ECLI:NL:TNORDHA:2025:24 Kamer voor het notariaat Den Haag 25-29, 25-30, 25-50 en 25-51

ECLI: ECLI:NL:TNORDHA:2025:24
Datum uitspraak: 15-10-2025
Datum publicatie: 11-11-2025
Zaaknummer(s): 25-29, 25-30, 25-50 en 25-51
Onderwerp: Personen- en Familierecht, subonderwerp: Nalatenschap
Beslissingen: Klacht ongegrond
Inhoudsindicatie: Klager heeft de klacht ingediend namens een aantal kerkgenootschappen, twee stichtingen en zichzelf. De kandidaat-notaris heeft als waarnemer van de notaris een verklaring van erfrecht opgesteld. De notaris is in het boedelregister ingeschreven als betrokken notaris.Bij de beoordeling van de klachten geldt dat klager stelt te handelen namens een kerkgenootschap als bedoeld in art. 2:2 van het Burgerlijk Wetboek. Klager treedt niet op als schuldeiser of namens een schuldeiser, maar als/namens een erfgenaam. Hij heeft erkend dat erflaatster geen testament heeft gemaakt. Sprake zou zijn van een intern erfgenaamschap. De klacht is op alle onderdelen ongegrond.

Kamer voor het notariaat in het ressort Den Haag

Beslissing d.d. 15 oktober 2025 inzake de klachten onder nummers 25-29, 25-30, 25-50 en 25-51 van:

[klager],

hierna: klager,

tegen:

[notaris],

notaris, gevestigd te [vestigingsplaats],

hierna: de notaris,

en

[kandidaat-notaris],

kandidaat-notaris te [vestigingsplaats],

hierna: de kandidaat-notaris,

hierna tezamen: de notarissen.

1. Het procesverloop

1.1 De kamer heeft kennisgenomen van de klachten tegen de notarissen (klachtnummers 25-29 en 25-30), met bijlagen, ingekomen op 18 april 2025.

1.2 De kamer heeft het antwoord van de notarissen betreffende klachtnummers 25-29 en 25-30, met bijlagen, ontvangen.

1.3 De kamer heeft kennisgenomen van de klachten tegen de notarissen (klachtnummers 25-50 en 25-51), met bijlagen, ingekomen op 14 juli 2025.

1.4 De notarissen hebben een verweerschrift betreffende klachten 25-50 en 25-51, met bijlage, ingediend.

1.5 De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 17 september 2025. Daarbij waren aanwezig klager, en de notarissen. Van de mondelinge behandeling zijn schriftelijke aantekeningen gemaakt. Klager heeft pleitnotities overgelegd.

2. De feiten

2.1 Klager schrijft de klacht te hebben ingediend namens [Kerkgenootschap A] , [Stichting B], [Stichting C], [Kerkgenootschap D] (hierna: kerkgenootschap) en zichzelf.

2.2 Op 23 september 2023 is mevrouw [E] (hierna te noemen: erflaatster) overleden. Erflaatster was ten tijde van haar overlijden ongehuwd en niet als partner geregistreerd. Zij had geen kinderen. Erflaatster liet zus [F] en broer [G] achter.

2.3 Erflaatster heeft niet bij testament over haar nalatenschap beschikt.

2.4 Het sterfhuis van erflaatster is in Nederland.

2.5 De kandidaat-notaris heeft als waarnemer van de notaris op 7 januari 2025 een verklaring van erfrecht opgesteld. De notaris is in het boedelregister ingeschreven als betrokken notaris.

3. De klachten in klachtnummers 25-29 en 25-30

3.1 Klachtonderdeel 1

Klager heeft zich op 20 oktober 2024 tot het notariskantoor gewend, omdat een vereffenaar in de nalatenschap van erflaatster zich toegang had verschaft tot de woning van klager, archiefstukken heeft gestolen en een plakkaat op de deur had geplakt. Klager verzocht de notarissen hem de naam te verstrekken van de vereffenaar. De kandidaat-notaris ontkende dat er een vereffenaar was benoemd. Achteraf blijkt dat zus [F] op 3 oktober 2024 een verklaring van beneficiaire aanvaarding had ondertekend en in die hoedanigheid vereffenaar was geworden.

3.2 Klachtonderdeel 2

Klager heeft diverse malen om een afschrift van de verklaring van erfrecht verzocht. Van het notariskantoor kreeg hij de volgende reactie: “Of een recht tot levering voor de door u genoemde entiteit(en) bestaat, valt door ons niet te verifiëren. Mijn conclusie is dan ook dat wij geen afschrift van de verklaring van erfrecht kunnen verstrekken.” Deze reactie is onterecht, omdat de entiteiten belanghebbenden zijn en er een verklaring van dienstbaarheid, een trustakte en diverse beschrijvingen zijn verstrekt aan het kantoor. Uit het boedelregister blijkt dat het kerkgenootschap zich als erfgenaam heeft ingeschreven en daarmee belanghebbende is.

3.3 Klachtonderdeel 3

Op het verzoek van klager van 27 oktober 2024 en nadere verzoeken is nimmer door het notariskantoor gereageerd. Door moeizame communicatie is klager bijna zes maanden bezig geweest om een afschrift van de verklaring van erfrecht te verkrijgen.

3.4 Klachtonderdeel 4

Pas op 14 april 2025 heeft het notariskantoor klager erop gewezen dat de verklaring van erfrecht op 8 januari 2025 was ingeschreven in het kadaster.

4. De klachten in klachtnummers 25-50 en 25-51

4.1 Klachtonderdeel 5

De notaris heeft nagelaten om, ondanks de inschrijving van het kerkgenootschap als erfgenaam en klager als gevolmachtigde in het boedelregister, nader onderzoek te verrichten naar de testamentaire of juridische grondslag van deze aanwijzing. De notaris heeft zich beperkt tot de natuurlijke erfgenamen en niet getoetst aan het internationaal privaatrecht of erkenning van buitenlandse truststructuren. Klager is hierover als gemachtigde niet geïnformeerd. De notaris is hierdoor tekortgeschoten in zijn zorgplicht tot vaststelling van de erfgenamen.

4.2 Klachtonderdeel 6

Inschrijving van een instelling of van een niet-natuurlijk persoon in het boedelregister dient aanleiding te zijn tot nader onderzoek. Door dit na te laten heeft de notaris een onterechte vereffening in werking gezet, met uitsluiting van de daadwerkelijke rechthebbende instelling.

4.3 Klachtonderdeel 7

De notaris heeft onzorgvuldig gehandeld door zonder nadere toetsing een volmacht op te stellen waarbij de afwikkeling van de nalatenschap geheel over wordt gedragen aan een natuurlijk persoon, terwijl er sprake is van een trustrelatie en een religieus-juridisch erfgenaamschap.

5. Het verweer

5.1 De notarissen hebben gemotiveerd verweer gevoerd. Daarop zal – voor zover van belang voor de beoordeling – hierna worden ingegaan.

6. De beoordeling van de ontvankelijkheid

6.1 Klager heeft niet met redenen omkleed welk handelen of nalaten hij de notaris verwijt. Niet is gebleken dat de notaris enige betrokkenheid heeft gehad bij onderhavig dossier, anders dan dat de verklaring van erfrecht door de kandidaat-notaris is gepasseerd in het protocol van de notaris. Voor zover de klachten tegen de notaris zijn gericht zijn deze niet-ontvankelijk.

7. De beoordeling van de klachten

7.1 Ter beoordeling van de kamer staat of de kandidaat-notaris heeft gehandeld in strijd met de tuchtnorm als geformuleerd in artikel 93 Wna. Notarissen zijn aan tuchtrechtspraak onderworpen ter zake van handelen of nalaten in strijd met hetzij enige bij of krachtens deze wet gegeven bepaling, hetzij met de zorg die zij als notarissen behoren te betrachten ten opzichte van degenen te wier behoeve zij optreden, alsmede ter zake van handelen of nalaten dat behoorlijk notarissen niet betaamt.

7.2 Bij die beoordeling geldt dat klager stelt te handelen namens een kerkgenootschap als bedoeld in art. 2:2 van het Burgerlijk Wetboek. Het gaat daarbij om de [Kerkgenootschap A], waarvan de zetel verplaatst is naar het Verenigd Koninkrijk. Ter zitting heeft hij, daarnaar gevraagd, verklaard dat hij niet optreedt als schuldeiser of namens een schuldeiser, maar als/namens een erfgenaam. Hij heeft erkend dat erflaatster geen testament heeft gemaakt. Sprake zou zijn van een intern erfgenaamschap, naar de regels van de [Kerkgenootschap A].

7.3. Hetgeen de kamer overweegt over rechtspersonen of entiteiten geldt niet alleen voor de [Kerkgenootschap A] maar voor alle in de klaagschriften en aanvullende stukken voorkomende rechtspersonen en entiteiten, waaronder [Kerkgenootschap H], [Stichting B], [Kerkgenootschap D] en [Stichting C].

Klachtonderdeel 1

7.4 Uit de verklaring van erfrecht van 7 januari 2025 blijkt dat erflaatster volgens de wettelijke regels van erfopvolging haar zus, [F], en haar broer, [G], als enig erfgenamen heeft achtergelaten.

7.5 Beide erfgenamen hebben de nalatenschap beneficiair aanvaard. Er is niet gebleken dat een vereffenaar was benoemd toen de kandidaat-notaris op 23 oktober 2024 de bedoelde mededeling deed. Die mededeling was dan ook niet onjuist. Daarbij komt dat [G] eerst op 12 december 2024 de nalatenschap beneficiair aanvaardde, zodat toen pas duidelijk was wie van de erfgenamen de nalatenschap aanvaardde (en op welke manier) en wie (al dan niet gezamenlijk) de nalatenschap dienden te vereffenen. Dit klachtonderdeel is ongegrond.

7.6 Dat onbekenden zich toegang tot de woning van klager zouden hebben verschaft, archiefstukken zou hebben gestolen, waaronder alle door erflaatster getekende documenten, en een plakkaat op de deur zouden hebben geplakt – een foto van het plakkaat bevindt zich in het dossier, met daarop onder andere “Op beslissing van de Wettige Vereffenaar van de nalatenschap van mevrouw [E] ” en de waarschuwing van een dwangsom van € 25.000 per persoon per gebeurtenis – is niet voldoende voor het oordeel dat (toch) een vereffenaar in de zin van het Burgerlijk Wetboek was benoemd.

Klachtonderdeel 2

7.7 Omdat erflaatster geen testament had gemaakt hebben de notarissen het Nederlandse versterferfrecht toegepast. Dat wees klager niet als erfgenaam aan, terwijl ook rechtspersonen/entiteiten op grond daarvan geen erfgenaam zijn. Interne regels van een kerkgenootschap of andere entiteit maken dat niet anders. Dat een inschrijving in het boedelregister is gedaan, maakt niet dat die ingeschrevene erfgenaam en daarmee belanghebbende is.

7.8 Nu klager noch de entiteiten namens wie hij verklaarde te handelen als erfgenaam moesten worden aangemerkt, zij dus niet in die hoedanigheid recht hadden op de gevraagde informatie en er geen andere reden voor verstrekking van de gevraagde informatie was, heeft de kandidaat-notaris die verstrekking terecht geweigerd. Het klachtonderdeel is ongegrond.

Klachtonderdeel 3

7.9 Dit klachtonderdeel ontbeert feitelijke grondslag. De kandidaat-notaris heeft op 19 januari 2025 diverse documenten van klager ontvangen ter ondersteuning van zijn verzoek tot verkrijging van de verklaring van erfrecht. Dat is in lijn met de hoeveelheid en diverse aard van de stukken die de kamer in deze procedures van klager heeft ontvangen. Onbestreden is dat de kandidaat-notaris getracht heeft de overgelegde stukken te doorgronden. Uiteindelijk heeft zij vastgesteld dat van een nadere onderbouwing van de vertegenwoordigingsbevoegdheid van klager geen sprake was. Van de gestelde belangen van de andere entiteiten was niet gebleken. De kandidaat-notaris heeft haar standpunt tegenover klager onderbouwd. Dit klachtonderdeel is ongegrond.

Klachtonderdeel 4

7.10 De beoordeling van dit klachtonderdeel hangt samen met de beoordeling van klachtonderdelen 2 en 3. De kandidaat-notaris mocht volstaan met de mededeling dat zij had geconcludeerd dat zij klager geen afschrift van de verklaring van erfrecht kon verstrekken. Dit klachtonderdeel is ongegrond.

Klachtonderdeel 5

7.11 De kandidaat-notaris heeft het onderzoek naar de erfgenamen gedaan aan de hand van Nederlands recht. Het sterfhuis is in Nederland. Na de vaststelling dat geen testament was gemaakt – hetgeen klager erkent – resteerde de toepassing van het versterferfrecht. De documenten die klager heeft overgelegd derogeren niet aan het Nederlandse erfrecht. Dat, zoals de kamer de stellingen van klager begrijpt, een buitenlandse entiteit mogelijk erfgenaam zou zijn, betekent niet dat internationaal privaatrecht – en dus mogelijk ander erfrecht – van toepassing is. De kandidaat-notaris was niet gehouden tot verdergaand onderzoek dan zij reeds had verricht. Dit klachtonderdeel is ongegrond.

Klachtonderdeel 6

7.12 Ten aanzien van dit onderdeel verwijst de kamer naar hetgeen ten aanzien van klachtonderdeel 2 is overwogen over de inschrijving in het boedelregister.

7.13 In aanvulling daarop merkt de kamer op dat het versterferfrecht – dat in dit geval bij gebreke van een testament van toepassing is – erfgenaamschap van rechtspersonen (en zelfs van natuurlijke personen niet zijnde familieleden) uitsluit. De inschrijving in het boedelregister (“zuivere aanvaarding, - [klager](gevolmachtigde) – [Kerkgenootschap D] (Erfgenaam)”) zou de kandidaat-notaris dan ook niet voor juist hebben mogen houden en aan enig onderzoek ten grondslag hebben mogen leggen.

7.14 Nu voor verder onderzoek geen grond was, is dit klachtonderdeel ongegrond.

Klachtonderdeel 7

7.15 Vast staat dat de kandidaat-notaris een onderhandse volmacht heeft opgesteld op verzoek van de twee erfgenamen, waarin zij onderling de bevoegdheden regelen. Daarmee heeft zij niet klachtwaardig gehandeld. Stellingen over juridisch-religieus erfgenaamschap of internationale trustrelaties leiden niet tot een ander oordeel. Ook dit klachtonderdeel is ongegrond.

8. Nevenverzoek notaris

8.1 De notaris heeft verzocht in deze uitspraak op te nemen dat klager een verklaring heeft opgesteld als internationaal notaris, terwijl hem door de voorzieningenrechter verboden is zichzelf als internationaal notaris of notaris te presenteren.

8.2 Het is niet aan de kamer vaststellingen te doen over een klager, indien die niet relevant zijn voor de te nemen beslissing. Het verzoek is dan ook buiten de orde.

BESLISSING

De kamer voor het notariaat:

  • verklaart de klachten voor zover tegen de notaris gericht niet-ontvankelijk;
  • verklaart de klachten voor zover tegen de kandidaat-notaris gericht op alle onderdelen ongegrond.

Deze beslissing is gegeven door mrs. G.H.M. Smelt, voorzitter, R.R. Roukema en J.W.A.P. Michels, in tegenwoordigheid van de secretaris, mr. F.S. Pietersma-Smit, in het openbaar uitgesproken op 15 oktober 2025.

Kopie van deze beslissing wordt bij aangetekende brief aan partijen gezonden. Tegen deze beslissing staat hoger beroep open bij het Gerechtshof te Amsterdam, postbus 1312, 1000 BH Amsterdam. Het beroepschrift dient binnen dertig dagen na de dagtekening van genoemde brief door het Hof te zijn ontvangen, waarbij de datum van ontvangst door het Hof bepalend is.