ECLI:NL:TNORDHA:2025:25 Kamer voor het notariaat Den Haag 25-12

ECLI: ECLI:NL:TNORDHA:2025:25
Datum uitspraak: 12-11-2025
Datum publicatie: 16-12-2025
Zaaknummer(s): 25-12
Onderwerp: Registergoed, subonderwerp: Overig
Beslissingen: Klacht ongegrond
Inhoudsindicatie: Klager verwijt de notaris - kort gezegd - dat hij weigerde om de veilingopbrengst te verdelen terwijl niets hieraan in de weg stond en dat hij onvoldoende deugdelijk daarover heeft gecommuniceerd. De kamer oordeelt als volgt. Het wettelijk kader duidelijk is. Er waren twee mogelijkheden om de veilingopbrengst te verdelen. De ene mogelijkheid was dat, als alle schuldeisers het met elkaar eens waren, de verdeling werd vastgelegd in een verdelingsovereenkomst. De andere mogelijkheid was de gerechtelijke rangregeling. Omdat was gebleken dat niet alle schuldeisers overeenstemming hadden bereikt over de (wijze van) verdeling, was het sluiten van een verdelingsovereenkomst niet mogelijk en kon er dus ook geen uitkering plaatsvinden op grond van een verdelingsovereenkomst. Een gerechtelijke rangregeling bleef over als de enige optie. De notaris kon volstaan met het informeren van klager hierover en hoefde, anders dan klager stelt, geen gerechtelijke rangregeling te initiëren. De klacht is ongegrond.

Kamer voor het notariaat in het ressort Den Haag

Beslissing d.d. 12 november 2025 inzake de klacht onder nummer 25-12 van:

[klager],

gemachtigde: mr. S.N. Peijnenburg, advocaat te Purmerend,

hierna: klager,

tegen:

[notaris],

notaris, gevestigd te [vestigingsplaats],

gemachtigde: mr. W. Knoester, advocaat te Rotterdam,

hierna: de notaris.

1. Het procesverloop

1.1       De kamer heeft kennisgenomen van de klacht, met bijlagen, ingekomen op 27 februari 2025.

1.2       De kamer heeft het antwoord van de notaris, met bijlagen, ontvangen.

1.3       De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 15 oktober 2025. Daarbij waren aanwezig klager, bijgestaan door mr. Peijnenburg, en de notaris, bijgestaan door mr. Knoester. Van de mondelinge behandeling zijn schriftelijke aantekeningen gemaakt. Klager heeft een pleitnotitie overgelegd.

2. De feiten

2.1       In opdracht van hypotheekhouder [A] (hierna: de hypotheekhouder) heeft op 25 januari 2023 de openbare verkoop plaatsgevonden van de woning van klager (en zijn vrouw) aan de [adres] (hierna: de woning). De verkoopopbrengst bedroeg € 500.000,-.

2.2       De notaris heeft de akte gepasseerd.

2.3       Uit de verkoopopbrengst is de vordering van de hypotheekhouder (aflossing hypotheek en dagrente) ten bedrage van € 268.099,12 voldaan. De netto verkoopopbrengst van € 221.845,17 bleef op de derdengeldenrekening van de notaris staan.

2.4       Er lagen ten tijde van de openbare verkoop de volgende vijf executoriale beslagen op de woning:

-           Hoogheemraadschap [B] – 12 mei 2020 en 24 augustus 2021;

-           Vennootschap onder firma [C] , [D] en [E] (hierna: [X]) – 8 januari 2021;

-           [E] B.V. – 11 december 2020;

-           Belastingdienst – 7 september 2022.

2.5       Op 13 februari 2023 heeft de advocaat van klager de notaris telefonisch verzocht om informatie over de verdeling van de verkoopopbrengst.

2.6       Op 23 februari 2023 heeft klager de notaris een opgave van de openstaande schulden gestuurd met als bijlage onder andere een mailwisseling tussen de advocaat van [X] en mr. Peijnenburg. Uit deze mailwisseling, die dateert van 20 en 21 december 2022, kan worden opgemaakt dat de advocaat van [X] akkoord is met het navolgende voorstel van mr. Peijnenburg, de advocaat van klager.

“De overeenkomst wordt dan als volgt.

  • uw cliënten zullen het vonnis niet tenuitvoerleggen totdat in hoger beroep is beslist.
  • uw cliënten zullen bij eigendomsoverdracht van de woning geen aanspraak maken op het beslag c.q. het beslag niet uitwinnen, maar instemmen dat uit de (verkoop)opbrengst een bedrag ad € 72.500,- door de notaris ten behoeve van beide partijen in depot wordt gehouden, welk depot door de notaris t.z.t. conform arrest zal worden afgewikkeld.
  • uw cliënten zullen de notaris machtigen het beslag door te halen c.q. waardeloos te verklaren ten behoeve van de levering aan een derde.
  • (…)”

2.7       Op 20 maart 2023 heeft de advocaat van klager het volgende e-mailbericht aan het notariskantoor gestuurd:

“Hoe dan ook, van cliënt begrijp ik dat uit de koopsom de hypotheekhouder [A]  inmiddels is betaald. Ik ontvang graag een kopie van hun aflosnota.

Verder begrijp ik van cliënt dat de resterende koopsom (de overwaarde) geheel nog gereserveerd is op uw derdenrekening. Ik verneem graag waarom deze nog niet verdeeld is. Van beslagleggers [C] en [E] heeft u in ieder geval de documenten. Zijn er nog andere beslagleggers die wellicht niet gereageerd hebben?

Ik verneem graag per omgaande van u. Cliënt heeft de overwaarde heel hard nodig.

Als hij schuldeisers kan nabellen om de afwikkeling te bespoedigen, dan doet hij dat heel erg graag.”

2.8       Op 31 maart 2023 heeft klager tezamen met zijn dochters een woning aangekocht aan het [adres] voor een bedrag van € 380.000,- met als doel daar met het hele gezin te gaan wonen.

2.9       Op 25 april 2023 heeft klager een verzoek ingediend bij de rechtbank tot een gerechtelijke rangregeling.

2.10     Omdat de rechtbank nadere gegevens nodig had, heeft klager op 1 mei 2023 de notaris een verzoek gestuurd om de ontbrekende stukken aan te leveren.

2.11     Op 11 mei 2023 heeft de notaris de ontbrekende stukken gestuurd.

2.12     Op 17 mei 2023 heeft de rechtbank een rechter-commissaris benoemd.

2.13     In juni 2023 (12 of 16 juni) heeft de advocaat van klager, na telefonisch contact, een e-mailbericht aan het notariskantoor gestuurd met de suggestie om het ertoe te leiden dat [X] het beslag zou opheffen en er een bedrag van € 72.500,- naar de derdengeldenrekening van de advocaat zou worden overgemaakt (in depot).

2.14     Een medewerker van het notariskantoor heeft op 22 juni 2023 daarop als volgt gereageerd:

“U spreekt steeds over een depot en een depotovereenkomst. Daar is geen sprake van. Wij zijn ook niet bereid om een depotovereenkomst met partijen te sluiten. We hebben hier te maken met de regeling zoals neergelegd in artikel 3:270 BW. De optie die u in uw mail omschrijft, is geen rechtsgeldige optie. Of alle partijen stemmen actief in, of er komt een rangregeling. Gezien het standpunt van [C] is voor het laatste gekozen. Een andere oplossing is derhalve in strijd met de wet en daar kunnen wij niet aan meewerken.”

2.15     Uit de beschikking voorlopige rangregeling van de rechter-commissaris van 7 juli 2023 blijkt onder andere dat [X] en de belastingdienst niet reageerden op de verzoeken van de griffie, waardoor met hun vorderingen geen rekening werd gehouden in de rangregeling. De rechter-commissaris heeft de staat van verdeling opgemaakt van het te verdelen bedrag van € 221.845,17, waarbij Hoogheemraadschap meedeelt in de rangregeling voor een bedrag van € 363,52. Het restant van de in depot gestorte opbrengst komt toe aan klager.

2.16     Voor het verstrijken van de verzet termijn heeft de advocaat van klager op 18 juli 2023 aan de overige belanghebbende en de notaris het volgende bericht gestuurd:

“De rechter commissaris heeft inmiddels een beschikking gegeven, maar tegen deze beschikking staat verzet open. Verzet zal logischerwijs volgen zijdens de Belastingdienst en beslaglegger [C], zodat er nog geen onherroepelijke gerechtelijke rangregeling is, zodat een minnelijke rangregeling nog altijd mogelijk is.

Ik stel voor dat wij (beslagleggers en geëxecuteerden) gezamenlijk notaris [notaris][(notariskantoor)] de opdracht geven de volgende minnelijke rangregeling uit te voeren. Er zijn nog drie beslagleggers. Ik geef de opdracht namens geëxecuteerde die ik ten deze volledigheidshalve in deze mailwisseling meeneem.”

2.17     Op 21 augustus 2023 heeft de belastingdienst het volgende e-mailbericht aan de advocaat van klager (met cc aan de notaris) gestuurd:

“Onderstaande mail heb ik wellicht wat te voorbarig gestuurd, gezien de termijn om in verzet te gaan tegen de beschikking van de rechtbank al verstreken was.

In overleg met onze advocaat heb ik daarom de opdracht gegeven om derdenbeslag te leggen, in dit geval onder de notaris”.

Van de andere belanghebbenden is geen reactie ontvangen door de notaris.

2.18     Bij beschikking van 6 september 2023 heeft de rechter-commissaris de rangregeling bepaald en een bevelschrift tot betaling afgegeven aan de notaris.

2.19     Op 2 oktober 2023 is de notaris tot betaling aan klager overgegaan.

3. De klacht

3.1       Klager dient de klacht in mede uit naam van c.q. in het belang van zijn echtgenote [F] en dochters [G] en [H]

3.2       De opbrengst van de veiling was meer dan voldoende om de hypotheekhouder en de schuldeisers te voldoen. Er zou meer dan € 100.000,- resteren voor klager. Door de veiling was klager dakloos geworden en had hij daarom met spoed het restant van de verkoopopbrengst nodig voor de aankoop van een nieuwe woning voor zijn gezin.

3.3       De notaris weigerde om de verkoopopbrengst te verdelen, terwijl alle beslagleggers mee wilden werken en de verdeling zeer eenvoudig had kunnen plaatsvinden.

3.4       Klager begrijpt de weigering niet. Op een telefonische vraag op 13 februari 2023 van de advocaat van klager aan een medewerker van de notaris kwam een reactie waarin de indruk werd gewekt dat gehandeld zou gaan worden zoals ook gehandeld wordt bij onderhandse verkopen oftewel dat de notaris actief zou meewerken aan de verdeling van de opbrengst (met andere woorden, alle beslagleggers worden benaderd met het verzoek een volmacht tot doorhaling te tekenen tegen voldoening van de vordering c.q. aandeel in de verkoopopbrengst). De advocaat van klager heeft diezelfde dag aan klager hierover het volgende e-mailbericht gestuurd:

“Ik heb het notariskantoor zojuist gesproken (mevrouw [I], collega van [J] ) en zij deelde mij het volgende mee.

Omdat het een veiling is, moet de rechtbank een soort goedkeuring voor overdracht doen en het verzoek tot die goedkeuring mag pas gedaan worden zodra de koopsom is gestort. Die koopsom is nog niet gestort, dus de goedkeuring kan ook nog niet gevraagd warden. Dat er al 10% is gestort, maakt dat niet alles. Al het geld moet binnen zijn. Die goedkeuring gaat normaal vrij snel. Daarna moet aan de beslagleggers worden opgevraagd hoe hoog hun vorderingen zijn en dan moet er een voorstel tot verdeling worden gedaan. Met dat voorstel moeten de schuldeisers akkoord gaan tenzij hun hele vordering wordt voldaan (en dat is bij u de verwachting). Maar, één van de schuldeisers is de belastingdienst en die is heel erg traag met beantwoorden. Zij maakt helaas mee dat het soms maanden duurt. Met de belastingdienst is amper contact te krijgen. Kennelijk is dat voor de notaris niet anders.”

3.5       Klager meent dat deze inspanningen van een notaris mogen worden verlangd. Later lijkt de notaris zich op het standpunt te stellen dat slechts een gerechtelijke rangregeling mogelijk zou zijn, al heeft de notaris daar nooit deugdelijk over gecommuniceerd. Indien de notaris dit als beleid hanteert dan moet hij bekend zijn met de doorlooptijd van dergelijke regelingen. De notaris heeft klager ook hierover niet geïnformeerd. Hierdoor is klager in de problemen gekomen. Door de weigering van de notaris kon klager de gesloten koopovereenkomst voor de nieuwe woning niet nakomen, waardoor hij 10% boete verschuldigd is geworden aan de verkoper. Klager heeft een gerechtelijke procedure aangespannen om die boete aan te vechten, maar dit verzoek is door de rechtbank afgewezen. Het gevolg is dat klager € 38.000,- schade heeft geleden, vermeerderd met rente en proceskosten.

3.6       Klager betwist dat een gerechtelijke rangregeling de enige mogelijkheid was en verwijt de notaris niet zelf de rangregeling te hebben geïnitieerd. Dat had immers al in februari 2023 kunnen worden gestart. Klager verwijt de notaris hierover ook ondeugdelijk te hebben gecommuniceerd.

4. Het verweer

4.1       De notaris heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Daarop zal – voor zover van belang voor de beoordeling – hierna worden ingegaan.

5. De beoordeling van de ontvankelijkheid

5.1       Voordat de kamer aan een inhoudelijke beoordeling van de klacht toekomt, moet eerst worden beoordeeld of de klacht namens dochters [G] en [H] ontvankelijk is. Volgens de notaris is de klacht niet-ontvankelijk omdat de dochters geen redelijk belang hebben bij de klacht. Zij waren niet rechtstreeks betrokken bij de openbare verkoop van de woning of rechthebbende op de opbrengst daarvan.

5.2       Op grond van artikel 99 lid 1 van de Wet op het notarisambt (Wna) kan ieder die daarbij enig redelijk belang heeft een klacht indienen. Het begrip ‘enig redelijk belang’ moet ruim worden opgevat. De wetsgeschiedenis vermeldt hierover:

“(…) Dit belang kan volgen uit betrokkenheid bij een specifieke zaak of bestaan uit een belang bij de handhaving van de beroepsnormen en -regels voor het notariaat. Naast de cliënt van de notaris, de KNB en het Bureau kan hierbij, afhankelijk van de concrete omstandigheden van het geval, worden gedacht aan belangenorganisaties, het openbaar ministerie en instanties die zijn belast met taken die raken aan werkzaamheden van de notaris, zoals gemeenten, de belastingdienst of het kadaster. Er geldt dan ook een ruim belanghebbendenbegrip: een rechtstreeks belang bij de klacht is niet zonder meer vereist, ook een indirect of afgeleid belang van de klager kan grond zijn voor ontvankelijkheid. Hiermee is een ruime toegang tot de tuchtrechtelijke klachtprocedure beoogd; ter ondersteuning van de corrigerende functie van het tuchtrecht en het zelfreinigend vermogen van de beroepsgroep. (…)” (Kamerstukken II, 2009-2010, 32 250, nr. 3, p. 26-27).

5.3       Uit het voorgaande volgt dat de indiening van een klacht hetzij direct, hetzij indirect of afgeleid, verband dient te houden met het eigen belang van degene die de klacht indient.

5.4       De kamer is van oordeel dat de dochters in deze zaak als belanghebbenden in de zin van de Wna moeten worden aangemerkt. Zij hebben een afgeleid belang, omdat zij de nieuwe woning hebben gekocht om ook hun ouders in te huisvesten en zij zijn een boete verschuldigd vanwege niet nakoming van de koopovereenkomst als gevolg van, naar zij stellen, het niet uitbetalen van het restant van de verkoopopbrengst. De dochters hebben ook zelf contact met het notariskantoor gehad over uitbetaling van de gelden vanwege de verschuldigdheid van de boete.

5.5       Nu de dochters ontvankelijk zijn in hun klacht, komt de kamer toe aan een inhoudelijke beoordeling van de klacht namens klager, zijn echtgenote en hun twee dochters.

6. De beoordeling van de klacht

6.1       Ter beoordeling van de kamer staat of de notaris heeft gehandeld in strijd met de tuchtnorm als geformuleerd in artikel 93 Wna. Een notaris is aan tuchtrechtspraak onderworpen ter zake van handelen of nalaten in strijd met hetzij enige bij of krachtens deze wet gegeven bepaling, hetzij met de zorg die hij als notaris behoort te betrachten ten opzichte van degenen te wier behoeve hij optreedt, alsmede ter zake van handelen of nalaten dat een behoorlijk notaris niet betaamt.

6.2       Een notaris dient zijn ambt in onafhankelijkheid uit te oefenen en de belangen van alle bij de rechtshandeling betrokken partijen op onpartijdige wijze en met de grootste zorgvuldigheid te behartigen (artikel 17 lid 1 Wna).

6.3       Klager verwijt de notaris - kort gezegd - dat hij weigerde om de veilingopbrengst te verdelen terwijl niets hieraan in de weg stond en dat hij onvoldoende deugdelijk daarover heeft gecommuniceerd.

6.4       De notaris heeft als verweer het volgende aangevoerd. Er was in onderhavig dossier sprake van een openbare verkoop. Afwikkeling van een eventuele restant opbrengst vindt dan plaats conform artikel 3:270 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Omdat er naast de hypotheekhouder nog andere schuldeisers waren, mocht de notaris op grond van lid 2 van artikel 3:270 BW het restant van de opbrengst niet uitkeren aan klager, maar werd dit restant op de kwaliteitsrekening van de notaris gestort en diende dit conform artikel 3:271 BW te worden afgewikkeld. Door de storting van de restant executie-opbrengst op de kwaliteitsrekening ontstond er een gemeenschap als bedoeld in artikel 3:166 lid 1 BW. Het restant behoort niet tot het vermogen van de geëxecuteerde (in casu klager), maar tot dat van de gezamenlijke rechthebbenden. De geëxecuteerde heeft slechts een aandeel in het restant onder de voorwaarde dat en voor zover daarvan na de verdeling onder de beslagleggers en andere rechthebbenden nog een overschot resteert.

Uit de mailwisseling tussen de advocaat van [X] en de advocaat van klager in december 2022 bleek dat er nog een procedure liep tussen klager en [X] en er dus van een verdeling op basis van door klager erkende vorderingen geen sprake kon zijn. De advocaat van [X] had bovendien eerder aan de notaris al aangegeven dat zijn cliënten een verdeling conform de rangregeling wilden. Op het verzoek van de notaris aan de overige belanghebbenden werd door de Belastingdienst niet gereageerd. Aldus was er formeel geen overeenstemming over een verdeling van het overschot als bedoeld in artikel 3:270 lid 5 BW en was een verdelingsovereenkomst geen optie. Daardoor resteerde alleen de weg van een gerechtelijke rangregeling.  

6.5       De notaris heeft hier nog het volgende aan toegevoegd. Hoewel de notaris door de wetgever is aangewezen als degene aan wie de koopprijs moet worden betaald, is de notaris niet vanzelfsprekend belast met de vaststelling van hetgeen aan ieder van de betrokkenen uit deze koopprijs toekomt. In een geval als het onderhavige, waarin de notaris niet als (partijdig) (proces)vertegenwoordiger of juridisch adviseur van klager optrad, mocht de notaris volstaan met het informeren van (de advocaat van) klager over de mogelijkheden van afwikkeling na ontvangst van de koopsom. Dat heeft de notaris gedaan. 

6.6       De kamer oordeelt als volgt. Het wettelijk kader duidelijk is. Er waren twee mogelijkheden om de veilingopbrengst te verdelen. De ene mogelijkheid was dat, als alle schuldeisers het met elkaar eens waren, de verdeling werd vastgelegd in een verdelingsovereenkomst. De andere mogelijkheid was de gerechtelijke rangregeling. Omdat was gebleken dat niet alle schuldeisers overeenstemming hadden bereikt over de (wijze van) verdeling, was het sluiten van een verdelingsovereenkomst niet mogelijk en kon er dus ook geen uitkering plaatsvinden op grond van een verdelingsovereenkomst. Een gerechtelijke rangregeling bleef over als de enige optie. De notaris kon volstaan met het informeren van klager hierover en hoefde, anders dan klager stelt, geen gerechtelijke rangregeling te initiëren. Op grond van artikel 3:271 lid 1 BW is dat immers de bevoegdheid van de in artikel 3:270 lid 5 BW genoemde belanghebbenden.   

6.7       Vervolgens is het de vraag of de notaris, zoals klager stelt en de notaris betwist, over het voorgaande onduidelijk heeft gecommuniceerd. Dit kan de kamer niet vaststellen op basis van het dossier. Desgevraagd heeft klager ter zitting bevestigd dat de onderbouwing van dit deel van de klacht enkel volgt uit de inhoud van het telefoongesprek dat op 13 februari 2023 heeft plaatsgevonden tussen de advocaat van klager en een medewerker van het notariskantoor en dat is weergegeven in een e-mail van eveneens 13 februari 2023 van de advocaat van klager aan klager. Deze weergave van een telefoongesprek, opgesteld door de advocaat van klager, biedt, mede gelet op de betwisting door de notaris, simpelweg onvoldoende grondslag om daar het oordeel op te baseren dat er door het notariskantoor onduidelijk is gecommuniceerd.

6.8       Bij het voorgaande neemt de kamer in aanmerking dat klager tijdens de hele periode werd bijgestaan door zijn advocaat. Verwacht mag worden dat de advocaat op de hoogte was van de juridische (on)mogelijkheden en zo nodig de vereiste acties had ondernomen, en bij twijfel, vragen of onduidelijkheden hier verder navraag over had gedaan bij de notaris.

6.9       De klacht is ongegrond.

BESLISSING

De kamer voor het notariaat:

verklaart de klacht ongegrond.

Deze beslissing is gegeven door mrs. J.F. Koekebakker, voorzitter, J. Snoeijer en M. Zwankhuizen, in tegenwoordigheid van de secretaris, mr. F.S. Pietersma-Smit, in het openbaar uitgesproken op 12 november 2025.

Kopie van deze beslissing wordt bij aangetekende brief aan partijen gezonden. Tegen deze beslissing staat hoger beroep open bij het Gerechtshof te Amsterdam, postbus 1312, 1000 BH  Amsterdam. Het beroepschrift dient binnen dertig dagen na de dagtekening van genoemde brief door het Hof te zijn ontvangen, waarbij de datum van ontvangst door het Hof bepalend is.