ECLI:NL:TNORDHA:2025:23 Kamer voor het notariaat Den Haag 25-19
| ECLI: | ECLI:NL:TNORDHA:2025:23 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 15-10-2025 |
| Datum publicatie: | 11-11-2025 |
| Zaaknummer(s): | 25-19 |
| Onderwerp: | Personen- en Familierecht, subonderwerp: Nalatenschap |
| Beslissingen: |
|
| Inhoudsindicatie: | Klaagster verwijt de toegevoegd notaris dat hij niet (tijdig) heeft gecommuniceerd over het eindigen van zijn hoedanigheid van executeur. De toegevoegd notaris is overgegaan tot verdeling van de nalatenschap, zonder de erfgenamen daarbij te informeren over de (restant)vordering van klaagster. Verder verwijt klaagster de toegevoegd notaris dat hij niet voldaan heeft aan de verplichting tot betaling van een bedrag van € 1.325,- aan overeengekomen schadevergoeding.De kamer is van oordeel dat de toegevoegd notaris zonder dat eerst vereffening van de boedel had plaatsgevonden niet mocht overgaan tot verdeling. Hij was immers op de hoogte van een geschil met een schuldeiser van de boedel over het bestaan en de hoogte van haar beweerde vordering. Dit klachtonderdeel is gegrond met oplegging van de maatregel van berisping. Voor het overige is de klacht ongegrond. |
Kamer voor het notariaat in het ressort Den Haag
Beslissing d.d. 15 oktober 2025 inzake de klacht onder nummers 25-19 van:
[klaagster],
gemachtigde: mr. G.W.J. van Dijke, advocaat te Middelburg,
hierna: klaagster,
tegen:
[toegevoegd notaris],
toegevoegd notaris te [vestigingsplaats], thans kandidaat-notaris te [vestigingsplaats],
gemachtigde: mr. H.J. Delhaas, advocaat te Amsterdam,
hierna: de toegevoegd notaris.
1. Het procesverloop
1.1 De kamer heeft kennisgenomen van de klacht, met bijlagen, ingekomen op 10 maart 2025.
1.2 Op 14 mei 2025 heeft klaagster een aanvulling op de klacht ingediend.
1.3 De kamer heeft het antwoord van de toegevoegd notaris, met bijlagen, ontvangen.
1.4 De toegevoegd notaris heeft op 27 mei 2025 een nadere productie ingediend.
1.5 De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 17 september 2025. Daarbij waren aanwezig klaagster, bijgestaan door mr. Van Dijke en de toegevoegd notaris, bijgestaan door mr. Delhaas. Van de mondelinge behandeling zijn schriftelijke aantekeningen gemaakt. Klaagster heeft een pleitnotitie overgelegd.
2. De feiten
2.1 Op 23 januari 2013 overleed de vader van klaagster, de heer [A] (hierna: erflater).
2.2 Erflater was gehuwd met mevrouw [B] (hierna te noemen: stiefmoeder).
2.3 Erflater heeft op 4 april 2001 een langstlevendetestament gemaakt, verleden voor een waarnemer van mr. [C] , destijds notaris te [vestigingsplaats]. Klaagster en stiefmoeder zijn samen tot enig erfgenamen benoemd, ieder voor een gelijk deel. Het testament hield verder een ouderlijke boedelverdeling in, waarbij alle activa van de nalatenschap zijn toebedeeld aan de langstlevende (stiefmoeder) en klaagster een niet-direct opeisbare vordering verkreeg ter grootte van haar erfdeel.
2.4 Stiefmoeder is op 14 augustus 2022 overleden.
2.5 Na het overlijden van stiefmoeder is de vordering van klaagster op stiefmoeder opeisbaar geworden.
2.6 De toegevoegd notaris is benoemd tot executeur-afwikkelingsbewindvoerder in de nalatenschap van stiefmoeder.
2.7 Op 4 januari 2023 heeft de toegevoegd notaris klaagster een brief gestuurd. In die brief staat onder meer:
“Naar aanleiding van het overlijden van uw vader in 2013 was er destijds geen notaris ingeschakeld voor de afwikkeling van de nalatenschap. Voor de overdracht van de woning die nog op naam staat van uw vader en mevrouw [B], dient daarom uitgezocht te worden wie daarover gerechtigd is. Dit geschiedt door middel van een erfgenamenonderzoek. (…)
Het testament houdt tevens in een zogenaamde ouderlijke boedelverdeling, waarbij alle activa van de nalatenschap zijn toebedeeld aan de langstlevende en aan u een niet-direct opeisbare vordering ter grootte van uw erfdeel.
Deze vordering is destijds al vastgesteld en er is hiervan tevens aangifte gedaan voor de erfbelasting. Deze is inmiddels ook voldaan. Uw vordering is thans opeisbaar bij het overlijden van mevrouw [B]. Over deze vordering wordt conform het testament geen rente berekend. Deze zal aan u worden voldaan op een nog door u aan te geven eigen rekeningnummer, nadat de woning is verkocht.
Een kopie van de aanslag erfbelasting waarin tevens is opgenomen uw renteloze vordering ad € 82.796 ter verminderen met de erfbelasting ad € 2.364 treft u als bijlage aan.”
2.8 Op 13 mei 2024 heeft de toegevoegd notaris de kantonrechter te Leiden verzocht hem op grond van artikel 4:149, tweede lid, BW uit de hoedanigheid van executeur te ontslaan. Daarin schrijft hij onder meer: “Met het ontslag van mij als executeur staat de weg vrij aan partijen om de discussie rechtstreeks in of buiten rechte te kunnen voeren en niet (verplicht) via mij in mijn hoedanigheid van executeur ex artikel 4:145 lid 2 BW.”
2.9 Op 24 mei 2024 heeft de toegevoegd notaris de kantonrechter te Leiden aanvullend verzocht hem te ontslaan als afwikkelingsbewindvoerder.
2.10 Het verzoek van klaagster van 25 juni 2024 om in die procedure betrokken te worden is door de rolrechter afgewezen.
2.11 Bij e-mailbericht van 18 juli 2024 heeft mr. Van Dijke namens klaagster het volgende aan de toegevoegd notaris bericht:
“Tot slot verzoek ik u om mij te berichten, zodra u niet meer als executeur in functie bent. Wilt u mij bij die gelegenheid ook laten weten wie het (nieuwe) aanspreekpunt van cliënte is voor de betaling van haar (restant)vordering uit hoofde van de afwikkeling van de nalatenschap van haar vader?”
2.12 Op 5 november 2024 zijn de toegevoegd notaris en [C] en [D] ten overstaan van de kantonrechter een schikking overeengekomen. Die hield in:
"Ter beëindiging van het onderhavige geschil komen partijen het navolgende overeen.
1. De executele betreffende de nalatenschap van [B] geldt als te zijn afgewikkeld.
2. Partij [E] betaalt uiterlijk binnen twee weken na heden aan partij [F] het bedrag dat aan hen als erfgenamen na de verdeling toekomt, zijnde een bedrag van (€ 125.668,85 + € 562,50 =) € 126.231,35 per persoon. De boekhouder van partij [E] zal de over het verschuldigde bedrag wettelijke rente berekenen. Partij [E] is deze wettelijke rente ook verschuldigd.
3. Betaling zal plaatsvinden door overmaking op de rekeningnummers van [D] en [C], bij partij [E] bekend, onder vermelding van kenmerk “nalatenschap [B].”
4. Partijen hebben na uitvoering van deze regeling met betrekking tot dit geschil over en weer niets meer van elkaar te verzoeken en verlenen elkaar ter zake finale kwijting.
5. Partijen dragen ieder de eigen proceskosten.
6. De procedure eindigt door deze vaststellingsovereenkomst.”
2.13 Op 11 november 2024 heeft klaagster een dagvaarding laten betekenen aan de toegevoegd notaris betreffende de vaststelling van de civiele vordering en de uitbetaling.
2.14 De grosse van het proces-verbaal van de zitting van 5 november 2024, tevens houdende de schikking, wordt afgegeven op 15 november 2024.
2.15 Klaagster heeft begin 2025 de dagvaardingsprocedure ingetrokken.
3. De klacht
3.1 Klaagster verwijt de toegevoegd notaris dat hij niet (tijdig) heeft gecommuniceerd over het eindigen van zijn hoedanigheid van executeur. Op 17 december 2024 vernam klaagster van de advocaat van de toegevoegd notaris dat hem op 5 november 2024 ontslag was verleend als executeur in de nalatenschap van stiefmoeder. Klaagster heeft hierdoor onnodig kosten gemaakt voor de dagvaardingsprocedure (griffiekosten van € 1.325,-, deurwaarderskosten en (extra) advocaatkosten).
3.2 Verder verwijt klaagster de toegevoegd notaris dat hij niet voldaan heeft aan de verplichting tot betaling van een bedrag van € 1.325,- aan overeengekomen schadevergoeding. Klaagster heeft ingestemd met intrekking van de dagvaardingsprocedure. Daarbij heeft zij verzocht om vergoeding van de door haar gemaakte kosten ontstaan door het niet tijdig communiceren door de toegevoegd notaris over het ontslag als executeur/afwikkelingsbewindvoerder. De toegevoegd notaris was bereid de griffiekosten te vergoeden, maar de betaling daarvan heeft niet (tijdig) plaatsgevonden.
3.3 Uit de aanvulling op de klacht volgt dat klaagster de toegevoegd notaris verwijt dat hij is overgegaan tot verdeling van de nalatenschap, zonder de erfgenamen daarbij te informeren over de (restant)vordering van klaagster. Vervolgens heeft hij klaagster bewust niet geïnformeerd dat hij al verdeeld had.
4. Het verweer
4.1 De toegevoegd notaris heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Daarop zal – voor zover van belang voor de beoordeling – hierna worden ingegaan.
5. De beoordeling van de klacht
5.1 Ter beoordeling van de kamer staat of de toegevoegd notaris heeft gehandeld in strijd met de tuchtnorm als geformuleerd in artikel 93 Wna. Een toegevoegd notaris is aan tuchtrechtspraak onderworpen ter zake van handelen of nalaten in strijd met hetzij enige bij of krachtens deze wet gegeven bepaling, hetzij met de zorg die hij als toegevoegd notaris behoort te betrachten ten opzichte van degenen te wier behoeve hij optreedt, alsmede ter zake van handelen of nalaten dat een behoorlijk toegevoegd notaris niet betaamt.
Ten aanzien van klachtonderdelen I en III
5.2 Uit de stukken en de toelichting ter zitting blijkt de bedoeling van de toegevoegd notaris met het onder 2.8 bedoelde verzoek: hij wilde niet langer de executeur zijn. In het verzoekschrift heeft hij de omstandigheden van de executele duidelijk geschetst, in het bijzonder het geschil tussen de erfgenamen en klaagster over de vordering van € 52.289,85. Hij beoogde die kwestie verder aan de erfgenamen en klaagster te laten.
5.3 Niet is gebleken van ontslag als executeur door de kantonrechter; de procedure is geëindigd in een vaststellingsovereenkomst. Daarin is overeengekomen dat de executele ‘geldt als te zijn afgewikkeld’ en dat de toegevoegd notaris aan de erfgenamen zou betalen “het bedrag dat aan hen als erfgenamen na de verdeling toekomt.” In die overeenkomst is geen voorbehoud gemaakt over eventuele te vereffenen vorderingen, zoals de gestelde vordering van klaagster, of is anderszins vorm gegeven aan de bedoeling van de toegevoegd notaris om de erfgenamen de boedel verder te laten vereffenen.
5.4 De toegevoegd notaris mocht zonder dat eerst vereffening van de boedel had plaatsgevonden niet tot die verdeling overgaan. Hij was immers op de hoogte van een geschil met een schuldeiser van de boedel over het bestaan en de hoogte van haar beweerde vordering. Hij is echter zonder enig voorbehoud overeengekomen de gelden van de boedel over te maken aan de erfgenamen en heeft kwijting verleend. Deze handelwijze is klachtwaardig en daarom is dit klachtonderdeel gegrond.
5.5 Op een toegevoegd notaris rust niet een algemene plicht boedelschuldeisers desverzocht op de hoogte te houden van door hem als executeur gevoerde procedures. Klaagster was op de hoogte van de procedure bij de kantonrechter en had reeds getracht daarin betrokken te worden. Klaagster heeft (na haar verzoek van een aantal maanden eerder) in november een dagvaarding uitgebracht zonder eerst bij de toegevoegd notaris/gedaagde te informeren naar de stand van zaken ten aanzien van de executele. Dat kan de toegevoegd notaris niet bij wijze van gebrek aan informatievoorziening worden verweten. Of, zoals verwoord in de klacht, de ‘hoedanigheid van executeur’ door de vaststellingsovereenkomst is geëindigd, kan dan ook in het midden blijven. Dat klachtonderdeel is ongegrond.
Ten aanzien van klachtonderdeel II
5.6 Een toegevoegd notaris pro se neemt bij het aangaan van een overeenkomst en bij het nakomen daarvan op dezelfde wijze aan het economisch verkeer deel als ieder ander. Een schuldeiser staan tegen hem dezelfde middelen ten dienste als tegen andere schuldenaren. In beginsel geldt dezelfde morele betalingsplicht als voor ieder ander; te laat betalen is op zichzelf geen tuchtrechtelijk verwijt voor een notaris of executeur, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden.
5.7 De toegevoegd notaris verplichtte zich tot vergoeding van een deel van de kosten van klaagster. Dat deed hij niet in zijn hoedanigheid van executeur of in zijn hoedanigheid van toegevoegd notaris – zoals de verplichting tot het uitbetalen van derdengelden –, maar als zichzelf. Hij heeft aangevoerd dat door een ongelukkige samenloop van omstandigheden (verkeerd rekeningnummer advocaat doorgegeven, reglement beperking uitbetaling derdengelden, geen reactie boekhouder en wisseling van werkgever door de toegevoegd notaris) niet tijdig is betaald en heeft daarvoor zijn excuses aangeboden. Uit de klacht noch uit het dossier blijkt van bijzondere omstandigheden die maken dat deze late betaling tuchtrechtelijk verwijtbaar is. Dit klachtonderdeel is ongegrond.
6. Maatregel
6.1 Het gegronde klachtonderdeel rechtvaardigt een maatregel. Bij de bepaling daarvan weegt mee dat deze kamer de toegevoegd notaris bij beslissing van 17 juli 2024 de maatregel van berisping oplegde naar aanleiding van een klacht van dezelfde klaagster in hetzelfde dossier. Op het moment van het sluiten van de vaststellingsovereenkomst was de toegevoegd notaris daarvan op de hoogte. Hij had daarom bijzonder alert dienen te zijn op onzorgvuldig handelen.
6.2 Verder weegt mee dat duidelijk is dat de toegevoegd notaris niet de bedoeling heeft gehad klaagster te benadelen. Hij was executeur in een boedel met een vasthoudende schuldeiser, die niet tot een vergelijk met de erfgenamen kwam. In plaats van ten laste van de boedel over die vordering te procederen heeft hij het willen overlaten aan de beweerde schuldeiser en de erfgenamen en heeft dat ook zo aan de kantonrechter voorgelegd. De overeenkomst die hij vervolgens sloot was echter onvoldoende doordacht en het was onzorgvuldig die aan te gaan. Klaagster loopt, als haar vordering komt vast te staan, daardoor een groter incassorisico.
6.3 In dit geval is het geheel van feiten en omstandigheden dusdanig dat, de recente maatregel meegewogen, (wederom) de maatregel van berisping passend en geboden is.
6.4 Omdat de kamer de klacht gegrond verklaart, dient de toegevoegd notaris op grond van artikel 99, vijfde lid, van de Wna het door klaagster betaalde griffierecht van € 50,00 aan haar te vergoeden.
6.5 De kamer ziet aanleiding om de toegevoegd notaris, gelet op artikel 103b, eerste lid, onder a, van de Wna en de Richtlijn kostenveroordeling kamers voor het notariaat, te veroordelen in de kosten die klaagster in verband met de behandeling van de klacht redelijkerwijs heeft moeten maken voor het bijwonen van de zitting, forfaitair vastgesteld op een bedrag van € 50,00 alsmede de toegevoegd notaris te veroordelen in de kosten die klaagster heeft moeten maken voor de beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op in totaal € 1.050,00 (bestaande uit 1 punt voor het indienen van een klaagschrift en 1 punt voor de bijstand ter zitting met een waarde per punt van € 525,00).
6.6 De toegevoegd notaris dient het griffierecht en de kosten genoemd in overweging 6.5 binnen vier weken na het onherroepelijk worden van deze beslissing aan klaagster te vergoeden. Klaagster dient daarvoor tijdig haar rekeningnummer schriftelijk door te geven aan de toegevoegd notaris.
6.7 Verder ziet de kamer aanleiding om de notaris, gelet op artikel 103b, eerste
lid, onder b, van de Wna en de Richtlijn kostenveroordeling kamers voor het notariaat,
te veroordelen in de kosten die in verband met de behandeling van de zaak zijn gemaakt.
Deze kosten worden vastgesteld op
€ 2.000,00. De kamer bepaalt dat deze kosten binnen vier weken na het onherroepelijk
worden van deze beslissing moeten worden betaald aan de Kamer. De notaris ontvangt
hiervoor een nota van het Landelijk Dienstencentrum voor de Rechtspraak (LDCR) te
Utrecht.
BESLISSING
De Kamer voor het notariaat:
- verklaart de klacht deels ongegrond en deels gegrond;
- legt de toegevoegd notaris de maatregel van berisping op;
- veroordeelt de toegevoegd notaris tot betaling van het griffierecht van € 50,00 aan klaagster;
- veroordeelt de toegevoegd notaris tot betaling van de kosten van klaagster, vastgesteld op € 1.100,00;
- veroordeelt de toegevoegd notaris tot betaling van de kosten in verband met de behandeling van de zaak, vastgesteld op € 2.000,00.
Deze beslissing is gegeven door mrs. G.H.M. Smelt, voorzitter, R.R. Roukema en J.W.A.P. Michels, in tegenwoordigheid van de secretaris, mr. F.S. Pietersma-Smit, in het openbaar uitgesproken op 15 oktober 2025.
Kopie van deze beslissing wordt bij aangetekende brief aan partijen gezonden. Tegen deze beslissing staat hoger beroep open bij het Gerechtshof te Amsterdam, postbus 1312, 1000 BH Amsterdam. Het beroepschrift dient binnen dertig dagen na de dagtekening van genoemde brief door het Hof te zijn ontvangen, waarbij de datum van ontvangst door het Hof bepalend is.