ECLI:NL:TNORSHE:2025:23 Kamer voor het notariaat 's-Hertogenbosch SHE/2025/39 en SHE/2025/55

ECLI: ECLI:NL:TNORSHE:2025:23
Datum uitspraak: 17-12-2025
Datum publicatie: 17-02-2026
Zaaknummer(s): SHE/2025/39 en SHE/2025/55
Onderwerp: Ondernemingsrecht, subonderwerp: Overig
Beslissingen: Verzet niet-ontvankelijk
Inhoudsindicatie: Verzet tegen voorzittersbeslissing niet-ontvankelijk. Kamer oordeelt dat verzet één dag te laat is ingesteld en dat termijnoverschrijding niet verschoonbaar is.

Klachtnummer    : SHE/2025/39
Datum uitspraak : 29 augustus 2025

KAMER VOOR HET NOTARIAAT IN HET RESSORT ’s-HERTOGENBOSCH

Beslissing van de plaatsvervangend voorzitter (hierna: de voorzitter) van de kamer voor het notariaat in het ressort ’s‑Hertogenbosch (hierna: de kamer) naar aanleiding van de klacht van:


de heer mr. [naam] (hierna: klager)
wonende in [woonplaats]


tegen

notaris de heer mr. [naam] (hierna: de notaris)
gevestigd [vestigingsplaats]
gemachtigde: de heer mr. A.H.N. Stollenwerck, advocaat in Rotterdam 

1.         De procedure

1.1.      De kamer heeft de klacht (met bijlagen) op 10 juni 2025 ontvangen.  

1.2.      De notaris heeft een verweerschrift (met bijlagen) ingediend.

2.          De feiten

Voor de beoordeling van de klacht acht de voorzitter de volgende feiten van belang.

2.1.      De ouders van klager (hierna: vader en moeder) zijn in 1957 op huwelijksvoorwaarden met elkaar gehuwd. Zij hebben vijf kinderen gekregen; klager is hun oudste zoon. Vader was enig eigenaar van een onderneming.

2.2.      In 2013 hebben vader en moeder hun huwelijksvermogensregime gewijzigd in een algehele gemeenschap van goederen en zij hebben toen ook hun testamenten gewijzigd. Sterk verkort weergegeven hebben zij daarbij de
wettelijke verdeling buiten toepassing verklaard en elkaar voor 1/100e deel van hun nalatenschap tot erfgenaam benoemd en de kinderen gezamenlijk voor het resterende deel. In 2016 hebben zij hun testamenten aangevuld en levenstestamenten gemaakt, waarbij zij onder meer een broer van klager (hierna: [B]) als hun gevolmachtigde hebben aangewezen. In 2019 hebben zij deze aanwijzing herroepen. De notaris heeft de genoemde akten gepasseerd.  

2.3.      In reactie op een mail van [B], die zijn zorgen uitte over de voortgang van de onderneming, heeft de notaris hem bij e-mail van 28 mei 2021 onder meer bericht:
 
“Afgaande op de gebeurtenissen vraag ik mij dan af of het wel verstandig is dat de oudste zoon belast is met het besturen van die vennootschap. Overigens laat dit onverlet de mogelijke aansprakelijkheid voor wanbeleid, maar dan is het kwaad wellicht al geschied.”

2.4.      Klager heeft de notaris bij e-mail van 1 juni 2021 laten weten dat hij bekend was met de inhoud van die e-mail van 28 mei 2021 en dat hij de hiervoor geciteerde passage vooringenomen acht.

2.5.      Moeder is op 3 februari 2022 overleden. Bij e-mail van 3 maart 2022 heeft klager de notaris onder meer bericht dat vader alle aandelen in de onderneming aan hem wilde overdragen met toepassing van de bedrijfsopvolgingsregeling en dat daar op 15 november 2021 toestemming voor was gevraagd aan de Belastingdienst. Klager heeft de notaris daarbij gevraagd of hij een mogelijkheid zag om de aandelenoverdracht al te formaliseren met inachtneming van de te verwachten toestemming.

2.6.      De notaris heeft bij e-mail van 7 maart 2022 onder meer als volgt op dit verzoek gereageerd, waarna klager in reactie daarop diezelfde dag in de e-mail van de notaris opmerkingen heeft geplaatst (de opmerkingen van klager zijn hierna onderstreept geciteerd):
“Bij akte verleden op 30 januari 2013 hebben uw ouders hun huwelijksvoorwaarden gewijzigd naar gemeenschap van goederen. De aandelen behoren hierdoor tot de ontbonden huwelijksgemeenschap. Uw moeder heeft voorts bij haar testament op diezelfde datum een zogenaamde quasi wettelijke verdeling gemaakt. Afhankelijk van nog door uw vader te maken keuzes, zijn ook de andere kinderen daarbij als beoogd erfgenamen betrokken. Vader dient derhalve ook hen te informeren.

Er is de afgelopen 10-15 jaar heel veel mis gegaan op dit vlak. Iets wat ik zowel de accountant, de fiscalist als de notaris toereken. Ik heb niet het idee dat mijn vader/ouders een juiste voorstelling van zaken hebben gekregen en/of daarvan de consequenties hebben doorzien. (…)

Op grond van het vorenstaande zie ik geen mogelijkheid op dit moment de aandelen aan één van de kinderen te schenken. Uw vader is er, schrijft u, sinds 2020 mee bezig. In die periode heb ik uw vader nog weleens gesproken, maar kennelijk zag hij helaas daarbij geen reden om mij te informeren. Wat is de reden tot spoed en waarom alleen schenken aan één van de kinderen?

Mijn ouders zijn er al sinds 2015 mee bezig. Dat was het moment van omzetten van privé eigendom van het bedrijf naar BV. (…) Naar ik heb begrepen is de zaak altijd van vader geweest en buiten de gemeenschap van goederen gehouden. Als dit niet zo is, is dat een ernstige omissie.

De reden tot spoed komt van vader die zich realiseert dat hij mogelijk niet lang meer te leven heeft en absoluut nog wil realiseren dat zijn zaak kan blijven voortbestaan en niet ten prooi gaat vallen aan de hebzucht van een of meerdere kinderen. Er was aanvankelijk sprake van overdracht van het bedrijf aan de thans in de zaak werkende kinderen ([klager], ondergetekende) en zus [Z]. [Z] ziet af van overname, gezien de grote schulden en verplichtingen die op de zaak rusten.

Overigens gaat het met vader thans weer iets beter en is hij in ieder geval door de Covid heen gekomen. Een en ander laat onverlet dat we de overdracht op korte termijn willen/moeten realiseren. Dat is vaders expliciet wil en hij vraagt er dagelijks naar hoe het er nou mee staat. Ik zal uw bericht met mijn vader bespreken en vragen of hij daarna contact met u wil opnemen. Nogmaals, gezien het gegeven dat ik thans als enige eind (hoofdelijk) verantwoordelijke ben voor beide BV’s wil ik zeker betrokken zijn in het gesprek met betrekking tot de zaak (iets anders dan de afhandeling van de erfenis), zonder daarmee uw plicht tot belangenverdediging van de ouders te  willen belemmeren.”

2.7.      Daarna heeft klager (mede namens vader) verder met de notaris gecorrespondeerd. Bij brief van 21 maart 2022 heeft de notaris vader onder meer laten weten:

“Inmiddels begrijp ik van u dat u de verdere afhandeling van de nalatenschap, uw voornemen tot schenking van de aandelen (of toedeling in het kader van de verdeling van de ontbonden huwelijksgemeenschap) en of het opstellen van een nieuw testament, wenst op te nemen met de notaris bij u in de buurt. Dit waren zaken die ik graag eerst met u onder vier ogen had willen bespreken. Volgens mijn notariële zorgplicht is het niet toegestaan om louter op instructies van uw kinderen of één of meer van hen hiertoe over te gaan.

Op grond van het vorenstaande sluit ik mijn dossier en wens ik u en uw familie graag het allerbeste.”

2.8.      Vader is op 10 april 2022 overleden. Klager heeft de notaris daar op 12 april 2022 per e-mail van in kennis gesteld. Diezelfde dag heeft de notaris klager per e-mail onder meer als volgt bericht:
“Zoals u bekend heeft uw vader de opdracht tot afwikkeling van de nalatenschap van zijn echtgenote ingetrokken om deze te doen afwikkelen bij een plaatselijke notaris.

(…)

Naar verluid wilde hij ook een nieuw testament opmaken en een schenking doen, bij welke ik geen enkele tussenkomst heb gehad.”

3.          De klacht

3.1.      Samengevat verwijt klager de notaris dat hij:

1. de wensen van vader en moeder in 2013 niet heeft uitgevoerd en dat hij hen toen niet naar behoren heeft geïnformeerd over de mogelijke gevolgen van de wijziging van hun huwelijksvermogensregime en hun testamenten;

2. na het overlijden van moeder heeft nagelaten tijdig de opdracht van vader uit te voeren om de aandelen in de onderneming aan klager over te dragen;

3. niet onafhankelijk is geweest en zich schuldig heeft gemaakt aan belangenverstrengeling door voor het overlijden van moeder op te treden als belangenbehartiger van [B]. met wie de notaris een zakelijke relatie had (gehad).

4.          De beoordeling

4.1.      Op grond van artikel 93 lid 1 Wet op het notarisambt (hierna: Wna) zijn notarissen aan tuchtrechtspraak onderworpen. De tuchtrechter toetst of hun handelen en/of nalaten in strijd is met het bepaalde in de Wna en andere toepasselijke bepalingen. Ook kan de tuchtrechter toetsen of zij voldoende zorg in acht hebben genomen ten opzichte van de (rechts)personen voor wie zij optreden en of zij daarbij hebben gehandeld zoals een behoorlijk beroepsbeoefenaar behoort te doen.   

4.2.      De voorzitter kan een klacht direct afwijzen als hij van oordeel is dat deze kennelijk niet- ontvankelijk, kennelijk ongegrond of van onvoldoende gewicht is (artikel 99 lid 11 Wna). De voorzitter is van oordeel dat de klacht direct moet worden afgewezen en overweegt als volgt.

4.3.      Op grond van artikel 99 lid 21 Wna kan een klacht slechts worden ingediend gedurende drie jaren na de dag waarop de tot klacht gerechtigde (hierna: de klager) kennis heeft genomen van het handelen of nalaten van een notaris dat tot tuchtrechtelijke maatregelen aanleiding kan geven. Als de klacht wordt ingediend na verloop van drie jaren na de dag waarop de klager kennis heeft genomen of redelijkerwijs kennis heeft kunnen nemen van het handelen of nalaten van de notaris waarop de klacht betrekking heeft, wordt de klacht niet-ontvankelijk verklaard.

4.4.      Volgens de wetsgeschiedenis is het stellen van een termijn vanuit een oogpunt van rechtszekerheid nuttig en nodig omdat de notaris niet tot in lengte van jaren moet kunnen worden achtervolgd met onderzoeken naar zijn handelen (Eerste Kamer, vergaderjaar 2013-2014, 33 569, C, p. 3). Het is vaste rechtspraak van het gerechtshof Amsterdam (de hoogste notariële tuchtrechter) dat de wettelijke vervaltermijn van drie jaren begint te lopen op de dag na de dag waarop de klager daadwerkelijk bekend is met het verweten handelen of nalaten van de notaris. Voor de aanvang van deze termijn is de feitelijke (objectieve) kennis van de klager van het handelen of nalaten van de notaris bepalend en niet de persoonlijke (subjectieve) kennis dat dit handelen of nalaten mogelijk tuchtrechtelijk onjuist zou kunnen zijn (vergelijk gerechtshof Amsterdam 27 februari 2024, ECLI:NL:GHAMS:2024:354). Anders gezegd: de driejaarstermijn begint niet pas te lopen op het moment dat de klager zich realiseert dat de notaris mogelijk een tuchtrechtelijk verwijt valt te maken.

4.5.      De beslissing tot niet-ontvankelijkheid blijft achterwege als de gevolgen van het handelen of nalaten van de notaris redelijkerwijs pas na het verstrijken van de driejaarstermijn bekend zijn geworden. In dat geval verloopt de termijn voor het indienen van een klacht een jaar na de datum waarop de gevolgen redelijkerwijs als bekend geworden zijn aan te merken.

4.6.      Nu klager de klacht op 10 juni 2025 bij de kamer heeft ingediend, volgt daaruit dat hij zich in beginsel niet meer kan beklagen over handelen of nalaten van de notaris waar hij voor 10 juni 2022 mee bekend was of redelijkerwijs mee bekend had kunnen zijn. De voorzitter is van oordeel dat klager voor 10 juni 2022 bekend was met het handelen of nalaten dat hij de notaris in (de onderdelen van) deze klacht verwijt, althans dat hij daar voor die datum redelijkerwijs mee bekend had kunnen zijn.

Klachtonderdeel 1

4.7.      Uit de hiervoor geciteerde mailwisseling van 7 maart 2022 blijkt dat klager er op die datum mee bekend is geworden dat vader en moeder in 2013 hun huwelijksvermogensregime bij de notaris hadden gewijzigd en dat zij bij hem toen ook testamenten hadden gemaakt, als gevolg waarvan de notaris zich op het standpunt stelde dat de aandelen in de onderneming na het overlijden van moeder tot de ontbonden huwelijksgemeenschap en tot de nalatenschap van moeder behoorden. Klager heeft op dat moment dan ook kennis genomen van de handelwijze van de notaris en de gevolgen daarvan. Opmerking verdient overigens dat klager de notaris in zijn reactie van 7 maart 2022 in feite al dezelfde verwijten heeft gemaakt die hij in dit klachtonderdeel naar voren heeft gebracht. Als klager zich bij de kamer over deze handelwijze van de notaris had willen beklagen, had hij daar vanaf 8 maart 2022 drie jaren de tijd voor gehad. De klacht is echter pas na het verstrijken van die termijn ingediend, zodat dit klachtonderdeel kennelijk niet-ontvankelijk is.

Klachtonderdeel 2

4.8.      Uit het dossier en de door klager overgelegde mailwisseling met de notaris leidt de voorzitter af dat klager er op 10 april 2022 – toen vader overleed – mee bekend was dat de notaris geen werkzaamheden had verricht die ertoe hadden geleid dat de aandelen van de onderneming door vader aan klager waren geschonken, dan wel aan klager waren toegedeeld. De notaris heeft dit ook aan klager bevestigd bij e-mail van 12 april 2022, zodat de driejaarstermijn om zich over het gestelde nalaten van de notaris te beklagen (in ieder geval) is gaan lopen op 13 april 2022. De klacht is dan ook na het verstrijken van die termijn ingediend, zodat dit klachtonderdeel kennelijk niet-ontvankelijk is.

Klachtonderdeel 3

4.9.      Vast staat dat klager op 1 juni 2021 bekend was met de hiervoor onder 2.3. geciteerde opmerking van de notaris in verband waarmee hij de notaris verwijt dat hij vooringenomen/niet onafhankelijk is. De driejaarstermijn om zich daarover te beklagen, was dan ook verstreken toen deze klacht werd ingediend zodat dit klachtonderdeel in zoverre kennelijk niet-ontvankelijk is.

4.10.     Klager heeft verder gesteld dat de notaris zich schuldig heeft gemaakt aan ongeoorloofde belangenverstrengeling omdat hij een zakelijke relatie heeft (gehad) met [B] vanwege de bouw van zijn website. Klager heeft zijn stelling echter niet geconcretiseerd en/of onderbouwd, terwijl dit wel op zijn weg had gelegen. Nu de notaris heeft gesteld dat deze bewering volkomen uit de lucht is gegrepen, is de voorzitter van oordeel dat dit klachtonderdeel in zoverre kennelijk ongegrond is.
Voor zover klager in de procedure bij de KNB naar voren heeft gebracht dat (ook) sprake was van een zakelijke relatie tussen de notaris en [B] omdat vader en moeder [B] in 2016 in hun levenstestamenten als gevolmachtigde hadden aangewezen, leidt dit niet tot een ander oordeel. Het enkele feit dat cliënten van een notaris in het kader van een bepaalde rechtshandeling een gevolmachtigde aanwijzen, heeft niet vanzelfsprekend tot gevolg dat daardoor een zakelijke relatie ontstaat tussen de notaris en de gevolmachtigde die aanleiding geeft om aan te nemen dat sprake is van (de schijn van) belangenverstrengeling.

5.          De beslissing

De voorzitter:

wijst de klacht terstond af.

Deze beslissing is op 29 augustus 2025 gegeven door mr. A.G.M.H. Bennenbroek, plaatsvervangend voorzitter.

Tegen deze beslissing van de voorzitter tot afwijzing van de klacht kan de klager binnen veertien dagen na de dag van verzending van het afschrift van de beslissing schriftelijk verzet doen bij deze kamer voor het notariaat (Postadres: Postbus 70584, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch). De klager dient gemotiveerd aan te geven met welke overweging(en) van de voorzitter hij/zij zich niet kan verenigen. Hij/zij kan daarbij vragen over het verzet te worden gehoord (artikel 99, lid 15, Wna).

De voorzitter die de beslissing heeft gegeven waartegen verzet is gedaan, maakt geen deel uit van de kamer die beslist op het verzet.

________________________________________________________________________________________________

Klachtnummer    : SHE/2025/55 (eerder SHE/2025/39)
Datum uitspraak : 17 december 2024

KAMER VOOR HET NOTARIAAT IN HET RESSORT ’s-HERTOGENBOSCH

Beslissing van de kamer voor het notariaat (hierna: de kamer) op het verzet tegen de beslissing van de plaatsvervangend voorzitter van de kamer (hierna: de voorzitter) van 29 augustus 2025 op de klacht van:

de heer mr. [naam] (hierna: de klager)
wonende in [woonplaats]

tegen

notaris de heer mr. [naam] (hierna: de notaris)
gevestigd in [vestigingsplaats]
gemachtigde: de heer prof. mr. A.H.N. Stollenwerck

1.          De procedure

1.1.      De klager heeft op 10 juni 2025 een klacht (met bijlagen) bij de kamer ingediend.

1.2.      De notaris heeft een verweerschrift (met bijlagen) ingediend. 

1.3.      De voorzitter heeft de klacht bij beslissing van 29 augustus 2025 afgewezen.

1.4.      De klager heeft verzet ingesteld tegen de beslissing van de voorzitter.

1.5.      Partijen zijn opgeroepen voor de mondelinge behandeling van het verzet tijdens de openbare zitting van de kamer op 24 november 2025. De klager en de notaris, bijgestaan door zijn gemachtigde, zijn bij de behandeling aanwezig geweest. De kamer heeft aan het begin van deze behandeling meegedeeld dat daarbij alleen de vraag aan de orde is of aan de voorwaarden is voldaan om het verzet in behandeling te mogen nemen (de ontvankelijkheid van het verzet).

2.          De beoordeling

Is het verzet ontvankelijk?

2.1.      Als de voorzitter een klacht afwijst, kan een klager verzet instellen tegen die beslissing. In artikel 99 lid 15 van de Wet op het notarisambt (Wna) is daarover onder meer bepaald:

“Tegen de beslissing van de voorzitter tot afwijzing van een klacht, kan de klager binnen veertien dagen na de dag van verzending van het afschrift van de beslissing schriftelijk verzet doen bij de kamer voor het notariaat. Hij dient gemotiveerd aan te geven met welke overwegingen van de voorzitter hij zich niet kan verenigen.”

2.2.      Vast staat dat de kamer een kopie van de beslissing van de voorzitter op vrijdag 29 augustus 2025 bij aangetekende brief aan de klager heeft gestuurd. Vast staat ook dat de kamer bij e-mail van 29 augustus 2025 een scan van die beslissing aan de klager heeft gestuurd. Bovendien staat vast dat de klager die e-mail van de kamer van 29 augustus 2025 diezelfde dag heeft ontvangen. De klager heeft zelf een uitdraai van die e-mail in het geding gebracht waaruit dit blijkt. De klager mag vanaf dat moment bekend worden verondersteld met de beslissing van de voorzitter. Aan het einde van die beslissing heeft de voorzitter verwezen naar het bepaalde bij artikel 99 lid 15 Wna en omschreven hoe en binnen welke termijn verzet kan worden ingesteld.

2.3.      De klager heeft bij de mondelinge behandeling verklaard dat hij op zaterdag 13 september 2025 per e-mail op tijd verzet heeft ingesteld. Daarna heeft de klager op 22 september 2025 bij de Centrale Informatiebalie van de Gerechtelijke diensten 's‑Hertogenbosch een verzetschrift ingediend met een uitdraai van mailberichten die hij op 13 september 2025 en 22 september 2025 aan de kamer heeft gestuurd. Volgens de klager blijkt daaruit dat hij het verzet op 13 september 2025 heeft ingediend.

2.4.      Op grond van artikel 99 lid 15 Wna had de klager het verzet echter binnen veertien dagen na vrijdag 29 augustus 2025 – dus uiterlijk op vrijdag 12 september 2025 – bij de kamer moeten indienen. Vast staat dat tot en met 12 september 2025 geen bericht van de klager is ontvangen.

2.5.      Als uitgangspunt geldt dat aan een termijn om een rechtsmiddel (zoals verzet) in te stellen strikt de hand moet worden gehouden. Slechts onder bijzondere omstandigheden kan op dit uitgangspunt een uitzondering worden gemaakt. Het is aan de klager om bijzondere omstandigheden aan te voeren op grond waarvan de termijnoverschrijding verschoonbaar is te achten. Er is echter niet gesteld of gebleken dat de klager niet in de gelegenheid was om uiterlijk op 12 september 2025 verzet in te stellen. Daarom is de kamer van oordeel dat de termijnoverschrijding niet verschoonbaar is, zodat het verzet niet-ontvankelijk wordt verklaard.

3.      De beslissing

De kamer:

verklaart het verzet niet-ontvankelijk.

Deze beslissing is gegeven door mr. C.T.M. Luijks, voorzitter, en mr. S.H.L. Baggel en mr. H.M.A. Albicher, leden.

Uitgesproken in het openbaar op 17 december 2025 door mr. T. Zuidema, fungerend voorzitter, in tegenwoordigheid van de secretaris.   
________________________________________________________________________________________________                                                                            

Klachtnummer    : SHE/2025/55 (eerder SHE/2025/39)
Datum uitspraak : 8 januari 2026

KAMER VOOR HET NOTARIAAT IN HET RESSORT ’s-HERTOGENBOSCH

Beslissing tot herstel van de beslissing van de kamer voor het notariaat (hierna: de kamer) in bovengenoemde zaak naar aanleiding van de klacht van:

de heer mr. [naam]
wonende in [woonplaats]

tegen

notaris de heer mr. [naam]
gevestigd in [vestigingsplaats]
gemachtigde: de heer prof. mr. A.H.N. Stollenwerck


1.1.      De kamer heeft op 17 december 2025 uitspraak gedaan in bovengenoemde zaak. De beslissing is op diezelfde datum aan partijen gestuurd. 

1.2.      De gemachtigde van de notaris heeft de kamer er in een e-mail van 18 december 2025 op gewezen dat aan de bovenzijde van die beslissing ten onrechte is vermeld dat deze is uitgesproken op 17 december 2024.

1.3.      De voorzitter van de zittingscombinatie die de beslissing heeft gegeven, heeft vervolgens geconstateerd dat de uitspraakdatum aan de bovenzijde van de beslissing inderdaad een kennelijke fout bevat omdat de beslissing op 17 december 2025 is uitgesproken. De juiste uitspraakdatum is wel in het dictum (aan de onderzijde van de beslissing) vermeld. Omdat sprake is van een kennelijke vergissing, die zich leent voor eenvoudig herstel, zal de onjuiste vermelding van de uitspraakdatum als volgt worden hersteld.

Beslissing

De voorzitter van de zittingscombinatie die de beslissing heeft gegeven, herstelt de vermelding van de uitspraakdatum aan de bovenzijde van de beslissing als volgt:

“Datum uitspraak: 17 december 2025”

Deze herstelbeslissing wordt aan de beslissing van de kamer gehecht en kan alleen in samenhang met die beslissing worden gezien.

Deze beslissing is gegeven door mr. C.T.M. Luijks, voorzitter van de zittingscombinatie die de herstelde uitspraak heeft gegeven, en in het openbaar uitgesproken op 8 januari 2026 door mr. T. Zuidema, fungerend voorzitter, in tegenwoordigheid van de secretaris.