ECLI:NL:TNORSHE:2025:17 Kamer voor het notariaat 's-Hertogenbosch SHE/2024/32 en SHE/2025/08
| ECLI: | ECLI:NL:TNORSHE:2025:17 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 19-05-2025 |
| Datum publicatie: | 24-10-2025 |
| Zaaknummer(s): | SHE/2024/32 en SHE/2025/08 |
| Onderwerp: |
|
| Beslissingen: | Verzet ongegrond |
| Inhoudsindicatie: | De klacht gaat over de verkoop en economische levering van het appartement van klagers moeder in 2016 en het in 2017 gepasseerde levenstestament van klagers moeder. De voorzitter van de kamer heeft geoordeeld dat de klacht te laat is ingediend en heeft de klacht daarom wegens niet-ontvankelijkheid terstond afgewezen (SHE/2024/32). Klager heeft verzet ingesteld tegen de voorzittersbeslissing. De kamer heeft dit verzet ongegrond verklaard (SHE/2025/8). |
Klachtnummer : SHE/2025/8 (eerder SHE/2024/32)
Datum uitspraak : 19 mei 2025
KAMER VOOR HET NOTARIAAT IN HET RESSORT ’s-HERTOGENBOSCH
Beslissing van de kamer voor het notariaat (hierna: de kamer) op het verzet tegen de beslissing van de plaatsvervangend voorzitter van de kamer (hierna: de voorzitter) van 20 januari 2025 op de klacht van:
[klager] (hierna: klager)
wonende in [woonplaats], Verenigd Koninkrijk
tegen
[de notaris] (hierna: de notaris)
gevestigd in [vestigingsplaats]
1. De procedure
1.1. Voor het verloop van de procedure tot de bestreden beslissing van de voorzitter verwijst de kamer naar de omschrijving daarvan onder 1. van die beslissing. De voorzitter heeft de klacht bij die beslissing afgewezen.
1.2. Klager heeft bij e-mail van 3 februari 2025 verzet ingesteld tegen de beslissing van de voorzitter.
1.3. Klager heeft verzocht om wegens zijn woonplaats in het Verenigd Koninkrijk online deel te mogen nemen aan de mondelinge behandeling van het verzet.
1.4. Bij brieven van 19 maart 2025 heeft de kamer partijen op de hoogte gesteld van een wijziging in de samenstelling van de zittingscombinatie.
1.5. Bij e-mail van 31 maart 2025 heeft de kamer klager een link gestuurd naar de online zitting via Teams.
1.6. Bij e-mail van 13 april 2025 heeft klager alvast zijn pleitnotities naar de kamer gezonden.
1.7. De kamer heeft het verzet mondeling behandeld tijdens de openbare zitting van 14 april 2025. Wegens onvoorziene omstandigheden heeft er op die dag nog een wijziging in de samenstelling van de zittingscombinatie plaatsgevonden. Klager is per videoverbinding bij de mondelinge behandeling aanwezig geweest. De notaris is, zoals hij vooraf had aangekondigd, niet verschenen. Klager heeft zijn standpunt toegelicht. Hij heeft dit mede gedaan aan de hand van de eerder door hem toegezonden pleitnotities.
2. De feiten
De klacht gaat over de verkoop en economische levering van het appartement van klagers moeder in 2016 en het in 2017 gepasseerde levenstestament van klagers moeder. Voor de beoordeling van het verzet acht de kamer de volgende feiten van belang.
2.1. De moeder van klager, mevrouw [naam moeder] (hierna: moeder), heeft het aan haar in eigendom toebehorende appartement aan [adresgegevens] (hierna: het appartement) in juni 2016 verkocht aan drie kopers (hierna: de kopers). De koopovereenkomst is neergelegd in een onderhandse akte, die op 2 juni 2016 is getekend door de kopers en op 6 juni 2016 door moeder.
2.2. Bij e-mail van 13 juni 2016 heeft de notaris het volgende aan klager te kennen gegeven:
“Bij deze bevestig ik u ons telefoongesprek van zojuist.
Ik zal met uw moeder spreken over de getekende koopovereenkomst betreffende [het appartement].
Daarbij zal bijzondere aandacht besteden aan haar wilsbekwaamheid.”
2.3. Bij e-mail van 22 juni 2016 heeft de notaris aan klager en zijn zus, mevrouw [naam zus] (hierna: de zus), onder andere het volgende bericht:
“Ik ontving via [naam] de getekende koopovereenkomst met betrekking tot [het appartement].
(…)
Aangezien [klager] zich op het standpunt stelt dat moeder wilsonbekwaam was bij ondertekening, zie ik geen andere mogelijkheid dan zekerheidshalve toch een onderzoek te laten instellen naar de toestand van moeder.
Ik heb dit ook met een kantoorgenoot overlegd.
Graag overleg ik met u hoe we dit bij uw moeder aankaarten. Wil een van u dit doen of zal ik dat op mij nemen?
Verder heb ik contact gehad met de makelaar om het verkoopproces en de realiteit van de koopprijs te bespreken. (…)”
2.4. Bij e-mail van 24 juni 2016 heeft klager onder andere het volgende aan de notaris meegedeeld:
“Gezien het feit dat ik van mening ben dat mijn moeder niet wilsbekwaam was toen zij het contract tekende, denk ik dat het aan mij is om dit onderwerp bij haar aan te kaarten. Echter, afgezien van de kwestie van de wilsonbekwaamheid, kan er, mijns inziens, niet voorbijgegaan worden aan het feit dat mijn moeder zich niet kan herinneren dat zij het contract heeft ondertekend ondanks het feit dat dit duidelijk een zeer belangrijke handeling is. Mijn moeder zegt dat zij in de week dat ik op vakantie was op verzoek van mijn zus wel een ander document heeft ondertekend nadat mijn zus de inhoud van dit document aan haar had voorgelezen.
Ik zou u willen verzoeken om mij een gescannende versie van het ondertekende contract toe te sturen.
(…)”
2.5. Bij e-mail van 13 juli 2016 heeft klager onder andere het volgende aan de notaris te kennen gegeven:
“Zoals u weet kan mijn moeder zich niet herinneren dat zij het koopcontract heeft getekend. Nu is mijn moeder behoorlijk vergeetachtig maar gezien de omvang en het belang van dit document lijkt het mij desalniettemin onwaarschijnlijk dat zij het vergeten zou zijn als zij het contract wel zou hebben getekend. Bovendien is de eerste paraaf op het contract niet van haar en zijn de overige negen parafen met een andere pen gezet dan waarmee haar handtekening is gezet. Haar paraaf is eenvoudig na te maken en omdat de eerste paraaf niet van haar is, mag er ook getwijfeld worden aan de echtheid van de overige negen parafen. De handtekening op bladzijde negen van het contract is misschien wel van haar maar hoe en wanneer die daar dan terecht is gekomen, is omgeven met vragen; ik merk op dat de datering onder haar handtekening niet van haar is. Ik merk ook op dat als mijn moeder alleen bladzijde negen gezien zou hebben, dan zou zij dus verreweg het grootste en belangrijkste deel van het contract niet gezien hebben.
Mijns inziens moet er daarom inderdaad sterk aan worden getwijfeld dat mijn moeder het contract willens en wetens heeft getekend en ik ben van mening dat zij daarom niet aan het contract gebonden is.
Dan is er de kwestie van de wilsonbekwaamheid. Ik denk nog steeds dat mijn moeder in de context van het contract niet “wilsbekwaam” was. (…)”
2.6. Naar aanleiding van een door de notaris verzocht onderzoek heeft de heer drs. [X], specialist ouderengeneeskunde, op 24 juli 2016 schriftelijk verklaard dat moeder“voldoende wilsbekwaam is voor het behartigen van haar vermogensrechtelijke en overige belangen ter zake. Wel dient het rustig uitgelegd te worden en te checken of het afgesprokene door haar begrepen wordt.”
2.7. Op 1 augustus 2016 heeft de notaris de akte van economische levering gepasseerd, waarbij het appartement economisch geleverd is aan de kopers.
2.8. Bij e-mail van 12 augustus 2016 heeft de notaris het volgende aan klager meegedeeld:
“Naar aanleiding van uw mededeling omtrent de veronderstelde wilsonbekwaamheid van uw moeder en de gesprekken die ik met uw moeder had is inderdaad in overleg met haar een verklaring inzake haar wilsbekwaamheid afgegeven door [X].
Eerder heb ik u duidelijk en meermaals aangegeven dat u en uw moeder zich met een advocaat dienden te verstaan indien u de koopovereenkomst wenste aan te tasten/ te betwisten.
Uw moeder wilde dit niet.
Vervolgens is met uw moeder besproken hoe verder te gaan. De (economische) levering is mede op haar verzoek doorgegaan. Zij wenste dit uitdrukkelijk.
Verdere informatie kan ik u helaas niet meer geven. U kunt hiervoor contact opnemen met uw moeder.
Onze werkzaamheden met betrekking tot de koopovereenkomst en economische levering zijn daarmee voor dit moment afgerond. Bij de juridische levering en betaling restant-koopsom komt er nog een vervolgtraject.”
2.9. Naar aanleiding van een door de notaris verzocht onderzoek heeft genoemde heer drs. [X] op 10 maart 2017 schriftelijk verklaard dat moeder voldoende wilsbekwaam is met betrekking tot het opstellen van een levenstestament.
2.10. Op 21 maart 2017 heeft de notaris het levenstestament van moeder gepasseerd, waarbij moeder aan de zus een algemene volmacht heeft verleend.
2.11. De juridische levering van het appartement aan de kopers heeft in oktober 2017 plaatsgevonden.
2.12. Op [dag] december 2021 is moeder overleden. Klager is erfgenaam van moeder.
3. De klacht
3.1. De klacht van klager bestaat (samengevat) uit de volgende onderdelen.
1. De notaris heeft onzorgvuldig gehandeld rondom de verkoop en de economische levering van het appartement in 2016. Zo is de notaris onvoldoende kritisch geweest ten aanzien van de koopakte, die verkeerd, ondoorzichtig, misleidend en ingewikkeld is geformuleerd. De notaris had argwanend moeten zijn, omdat de koopprijs van het appartement te laag is en de uitgestelde juridische levering van twee jaar ongebruikelijk is. Verder heeft de notaris de wilsbekwaamheid en de onafhankelijke wilsvorming van moeder onvoldoende beoordeeld.
2. De notaris heeft onzorgvuldig gehandeld bij het passeren van het levenstestament van moeder op 21 maart 2017. De notaris heeft de wilsbekwaamheid en de onafhankelijke wilsvorming van moeder namelijk onvoldoende beoordeeld.
3.2. De notaris heeft gemotiveerd verweer gevoerd tegen de klacht. Hij stelt zich (kort gezegd) op het standpunt dat de klacht te laat is ingediend en daarom niet-ontvankelijk is. De notaris heeft ook inhoudelijk gereageerd op de klacht en onder meer aangevoerd dat hij niet betrokken is geweest bij de totstandkoming van de koopovereenkomst. Wel heeft hij verzocht om zijn verweer aan te mogen vullen, indien het tot een inhoudelijke beoordeling van de klacht mocht komen. Voor zover het verweer van de notaris van belang is voor de beoordeling, zal dit hierna worden besproken.
4. De beoordeling
Is het verzet ontvankelijk?
4.1. Als de voorzitter een klacht afwijst, kan een klager op grond van artikel 99 lid 15 Wet op het notarisambt (Wna) binnen veertien dagen na de dag van verzending van die beslissing daartegen schriftelijk verzet instellen bij de kamer. De kamer heeft het verzetschrift binnen die termijn ontvangen, zodat het verzet ontvankelijk is.
Is het verzet gegrond?
4.2. Vervolgens is de vraag aan de orde of het verzet gegrond of ongegrond is. Als de kamer van oordeel is dat de afwijzende beslissing van de voorzitter op goede gronden is gegeven, wordt het verzet ongegrond verklaard. Krachtens artikel 99 lid 18 Wna kan de kamer een verzet zonder nader onderzoek ook ongegrond verklaren als zij van oordeel is dat de beslissing van de voorzitter niet op goede gronden is gegeven, maar dat de klacht of een onderdeel daarvan op een andere grond kennelijk niet-ontvankelijk, kennelijk ongegrond of van onvoldoende gewicht is. Als de kamer oordeelt dat het verzet tegen de beslissing van de voorzitter (gedeeltelijk) gegrond is, vervalt de beslissing van de voorzitter (in zoverre) en neemt de kamer de klacht of het betreffende klachtonderdeel overeenkomstig artikel 99 lid 20 Wna in verdere behandeling.
4.3. De voorzitter heeft (onder meer) het volgende overwogen:
“4.3. Op grond van artikel 99 lid 21 Wna kan een klacht slechts worden ingediend gedurende drie jaren na de dag waarop de tot klacht gerechtigde (hierna: de klager) kennis heeft genomen van het handelen of nalaten van een notaris dat tot tuchtrechtelijke maatregelen aanleiding kan geven. Als de klacht wordt ingediend na verloop van drie jaren na de dag waarop de klager kennis heeft genomen of redelijkerwijs kennis heeft kunnen nemen van het handelen of nalaten van de notaris waarop de klacht betrekking heeft, wordt de klacht niet-ontvankelijk verklaard.
4.4. Volgens vaste rechtspraak van het gerechtshof Amsterdam (de hoogste notariële tuchtrechter) begint deze wettelijke driejaarstermijn te lopen op de dag na de dag waarop de klager daadwerkelijk bekend is met het verweten handelen of nalaten van de notaris. Daarbij is de objectieve kennis van dat handelen of nalaten bepalend. Niet vereist is dat de klager op dat moment ook bekend is met de juridische (of tuchtrechtelijke) beoordeling van dit handelen of nalaten. Anders gezegd: de driejaarstermijn begint niet pas te lopen op het moment dat de klager zich realiseert dat de notaris mogelijk een tuchtrechtelijk verwijt valt te maken.
4.5. Volgens de wetsgeschiedenis is het stellen van een termijn vanuit een oogpunt van rechtszekerheid nuttig en nodig omdat de notaris niet tot in lengte van jaren moet kunnen worden achtervolgd met onderzoeken naar zijn handelen (Eerste Kamer, vergaderjaar 2013-2014, 33 569, C, p. 3).
4.6. Het verweten handelen en nalaten heeft plaatsgevonden in verband met de verkoop en de economische levering van het appartement in 2016 en het passeren van het levenstestament van moeder op 21 maart 2017. Naar het oordeel van de voorzitter heeft klager in 2016 respectievelijk 2017 kennisgenomen althans redelijkerwijs kennis kunnen nemen van het verweten handelen en nalaten van de notaris. Bij dit oordeel heeft de voorzitter het volgende in aanmerking genomen.
Ten aanzien van de verkoop en de economische levering van het appartement (klachtonderdeel 1)
- Uit de door klager overgelegde stukken volgt dat hij vanaf 13 juni 2016 meerdere keren contact heeft gehad met de notaris over de koopovereenkomst. Daarbij heeft klager zijn zorgen geuit over het geheugen van moeder en heeft hij haar wilsbekwaamheid ter discussie gesteld.
- Klager had in ieder geval op 13 juli 2016 de beschikking over (de pdf-versie van) de getekende koopakte. Op die datum heeft hij namelijk per mail aan de notaris de echtheid van de door moeder geplaatste parafen op de koopakte ter discussie gesteld.
- De notaris heeft klager bij e-mail van 12 augustus 2016 meegedeeld dat de (economische) levering van het appartement inmiddels had plaatsgevonden.
Hieruit volgt dat klager met de inhoud van de koopovereenkomst in ieder geval medio juli 2016 bekend was en dat klager met het bestaan van de ter uitvoering van de koopovereenkomst gepasseerde akte van economische levering medio 12 augustus 2016 bekend is geworden. Klager had dus toen al kennis van het verweten handelen en nalaten van de notaris. Daarom is de voorzitter van oordeel dat de driejaarstermijn in ieder geval medio augustus 2016 is gaan lopen.
Ten aanzien van het levenstestament (klachtonderdeel 2)
- Uit de door klager overgelegde stukken volgt dat hij in 2016, dus voorafgaand aan de totstandkoming van het levenstestament, meerdere keren contact heeft gehad met de notaris en daarbij zijn zorgen heeft geuit over het geheugen van moeder en haar wilsbekwaamheid ter discussie heeft gesteld.
- In het klaagschrift staat vermeld dat klager eind 2017 bekend is geworden met het bestaan van het levenstestament en dat hij met de inhoud van het levenstestament tijdens Kerst van dat jaar bekend is geworden.
- Tussen partijen staat vast dat de zus met gebruikmaking van het levenstestament in december 2017 leningen heeft verstrekt aan haarzelf en aan klager en dat de zus die leningen in 2018 namens moeder heeft kwijtgescholden.
Hieruit volgt dat klager dus eind december 2017 al kennis had van het verweten handelen en nalaten van de notaris. Daarom is de voorzitter van oordeel dat de driejaarstermijn eind december 2017 is gaan lopen. Het feit dat klager naar eigen zeggen pas na het overlijden van moeder bekend is geworden met de precieze datum waarop moeder in de periode eind februari 2017 - begin maart 2017 een beroerte heeft gehad en met de precieze datums waarop moeder is onderzocht door medici, leidt met betrekking tot de ingangsdatum van de vervaltermijn als bedoeld in artikel 99 lid 21 Wna niet tot een ander oordeel.
4.7. Op grond van het vorenstaande is de driejaarstermijn ten aanzien van klachtonderdeel 1 in ieder geval medio augustus 2019 geëindigd en is de driejaarstermijn ten aanzien van klachtonderdeel 2 in ieder geval eind december 2020 geëindigd. Deze termijnen waren dan ook (ruimschoots) verstreken toen deze klacht op 21 november 2024 werd ingediend.
Het enkele feit dat moeder in 2017 aan alleen de zus een algemene volmacht had verleend, brengt - anders dan klager lijkt te menen - niet met zich dat klager pas na het overlijden van moeder een klacht bij de kamer kon indienen.
4.8. De beslissing tot niet-ontvankelijkheid blijft achterwege als de gevolgen van het handelen of nalaten van de notaris redelijkerwijs pas na het verstrijken van de driejaarstermijn bekend zijn geworden. In dat geval verloopt de termijn voor het indienen van een klacht een jaar na de datum waarop de gevolgen redelijkerwijs als bekend geworden zijn aan te merken. Klager moet nadat hij bekend is geworden met het bestaan van de koopakte, de akte van economische levering en het levenstestament redelijkerwijs bekend worden geacht met de gevolgen van het door hem verweten handelen of nalaten van de notaris zodat de extra termijn van een jaar toepassing mist.
4.9. De klacht is wegens het verstrijken van de vervaltermijn waarbinnen een klacht bij de kamer moet worden ingediend dus kennelijk niet-ontvankelijk. Daarom zal de voorzitter deze direct afwijzen. De voorzitter komt daarmee niet toe aan de inhoudelijke beoordeling van de klacht.”
Klachtonderdelen 1 en 2
Standpunt klager
4.4. Volgens klager was moeder vanwege haar gezondheidssituatie (zij had TIA’s, leed aan vasculaire dementie en mogelijk ook aan Alzheimer, zij had last van geheugenverlies, was depressief en kreeg in maart 2017 een beroerte, waarna zij halfzijdig blind werd) niet in staat om zelf een klacht tegen de notaris in te dienen. Als rechtsopvolger van moeder was het voor klager pas mogelijk om na haar overlijden een klacht in te dienen. Tijdens haar leven had moeder aan alleen de zus een algemene volmacht gegeven en kon klager dus geen klacht indienen. Als klager wel tijdens moeders leven een klacht had ingediend, was het maar de vraag geweest of de tuchtrechter een redelijk belang van klager aanwezig had geacht. Klager is daarom van mening dat de driejaarstermijn van artikel 99 lid 21 Wna pas na moeders overlijden ([dag] december 2021) is gaan lopen en hij de klacht dus op tijd heeft ingediend. Strikte toepassing van de vervaltermijn van artikel 99 lid 21 Wna zou in strijd zijn met het bepaalde in artikel 1 van de Grondwet, het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, de Algemene wet gelijke behandeling en de Wet gelijke behandeling op grond van handicap of chronische ziekte. Moeder, die gehandicapt en chronisch ziek was, zou bij een strikte toepassing van genoemde bepaling in de Wna immers ongelijk worden behandeld op het gebied van rechtsbescherming en toegang tot de rechtspraak.
Daar komt bij dat klager pas na moeders overlijden, in 2022 en in 2024, cruciale informatie heeft gekregen (onder andere uit medische dossiers van moeder). Zonder deze relevante informatie was het indienen van een klacht vrijwel kansloos en zinloos geweest.
Oordeel kamer
4.5. De kamer stelt voorop dat de voorzitter heeft geoordeeld dat de klachtonderdelen 1 en 2 te laat zijn ingediend en daarom kennelijk niet-ontvankelijk zijn. Hij is daarmee niet toegekomen aan een inhoudelijke beoordeling van deze klachtonderdelen. De voorzitter heeft zich dus niet uitgelaten over de vraag of de gemaakte verwijten terecht zijn.
4.6. Klager heeft in zijn verzetschrift aangevoerd dat hij als erfgenaam van moeder “in haar rechten treedt”. Hij handelt in deze zaak dus in de hoedanigheid van rechtsopvolger onder algemene titel van moeder.
4.7. Zoals de voorzitter terecht heeft overwogen, is het volgens de wetsgeschiedenis vanuit een oogpunt van rechtszekerheid nuttig en nodig om een klachttermijn te stellen, omdat de notaris niet tot in lengte van jaren moet kunnen worden achtervolgd met onderzoeken naar zijn handelen (Eerste Kamer, vergaderjaar 2013-2014, 33 569, C, p. 3). Het voorgaande brengt met zich dat de driejaarstermijn van artikel 99 lid 21 Wna niet opnieuw begint te lopen op het moment dat een potentiële klager overlijdt. In dit geval - waarin klager handelt in de hoedanigheid van rechtsopvolger onder algemene titel van moeder - is daarom bepalend welke vervaltermijn voor moeder zou hebben gegolden (vergelijk Gerechtshof Amsterdam 8 februari 2022, ECLI:NL:GHAMS:2022:323).
4.8. Voor moeder zou hebben gegolden dat zij eventuele klachten over de betrokkenheid van de notaris bij de verkoop en de economische levering van het appartement en het levenstestament in beginsel binnen drie jaar na het ondertekenen/passeren van de betreffende akten had moeten indienen. Voor de aanvang van de vervaltermijn is immers bepalend de objectieve kennis van het handelen of nalaten van de notaris en niet de subjectieve kennis dat dit handelen of nalaten mogelijk tuchtrechtelijk onjuist zou kunnen zijn. Sinds het ondertekenen/passeren van genoemde akten (in 2016 en 2017) tot aan het indienen van de klacht door klager bij de kamer (op 21 november 2024) zijn meer dan drie jaren verstreken. De driejaarstermijn was ten aanzien van beide klachtonderdelen dan ook (ruimschoots) verstreken toen deze klacht werd ingediend.
4.9. Klager stelt zich op het standpunt dat moeder vanwege haar fysieke en mentale gezondheid zelf geen invulling heeft kunnen geven aan haar recht om zich over de handelwijze van de notaris te beklagen en dat hij de klacht pas na haar overlijden kon indienen. De kamer volgt klager niet in dit standpunt en betrekt daarbij het volgende.
Klager heeft de in 4.6. van de voorzittersbeslissing vermelde omstandigheden i tot en met vi niet weersproken. De kamer is daarom, net als de voorzitter, van oordeel dat klager zelf met de inhoud van de koopovereenkomst in ieder geval medio juli 2016 bekend was en dat hij met het bestaan van de ter uitvoering van de koopovereenkomst gepasseerde akte van economische levering medio 12 augustus 2016 bekend is geworden. Klager had dus toen al kennis van het in klachtonderdeel 1 verweten handelen en nalaten van de notaris. Klager heeft evenmin weersproken dat hij eind december 2017 al kennis had van het in klachtonderdeel 2 verweten handelen en nalaten van de notaris. Zelfs als er veronderstellenderwijs van uit wordt gegaan dat:
- moeder destijds inderdaad niet in staat was om haar wil ten aanzien van de verkoop en economische levering van het appartement en het levenstestament naar behoren te vormen en te uiten; en
- zij zelf dus ook geen invulling kon geven aan haar recht om zich over de handelwijze van de notaris te beklagen,
dan is de klachttermijn in ieder geval gaan lopen toen klager in 2016 en 2017 (dus vóór het overlijden van moeder in 2021) bekend werd met de feiten ter zake waarvan hij de notaris verwijten maakt. Klager heeft immers al in 2016 bij de notaris te kennen gegeven dat hij twijfelt aan de wilsbekwaamheid van moeder. De driejaarstermijn ten aanzien van beide klachtonderdelen was (ruimschoots) verstreken toen deze klacht op 21 november 2024 werd ingediend. Nu klager niet binnen de driejaarstermijn een klacht heeft ingediend, is de kamer van oordeel dat de notaris er, gelet op het motief om de driejaarstermijn in de Wna op te nemen, in beginsel van uit mocht gaan dat na het verstrijken van die termijn geen klacht meer tegen hem zou worden ingediend over de verkoop en economische levering van het appartement en over het levenstestament.
Het enkele feit dat moeder in 2017 aan alleen de zus een algemene volmacht had verleend, brengt - anders dan klager meent - niet met zich dat klager pas na het overlijden van moeder een klacht bij de kamer kon indienen. Dat zelfstanding indienen had klager kunnen (en moeten) doen, tijdig nadat hij in 2016 en 2017 bekend werd met de feiten waarvan hij de notaris verwijten maakt. Zijn eigen inschatting dat dat zou hebben geleid tot een niet-ontvankelijkheid had hem daarvan niet moeten weerhouden. Dat hij daarmee gewacht heeft komt voor zijn rekening en risico.
4.10. Dat klager naar eigen zeggen pas na het overlijden van moeder bekend is geworden met “cruciale informatie” (zoals medische dossiers van moeder), maakt het voorgaande niet anders. In deze “cruciale informatie” lijkt klager een bevestiging te vinden van:
- zijn standpunt dat moeder in 2016 en 2017 niet in staat was om haar wil naar behoren te vormen en te uiten en om invulling te geven aan haar klachtrecht; en
- het door hem gestelde tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen van de notaris,
maar deze informatie leidt met betrekking tot de ingangsdatum van de vervaltermijn als bedoeld in artikel 99 lid 21 Wna niet tot een ander oordeel. De informatie is naar het oordeel van de kamer namelijk niet van invloed op zijn bekendheid met de feiten waarvan hij de notaris verwijten maakt. En juist dat aspect maakt dat de klacht eerder had moeten worden ingediend en de klachttermijn niet pas is gaan lopen vanaf het overlijden van moeder.
4.11. De kamer volgt de door de voorzitter onder 4.8. van zijn beslissing opgenomen overweging over de nadere vervaltermijn van één jaar. De kamer is met de voorzitter van oordeel dat klager - nadat hij bekend is geworden met het bestaan van de koopakte, de akte van economische levering en het levenstestament - redelijkerwijs bekend moet worden geacht met de gevolgen van het door hem verweten handelen of nalaten van de notaris. Daarmee is er geen sprake van de extra termijn van één jaar.
Conclusie
4.12. Op grond van het voorgaande zal de kamer het verzet ongegrond verklaren en de klacht dus niet in verdere behandeling nemen.
5. De beslissing
De kamer:
verklaart het verzet ongegrond.
Deze beslissing is gegeven door mr. A.G.M.H. Bennenbroek, plaatsvervangend voorzitter, mr. T. Dohmen, plaatsvervangend rechterlijk lid en mr. M.A. Rosenbrand-Biesheuvel, notarieel lid.
Uitgesproken in het openbaar op 19 mei 2025 door mr. A.G.M.H. Bennenbroek, plaatsvervangend voorzitter, in tegenwoordigheid van de secretaris.
Klachtnummer : SHE/2024/32
Datum uitspraak : 20 januari 2025
KAMER VOOR HET NOTARIAAT IN HET RESSORT ’s-HERTOGENBOSCH
Beslissing van de plaatsvervangend voorzitter (hierna: de voorzitter) van de kamer voor het notariaat in het ressort ’s-Hertogenbosch (hierna: de kamer) naar aanleiding van de klacht van:
[klager] (hierna: klager)
wonende in [woonplaats], Verenigd Koninkrijk
tegen
[de notaris] (hierna: de notaris)
gevestigd in [vestigingsplaats]
1. De procedure
1.1. De kamer heeft bij e-mails van 21 november 2024 een klacht tegen de notaris (met bijlagen) van klager ontvangen.
1.2. De notaris heeft een verweerschrift ingediend.
2. De feiten
De klacht gaat over de verkoop en economische levering van het appartement van klagers moeder in 2016 en het in 2017 gepasseerde levenstestament van klagers moeder. Voor de beoordeling van de klacht acht de voorzitter de volgende feiten van belang.
2.1. De moeder van klager, mevrouw [naam moeder] (hierna: moeder), heeft het aan haar in eigendom toebehorende appartement aan [adresgegevens] (hierna: het appartement) in juni 2016 verkocht aan drie kopers (hierna: de kopers). De koopovereenkomst is neergelegd in een onderhandse akte, die op 2 juni 2016 is getekend door de kopers en op 6 juni 2016 door moeder.
2.2. Bij e-mail van 13 juni 2016 heeft de notaris het volgende aan klager te kennen gegeven:
“Bij deze bevestig ik u ons telefoongesprek van zojuist.
Ik zal met uw moeder spreken over de getekende koopovereenkomst betreffende [het appartement].
Daarbij zal bijzondere aandacht besteden aan haar wilsbekwaamheid.”
2.3. Bij e-mail van 22 juni 2016 heeft de notaris aan klager en zijn zus, mevrouw [naam zus] (hierna: de zus), onder andere het volgende bericht:
“Ik ontving via [naam] de getekende koopovereenkomst met betrekking tot [het appartement].
(…)
Aangezien [klager] zich op het standpunt stelt dat moeder wilsonbekwaam was bij ondertekening, zie ik geen andere mogelijkheid dan zekerheidshalve toch een onderzoek te laten instellen naar de toestand van moeder.
Ik heb dit ook met een kantoorgenoot overlegd.
Graag overleg ik met u hoe we dit bij uw moeder aankaarten. Wil een van u dit doen of zal ik dat op mij nemen?
Verder heb ik contact gehad met de makelaar om het verkoopproces en de realiteit van de koopprijs te bespreken. (…)”
2.4. Bij e-mail van 24 juni 2016 heeft klager onder andere het volgende aan de notaris meegedeeld:
“Gezien het feit dat ik van mening ben dat mijn moeder niet wilsbekwaam was toen zij het contract tekende, denk ik dat het aan mij is om dit onderwerp bij haar aan te kaarten. Echter, afgezien van de kwestie van de wilsonbekwaamheid, kan er, mijns inziens, niet voorbijgegaan worden aan het feit dat mijn moeder zich niet kan herinneren dat zij het contract heeft ondertekend ondanks het feit dat dit duidelijk een zeer belangrijke handeling is. Mijn moeder zegt dat zij in de week dat ik op vakantie was op verzoek van mijn zus wel een ander document heeft ondertekend nadat mijn zus de inhoud van dit document aan haar had voorgelezen.
Ik zou u willen verzoeken om mij een gescannende versie van het ondertekende contract toe te sturen.
(…)”
2.5. Bij e-mail van 13 juli 2016 heeft klager onder andere het volgende aan de notaris te kennen gegeven:
“Zoals u weet kan mijn moeder zich niet herinneren dat zij het koopcontract heeft getekend. Nu is mijn moeder behoorlijk vergeetachtig maar gezien de omvang en het belang van dit document lijkt het mij desalniettemin onwaarschijnlijk dat zij het vergeten zou zijn als zij het contract wel zou hebben getekend. Bovendien is de eerste paraaf op het contract niet van haar en zijn de overige negen parafen met een andere pen gezet dan waarmee haar handtekening is gezet. Haar paraaf is eenvoudig na te maken en omdat de eerste paraaf niet van haar is, mag er ook getwijfeld worden aan de echtheid van de overige negen parafen. De handtekening op bladzijde negen van het contract is misschien wel van haar maar hoe en wanneer die daar dan terecht is gekomen, is omgeven met vragen; ik merk op dat de datering onder haar handtekening niet van haar is. Ik merk ook op dat als mijn moeder alleen bladzijde negen gezien zou hebben, dan zou zij dus verreweg het grootste en belangrijkste deel van het contract niet gezien hebben.
Mijns inziens moet er daarom inderdaad sterk aan worden getwijfeld dat mijn moeder het contract willens en wetens heeft getekend en ik ben van mening dat zij daarom niet aan het contract gebonden is.
Dan is er de kwestie van de wilsonbekwaamheid. Ik denk nog steeds dat mijn moeder in de context van het contract niet “wilsbekwaam” was. (…)”
2.6. Naar aanleiding van een door de notaris verzocht onderzoek heeft de heer drs. [X], specialist ouderengeneeskunde, op 24 juli 2016 schriftelijk verklaard dat moeder “voldoende wilsbekwaam is voor het behartigen van haar vermogensrechtelijke en overige belangen ter zake. Wel dient het rustig uitgelegd te worden en te checken of het afgesprokene door haar begrepen wordt.”
2.7. Op 1 augustus 2016 heeft de notaris de akte van economische levering gepasseerd, waarbij het appartement economisch geleverd is aan de kopers.
2.8. Bij e-mail van 12 augustus 2016 heeft de notaris het volgende aan klager meegedeeld:
“Naar aanleiding van uw mededeling omtrent de veronderstelde wilsonbekwaamheid van uw moeder en de gesprekken die ik met uw moeder had is inderdaad in overleg met haar een verklaring inzake haar wilsbekwaamheid afgegeven door [X].
Eerder heb ik u duidelijk en meermaals aangegeven dat u en uw moeder zich met een advocaat dienden te verstaan indien u de koopovereenkomst wenste aan te tasten/ te betwisten.
Uw moeder wilde dit niet.
Vervolgens is met uw moeder besproken hoe verder te gaan. De (economische) levering is mede op haar verzoek doorgegaan. Zij wenste dit uitdrukkelijk.
Verdere informatie kan ik u helaas niet meer geven. U kunt hiervoor contact opnemen met uw moeder.
Onze werkzaamheden met betrekking tot de koopovereenkomst en economische levering zijn daarmee voor dit moment afgerond. Bij de juridische levering en betaling restant-koopsom komt er nog een vervolgtraject.”
2.9. Naar aanleiding van een door de notaris verzocht onderzoek heeft genoemde heer drs. [X] op 10 maart 2017 schriftelijk verklaard dat moeder voldoende wilsbekwaam is met betrekking tot het opstellen van een levenstestament.
2.10. Op 21 maart 2017 heeft de notaris het levenstestament van moeder gepasseerd, waarbij moeder aan de zus een algemene volmacht heeft verleend.
2.11. De juridische levering van het appartement aan de kopers heeft in oktober 2017 plaatsgevonden.
2.12. Op [dag] december 2021 is moeder overleden.
3. De klacht
3.1. De kamer begrijpt dat de klacht van klager (samengevat) uit de volgende onderdelen bestaat:
1. De notaris heeft onzorgvuldig gehandeld rondom de verkoop en de economische levering van het appartement in 2016. Zo is de notaris onvoldoende kritisch geweest ten aanzien van de koopakte, die verkeerd, ondoorzichtig, misleidend en ingewikkeld is geformuleerd. De notaris had argwanend moeten zijn, omdat de koopprijs van het appartement te laag is en de uitgestelde juridische levering van twee jaar ongebruikelijk is. Verder heeft de notaris de wilsbekwaamheid en de onafhankelijke wilsvorming van moeder onvoldoende beoordeeld.
2. De notaris heeft onzorgvuldig gehandeld bij het passeren van het levenstestament van moeder op 21 maart 2017. De notaris heeft de wilsbekwaamheid en de onafhankelijke wilsvorming van moeder namelijk onvoldoende beoordeeld.
3.2. De notaris heeft gemotiveerd verweer gevoerd tegen de klacht. Hij stelt zich (kort gezegd) op het standpunt dat de klacht te laat is ingediend en daarom niet-ontvankelijk is. De notaris heeft ook inhoudelijk gereageerd op de klacht en onder meer aangevoerd dat hij niet betrokken is geweest bij de totstandkoming van de koopovereenkomst. Wel heeft hij verzocht om zijn verweer aan te mogen vullen, indien het tot een inhoudelijke beoordeling van de klacht mocht komen. Voor zover het verweer van de notaris van belang is voor de beoordeling, zal dit hierna worden besproken.
4. De beoordeling
4.1. Op grond van artikel 93 lid 1 Wet op het notarisambt (hierna: Wna) zijn notarissen aan tuchtrechtspraak onderworpen. De tuchtrechter toetst of hun handelen en/of nalaten in strijd is met het bepaalde in de Wna en andere toepasselijke bepalingen. Ook kan de tuchtrechter toetsen of zij voldoende zorg in acht hebben genomen ten opzichte van de (rechts)personen voor wie zij optreden en of zij daarbij hebben gehandeld zoals een behoorlijk beroepsbeoefenaar behoort te doen.
4.2. Indien de voorzitter na een summier onderzoek van oordeel is dat de klacht kennelijk niet-ontvankelijk, kennelijk ongegrond of van onvoldoende gewicht is, kan hij de klacht op grond van artikel 99 lid 11 Wna direct afwijzen.
4.3. Op grond van artikel 99 lid 21 Wna kan een klacht slechts worden ingediend gedurende drie jaren na de dag waarop de tot klacht gerechtigde (hierna: de klager) kennis heeft genomen van het handelen of nalaten van een notaris dat tot tuchtrechtelijke maatregelen aanleiding kan geven. Als de klacht wordt ingediend na verloop van drie jaren na de dag waarop de klager kennis heeft genomen of redelijkerwijs kennis heeft kunnen nemen van het handelen of nalaten van de notaris waarop de klacht betrekking heeft, wordt de klacht niet-ontvankelijk verklaard.
4.4. Volgens vaste rechtspraak van het gerechtshof Amsterdam (de hoogste notariële tuchtrechter) begint deze wettelijke driejaarstermijn te lopen op de dag na de dag waarop de klager daadwerkelijk bekend is met het verweten handelen of nalaten van de notaris. Daarbij is de objectieve kennis van dat handelen of nalaten bepalend. Niet vereist is dat de klager op dat moment ook bekend is met de juridische (of tuchtrechtelijke) beoordeling van dit handelen of nalaten. Anders gezegd: de driejaarstermijn begint niet pas te lopen op het moment dat de klager zich realiseert dat de notaris mogelijk een tuchtrechtelijk verwijt valt te maken.
4.5. Volgens de wetsgeschiedenis is het stellen van een termijn vanuit een oogpunt van rechtszekerheid nuttig en nodig omdat de notaris niet tot in lengte van jaren moet kunnen worden achtervolgd met onderzoeken naar zijn handelen (Eerste Kamer, vergaderjaar 2013-2014, 33 569, C, p. 3).
4.6. Het verweten handelen en nalaten heeft plaatsgevonden in verband met de verkoop en de economische levering van het appartement in 2016 en het passeren van het levenstestament van moeder op 21 maart 2017. Naar het oordeel van de voorzitter heeft klager in 2016 respectievelijk 2017 kennisgenomen althans redelijkerwijs kennis kunnen nemen van het verweten handelen en nalaten van de notaris. Bij dit oordeel heeft de voorzitter het volgende in aanmerking genomen.
Ten aanzien van de verkoop en de economische levering van het appartement (klachtonderdeel 1)
- Uit de door klager overgelegde stukken volgt dat hij vanaf 13 juni 2016 meerdere keren contact heeft gehad met de notaris over de koopovereenkomst. Daarbij heeft klager zijn zorgen geuit over het geheugen van moeder en heeft hij haar wilsbekwaamheid ter discussie gesteld.
- Klager had in ieder geval op 13 juli 2016 de beschikking over (de pdf-versie van) de getekende koopakte. Op die datum heeft hij namelijk per mail aan de notaris de echtheid van de door moeder geplaatste parafen op de koopakte ter discussie gesteld.
- De notaris heeft klager bij e-mail van 12 augustus 2016 meegedeeld dat de (economische) levering van het appartement inmiddels had plaatsgevonden.
Hieruit volgt dat klager met de inhoud van de koopovereenkomst in ieder geval medio juli 2016 bekend was en dat klager met het bestaan van de ter uitvoering van de koopovereenkomst gepasseerde akte van economische levering medio 12 augustus 2016 bekend is geworden. Klager had dus toen al kennis van het verweten handelen en nalaten van de notaris. Daarom is de voorzitter van oordeel dat de driejaarstermijn in ieder geval medio augustus 2016 is gaan lopen.
Ten aanzien van het levenstestament (klachtonderdeel 2)
- Uit de door klager overgelegde stukken volgt dat hij in 2016, dus voorafgaand aan de totstandkoming van het levenstestament, meerdere keren contact heeft gehad met de notaris en daarbij zijn zorgen heeft geuit over het geheugen van moeder en haar wilsbekwaamheid ter discussie heeft gesteld.
- In het klaagschrift staat vermeld dat klager eind 2017 bekend is geworden met het bestaan van het levenstestament en dat hij met de inhoud van het levenstestament tijdens Kerst van dat jaar bekend is geworden.
- Tussen partijen staat vast dat de zus met gebruikmaking van het levenstestament in december 2017 leningen heeft verstrekt aan haarzelf en aan klager en dat de zus die leningen in 2018 namens moeder heeft kwijtgescholden.
Hieruit volgt dat klager dus eind december 2017 al kennis had van het verweten handelen en nalaten van de notaris. Daarom is de voorzitter van oordeel dat de driejaarstermijn eind december 2017 is gaan lopen. Het feit dat klager naar eigen zeggen pas na het overlijden van moeder bekend is geworden met de precieze datum waarop moeder in de periode eind februari 2017 - begin maart 2017 een beroerte heeft gehad en met de precieze datums waarop moeder is onderzocht door medici, leidt met betrekking tot de ingangsdatum van de vervaltermijn als bedoeld in artikel 99 lid 21 Wna niet tot een ander oordeel.
4.7. Op grond van het vorenstaande is de driejaarstermijn ten aanzien van klachtonderdeel 1 in ieder geval medio augustus 2019 geëindigd en is de driejaarstermijn ten aanzien van klachtonderdeel 2 in ieder geval eind december 2020 geëindigd. Deze termijnen waren dan ook (ruimschoots) verstreken toen deze klacht op 21 november 2024 werd ingediend.
Het enkele feit dat moeder in 2017 aan alleen de zus een algemene volmacht had verleend, brengt - anders dan klager lijkt te menen - niet met zich dat klager pas na het overlijden van moeder een klacht bij de kamer kon indienen.
4.8. De beslissing tot niet-ontvankelijkheid blijft achterwege als de gevolgen van het handelen of nalaten van de notaris redelijkerwijs pas na het verstrijken van de driejaarstermijn bekend zijn geworden. In dat geval verloopt de termijn voor het indienen van een klacht een jaar na de datum waarop de gevolgen redelijkerwijs als bekend geworden zijn aan te merken. Klager moet nadat hij bekend is geworden met het bestaan van de koopakte, de akte van economische levering en het levenstestament redelijkerwijs bekend worden geacht met de gevolgen van het door hem verweten handelen of nalaten van de notaris zodat de extra termijn van een jaar toepassing mist.
4.9. De klacht is wegens het verstrijken van de vervaltermijn waarbinnen een klacht bij de kamer moet worden ingediend dus kennelijk niet-ontvankelijk. Daarom zal de voorzitter deze direct afwijzen. De voorzitter komt daarmee niet toe aan de inhoudelijke beoordeling van de klacht.
5. De beslissing
De voorzitter:
wijst de klacht direct af.
Deze beslissing is op 20 januari 2025 gegeven door mr. T. Zuidema, plaatsvervangend voorzitter.
Tegen deze beslissing van de voorzitter tot afwijzing van de klacht kan de klager binnen veertien dagen na de dag van verzending van het afschrift van de beslissing schriftelijk verzet doen bij deze kamer voor het notariaat (Postadres: Postbus 70584, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch). De klager moet gemotiveerd aangeven met welke overweging(en) van de voorzitter hij/zij zich niet kan verenigen.
Hij/zij kan daarbij vragen over het verzet te worden gehoord (artikel 99, lid 15, Wna).
De voorzitter die de beslissing heeft gegeven waartegen verzet is gedaan, maakt geen deel uit van de kamer die beslist op het verzet.