ECLI:NL:TNORSHE:2025:22 Kamer voor het notariaat 's-Hertogenbosch SHE/2025/14
| ECLI: | ECLI:NL:TNORSHE:2025:22 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 17-12-2025 |
| Datum publicatie: | 06-01-2026 |
| Zaaknummer(s): | SHE/2025/14 |
| Onderwerp: | Registergoed, subonderwerp: Overig |
| Beslissingen: | Klacht ongegrond |
| Inhoudsindicatie: | De notaris heeft van een beslaglegger opdracht gekregen om het pand van klager te executeren (veilen). Op de dag dat het pand in eigendom is overgegaan naar de veilingkoper heeft dezelfde beslaglegger executoriaal derdenbeslag gelegd onder (het kantoor van) de notaris op de aan klager toekomende veilingopbrengst van het pand. Klager maakt de notaris in deze tuchtprocedure drie verwijten, namelijk 1. het tegen klagers wil uitbetalen van de veilingopbrengst aan de deurwaarder, 2. de niet adequate en/of niet tijdige informatieverstrekking en het traineren van de afwikkeling van het derdenbeslag en 3. de onheuse wijze waarop hij klager op 19 maart 2025 heeft behandeld. De kamer heeft de klacht ongegrond verklaard. |
Klachtnummer : SHE/2025/14
Datum uitspraak : 17 december 2025
KAMER VOOR HET NOTARIAAT IN HET RESSORT ’s-HERTOGENBOSCH
Beslissing van de kamer voor het notariaat op de klacht van:
[klager] (hierna: klager)
wonende in [woonplaats]
gemachtigde: de heer mr. J.P.M. Mol, advocaat in Son en Breugel
tegen
[de notaris] (hierna:de notaris)
gevestigd in [vestigingsplaats]
gemachtigde: de heer mr. P.H. Kramer, advocaat in Amsterdam
1. De procedure
1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit de volgende stukken:
- de klacht (met bijlagen), door de kamer per post ontvangen op 26 maart 2025;
- de aanvulling van de klacht (met bijlagen), door de kamer per post ontvangen op 16 april 2025;
- het verweerschrift van de notaris;
- de e-mail van 6 oktober 2025 waarbij mr. Kramer heeft laten weten dat hij de notaris zal bijstaan;
- de e-mail (met bijlage) van (de gemachtigde van) de notaris van 9 oktober 2025;
- de e-mail van 20 oktober 2025 waarbij mr. Mol heeft laten weten dat hij klager zal bijstaan.
1.2. De vanaf 20 oktober 2025 door de gemachtigden van klager en de notaris nagezonden bijlagen zijn te laat ingediend en daarom buiten beschouwing gelaten bij de beoordeling van de klacht.
1.3. De klacht is mondeling behandeld op de openbare zitting van de kamer van 27 oktober 2025. Klager en de notaris (bijgestaan door hun gemachtigden) zijn daarbij aanwezig geweest en hebben hun standpunt over en weer toegelicht. Klager en de notaris hebben dit mede gedaan aan de hand van pleitnotities, die zij aan de kamer hebben overhandigd.
2. De zaak in het kort
De notaris heeft van een beslaglegger opdracht gekregen om het pand van klager te executeren (veilen). Op de dag dat het pand in eigendom is overgegaan naar de veilingkoper heeft dezelfde beslaglegger executoriaal derdenbeslag gelegd onder (het kantoor van) de notaris op de aan klager toekomende veilingopbrengst van het pand. Klager maakt de notaris in deze tuchtprocedure drie verwijten, namelijk 1. het tegen klagers wil uitbetalen van de veilingopbrengst aan de deurwaarder, 2. de niet adequate en/of niet tijdige informatieverstrekking en het traineren van de afwikkeling van het derdenbeslag en 3. de onheuse wijze waarop hij klager op 19 maart 2025 heeft behandeld.
3. De feiten
Voor de beoordeling van de klacht acht de kamer de volgende feiten van belang.
3.1. Op 8 april 2024 heeft mevrouw [naam beslaglegger] (hierna: de beslaglegger) met een grosse van een beschikking van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 5 oktober 2023 executoriaal beslag gelegd op het aan klager in eigendom toebehorende pand aan de [adresgegevens pand] (hierna: het pand).
3.2. Op 3 mei 2024 heeft de deurwaarder namens de beslaglegger opdracht verleend aan het kantoor van de notaris om over te gaan tot executoriale verkoop van het pand.
In eerste instantie heeft een oud-collega van de notaris, oud-notaris mr. [naam oud-notaris] (hierna: de oud-notaris), het dossier in behandeling genomen.
3.3. Op 19 september 2024 is het pand ten overstaan van de oud-notaris geveild en afgemijnd door klager. De beslaglegger heeft het pand aan klager gegund.
3.4. Aangezien klager niet aan zijn financiële verplichtingen voldeed, is hem in december 2024 bericht dat het pand op 16 januari 2025 opnieuw zou worden geveild.
3.5. Op 1 januari 2025 is de oud-notaris gedefungeerd.
3.6. Op 16 januari 2025 is het pand ten overstaan van een collega van de notaris, notaris mr. [naam collega-notaris] (hierna: de collega-notaris), geveild en afgemijnd door een derde op een koopsom van € 474.000,--.
3.7. Op 23 januari 2025 heeft de beslaglegger het pand gegund aan de betreffende veilingkoper. Op dezelfde dag heeft de notaris klager hierover per brief geïnformeerd. Ook heeft de notaris in deze brief aangegeven dat na ontvangst van de koopsom de veilingakten in de openbare registers van het kadaster zullen worden ingeschreven en dat daarmee de eigendomsoverdracht aan de veilingkoper zal zijn gerealiseerd.
3.8. Bij brief van 24 februari 2025 heeft de notaris aan klager bericht dat na betaling van de vordering van de beslaglegger uit de veilingopbrengst en na aftrek van de kosten van de veiling nog een bedrag resteert van € 313.019,94. De notaris heeft verder het volgende aan klager meegedeeld:
“Dit bedrag komt ten gunste van uzelf.
Graag ontvang ik een bankrekeningnummer waarnaartoe het geld kan worden overgemaakt?”
3.9. Op 6 maart 2025 heeft de veilingkoper de koopsom van het pand betaald, waarna de collega-notaris de akte van kwijting heeft gepasseerd en de veilingakten heeft ingeschreven in de openbare registers van het kadaster. Daarmee is de levering van het pand voltooid.
Op dezelfde dag heeft de beslaglegger met een grosse van genoemde beschikking van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 5 oktober 2023 executoriaal derdenbeslag gelegd onder (het kantoor van) de notaris op de aan klager toekomende veilingopbrengst van het pand.
3.10. Op 11 maart 2025 heeft klager een aan de oud-notaris gerichte brief afgegeven op het notariskantoor en deze laten stempelen voor ontvangst. In de brief verzoekt klager om de nota van afrekening ten aanzien van het geveilde pand naar zijn mailadres te sturen en het aan hem toekomende deel van de veilingopbrengst zo spoedig mogelijk over te maken naar een eerder opgegeven bankrekeningnummer.
3.11. Op 12 maart 2025 heeft klager twee brieven aan de notaris afgegeven en deze brieven laten stempelen voor ontvangst. Uit één van de gestempelde brieven volgt dat deze om 16.00 uur door de notaris in ontvangst is genomen. In die brief staat het volgende vermeld:
“Vanmiddag hebt u mij te woord gestaan, waarvoor ik u dank zeg.
U zei mij dat u verplicht was het gehele bedrag van de verkoopopbrengst door te betalen aan de deurwaarder.
Ik heb juridisch advies ingewonnen en daarbij bleek dat het niet juist is wat u mij hebt gezegd.
U en/of uw collega kunnen slechts dat bedrag aan de deurwaarder doorbetalen waar de deurwaarder in het kader van de executie van het vonnis aanspraak op kan maken. Het restantbedrag dient aan mij overgemaakt te worden. De [oud-notaris] mij kort geleden bevestigd dat de gang van zaken zou zijn zoals ik u nu schrijf.
U en/of uw collega handelen onzorgvuldig en onrechtmatig indien u méér aan de deurwaarder zult betalen dan waarop deze op grond van het vonnis aanspraak kan maken.
Ik heb het geld dringend nodig en lijdt schade doordat u nu niet het aan mij toekomende bedrag betaalt, hoewel u daar wel toe verplicht bent. Ik maan u bij deze aan dat onmiddellijk te doen. Ik houd u aansprakelijk voor de schade die ik lijd en nog verder zal lijden door uw weigering.”
3.12. Op 12 maart 2025 om 16:40 uur heeft de notaris het exploot met betrekking tot het executoriaal derdenbeslag naar klager gemaild en daarbij het volgende aangegeven:
“Hierbij doe ik u toekomen het ten laste van u gelegde executoriale beslag voor alle gelden die wij ten behoeve van u onder ons hebben. De bijlage welke aan het beslag is gehecht zal door ons aan de deurwaarder worden afgelegd.”
3.13. Op dezelfde dag heeft klager het volgende aan de notaris geantwoord:
“Dag [notaris] wat u mij stuurde per mail klopt van geen kanten en ik zal mij in alles verzetten zeker nu u blijft weigeren een fatsoenlijke afrekening te maken en kom hier snel op terug omdat ik voorzie dat ik door u handelen te veel geld kwijt ben zal ik dit bedrag zeker op u gaan verhalen met rente en kosten ook zal ik zo snel mogelijk briefje bij u baliemedewerker afgeven en merk op dat ik een gestempelde copy wil verkrijgen bij afgifte mogelijk kunt u de medewerkers daarover informeren zodat het heen en weer gedraai en gerommel met er iets onder schrijven zonder tijd en handtekening zoals dat vanmiddag door u werdt gedaan voorkomen wordt omdat het nogal wat wantrouwen oproept en het gewoon duidelijk wordt hoe hier op uwer kantoor gehandeld wordt en u vertrouwen herstel kan worden”.
3.14. Op 13 maart 2025 heeft de notaris in de ochtend de nota van afrekening ten aanzien van het geveilde pand naar klager gemaild en daarbij meegedeeld:
“Op uw verzoek ontvangt u bijgaand de nota van afrekening ter zake van het aan u toekomende saldo naar aanleiding van de veiling van bovenstaand pand.”
Op de afrekening staat de te ontvangen koopsom van € 474.000,-- vermeld en als te betalen kosten worden de volgende posten genoemd:
- verrekening inzetpremie € 4.650,00
- nota in verband met gemaakte kosten openbare verkoop 19 september 2024 € 12.223,02
- vordering beslaglegger € 143.883,19
- kosten royement € 223,85
Op de afrekening staat als “Per saldo te ontvangen” een bedrag van € 313.019,94 vermeld.
3.15. Op dezelfde dag heeft klager ’s middags een aan de notaris gerichte brief op het notariskantoor afgegeven en deze laten stempelen voor ontvangst. In de brief heeft klager gevraagd om een specificatie van de ingehouden bedragen en heeft hij verzocht om het op de nota van afrekening genoemde bedrag van € 313.019,94 meteen over te maken naar zijn bankrekening.
3.16. Omdat klager op 19 maart 2025 het bedrag nog niet had ontvangen, heeft hij diezelfde dag het notariskantoor bezocht met de bedoeling om weer een brief af te geven. Klager heeft een medewerkster van het kantoor gevraagd een stempel voor ontvangst op de kopie van de brief te zetten. De medewerkster van het kantoor heeft meegedeeld dit niet te zullen doen. De medewerkster heeft klager gevraagd het kantoor te verlaten met de mededeling dat als hij dat niet zou doen de politie gebeld zou worden. Klager heeft aan dit verzoek geen gevolg gegeven, waarna de politie is ingeschakeld. De politie is gekomen en klager heeft toen aan de politie uitgelegd dat hij alleen een brief wilde afgeven en een stempel voor ontvangst wilde hebben, maar dat de notaris dit heeft geweigerd. Daarna heeft klager het kantoor verlaten.
3.17. Op 20 maart 2025 heeft de notaris een verklaring derdenbeslag afgegeven zoals bedoeld in artikel 476a Rv. De deurwaarder heeft (een kopie van) deze verklaring op dezelfde dag aan klager verstrekt.
3.18. Bij e-mail van 25 maart 2025 heeft een medewerkster van de notaris aan klager meegedeeld dat in verband met het executoriaal derdenbeslag een bedrag van € 313.019,94 is overgemaakt naar de deurwaarder.
3.19. Op 26 maart 2025 heeft klager deze klacht ingediend.
3.20. Bij brief van 28 maart 2025 heeft klager onder meer aan de notaris te kennen gegeven dat de notaris het bedrag van € 313.019,94 niet aan de deurwaarder had mogen overmaken, Verder heeft klager meegedeeld dat hij ervan uitgaat dat de notaris het bedrag van € 143.883,19 (de op de afrekening van 13 maart 2025 vermelde vordering van de beslaglegger) nog onder zich heeft en heeft hij de notaris verzocht om dit bedrag onmiddellijk aan hem, klager, te betalen.
3.21. Bij e-mail van 1 april 2025 heeft de notaris het volgende aan klager meegedeeld:
“In goede orde ontving ik uw brief van 28 maart 2025. In deze brief geeft u aan dat uit de door ontvangen nota van afrekening zou volgen dat mijn kantoor nog een bedrag van € 143.883,19 ten behoeve van u onder zich zou hebben. Dat is niet het geval. Dit bedrag betreft de vordering van [de beslaglegger] en dit bedrag is, na goedkeuring door de rechter, aan haar, via de deurwaarder, uitgekeerd.”
3.22. Op 16 april 2025 heeft klager de aanvulling op de klacht ingediend.
4. De klacht
4.1. Klager verwijt de notaris dat hij tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Kort gezegd bestaat de klacht uit de volgende onderdelen.
1. De notaris heeft op 25 maart 2025 ten onrechte het bedrag van € 313.019,94 aan de deurwaarder afgedragen.
2. De notaris heeft klager niet adequaat en/of niet tijdig geïnformeerd over de gang van zaken met betrekking tot het executoriaal derdenbeslag en hij heeft de afwikkeling daarvan getraineerd.
3. De notaris heeft op 19 maart 2025 geweigerd een brief van klager in ontvangst te nemen en klager vernederd door hem door de politie buiten het kantoorpand te laten zetten.
4.2. De notaris heeft gemotiveerd verweer gevoerd tegen de klacht. Voor zover dit verweer van belang is voor de beoordeling, zal dit hierna worden besproken.
5. De beoordeling
Notaris als derde-beslagene
5.1. Voorop staat dat een notaris tuchtrechtelijk aansprakelijk kan zijn voor het handelen in een andere hoedanigheid dan notaris, indien dat handelen voldoende verband houdt met de hoedanigheid van notaris in relatie tot het daarbij passende gedragsniveau, waarbij niet vereist is dat dat handelen uitsluitend aan een notaris is voorbehouden (zie laatstelijk gerechtshof Amsterdam 1 juli 2025, ECLI:NL:GHAMS:2025:1655).
5.2. In dit geval heeft de notaris deels gehandeld in zijn hoedanigheid van derde-beslagene. De handelwijze van de notaris in verband met de uitbetaling van het bedrag van € 313.019,94 uit de opbrengst van de executieveiling ten overstaan van de collega-notaris houdt voldoende verband met zijn hoedanigheid van notaris. De notaris kan dus in dit geval tuchtrechtelijk worden aangesproken voor zijn handelen als derde-beslagene.
De maatstaf
5.3. Op grond van artikel 93 lid 1 Wet op het notarisambt (hierna: Wna) zijn notarissen, toegevoegd notarissen en kandidaat-notarissen aan het tuchtrecht onderworpen. De maatstaf die de tuchtrechter hanteert, is of notarissen, toegevoegd notarissen en kandidaat-notarissen aan de professionele standaard voldoen. De tuchtrechter toetst of:
- hun handelen of nalaten in strijd is met het bepaalde in de Wna en andere toepasselijke bepalingen;
- zij voldoende zorg in acht hebben genomen ten opzichte van de (rechts)personen voor wie zij optreden en of zij daarbij hebben gehandeld zoals een behoorlijk beroepsbeoefenaar behoort te doen.
Zo moet een notaris het ambt in onafhankelijkheid uitoefenen en de belangen van alle bij de rechtshandeling betrokken personen op onpartijdige wijze en met de grootst mogelijke zorgvuldigheid behartigen (artikel 17 lid 1 Wna). Die zorgplicht brengt (onder meer) mee dat een notaris een beslagene op de hoogte moet houden van belangrijke ontwikkelingen (gerechtshof Amsterdam 18 december 2018, ECLI:NL:GHAMS:2018:4733).
Klachtonderdeel 1 (ten onrechte € 313.019,94 aan deurwaarder betaald)
Standpunt klager
5.4. De notaris heeft € 313.019,94 aan de deurwaarder afgedragen, terwijl daar geen juridische grond voor aanwezig was.
Standpunt notaris
5.5. Op 6 maart 2025 is op verzoek van de beslaglegger executoriaal periodiek derdenbeslag gelegd onder het notariskantoor voor al hetgeen het notariskantoor onder zich had of mocht verkrijgen ten behoeve van klager. Daarmee was het de notaris niet langer toegestaan om de netto-opbrengst van de veiling over te maken naar klager. De notaris was op grond van artikel 477 Rv verplicht om genoemd bedrag, waarover de verklaring als bedoeld in artikel 476a Rv is afgelegd, over te maken op een rekening van de deurwaarder.
Oordeel kamer
5.6. De kamer toetst of de handelwijze van de notaris voldoet aan de hiervoor in 5.3. genoemde maatstaf. Het is niet aan de tuchtrechter (de kamer) om vast te stellen of de notaris het bedrag van € 313.019,94 ten onrechte aan de deurwaarder heeft afgedragen. Een oordeel hierover is voorbehouden aan de civiele rechter. Daargelaten de vraag of klager zijn klacht mocht uitbreiden door te stellen dat de beslaglegger geen derdenbeslag kon leggen voor toekomstige alimentatietermijnen, is ook de beantwoording van die vraag aan de civiele rechter voorbehouden en leent zich daarom niet voor een tuchtrechtelijke beoordeling van het gedrag van de notaris.
Klachtonderdeel 1 zal daarom ongegrond worden verklaard.
Klachtonderdeel 2 (niet adequate en/of niet tijdige informatieverstrekking en afwikkeling derdenbeslag getraineerd)
Standpunt klager
5.7. Klager maakt de notaris verwijten die verband houden met de manier waarop de notaris het executoriaal derdenbeslag heeft afgewikkeld en klager daarover heeft geïnformeerd. Het gaat in de kern om de volgende verwijten.
- De notaris heeft klager op 24 februari 2025 laten weten dat aan klager - na voldoening van de vordering van de beslaglegger en na aftrek van de kosten van de veiling - uit de veilingopbrengst een bedrag van € 313.019,94 zou worden overgemaakt. Ook uit de mail van 13 maart 2025 en de bij die mail gevoegde nota van afrekening heeft klager opgemaakt dat genoemd bedrag aan hem zou worden overgemaakt. De notaris heeft dit bedrag op 25 maart 2025 echter aan de deurwaarder afgedragen.
- De notaris heeft de verklaring als bedoeld in artikel 476a Rv pas op 20 maart 2025 aan de deurwaarder verstrekt, terwijl klager op spoed had aangedrongen en had meegedeeld dat hij het geld hard nodig had. Bovendien heeft de notaris deze verklaring alleen aan de deurwaarder verzonden en niet aan klager. Daarmee heeft de notaris de afwikkeling van het executoriaal derdenbeslag getraineerd.
Standpunt notaris
5.8. De notaris heeft het volgende aangevoerd tegen de aan hem gemaakte verwijten.
- Als gevolg van het op 6 maart 2025 onder de notaris gelegde executoriaal derdenbeslag was het de notaris niet langer toegestaan om € 313.019,94 over te maken naar klager. De notaris heeft klager hiervan op de hoogte gesteld in een gesprek op 12 maart 2025.
- Op 20 maart 2025 heeft de notaris aan de deurwaarder de verklaring als bedoeld in artikel 476a Rv verstrekt. Dat kon op grond van die bepaling ook niet eerder. Op grond van artikel 476b lid 1 en lid 3 Rv was de notaris verplicht om de verklaring derdenbeslag aan de deurwaarder te verstrekken en moest de deurwaarder vervolgens een afschrift van de verklaring aan klager verzenden. Dat is ook gebeurd.
Oordeel kamer
5.9. Het onder a) genoemde deel van dit klachtonderdeel, waarin klager de notaris verwijt dat hij hem niet adequate en/of niet tijdige informatie heeft verstrekt, is ongegrond. Het bericht van 24 februari 2025 - waarin de notaris aan klager liet weten dat na betaling van de vordering van de beslaglegger uit de veilingopbrengst en na aftrek van de kosten van de veiling nog een bedrag resteert van € 313.019,94 - was correct. Op 6 maart 2025 ontstond een nieuwe situatie, omdat toen executoriaal derdenbeslag is gelegd onder (het kantoor van) de notaris op de aan klager toekomende veilingopbrengst van het pand. Op 12 maart 2025 heeft de notaris aan klager meegedeeld dat hij verplicht was het gehele bedrag van de verkoopopbrengst aan de deurwaarder door te betalen. Klager heeft op 12 maart 2025 in een brief bevestigd dat de notaris die mededeling aan hem heeft gedaan (en heeft daaraan toegevoegd het daar - na ingewonnen advies - niet mee eens te zijn). Diezelfde dag heeft de notaris het exploot met betrekking tot het executoriaal derdenbeslag naar klager gemaild. Daarmee staat vast de notaris klager van (de gevolgen van) het gelegde derdenbeslag op de hoogte heeft gebracht.
Op 13 maart 2025 heeft de notaris de nota van afrekening ten aanzien van het geveilde
pand naar klager gemaild. Het was beter geweest wanneer de notaris met betrekking
tot het bedrag van € 313.019,94 op de nota van afrekening niet “Per saldo te ontvangen” had vermeld en in de begeleidende mail niet had gesproken over “de nota van afrekening ter zake van het aan u toekomende saldo naar aanleiding van
de veiling van bovenstaand pand”, maar in plaats daarvan had verwezen naar de inhoud van het gesprek op 12 maart 2025.
Deze tekortkoming is van onvoldoende gewicht om de notaris een tuchtrechtelijk verwijt
te maken. Immers het staat vast dat de notaris klager op de hoogte heeft gebracht
van de belangrijke ontwikkeling dat de notaris als gevolg van het door de deurwaarder
gelegde derdenbeslag niet tot uitbetaling aan klager kon overgaan en dat dit bericht
(gelet op zijn schriftelijke bevestiging) bij klager bekend was.
5.10. Het onder b) genoemde deel van dit klachtonderdeel, waarin klager de notaris verwijt dat hij de afwikkeling van het executoriaal derdenbeslag heeft getraineerd, is ook ongegrond. De notaris heeft de verklaring derdenbeslag op 20 maart 2025 - dus conform artikel 476a lid 1 Rv precies twee weken na het op 6 maart 2025 gelegde beslag - afgelegd. Hij heeft de verklaring op grond van artikel 476b lid 1 Rv bovendien terecht tot de deurwaarder gericht. Op grond van lid 3 van dezelfde bepaling was de deurwaarder verplicht om een afschrift van de verklaring derdenbeslag binnen drie dagen aan klager te zenden (en dat is ook gebeurd). Daarmee heeft de notaris aan zijn wettelijke verplichtingen als derde-beslagene voldaan. Nu de notaris in die hoedanigheid aan zijn wettelijke verplichtingen heeft voldaan, valt niet in te zien dat de notaris tuchtrechtelijk verwijtbaar zou hebben gehandeld door geen kopie van de verklaring derdenbeslag aan klager te verstrekken. Daarvoor moet de deurwaarder in opdracht van de beslaglegger zorgen.
Klachtonderdeel 3 (onheus gehandeld op 19 maart 2025)
Standpunt klager
5.11. Dit klachtonderdeel heeft betrekking op het incident van 19 maart 2025. Op die dag wilde klager een brief op het notariskantoor afgeven en laten stempelen voor ontvangst. De notaris heeft dit ten onrechte geweigerd. De notaris heeft klager vervolgens vernederd door de politie in te schakelen en hem het kantoorpand uit te laten zetten.
Standpunt notaris
5.12. Op 19 maart 2025 had de notaris, toen klager opnieuw het kantoorpand bezocht, een passeerafspraak en werd hij gestoord door een medewerkster met de melding dat klagers houding zeer intimiderend overkwam. De notaris heeft de medewerkster opdracht gegeven om de politie te bellen. Na de passeerafspraak zag de notaris klager en vier politieagenten buiten staan en heeft de notaris de politie meegedeeld dat klager niet langer welkom is in het kantoorpand. De politie heeft vervolgens een pandverbod aan klager opgelegd. De notaris wilde klager niet vernederen, maar moest zijn medewerkers beschermen en had daarom geen andere keuze. De notaris heeft zich jegens klager altijd correct, transparant en professioneel opgesteld.
Oordeel kamer
5.13. De kamer stelt vast dat klager op 19 maart 2025 onaangekondigd op het kantoor van de notaris is gekomen. Een medewerkster van het kantoor heeft klager gevraagd het kantoor te verlaten, en, toen hij aan dit verzoek geen gevolg gaf, is hij gewaarschuwd dat als hij niet zou vertrekken de politie zou worden ingeschakeld. Ook aan deze waarschuwing heeft klager geen gevolg gegeven, waarna de politie is ingeschakeld en ter plaatse is gekomen om hem uit het kantoor te zetten. Van onzorgvuldig handelen door de notaris is de kamer niet gebleken. Klager heeft het erop aan laten komen dat het zover heeft moeten komen. Dat de notaris op 19 maart 2025 geen gevolg heeft gegeven aan het verzoek van klager om zijn brief in ontvangst te nemen en voor ontvangst een stempel op de kopie te zetten, valt te begrijpen. Op 12 maart 2025 had deze handelwijze tot enig gedoe geleid, wat klager aanleiding heeft gegeven tot een schriftelijke reactie met de opmerking dat hij “een gestempelde copy wil verkrijgen bij afgifte” en dat hij van de notaris verlangt dat hij zijn medewerkers daarover informeert “zodat het heen en weer gedraai en gerommel met er iets onder schrijven zonder tijd en handtekening” zoals op die dag zou zijn gegaan, voorkomen wordt “omdat het nogal wat wantrouwen oproept en het gewoon duidelijk wordt hoe hier op uwer kantoor gehandeld wordt en u vertrouwen herstel kan worden”. Gelet op dit gedoe en de toonzetting van klager in zijn reactie is te billijken dat de notaris zijn medewerkers op deze wijze in bescherming heeft willen nemen. Bovendien kon de notaris als derde-beslagene op dat moment niets voor klager betekenen. De kamer zal klachtonderdeel 3 daarom ongegrond verklaren.
Conclusie
5.14. Nu alle onderdelen van de klacht naar het oordeel van de kamer ongegrond zijn, zal de kamer daartoe beslissen.
6. De beslissing
De kamer:
6.1. verklaart de klacht ongegrond.
Deze beslissing is gegeven door mr. A.G.M.H. Bennenbroek, plaatsvervangend voorzitter, mr. T. Zuidema, plaatsvervangend rechterlijk lid en mr. Y.M.R. van der Voort, plaatsvervangend notarieel lid.
Uitgesproken in het openbaar op 17 december 2025 door mr. T. Zuidema, plaatsvervangend voorzitter, in tegenwoordigheid van de secretaris.
Hoger beroep tegen deze beslissing is mogelijk door indiening van een verzoekschrift - binnen dertig dagen na dagtekening van de aangetekende brief waarbij van deze beslissing kennis is gegeven - bij het gerechtshof in Amsterdam, postadres: Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.