid van een tweede schriftelijke ronde (repliek). De verwijten zijn evenmin onderbouwd met documenten die de stellingen van klaagster zouden kunnen aantonen. Ook weerlegt zij het verweer van betrokkene nauwelijks, anders dan door te stellen dat het verweer onjuist is. De Accountantskamer kan in zo’n geval, als een ‘gesprek tussen partijen niet gevoerd wordt’, niet anders dan oordelen dat de klacht ongegrond is.

ACCOUNTANTSKAMER

UITSPRAAK van 27 februari 2026 op grond van artikel 38 Wet tuchtrechtspraak accountants (Wtra) in de op 29 juli 2025 ontvangen klacht met nummer 25/2055 Wtra AK van

X B.V.

gevestigd te [plaats1]

K L A A G S T E R

gemachtigde: [A] te [plaats2]

t e g e n

Y

accountant-administratieconsulent

kantoorhoudende te [plaats3]

B E T R O K K E N E

advocaat: mr. J.F.T.A. van den Eijnden te Rotterdam

1.             De procedure

1.1.        De Accountantskamer heeft kennisgenomen van de volgende stukken:

  • het klaagschrift met bijlagen
  • de brief van de Accountantskamer van 25 augustus 2025
  • de reactie daarop van klaagster van 5 september 2025
  • het verweerschrift met bijlagen
  • de brief van klaagster van 25 november 2025 (repliek)
  • de brief van betrokkene van 23 december 2025 met bijlagen (dupliek)
  • de op de zitting overgelegde pleitaantekeningen van beide partijen.

1.2.        De klacht is behandeld op de openbare zitting van 26 januari 2026. Voor klaagster zijn [B] en [C] verschenen, bijgestaan door de gemachtigde. Betrokkene is ook verschenen, bijgestaan door zijn advocaat.  

2.             De uitspraak samengevat

Waarover gaat deze zaak?

2.1.        Klaagster oefent een praktijk uit voor spoedoplossingen voor protheses. Zij was klant van het kantoor van betrokkene voor verschillende vormen van dienstverlening: salarisadministratie en aangifte loonbelasting, fiscale werkzaamheden en het samenstellen van de jaarrekening. Klaagster heeft verschillende klachten over deze dienstverlening, waaronder over de hoogte van de facturen en de aangiftes loonbelasting.

De beslissing van de Accountantskamer.

2.2.        De klacht is geheel ongegrond. Klaagster heeft de verweten handelingen onvoldoende aannemelijk gemaakt.

3.             De feiten

3.1.        Betrokkene is sinds 2006 ingeschreven in het accountantsregister van de NBA. Hij is verbonden aan [accountantskantoor1] in [plaats3]. Onder de naam [BV1] worden fiscale werkzaamheden verricht, met uitzondering van loonaangiftes. En onder de naam [BV2] wordt dienstverlening geleverd op het gebied van salarisverwerking en loonaangiftes. De Accountantskamer verwijst hierna voor de leesbaarheid met ‘het kantoor van betrokkene’ naar deze drie vennootschappen.

3.2.        Klaagster heeft een praktijk voor spoedoplossingen voor protheses. Sinds de overname van [BV3] in januari 2022 wordt ook een tandtechnisch laboratorium en tandartsenpraktijk gedreven. [BV4] is enig bestuurder en enig aandeelhouder van klaagster. [B] is enig bestuurder en enig aandeelhouder van [BV4]. [B] is getrouwd met [C], die ook werkzaam is in de onderneming.

3.3.        Voorheen was klaagster klant bij [salarisadministrateur1]. In mei 2023 heeft een gesprek plaatsgevonden met betrokkene over de overstap naar het kantoor van betrokkene. Betrokkene heeft een offerte, inclusief algemene voorwaarden, aan klaagster verzonden voor diverse werkzaamheden: fiscale onderwerpen, verzorgen jaarrekeningen, salarisadministratie en fiscale aangiften. Het uitgangspunt bij deze offerte was dat het kantoor van betrokkene de jaarrekening vanaf boekjaar 2023 zou samenstellen. De opdracht is na acceptatie door klaagster bevestigd per e-mailbericht van 31 mei 2023. In de opdrachtbevestiging staat, voor zover hier van belang, het volgende:

Deze opdrachtbevestiging is onderverdeeld in werkzaamheden die vallen onder verantwoordelijk-heid van [accountantskantoor1], van [BV1] en van [BV2]

1. Werkzaamheden [accountantskantoor1]

U heeft ons opdracht gegeven de jaarrekening met ingang van 2023 van [BV4] te [wijk in plaats1] en [X] BV (handelsnaam1) te [plaats4] samen te stellen.

(…)

2. Werkzaamheden [BV1]

Opdracht

Wij bevestigen de door u aan ons verstrekte opdracht tot het verzorgen van de navolgende fiscale

werkzaamheden.

Werkzaamheden

Alle voorkomende fiscale werkzaamheden, waaronder in ieder geval:

  • Het verzorgen van de aangifte vennootschapsbelasting 2023 van [BV4] te [wijk in plaats1] en [X BV] te [plaats4];
  • Het verzorgen van de aangifte inkomstenbelasting van u en uw partner;
  • in overleg bezwaar en beroep aantekenen tegen opgelegde fiscale aanslagen
  • advisering omtrent fiscale en juridische aangelegenheden.

(…)

3. Werkzaamheden [BV2]

Opdracht

Wij bevestigen de door u verstrekte opdracht tot het verzorgen van de salarisadministratie in

[X BV] te [plaats4].

Werkzaamheden

De werkzaamheden zullen verricht worden op het kantoor van [bedrijfsnaam1] met de door u

aangeleverde gegevens. Hierbij zullen de in de offerte besproken werkzaamheden leidend zijn.

Wij willen u erop wijzen dat u als opdrachtgever de verantwoordelijkheid draagt voor zowel de

juistheid als de volledigheid van de door u ter beschikking gestelde informatie.

3.4.        De opdrachtbevestiging is ondertekend namens [accountantskantoor1] en [BV1] als opdrachtnemers[1] en door [B][2] en [C] als opdrachtgever (op 19 juli 2023).

4.             De klacht

4.1.        Betrokkene heeft volgens klaagster gehandeld in strijd met de voor hem geldende gedrags- en beroepsregels. Klaagster verwijt betrokkene het volgende:

1. Betrokkene heeft de loonaangiftes niet correct verzorgd.

2. Betrokkene heeft geen advies gegeven inzake de inkomensschade die [B] heeft geleden als gevolg van een verkeersongeluk in februari 2024.

3. Betrokkene heeft, ondanks herhaaldelijke verzoeken, geen jaarrekening 2023 samengesteld, terwijl hij daarvoor wel drie facturen heeft opgesteld.

4. Betrokkene is de afspraak over het houden van kwartaalgesprekken niet nagekomen.

5. De facturen van [bedrijfsnaam1] zijn niet gespecificeerd, ook niet na vragen daartoe. De in rekening gebrachte tarieven zijn hoger dan overeengekomen.

6. Klaagster ontving pas na anderhalf jaar een reactie op vragen met betrekking tot het uploaden van facturen.

5.             De beoordeling

5.1.        De Accountantskamer toetst het handelen of nalaten van betrokkene aan de Verordening gedrags- en beroepsregels accountants (VGBA). Het is daarbij aan de klagende partij om haar verwijten niet alleen goed te omschrijven, zodat het voor de aangeklaagde accountant en de Accountantskamer duidelijk is waarover het verwijt gaat. Ook moet de klagende partij waar mogelijk de verwijten onderbouwen met documenten, zoals e-mailberichten of overeenkomsten. Op die manier werkt de klagende partij aan het aannemelijk maken van het verweten handelen of nalaten. Naarmate de klagende partij het verwijt aannemelijker heeft gemaakt, mag van de aangeklaagde accountant een steeds zwaardere en concretere betwisting worden verlangd.

5.2.        De Accountantskamer zal hierna de afzonderlijke verwijten bespreken. De hoofdlijn daarin is dat klaagster er niet in is geslaagd om de verwijten duidelijk en aannemelijk te maken. Zij heeft de verwijten niet duidelijk omschreven met feitelijke details, zoals wanneer een bepaalde vraag is gesteld (waarop geen reactie is gekomen) of welke facturen klaagster niet kon uploaden in een bepaald systeem. Zij heeft dat ook niet gedaan bij gelegenheid van een tweede schriftelijke ronde (repliek). De verwijten zijn evenmin onderbouwd met documenten die de stellingen van klaagster zouden kunnen aantonen. Ook weerlegt zij het verweer van betrokkene nauwelijks, anders dan door te stellen dat het verweer onjuist is. De Accountantskamer kan in zo’n geval, als een ‘gesprek tussen partijen niet gevoerd wordt’, niet anders dan oordelen dat de klacht ongegrond is.

De reikwijdte tuchtrechtelijke verantwoordelijkheid.

5.3.        Betrokkene vindt het niet terecht dat hij voor alle uitgevoerde werkzaamheden tuchtrechtelijk wordt aangesproken. De opdrachtbevestiging maakt duidelijk dat de fiscale werkzaamheden (met uitzondering van loonaangifte) door [BV1] werden verricht. De salarisadministratie werd verzorgd door [BV2] Betrokkene is dan ook van mening dat de klacht niet-ontvankelijk is voor zover deze ziet op de uitvoering van de werkzaamheden (of het uitblijven daarvan) door medewerkers van [BV1] en [BV2] Betrokkene was hooguit het doorgeefluik, al was dat een functie die met name [D] (de relatiemanager) op zich had genomen.

5.4.        De Accountantskamer laat in het midden in hoeverre dit verweer opgaat. In het algemeen geldt dat een accountant, die eerste aanspreekpunt is, ook op de hoogte is van de bijzonderheden die spelen bij de relatie met anderen binnen zijn organisatie. Er kunnen zich omstandigheden voordoen die vereisen dat de accountant actie onderneemt, ook al gaat het om een opdracht die niet onder zijn verantwoordelijkheid wordt uitgevoerd[3]. De Accountantskamer is echter van oordeel dat - zelfs al zou betrokkene inhoudelijk verantwoordelijk zijn voor alle opdrachten - klaagster niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij verwijtbaar heeft gehandeld.

Klachtonderdeel 1. Betrokkene heeft de loonaangiftes niet correct verzorgd.

5.5.        Klaagster heeft het volgende gesteld. Betrokkene was gemachtigd om namens klaagster ‘belastingzaken’ af te handelen. Betrokkene blijkt echter geen loonaangifte te hebben gedaan. Het gevolg daarvan is dat klaagster te weinig belasting heeft betaald, waardoor de Belastingdienst boete en (rente)kosten heeft gerekend ter hoogte van € 13.343. Klaagster heeft over de periode november 2023 tot november 2024 geen afschriften van de loonaangiftes ontvangen. Betrokkene heeft klaagster niet geïnformeerd dat zij nog bedragen aan loonheffing moest betalen aan de Belastingdienst en dat de Belastingdienst daarover aanmaningen en dwangbevelen had verzonden. Tot november 2024 heeft betrokkene er nooit op gewezen dat deze belasting betaald moest worden. Betrokkene heeft geen ondersteuning geboden bij de communicatie met de Belastingdienst over een betalingsregeling, hetgeen heeft geleid tot een verhoging en boetes. Betrokkene heeft klaagster niet geïnformeerd over de uitkomst van een telefoongesprek met de Belastingdienst, waarin is besproken dat geen verder betalingsuitstel mogelijk was.

5.6.        Betrokkene heeft in de eerste plaats aangevoerd dat het onjuist is dat het aan zijn kantoor is te wijten dat klaagster boetes en (rente)kosten moet betalen aan de Belastingdienst. Al bij het begin van de opdracht had klaagster een betalingsachterstand bij de Belastingdienst. Het kantoor van betrokkene heeft de loonaangiftes tijdig gedaan. Het was aan klaagster om de loonheffing, die zij op grond van die aangiftes verschuldigd was, te voldoen aan de Belastingdienst. Dat heeft zij niet gedaan waardoor de boetes en kosten verder zijn opgelopen.

5.7.        In de tweede plaats heeft betrokkene aangevoerd dat zijn kantoor de salarisadministratie pas vanaf 1 januari 2024 heeft verzorgd. Dat beginmoment is afgestemd met de vorige salarisadministrateur, [salarisadministrateur1]. De loonaangiften 2024 en 2025 (tot aan de opzegging) zijn steeds tijdig ingediend door [BV2]. Betrokkene heeft in dat verband een overzicht overgelegd van de ingediende loonaangiftes. Klaagster had inzicht in deze loonaangiftes via het portaal van NMBRS (loonadministratiesoftware). Uit een mailwisseling in februari 2024 met Jochem Niemantsverdriet van [BV2] blijkt dat klaagster daarmee bekend was. Na het doen van aangifte is het de verantwoordelijkheid van de ondernemer om tijdig de loonheffing te voldoen. De Belastingdienst correspondeert daarover rechtstreeks met ondernemers, zo ook met klaagster. Met het e-mailbericht van 20 november 2023 heeft [D] klaagster geïnformeerd over de route naar een betalingsregeling met de Belastingdienst.

5.8.        De Accountantskamer is van oordeel dat klaagster het gemotiveerde verweer van betrokkene onvoldoende heeft weerlegd. Dat het kantoor van betrokkene wel loonaangiftes heeft gedaan kan volgens betrokkene blijken uit een overzicht van gedane aangiftes (bijlage 14 bij het verweerschrift). Klaagster heeft de juistheid van dat overzicht niet weersproken. De berichten over te betalen loonheffing, aanmaningen en dwangbevelen zijn volgens betrokkene rechtstreeks aan klaagster gestuurd. Dat is ook gebruikelijk, nu zij de belastingplichtige is die de verschuldigde loonheffing aan de Belastingdienst moet voldoen. Klaagster beweert dat het anders is, maar toont dat niet aan. Tot slot heeft [D] klaagster met de hiervoor genoemde e-mail geïnformeerd over de mogelijkheden van een betalingsregeling. Klachtonderdeel 1 is ongegrond. 

Klachtonderdeel 2. Betrokkene heeft geen advies gegeven inzake de inkomensschade die [B] heeft geleden als gevolg van een verkeersongeluk in februari 2024.

5.9.        [B] heeft op 6 februari 2024 een verkeersongeluk gehad, waardoor hij inkomensschade heeft geleden. Klaagster heeft betrokkene gevraagd om de schade te berekenen. Dat verzoek heeft klaagster bijna maandelijks herhaald. Pas op 20 december 2024 heeft betrokkene gereageerd met een bericht hoe klaagster zelf de schade kon berekenen, aldus klaagster.

5.10.      Betrokkene heeft toegelicht dat het voor hem niet mogelijk was om een accountantsverklaring af te leggen over de omzetderving, omdat de administratie nog onvoldoende volledig was. Dat is met klaagster besproken in mei 2024. Op 11 juni 2024 is het onderwerp opnieuw besproken. Ook toen was de administratie nog onvoldoende om een verklaring te kunnen afgeven. Vervolgens was het zomervakantie en vanaf oktober was klaagster ([C]) volgens betrokkene een periode afwezig in verband met ziekte. Halverwege december 2024 is opnieuw over dit onderwerp gesproken. Betrokkene heeft toen een aantal handvatten gegeven om de berekening zelf op te stellen, daarbij rekening houdend met het feit dat klaagster financieel in zwaar weer verkeerde met een dreigend faillissement. De facturen van zijn kantoor waren al grotendeels niet betaald. Toen klaagster op 31 januari 2025 te kennen gaf dat zij binnen twee weken een opgave moest doen van de omzetschade, heeft klaagster in overleg met betrokkene besloten - mede vanwege de kosten - de schade zelf te berekenen.

5.11.      De Accountantskamer overweegt als volgt. Dat klaagster betrokkene maandelijks heeft verzocht om een berekening op te stellen, is niet uitgewerkt of onderbouwd met stukken. Betrokkene heeft toegelicht dat het verzoek zijn aandacht had, maar dat de administratie onvoldoende volledig was om met een goed onderbouwde accountantsverklaring de inkomensschade te berekenen, wat betrokkene aan klaagster heeft gecommuniceerd. Dat verweer heeft klaagster niet weerlegd. Het gevolg is dat niet is komen vast te staan dat betrokkene iets te verwijten valt. Klachtonderdeel 2 is ongegrond.

Klachtonderdeel 3. Betrokkene heeft, ondanks herhaaldelijke verzoeken, geen jaarrekening 2023 samengesteld, terwijl hij daarvoor wel drie facturen heeft opgesteld.

5.12.      Klaagster heeft het volgende aangevoerd. Betrokkene heeft ondanks herhaaldelijke verzoeken geen jaarrekening over 2023 aangeleverd, maar daarvoor in 2024 wel drie facturen gestuurd, te weten op 9 februari 2024, op 29 augustus 2024 en op 8 oktober 2024.

5.13.      Betrokkene heeft het volgende naar voren gebracht.

5.13.1.  De facturen van 9 februari 2024 en van 29 augustus 2024 zien op het samenstellen van de jaarrekening 2022. Het klopt dus niet dat betrokkene drie facturen heeft gestuurd voor het samenstellen van de jaarrekening 2023; het gaat om één nota voor het samenstellen van de jaarrekening 2023.

5.13.2.  De factuur van 8 oktober 2024 is een voorschotnota ter hoogte van € 2.625 voor het samenstellen van de jaarrekening 2023. Het kantoor van betrokkene declareert steeds 50% bij aanvang van de werkzaamheden en het restant als 80% voortgang is geboekt. Van het voorschot is een bedrag van ongeveer € 900 benut voor werkzaamheden aan de jaarrekening 2023.

5.13.3.  Het klopt dat er geen jaarrekening 2023 is aangeleverd. Klaagster verkeerde in financieel zwaar weer. Zo was zij bezig met een betalingsregeling met de Belastingdienst en heeft zij een herstelplan opgesteld om een faillissement te voorkomen. Ook de nota’s van het kantoor van betrokkene bleven grotendeels onbetaald, ook na het treffen van een betalingsregeling. In overleg met klaagster heeft betrokkene de werkzaamheden aan de jaarrekening 2023 gepauzeerd. Een en ander maakt dat de factuur wellicht aangepast kan worden, al heeft klaagster deze niet voldaan.

5.14.      Klaagster is ter zitting niet ingegaan op het verweer van betrokkene. Betrokkene heeft daarmee voldoende gemotiveerd uiteengezet dat slechts één (voorschot)factuur betrekking heeft op jaarrekening 2023, die klaagster niet heeft betaald. Ook is niet weersproken dat betrokkene de werkzaamheden aan de jaarrekening 2023 heeft neergelegd, omdat klaagster zich in zwaar weer bevond en de rekeningen van het kantoor van betrokkene niet voldeed (er stond bijna € 30.000 open). Klachtonderdeel 3 is ongegrond.

Klachtonderdeel 4. Betrokkene is de afspraak over het houden van kwartaalgesprekken niet nagekomen.

5.15.      Volgens klaagster is betrokkene de gemaakte afspraak om kwartaalgesprekken te houden niet nagekomen.

5.16.      Betrokkene heeft erop gewezen dat er veel intensief contact is geweest met klaagster, zoals volgt uit mailberichten en gespreksverslagen van 1 december 2023, 11 juni 2024, 14 oktober 2024, 20 december 2024 en 31 januari 2025. De kwartaalgesprekken hebben als doel om met elkaar in contact te blijven en de klant te ontzorgen. Aan dat doel heeft betrokkene ruimschoots voldaan, al is misschien niet ieder gesprek formeel gelabeld als kwartaalgesprek.

5.17.      De Accountantskamer overweegt het volgende. In de offerte van 23 mei 2023 staat het volgende:

“Wij maken onze advisering graag effectief door periodiek met je te overleggen. Op deze wijze

kunnen we proactief inspelen op actuele behoeftes. De afspraken worden vooraf ingepland.

Daarbij verzorgen wij een duidelijke verslaglegging van de gesprekken, alsmede de uitwerking

van eventuele vervolgacties”.

En

“Per kwartaal zal een dashboard resultatenoverzicht worden verstrekt. Je krijgt toegang tot een

online dashboard waarop per kwartaal je resultaat kan worden afgelezen. Dit resultatenoverzicht

zullen wij met je doornemen, waarbij eventuele bijzonderheden en/of ontwikkelingen zullen

worden besproken.”

In de opdrachtbevestiging is niets opgenomen ten aanzien van een verplichting voor betrokkene tot het houden van kwartaalgesprekken.

5.18.      Niet betwist is dat betrokkene veel met klaagster heeft overlegd. Ook is niet betwist dat het dashboard onvoldoende informatie verschafte om op die basis met een ondernemer in gesprek te gaan. Daarvoor was de kwaliteit van de administratie nog onvoldoende. Daarvan uitgaande ziet de Accountantskamer niet in dat betrokkene is tekortgeschoten in de nakoming van zijn afspraken en daarmee tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Klachtonderdeel 4 is ongegrond.

Klachtonderdeel 5. De facturen van [bedrijfsnaam1] zijn niet gespecificeerd, ook niet na vragen daartoe. De in rekening gebrachte tarieven zijn hoger dan overeengekomen.

5.19.      Klaagster heeft aangevoerd dat zij een bedrag van € 2.100 is overeengekomen voor de kosten van de salarisadministratie, maar dat het kantoor van betrokkene € 300 meer in rekening heeft gebracht. Ook de uurtarieven voor betrokkene en [D] wijken af van de overeengekomen tarieven. Betrokkene heeft geen specificaties van de facturen verstrekt, ook niet na vragen daarom. Betrokkene stelt wel dat voor het aangenomen werk (cliëntacceptatie, collegiaal overleg) geen specificatie hoeft te worden verstrekt, maar dat het een vaste prijs betreft is geen geldige reden om een specificatie achterwege te laten, aldus klaagster.

5.20.      Betrokkene heeft aangevoerd dat [BV2] over 2023 € 809,95 in rekening heeft gebracht en geen € 2.100. Dat de kosten over 2024 iets hoger uitvallen komt omdat het tarief deels afhankelijk is van het aantal loonstroken dat maandelijks wordt verwerkt. Klaagster is daarover tevoren ingelicht en zij heeft ingestemd met de tarievenstructuur.

5.21.      Betrokkene heeft toegelicht dat zijn kantoor iedere factuur specificeert. Betrokkene heeft bij wijze van voorbeeld één factuur inclusief specificatie overgelegd. Een deel van de werkzaamheden is aangenomen tegen een vaste prijs. Betrokkene is niet gehouden dat bedrag te specificeren, aangezien de vaste prijs overeenkomt met de geoffreerde bedragen zoals vermeld in de offerte.

5.22.      Tot slot heeft betrokkene verklaard dat zijn uurtarieven en die van [D] inderdaad zijn verhoogd. Het kantoor van betrokkene indexeert jaarlijks, hetgeen ook is overeengekomen met klaagster in de offerte en in de algemene voorwaarden.

5.23.      De Accountantskamer is van oordeel dat dit klachtonderdeel ook ongegrond is. Op grond van vaste tuchtrechtspraak kan in het kader van een tuchtrechtelijke procedure alleen met succes over declaraties worden geklaagd, als een accountant bij het opstellen en indienen van de declaraties zodanig in strijd met de van hem te verlangen zorgvuldigheid, integriteit of professionaliteit heeft gehandeld dat daardoor een schending van het bij of krachtens de Wet op het accountantsberoep bepaalde aan de orde is. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van het College van beroep voor het bedrijfsleven van 9 april 2019 (ECLI:NL:CBB:2019:147). Het kantoor van betrokkene heeft de gehanteerde tarieven voldoende toegelicht in de offerte en in de specificaties. Het lag daarom op de weg van klaagster om nader te stellen en te onderbouwen dat betrokkene in strijd heeft gehandeld met de fundamentele beginselen, zoals hiervoor uitgelegd. Dat heeft klaagster nagelaten.

Klachtonderdeel 6. Klaagster ontving pas na anderhalf jaar een reactie op vragen met betrekking tot het uploaden van facturen.

5.24.      Klaagster heeft gesteld dat zij pas na anderhalf jaar een reactie ontving op vragen met betrekking tot het uploaden van facturen. De Accountantskamer oordeelt als volgt. (Relevante) details aangaande dit verwijt ontbreken, waardoor betrokkene zich er niet tegen kan verdedigen en de Accountantskamer zich geen oordeel kan vormen. Ook na daarop te zijn gewezen in het verweerschrift, heeft klaagster geen feitelijke toelichting en onderbouwing verschaft, niet in haar schriftelijke reactie van 25 november 2025 maar ook niet tijdens de mondelinge behandeling. Klachtonderdeel 6 is daarom ongegrond.

De conclusie.

5.25.      De klacht zal geheel ongegrond worden verklaard.

6.             De beslissing

De Accountantskamer:

  • verklaart de klacht ongegrond.

Aldus beslist door mr. A.A.A.M. Schreuder, voorzitter, mr. J.E. Brink van der Meer en mr. P. Volker (rechterlijke leden) en drs. E.R. van der Wösten RA en prof. dr. Ph. Wallage RA (accountantsleden), in aanwezigheid van mr. C.J.H. Terwal, secretaris, en uitgesproken in het openbaar op 27 februari 2026.

_________                                                                                                                       __________

secretaris                                                                                                                           voorzitter

Deze uitspraak is aan partijen verzonden op:_____________________________

Op grond van artikel 43 Wtra kan tegen deze uitspraak binnen 6 weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld door middel van het indienen van een beroepschrift bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven (adres: Postbus 20021, 2500 EA  Den Haag). Het beroepschrift moet de gronden van het beroep bevatten en moet zijn ondertekend.

[1] Ook [BV2] is opgenomen in de opdrachtbevestiging, maar de opdrachtbevestiging is niet mede namens deze vennootschap mede ondertekend.

[2] Bedoeld zal zijn: [B].

[3] Zie bijvoorbeeld een uitspraak van het College van beroep voor het bedrijfsleven van 17 september 2019, ECLI:NL:CBB:2019:418.