ECLI:NL:TACAKN:2026:1 Accountantskamer Zwolle 25/1880 Wtra AK

ECLI: ECLI:NL:TACAKN:2026:1
Datum uitspraak: 12-01-2026
Datum publicatie: 12-01-2026
Zaaknummer(s): 25/1880 Wtra AK
Onderwerp:
Beslissingen: Klacht ongegrond
Inhoudsindicatie: Ongegronde klacht. Volgens klaagster heeft betrokkene vertrouwelijke gegevens gedeeld met een derde partij. Maar betrokkene heeft dat gemotiveerd betwist. De Accountantskamer is van oordeel dat klaagster er niet in is geslaagd de verweten gedraging aannemelijk te maken.

ACCOUNTANTSKAMER

UITSPRAAK van 12 januari 2026 op grond van artikel 38 Wet tuchtrechtspraak accountants (Wtra) in de op 11 juli 2025 ontvangen klacht met nummer 25/1880 Wtra AK van

X B.V.                         

gevestigd in [plaats1]

K L A A G S T E R

t e g e n

Y

accountant-administratieconsulent

kantoorhoudende in [plaats2]

B E T R O K K E N E

gemachtigde: mr. [A] te Amsterdam

1.             De procedure

1.1.        De Accountantskamer heeft kennisgenomen van de volgende stukken:

  • het klaagschrift met bijlagen
  • het verweerschrift met bijlagen
  • de op de zitting overgelegde pleitaantekeningen van klaagster.

1.2.        De klacht is behandeld op de openbare zitting van 31 oktober 2025. Voor klaagster is
[B] verschenen. Betrokkene is ook verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde.  

2.             De uitspraak samengevat

Waarover gaat deze zaak?

2.1.        Klaagster heeft haar opdrachtnemer (een accountantskantoor) per brief van 17 juni 2025 aansprakelijk gesteld. Volgens klaagster heeft betrokkene gegevens uit die aansprakelijkstelling gedeeld met een derde partij. Daarmee heeft betrokkene volgens klaagster in strijd gehandeld met de fundamentele beginselen van integriteit, vertrouwelijkheid en professionaliteit.

De beslissing van de Accountantskamer.

2.2.        Betrokkene heeft gemotiveerd betwist dat hij vertrouwelijke gegevens met een ander heeft gedeeld. De Accountantskamer is van oordeel dat klaagster er niet in is geslaagd de verweten gedraging aannemelijk te maken. De klacht is daarom ongegrond.

3.             De feiten

3.1.        Betrokkene is sinds oktober 2010 ingeschreven in het accountantsregister van de NBA. Betrokkene werkt voor [BV1] in [plaats3] (hierna: [BV1]). [BV1] heeft betrokkene ingehuurd voor het voeren van het relatiebeheer en het regelen van de interne zaken binnen het kantoor, waaronder het onderhouden van cliëntcontact.

3.2.        [BV2] (hierna: [BV2]) is 50% aandeelhouder van klaagster. De overige 50% van de aandelen wordt gehouden door [BV3] (hierna: [BV3]), waarvan [C] de enig aandeelhouder is.

Tussen [BV2] en [BV3] is een geschil ontstaan. [BV2] heeft een civiele procedure aangespannen omdat [BV3] weigerde het restant van de koopsom voor de aandelen te voldoen.De procedure heeft geleid tot het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 15 oktober 2025 (te vinden op rechtspraak.nl met kenmerk ECLI:NL:RBROT:2025:12347).

3.3.        Klaagster heeft een overeenkomst gesloten met [BV1] voor het voeren van de loonadministratie voor de klanten van klaagster. Die overeenkomst is gestart op 29 januari 2025.

3.4.        Op 17 juni 2025 heeft klaagster [BV1] per e-mail bericht dat de samenwerking niet naar wens verloopt. Klaagster schrijft in de mail het volgende:

‘(…)Helaas verloopt deze samenwerking tot op heden niet naar wens. Inmiddels heeft een relatie van [X] haar overeenkomst met ons opgezegd, mede als gevolg van de aanhoudende problemen met de salarisadministratie. Dit is bijzonder pijnlijk, omdat deze klant destijds juist voor [X] heeft gekozen nadat haar vorige administratiekantoor herhaaldelijk fouten maakte in de loonverwerking. Salarisverwerking is voor deze relatie dan ook een uiterst gevoelig onderwerp (…)’.

Klaagster houdt [BV1] voor de opzegging aansprakelijk. Het e-mailbericht (hierna: de aansprakelijkstelling) is in cc aan betrokkene verzonden.

3.5.        De klant die heeft opgezegd betreft [kinderdagverblijf1], een kinderdagverblijf. [kinderdagverblijf1] is overgestapt naar [accountantskantoor1] (hierna: [accountantskantoor1]). [C] informeerde bij [D] (als adviseur verbonden aan [accountantskantoor1]) per e-mailbericht van 23 juni 2023 als volgt naar deze overstap:

‘Ik begreep inmiddels dat er een kinderdagverblijf ([voornaam1]) ook voor [voornaam2] ([accountantskantoor1]) heeft gekozen.

[voornaam1] en [voornaam2] hadden ook een goede band, fijne samenwerking.

De heer [E] geeft weer alles en iedereen de schuld van het vertrek, terwijl hij weer zaken te laat aanleverde en doorgaf naar mijn mening nu. Heb jij ook deze klant benaderd om binnen te halen, dat kan gewoon, maar dan ligt de schuld dus ook gewoon bij de heer [E] wat hij niet in wilt zien. Hoor graag, het liefst vandaag in verband met een reactie voor de rechtszaak’.

4.             De klacht en de beoordeling daarvan

4.1.        De klacht betreft – zo heeft klaagster ter zitting desgevraagd bevestigd – uitsluitend het verwijt dat betrokkene informatie uit de aansprakelijkstelling heeft gedeeld met [C]. Daarmee heeft betrokkene in strijd gehandeld met de fundamentele beginselen, zo stelt klaagster. Deze fundamentele beginselen zijn opgenomen in de Verordening gedrags- en beroepsregels accountants (VGBA) en vormen het toetsingskader van de Accountantskamer.

4.2.        Een van de fundamentele beginselen in de VGBA is het beginsel van vertrouwelijkheid (artikel 16 VGBA). Dat bepaalt dat een accountant verplicht is tot geheimhouding van gegevens of inlichtingen waarvan hij het vertrouwelijke karakter kent, of redelijkerwijs moet vermoeden. Op dat beginsel bestaat wel een aantal uitzonderingen, maar die zijn voor deze uitspraak niet relevant.

4.3.        Klaagster is de partij die betrokkene aanklaagt. Die positie vereist dat zij niet alleen het verwijt formuleert, maar ook de feiten en omstandigheden aannemelijk maakt die leiden tot de conclusie dat betrokkene tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld of nagelaten. De Accountantskamer beslist op basis van wat het meest aannemelijk is, gegeven de overgelegde stukken en andere bewijsmiddelen, het verweer en de overige omstandigheden van het geval.

Standpunt klaagster .

4.4.        Klaagster stelt dat het aannemelijk is dat betrokkene gegevens uit de aansprakelijkstelling heeft gelekt naar [C]. Die stelling onderbouwt zij aan de hand van de volgorde waarin enkele gebeurtenissen elkaar hebben opgevolgd (volgordelijkheid):

1. 17 juni 2023 heeft klaagster de aansprakelijkstelling ook aan betrokkene gestuurd.

2. 23 juni 2023 heeft betrokkene met [C] gemaild; hij verzoekt om een online vergadering.

4. 26 juni 2023 heeft de online vergadering tussen betrokkene en [C] plaatsgevonden. Diezelfde dag informeert [C] bij [D] ([accountantskantoor1]) of het klopt dat [kinderdagverblijf1] naar [accountantskantoor1] is overgestapt.

7. Kort na 26 juni 2023, vlak voor de mondelinge behandeling bij de rechtbank Rotterdam (die op 8 juli 2025 heeft plaatsgevonden), heeft de advocaat van [BV3] de
e-mailwisseling tussen [C] en [D] ingebracht in de civiele procedure.

Het kan volgens klaagster geen toeval zijn dat [C] – kort nadat hij overleg heeft gehad met betrokkene die vlak daarvoor was geïnformeerd over het vertrek van een klant – aan [accountantskantoor1] de bevestiging vraagt of het kinderdagverblijf is overgestapt. Daaruit moet de conclusie worden getrokken dat betrokkene deze informatie heeft gelekt, aldus klaagster. Geen van haar medewerkers was volgens klaagster op dat moment (al) bekend met het vertrek van het kinderdagverblijf als klant.

Standpunt betrokkene .

4.5.        Betrokkene heeft ontkend dat hij informatie uit de aansprakelijkstelling heeft doorgegeven aan [C]. Het klopt wel dat betrokkene met [C] heeft gecorrespondeerd op 23 juni 2023. Dat contact heeft betrokkene gelegd in zijn rol als relatiebeheerder van [BV1]. Hij probeerde een afspraak te maken over de afronding van de jaarrekeningen 2023 en 2024 van [BV3]. Betrokkene heeft erop gewezen dat in de aansprakelijkstelling de vertrokken klant niet bij naam is genoemd. Hij kon dus ook niet naar aanleiding van dat bericht weten dat het [kinderdagverblijf1] was, die was opgestapt. Betrokkene was inhoudelijk niet betrokken bij de opdracht van [BV1] die klaagster had verstrekt, het voeren van de loonadministratie. Die werkzaamheden werden uitgevoerd door [F]. Deze medewerker wist wellicht wel welke klant was opgestapt. Maar omdat betrokkene geen inhoudelijke werkzaamheden verrichtte, hij verzorgde uitsluitend het relatiebeheer van [BV1], wist betrokkene dat niet – aldus betrokkene.

4.6.        Betrokkene heeft met zijn verweer een verklaring van [C] van 11 augustus 2025 overgelegd. Die verklaart dat het hem niet via [BV1], laat staan via betrokkene, bekend is geworden dat er een klant was vertrokken bij klaagster. [C] verklaart dat hij via medewerkers van klaagster had vernomen dat de betreffende klant was vertrokken.

De overwegingen van de Accountantskamer.

4.7.        De Accountantskamer stelt vast dat er geen schriftelijk bewijsstuk voorhanden is waaruit blijkt dat betrokkene gegevens uit de aansprakelijkstelling heeft gedeeld met [C]. Klaagster heeft dat ook niet op andere wijze aannemelijk gemaakt.

4.7.1.    In de eerste plaats volgt uit de volgordelijkheid van de gebeurtenissen nog niet de noodzakelijke conclusie dat betrokkene informatie heeft gelekt. Vast staat wel dat betrokkene met [C] heeft gesproken na ontvangst van de aansprakelijkstelling, maar dat overleg had een plausibel doel: een bespreking over de afronding van de jaarrekeningen met een klant van [BV1]. Dat volgt ook uit het onderwerp van de mailwisseling en de inhoud daarvan. Klaagster heeft niet onderbouwd dat betrokkene naar aanleiding van de aansprakelijkstelling wist dat het om [kinderdagverblijf1] ging of naar welk accountantskantoor de klant was overgestapt. Die informatie stond immers niet in de aansprakelijkstelling. Daarom bestaat er redelijkerwijs twijfel over de vraag of betrokkene deze informatie wel naar [C] kón lekken.

4.7.2.    In de tweede plaats wordt het standpunt van klaagster tegengesproken door [C] in zijn schriftelijke verklaring. Klaagster heeft de betrouwbaarheid van die verklaring in twijfel getrokken, door te wijzen op de proceshouding van [C] in de civiele procedure tussen [BV2] en [BV3]. Ook heeft zij gesteld dat haar medewerkers pas in een later stadium zijn geïnformeerd. Die enkele proceshouding van [C] en (niet onderbouwde) stellingname van klaagster over de toenmalige informatiepositie van haar medewerkers zijn echter onvoldoende voor de vaststelling dat betrokkene heeft gelekt.

4.8.        De klacht zal geheel ongegrond worden verklaard.

5.             De beslissing

De Accountantskamer:

  • verklaart de klacht ongegrond.

Aldus beslist door mr. J.W. Frieling, voorzitter en mr. I.F. Clement (rechterlijk lid) en B.J.G. van den Bragt RA AA (accountantslid), in aanwezigheid van mr. C.J.H. Terwal, secretaris, en uitgesproken in het openbaar op 12 januari 2026.

_________                                                                                                                       __________

secretaris                                                                                                                           voorzitter

Deze uitspraak is aan partijen verzonden op:_____________________________

Op grond van artikel 43 Wtra kan tegen deze uitspraak binnen 6 weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld door middel van het indienen van een beroepschrift bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven (adres: Postbus 20021, 2500 EA  Den Haag). Het beroepschrift moet de gronden van het beroep bevatten en moet zijn ondertekend.