ECLI:NL:TNORSHE:2025:21 Kamer voor het notariaat 's-Hertogenbosch SHE/2025/66

ECLI: ECLI:NL:TNORSHE:2025:21
Datum uitspraak: 19-12-2025
Datum publicatie: 05-01-2026
Zaaknummer(s): SHE/2025/66
Onderwerp: Overig, subonderwerp: Algemeen/tuchtrechtelijk toezicht voorzitter Kamer van Toezicht
Beslissingen:
Inhoudsindicatie: De kamer heeft de uitoefening door de kandidaat-notaris van haar drie nevenbetrekkingen, die allemaal samenhangen met haar belegging in de 13 bedrijfspanden, ongewenst verklaard (artikel 11 lid 2 Wna).

Klachtnummer    : SHE/2025/66

Datum uitspraak : 19 december 2025

KAMER VOOR HET NOTARIAAT IN HET RESSORT ’s-HERTOGENBOSCH

Beslissing van de kamer voor het notariaat op grond van artikel 11 lid 2 Wet op het notarisambt (Wna) inzake de uitoefening van de nevenbetrekkingen door:


[de kandidaat-notaris] (hierna: de kandidaat-notaris)

werkzaam in [plaatsnaam]

1.         Aanleiding

In haar e-mail van 29 oktober 2025 (met bijlagen) heeft de kandidaat-notaris de kamer verzocht om op grond van artikel 11 lid 2 Wna een oordeel te geven over de eventuele ongewenstheid van haar nevenbetrekkingen.         

2.          Het verloop van de procedure

De beslissing van de kamer is gebaseerd op het volgende:

  • genoemde e-mail (met bijlagen) van 29 oktober 2025 van de kandidaat-notaris;
  • de e-mail (met bijlage) van 5 november 2025 van de kandidaat-notaris;
  • het door de kamer bij de Koninklijke Notariële Beroepsorganisatie (KNB) ingewonnen advies, ontvangen per e-mail op 14 november 2025;
  • het door de kamer bij het Bureau Financieel Toezicht (BFT) ingewonnen advies, ontvangen per e-mail op 8 december 2025;
  • de reactie van de kandidaat-notaris op de adviezen van de KNB en het BFT, ontvangen per e-mail op 9 december 2025.

3.          De feiten

De feiten die de kamer van belang vindt voor de beoordeling van het verzoek van de kandidaat-notaris, worden hierna verkort weergegeven. Als dat nodig is, gaat de kamer onder 4. verder in op de feitelijke gang van zaken.

3.1.      De kandidaat-notaris is van 1 maart 2000 tot 30 juni 2007 werkzaam geweest als kandidaat-notaris.

3.2.      In die periode is er door (destijds) de kamer van toezicht over de notarissen en kandidaat-notarissen te Arnhem een toenmalige nevenbetrekking van de kandidaat-notaris ongewenst verklaard op grond van artikel 11 lid 2 Wna. Het ging toen om de participatie van de kandidaat-notaris in de onroerend goed maatschap van haar familie. In hoger beroep heeft het gerechtshof Amsterdam (hierna: het hof) bij beslissing van 21 april 2005 de beslissing van de kamer van toezicht vernietigd en verder het volgende beslist:

“-            verstaat dat de participatie van de kandidaat-notaris in de onroerendgoedmaatschap van haar familie niet is aan te merken als een ongewenste nevenbetrekking voor zover deze heeft plaatsgevonden in de periode van 1 maart 2000 tot 1 augustus 2004 en dat van de kandidaat-notaris niet gevergd kan worden dat zij de aan de aldus ontstane mede-eigendom van registergoederen een einde maakt;

-              verstaat dat het de kandidaat-notaris is toegestaan (haar aandeel in) haar in mede-eigendom toebehorende registergoederen te vervreemden ter beëindiging van de maatschap;

-              bepaalt dat voortzetting van de participatie van de kandidaat-notaris in de onroerendgoedmaatschap met ingang van 1 augustus 2004 terwijl het doel van de maatschap mede is het verwerven en vervreemden van registergoederen te verwezenlijken, slechts dan niet als ongewenste nevenbetrekking valt aan te merken als de kandidaat-notaris het beheer van haar aandeel in de maatschap heeft opgedragen aan een rechtspersoon voor de tijd dat zij als kandidaat-notaris of notaris actief is met zodanige statutaire voorzieningen - zulks ter voorafgaande goedkeuring van de bevoegde kamer van toezicht over de notarissen en kandidaat-notarissen - dat redelijkerwijs elke beïnvloeding van de kandidaat-notaris op het bestuur en de besluitvorming van de maatschap uitgesloten is te achten;

-              wijst af het meer of anders verzochte.”   

3.3.      Vanaf 1 januari 2023 participeert de kandidaat-notaris niet meer in de onroerend goed maatschap van haar familie en is zij enig eigenaar van 13 bedrijfspanden. Die bedrijfspanden worden verhuurd.

3.4.      Op 1 november 2025 is de kandidaat-notaris teruggekeerd in het notariaat. Met het notariskantoor, waarvoor zij op freelancebasis werkzaam is, heeft zij afgesproken dat zij geen notariële werkzaamheden verricht, totdat de kamer heeft geoordeeld over de (on)gewenstheid van haar huidige nevenbetrekkingen.

3.5.      De kandidaat-notaris heeft in november 2025 de volgende nevenbetrekkingen in het KNB-portaal gemeld:

1) “Eigenaar vastgoedbezit” vanaf 1 januari 2023

2) “Eigenaar eigen B.V.” vanaf 7 juli 2022

3) “Penningmeester vereniging” vanaf 1 april 2017 

4.          De beoordeling

De maatstaf

4.1.      De maatstaf die de kamer hanteert, is of door de uitoefening door een notaris, toegevoegd notaris of kandidaat-notaris van een nevenbetrekking zijn onpartijdigheid of onafhankelijkheid wordt of kan worden beïnvloed dan wel de eer of het aanzien van het ambt wordt of kan worden geschaad (artikel 11 lid 2 en lid 6 Wna).

Als invulling hiervan is het een notaris, toegevoegd notaris en kandidaat-notaris op grond van artikel 17 lid 3 Wna verboden, rechtstreeks of middellijk, te handelen en te beleggen in registergoederen en effecten in ter beurze genoteerde en in niet ter beurze genoteerde vennootschappen, tenzij hij redelijkerwijs mag verwachten dat hierdoor zijn onpartijdigheid of onafhankelijkheid niet wordt of kan worden beïnvloed dan wel de eer of het aanzien van het ambt niet wordt of kan worden geschaad.

4.2.      Bij de Wet van 13 mei 2004 tot wijziging van de Wna (Stb. 2004, 213), in werking getreden op 1 augustus 2004, is aan artikel 17 Wna het hiervoor genoemde derde lid toegevoegd. De memorie van toelichting bij het wetsvoorstel dat heeft geleid tot deze wetsbepaling houdt onder meer in (Kamerstukken II 2003-2004, 29 212, nr. 3, blz. 3-4):

“In artikel 17, derde lid, is tot uitdrukking gebracht dat het de notaris verboden is te handelen en te beleggen in registergoederen en effecten in ter beurze genoteerde en in niet ter beurze genoteerde vennootschappen. Alleen als hij redelijkerwijs mag verwachten dat hierdoor zijn onpartijdigheid of onafhankelijkheid niet wordt of kan worden beïnvloed of de eer of het aanzien van het ambt niet wordt of kan worden geschaad zijn deze activiteiten wel toegestaan.

Op grond van deze bepaling zal het bijvoorbeeld de notaris wel zijn toegestaan om incidenteel betrokken te zijn bij onroerendgoedtransacties als daar een goede reden voor is. Als hij bijvoorbeeld zijn woonhuis niet tegen een redelijke prijs kan verkopen, maar wel kan verhuren, is dat toegestaan. Als hij een nieuw woonhuis heeft gekocht, maar dat uiteindelijk toch niet wil betrekken, omdat bij nader inzien blijkt dat dit huis toch niet geschikt is, moet hij het huis van de hand kunnen doen. En uiteraard zijn transacties die redelijkerwijs nodig zijn met het oog op de ambtsuitoefening of voor persoonlijke doeleinden, zoals onroerendgoedtransacties betreffende de eigen kantoorruimte, de eigen woning, een tweede woning of een woning voor de kinderen toegestaan.

4.3.      Het beleggingsverbod van artikel 17 lid 3 Wna is niet absoluut geformuleerd. De nota naar aanleiding van het verslag houdt onder meer in (Kamerstukken II 20032004, 29 212, nr. 7, blz. 1-2):

“(..) Een algeheel verbod om te handelen en te beleggen in registergoederen en effecten is dus niet nodig en zou ook een te ver strekkende maatregel zijn. Een notaris moet zowel voor zakelijke als privé-doeleinden de mogelijkheid hebben om onroerend goed te bezitten of (een gedeelte van) zijn vermogen in effecten te beleggen.”

4.4.      Met het oog op de behoefte in de rechtspraktijk heeft het hof in haar beslissing van 5 december 2023 (ECLI:NL:GHAMS:2023:2879) meer duidelijkheid gegeven over het toetsingskader van artikel 17 lid 3 Wna. In deze beslissing staat onder andere het volgende vermeld:

“5.11.    (…) Indien in het onderzoek door de notaris een beroep is gedaan op feiten en/of omstandigheden waaruit volgt dat de verweten gedraging de onpartijdigheid of onafhankelijkheid van de notaris niet heeft beïnvloed dan wel de eer of aanzien van het ambt niet heeft geschaad wordt dit in de klacht vermeld en voorzien van een op de specifieke situatie toegesneden reactie van de zijde van klager.

Indien de notaris zich op deze omstandigheden beroept is het aan de notaris om deze, bij betwisting door klager, voldoende aannemelijk te maken (zie ook ECLI:NL:GHAMS:2021:1835 en ECLI:NL:GHAMS:2023:1507).

5.12.       Het hof neemt bij de beoordeling van de vraag of de verweten gedraging de onpartijdigheid of onafhankelijkheid van de notaris beïnvloedt dan wel de eer of aanzien van het ambt schaadt alle omstandigheden van het geval in aanmerking en weegt alle betrokken belangen af, waaronder:

a.  de wijze van verwerving van de registergoederen of effecten, alsmede de financiering daarvan;

b) het doel van de betreffende handel en belegging en het belang dat de notaris daarmee wil dienen;

c) de financiële omvang van de handel of belegging;

d) het risico (financieel, dan wel publicitair) dat de notaris loopt bij de betreffende handel of belegging;

e) de ligging van de registergoederen en de afstand tot het werkgebied van de notaris;

f) het beheer van de registergoederen en de effecten;

g) de band van de registergoederen of effecten met de praktijk van de notaris.

5.13.       De onder 5.12 genoemde opsomming is niet limitatief. Ook andere feiten en omstandigheden kunnen relevant zijn. Het is aan de notaris om (met stukken) te onderbouwen dat de belegging niet in strijd is met het beleggingsverbod van artikel 17 lid 3 Wna.

Daarbij zal de notaris moeten ingaan op de hiervoor weergegeven feiten en omstandigheden voor zover relevant en van belang. Bij de (inhoudelijke) beoordeling van de gedraging(en) van de notaris zal het hof de relevante feiten en omstandigheden – in samenhang en onderling verband bezien – betrekken.”

4.5.      De KNB en het BFT hebben het notariaat op basis van onder meer de hiervoor genoemde beslissing van het hof en de wetsgeschiedenis een nadere toelichting gegeven over de toepassing van artikel 17 lid 3 Wna in de vorm van criteria (in het document “Uitleg toepassing artikel 17 lid 3”) en enkele concrete voorbeelden (in het document “Praktijkvoorbeelden”), hetgeen in een nieuwsbericht van 1 mei 2024 op Notarisnet te lezen is.

Toetsing nevenbetrekkingen van de kandidaat-notaris aan de maatstaf

4.6.      De kamer moet een oordeel geven over de eventuele ongewenstheid van de door de kandidaat-notaris in het KNB-portaal opgegeven nevenbetrekkingen (zoals opgesomd in 3.5.). Uit de toelichting van de kandidaat-notaris volgt dat het concreet om het volgende gaat.

De kandidaat-notaris is:

1) eigenaar van 13 verhuurde bedrijfspanden;

2) enig aandeelhouder en enig bestuurder van [X] Beheer B.V. (via deze vennootschap beheert de kandidaat-notaris de bedrijfspanden);

3) penningmeester van de vereniging [naam vereniging] (deze vereniging beheert en onderhoudt onder meer drie bedrijfspanden van de kandidaat-notaris in [plaatsnaam], maar los van de kascontrole, worden de werkzaamheden feitelijk uitgevoerd door de andere bestuurder van de vereniging).

Advies KNB

4.7.      De KNB heeft het volgende advies gegeven over de (on)gewenstheid van de drie nevenbetrekkingen:

“De KNB ziet in de basis in geen van de drie genoemde nevenbetrekking een bezwaar ten opzichte van haar werk in het notariaat.

Daarbij moet wel een kanttekening worden geplaatst. Het bezit van onroerende zaken die verhuurd worden is op zichzelf geen probleem. Wel geldt dat de onafhankelijkheid en onpartijdigheid van [de kandidaat-notaris] hierdoor niet in gevaar mag komen. Het hangt er hierbij vanaf op welke wijze deze nevenbetrekking is georganiseerd. Dit blijkt nu nog onvoldoende uit de overlegde stukken.

Hierbij moet gedacht worden aan elementen als:

1. Hoe wordt de verhuur vormgegeven? Doet mevrouw dit zelf of heeft zie hiervoor een derde ingeschakeld die dit voor haar regelt en heeft zij hiermee geen enkele bemoeienis?

2. Zijn er partijen die één van haar panden huren die ook cliënt zijn op het kantoor waar zij werkzaam is? Als dat namelijk het geval zou zijn, dan zou dit het verkeerde beeld kunnen geven en dat is onwenselijk.

Met andere woorden: Mevrouw zou duidelijker moeten maken hoe zij deze nevenbetrekking precies ingeregeld. Alleen dan kan beoordeeld worden of de invulling van de nevenbetrekking past bij haar rol als kandidaat-notaris of dat hier (organisatorische) wijzigingen in aangebracht moeten worden, zodat de nevenbetrekking voldoet aan de criteria die door het BFT en de KNB gezamenlijk zijn opgesteld en eerder met mevrouw gedeeld zijn.

In haar bericht geeft mevrouw aan dat zij voornamelijk werkzaam zal zijn binnen het familierecht. Dat is op zichzelf iets dat meegewogen kan worden. Zij werkt niet binnen het vastgoed waardoor het risico van een schijn van belangenverstrengeling minder snel op de loer ligt. Bedacht moet echter ook wordt dat als mevrouw gaat waarnemen dat zij ook akten zal passeren die betrekking hebben op onroerend goed. Vandaar dat de KNB er waarde aan hecht als dit vooraf goed is ingeregeld.”

Advies BFT

4.8.      Het BFT heeft het volgende advies gegeven over de (on)gewenstheid van de drie nevenbetrekkingen:

“De voorgelegde casus begrijpt het BFT zo dat het de vraag van de kandidaat-notaris is of zij als nevenfunctie(s) actief mag participeren in vastgoedbeleggingen.

Het BFT meent dat bij de gegeven feiten en omstandigheden het onwenselijk is dat zij deze nevenfuncties bekleed als kandidaat-notaris omdat deze mogelijk strijdig zijn met het beleggingsverbod. Het gerechtshof heeft in een uitspraak van 5 december 2023 (ECLI:NL:GHAMS:2023:2879) criteria gegeven voor het toetsen van het beleggingsverbod van artikel 17 lid 3 Wna. Daarin gesteld dat het aan de (kandidaat-)notaris is om (met stukken) te onderbouwen dat haar onpartijdigheid of onafhankelijkheid niet wordt of kan worden beïnvloed dan wel de eer of het aanzien van het ambt niet wordt of kan worden geschaad.

Afgaand op de overgelegde stukken meent het BFT dat er onduidelijkheid bestaat over met name de volgende elementen:

Beheer; onduidelijk is hoe dit is geregeld? Heeft de kandidaat-notaris hier een actieve rol in en welke invloed heeft de betrokkene?

Is sprake van onbekende derden en/of hoe zit het met de onderlinge verhoudingen?

Wat is het doel en het (financiële) belang: is het bezit gericht op groei en uitbreiding?

Doordat door de kandidaat-notaris onvoldoende duidelijkheid is verschaft over diverse feiten en omstandigheden, terwijl het volgens de jurisprudentie van het Hof op haar weg ligt om zelf te toetsen of haar onpartijdigheid of onafhankelijkheid niet wordt of kan worden beïnvloed dan wel de eer of het aanzien van het ambt niet wordt of kan worden geschaad, meent het BFT dat er thans een reëel risico bestaat op schending van artikel 17 Wna en dat daarmee het als nevenfunctie actief participeren in vastgoedbeleggingen onwenselijk is.”    

Oordeel kamer

Opmerking vooraf

4.9.      De kamer stelt voorop dat de huidige situatie anders is dan de situatie in 2005, toen het hof de toenmalige nevenbetrekking van de kandidaat-notaris (participatie in de onroerend goed maatschap van haar familie) heeft beoordeeld. In 2005 is het hof uitgegaan van de situatie dat de vader van de kandidaat-notaris in het kader van “estate-planning” registergoederen heeft verworven en dat de ouders van de kandidaat-notaris telkens elk voor dertig procent en de zus van de kandidaat-notaris en zijzelf telkens elk voor twintig procent eigenaar zijn geworden van die registergoederen. De participatie van de kandidaat-notaris in de maatschap hield slechts passieve deelname in en er was geen sprake van actieve belegging door de kandidaat-notaris zelf. Het hof heeft de toenmalige nevenbetrekking van de kandidaat-notaris niet ongewenst verklaard. Daaraan heeft het hof toen de voorwaarde verbonden dat de kandidaat-notaris voor de tijd dat zij als kandidaat-notaris of notaris actief is er wel voor moet zorgen dat het beheer van haar aandeel in de maatschap is opgedragen aan een rechtspersoon met zodanige statutaire voorzieningen dat redelijkerwijs elke beïnvloeding van de kandidaat-notaris op het bestuur en de besluitvorming van de maatschap is uitgesloten (zie derde liggende streepje in 3.2.).

In 2022 hebben de ouders van de kandidaat-notaris besloten om de kandidaat-notaris en haar zus te  “verzelfstandigen door het uitkopen en ruilen van aandeelpercentages in de verschillende bedrijfspanden.” Als gevolg hiervan is de kandidaat-notaris sinds 1 januari 2023 enig eigenaar van een vastgoedportefeuille, bestaande uit 13 bedrijfspanden. Het is aan de kamer om de huidige drie nevenbetrekkingen van de kandidaat-notaris in deze nieuwe situatie te beoordelen.

De drie nevenbetrekkingen van de kandidaat-notaris

4.10.     De kamer is van oordeel dat de drie nevenbetrekkingen van de kandidaat-notaris niet voldoen aan de in 4.1. genoemde maatstaf van artikel 11 lid 2 en artikel 17 lid 3 Wna en licht dit oordeel hieronder toe.

4.11.     De drie nevenbetrekkingen van de kandidaat-notaris hangen allemaal samen met (het beheer van) haar vastgoedportefeuille. De kamer behandelt de nevenbetrekkingen daarom gezamenlijk.

De vastgoedportefeuille van de kandidaat-notaris is aan te merken als een belegging in de zin van artikel 17 lid 3 Wna. Zowel de KNB als het BFT heeft kanttekeningen geplaatst bij de wenselijkheid van de nevenfuncties wegens mogelijke strijdigheid met het beleggingsverbod van genoemd artikel.

De kamer heeft de kandidaat-notaris gevraagd te reageren op deze kanttekeningen. De kandidaat-notaris behoort ten aanzien de gemaakte kanttekeningen voldoende aannemelijk te maken dat door haar beleggingen in vastgoed haar onpartijdigheid of onafhankelijkheid als kandidaat-notaris niet wordt of kan worden beïnvloed dan wel de eer of het aanzien van het ambt niet wordt of kan worden geschaad.

4.11.1.  De meest cruciale kanttekening van de KNB en het BFT heeft betrekking op het beheer van de 13 verhuurde bedrijfspanden.

In haar reactie op de adviezen van de KNB en het BFT heeft de kandidaat-notaris verduidelijkt dat zij de bedrijfspanden zelf actief beheert vanuit haar vennootschap [X] Beheer B.V. De kandidaat-notaris is enig bestuurder en aandeelhouder van deze vennootschap. Zij heeft geen derde ingeschakeld en is ook niet van plan om dat te doen. Volgens opgave van de kandidaat-notaris omvatten haar werkzaamheden onder andere:

1. het, eventueel met behulp van een makelaar, vinden van een huurder inclusief het onderhandelen, bezichtigen en screenen van potentiële huurders;

2. het onderhouden van contact met huurders, het contactpersoon zijn in geval van calamiteiten;

3. het opstellen, controleren en beheren van de huurovereenkomsten en allonges;

4. het bewaken van de afspraken met huurders, de eindoplevering doen bij einde huurovereenkomst;

5. het toezien op voldoen aan wettelijke verplichtingen, milieu- en brandveiligheidsnormen, technische keuringen;

6. het afhandelen van geschillen eventueel met behulp van advocaten;

7. het digitaal sturen van facturen huren, servicekosten, doorbelasting onderhoud;

8. het debiteurenbeheer (incasso, herinneringen);

9. het opstellen van indexeringen en afrekeningen servicekosten;

10. het aansturen van leveranciers en onderhoudspartijen;

11. het - indien nodig - laten renoveren en/of verduurzamen van de bedrijfspanden;

12. het doen van bankboekingen en btw-aangiftes;

13. het financieel beheer en het contact onderhouden met de bank. 

De dochter van de kandidaat-notaris verricht alleen enkele administratieve werkzaamheden voor (de vennootschap van) de kandidaat-notaris.

De kamer stelt vast dat het beheer van de bedrijfspanden niet buiten de kandidaat-notaris om is geregeld. Zij heeft hierin via haar eigen vennootschap een actieve rol. De kandidaat-notaris had zich moeten realiseren dat dit bij haar terugkeer in het notariaat een probleem zou zijn. Immers het hof had daar ten aanzien van het beheer van toentertijd haar aandeel in de onroerend goed maatschap van haar familie al op gewezen.

De door de KNB en het BFT gemaakte instructies zoals hiervoor onder 4.5 vermeld (waarbij in de nieuwe situatie sprake is van beheer van de vastgoedportefeuille van 13 bedrijfspanden) had de kandidaat-notaris zeker moeten aansporen in haar reactie inzicht te geven op welke wijze zij ervoor gaat zorgen dat het beheer buiten haar om zal verlopen op een zodanige wijze dat zij daar geen invloed op zou kunnen uitoefenen. Dit heeft zij nagelaten.

4.11.2.  Daar komt bij dat het BFT ook een kanttekening heeft geplaatst bij de financiële omvang van de handel of belegging.

Volgens de kandidaat-notaris bedraagt de totale waarde van de vastgoedportefeuille op basis van de WOZ-waarde ongeveer 4,5 miljoen euro. Zij heeft niet aangegeven wat de omvang is van de financiële inkomsten die voortvloeien uit de belegging, maar ze heeft wel laten weten dat de bedrijfspanden een “goede huuropbrengst” hebben.

De kandidaat-notaris heeft, gelet op het feit dat de vastgoedportefeuille:

- 13 bedrijfspanden omvat;

- een aanzienlijke financiële omvang heeft;

- volgens haar zorgt voor een ruim inkomen en pensioen,

niet duidelijk kunnen maken dat het bezit van de bedrijfspanden is aan te merken als incidentele betrokkenheid bij een onroerendgoedtransactie of nodig was/is voor de ambtsuitoefening of persoonlijke doeleinden, zoals bedoeld in de memorie van toelichting (4.2.).

4.11.3.  Verder is van belang dat de KNB een kanttekening heeft geplaatst bij de band van de bedrijfspanden met de praktijk van de kandidaat-notaris.

De vastgoedactiviteiten van de kandidaat-notaris staan volgens haar volledig los van haar (toekomstige) notariële werkzaamheden, die voornamelijk op familierecht betrekking (zullen) hebben. Zij zal naar eigen zeggen geen zaken behandelen van cliënten, die direct of indirect betrokken zijn bij haar positie als eigenaar/verhuurder, om elke vorm van belangenverstrengeling tegen te gaan. Hoewel de kandidaat-notaris geen reguliere vastgoedpraktijk zal hebben en het risico van belangenverstrengeling met haar vastgoedbeleggingen daarom mogelijk klein is, heeft de KNB erop gewezen dat ook rekening moet worden gehouden met het scenario waarin de kandidaat-notaris op enig moment gaat waarnemen. Als waarnemer zal de kandidaat-notaris ook akten passeren die betrekking hebben op onroerend goed. De KNB hecht er waarde aan dat dit vooraf goed is ingeregeld.

De kandidaat-notaris heeft op dit punt niet gereageerd. Dat had wel op haar weg gelegen. Het verbod van artikel 17 lid 3 Wna dient namelijk niet enkel ter bescherming van de cliënten van de kandidaat-notaris, maar ziet op het volledige publieke belang. Met andere woorden: het gaat niet alleen om het voorkomen van een concrete situatie van belangenverstrengeling, waarbij een cliënt van de kandidaat-notaris betrokken zou kunnen raken. Het gaat ook om het voorkomen van de schijn van partijdigheid en afhankelijkheid, die gewekt wordt wanneer de kandidaat-notaris als vastgoedbelegger akten passeert die betrekking hebben op onroerend goed.

4.12.     Het had op de weg van de kandidaat-notaris gelegen, toen zij in de gelegenheid werd gesteld op de kanttekeningen van de KNB en het BFT te reageren, een nadere toelichting te geven om zo iedere twijfel weg te nemen over een eventuele schending van het beleggingsverbod en de daarmee samenhangende nevenbetrekkingen (zie 4.11.). Dat heeft de kandidaat-notaris met haar reactie niet gedaan. Integendeel, de kandidaat-notaris heeft in haar reactie op de adviezen van de KNB en het BFT onder meer aangegeven: “Ik kan niet nader (met stukken) onderbouwen dat mijn onpartijdigheid of onafhankelijkheid niet wordt of kan worden beïnvloed dan wel de eer of het aanzien van het ambt niet wordt of kan worden geschaad.”

Zoals gezegd, is het cruciale probleem dat de kandidaat-notaris feitelijk zelf het beheer over de bedrijfspanden voert (4.11.1.). De in 4.11.2. en 4.11.3. genoemde aspecten wegen daarnaast ook mee. Al met al is de kamer van oordeel dat de belegging in de bedrijfspanden niet onder de uitzondering op het beleggingsverbod valt en dus in strijd is met artikel 17 lid 3 Wna. Daarmee zijn de nevenbetrekkingen van de kandidaat-notaris, die allemaal samenhangen met haar belegging in de bedrijfspanden, ongewenst. Door de uitoefening van deze nevenbetrekkingen wordt of kan de onpartijdigheid of onafhankelijkheid van de kandidaat-notaris worden beïnvloed dan wel wordt of kan de eer of het aanzien van het ambt worden geschaad (artikel 11 lid 2 en lid 6 Wna).

Conclusie

4.13.     Uit wat hiervoor is overwogen volgt dat de kamer de uitoefening van de drie nevenbetrekkingen door de kandidaat-notaris ongewenst zal verklaren.

5.          De beslissing

De kamer:

verklaart de uitoefening door de kandidaat-notaris van de onder 3.5. genoemde nevenbetrekkingen ongewenst.

Deze beslissing is gegeven door mr. T. Zuidema, voorzitter, mr. J.H.L.M. Snijders en mr. M.C. Stout, leden.

Uitgesproken in het openbaar op 19 december 2025 door mr. T. Zuidema, voorzitter, in tegenwoordigheid van de secretaris.

Hoger beroep:
 

U kunt hoger beroep instellen tegen deze beslissing door een verzoekschrift in te dienen bij het gerechtshof in Amsterdam (postadres: Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam). Dit kunt u doen binnen zes weken na de datum (dagtekening) van de aangetekende brief waarbij de kamer deze beslissing aan u heeft toegestuurd (artikel 11 lid 3 Wna).