ECLI:NL:TNORARL:2025:46 Kamer voor het notariaat Arnhem-Leeuwarden C/05/447262 / KL RK 25-15

ECLI: ECLI:NL:TNORARL:2025:46
Datum uitspraak: 14-08-2025
Datum publicatie: 05-06-2026
Zaaknummer(s): C/05/447262 / KL RK 25-15
Onderwerp: Overig, subonderwerp: Overig
Beslissingen: Verzet gegrond
Inhoudsindicatie: Het verzet van klager is deels gegrond verklaard ten aanzien van twee klachtonderdelen, omdat in de voorzittersbeslissing deze klachtonderdelen onjuist zijn geïnterpreteerd en daarom nog niet is beslist op de eigenlijke klacht van klaagster over onderwerpen.

KAMER VOOR HET NOTARIAAT IN HET RESSORT ARNHEM-LEEUWARDEN

Kenmerk:         C/05/447262 / KL RK 25-15

beslissing van de kamer voor het notariaat in het ressort Arnhem-Leeuwarden op het verzet van

[Klaagster],

gevestigd te [plaats],

klaagster

gemachtigde: [naam gemachtigde]

tegen de beslissing van de voorzitter van de kamer van 3 januari 2025

op de klacht tegen

[Notaris],

notaris te [plaats]

Partijen worden hierna respectievelijk klager en de notaris genoemd.

1. Het verloop van de procedure

1.1 Voor het verloop van de procedure tot aan de beslissing van de voorzitter van 3 januari 2025 verwijst de kamer naar die beslissing (hierna: de voorzittersbeslissing).

1.2 In een brief van 9 januari 2025 heeft klaagster verzet ingesteld tegen de voorzittersbeslissing. Bij brieven van 6 februari 2025 en 13 februari 2025 heeft klaagster de gronden van haar verzet aangevuld.

1.3 De kamer heeft het verzet behandeld op de zitting van 23 mei 2025. Klaagster en haar gemachtigde waren daarbij aanwezig.

2. De feiten

Voor de feiten gaat de kamer uit van wat is overwogen in de beslissing van de voorzitter van 3 januari 2025, aangezien daartegen door klaagster geen bezwaren zijn ingebracht.

3. De beoordeling van het verzet

3.1 Tijdigheid van het verzet

3.1.1 Voordat wordt toegekomen aan de inhoudelijke beoordeling van het verzet, moet eerst worden vastgesteld of klaagster in het verzet kan worden ontvangen.

3.1.2 Op grond van artikel 99 lid 15 van de Wet op het Notarisambt (hierna: Wna) kan de klager binnen veertien dagen na de dag van verzending van het afschrift van de voorzittersbeslissing schriftelijk verzet instellen tegen de beslissing tot afwijzing van een klacht. Klager dient hierbij gemotiveerd aan te geven met welke overwegingen van de voorzitter hij zich niet kan verenigen.

3.1.3 Het afschrift van de voorzittersbeslissing is op 3 januari 2025 aan klaagster verzonden. Dit betekent dat de termijn van artikel 99 lid 15 Wna op 4 januari 2025 is aangevangen. Het verzet is op 9 januari 2025 door de kamer ontvangen en daarmee tijdig ingesteld. Klaagster kan in haar verzet worden ontvangen.

3.2 Gronden van de voorzittersbeslissing

3.2.1 In de voorzittersbeslissing zijn de door klaagster ingediende klachtonderdelen 1, 2 en 4 kennelijk niet-ontvankelijk verklaard en is klachtonderdeel 3 kennelijk ongegrond verklaard.

3.2.2 De voorzitter heeft daarbij de klachtonderdelen als volgt samengevat:

“3.1 Klaagster verwijt de notaris dat hij onzorgvuldig heeft gehandeld, omdat hij

1. erflater in december 2017 wilsbekwaam heeft bevonden, terwijl de rechter achteraf onherroepelijk heeft geoordeeld dat erflater wilsonbekwaam was ter zake van de verkoop van de woning;

2. heeft geweigerd om in de leveringsakte van 29 december 2017 afspraken vast te leggen met betrekking tot de 24/7 zorg die klaagster aan erflater zou verlenen;

3. heeft geweigerd om informatie te verstrekken over zijn gesprekken met erflater;

4. niet heeft gereageerd op de aansprakelijkheidstelling van 14 augustus 2024.”

3.2.3 De voorzitter heeft vervolgens – kort samengevat – over de klachtonderdelen 1 en 2 overwogen dat klaagster haar klacht te laat heeft ingediend (buiten de driejaarstermijn en de uitzonderingstermijn van artikel 99 lid 21 Wna), over klachtonderdeel 3 dat er geen aanleiding is te veronderstellen dat de notaris zich ten onrechte op zijn geheimhoudingsplicht heeft beroepen en over klachtonderdeel 4 dat de aansprakelijkheidstelling buiten de beoordeling van de kamer valt.

3.4 Toetsing

3.4.1 De gronden van het verzet van klaagster worden hierna puntsgewijs besproken.

Vooraf: de beoordeling van het verzet moet worden overgedragen

3.4.2 Allereerst stelt klaagster dat de kamer de behandeling van het verzet moet overdragen aan een kamer voor het notariaat in een ander ressort. In de wrakingsbeslissing van 30 januari 2024 is uitgesproken dat de beslissing van de voorzitter een einduitspraak betreft en dat betekent dat er bij deze kamer geen verzet mogelijk is, aldus klaagster. Klaagster wordt hierin niet gevolgd. De voorzittersbeslissing was in zoverre een einduitspraak dat daarin door de voorzitter op alle punten is beslist. Dit laat onverlet dat er verzet mogelijk is bij de kamer. De kamer zal het verzet dan ook inhoudelijk beoordelen.

Klachtonderdeel 1: klacht onjuist geformuleerd

3.4.3 Klaagster heeft op de mondelinge behandeling aangevoerd dat de voorzitter haar klacht niet goed heeft geformuleerd in de voorzittersbeslissing. De voorzitter heeft geformuleerd dat de klacht ziet op het verwijt dat de notaris heeft geoordeeld dat erflater wilsbekwaam was ter zake van de verkoop van de woning. Het verwijt dat klaagster de notaris in klachtonderdeel 1 maakt is echter, dat hij op grond van de omstandigheden van het geval onzorgvuldig heeft gehandeld door geen VIA-arts in te schakelen om na te laten gaan of erflater wilsbekwaam was. De kamer concludeert dat uit de ingediende klacht blijkt dat de interpretatie van de voorzitter van de klacht niet juist is en dat dus nog niet is beslist op de eigenlijke klacht van klaagster. De kamer acht het verzet ten aanzien van klachtonderdeel 1 in zoverre gegrond. 

Klachtonderdelen 1 en 2: de uitzonderingsgrond uit artikel 99 lid 21 Wna onjuist toegepast

3.4.4    Hier wordt vooropgesteld dat, anders dan klaagster heeft betoogd, door de voorzitter ambtshalve moest worden nagegaan of de klacht tijdig was ingediend. Hetgeen klaagster in dit verband heeft aangevoerd kan dus niet leiden tot de conclusie dat het klachtonderdeel gegrond is.

3.4.5 Klaagster voert aan dat de voorzitter onterecht heeft overwogen dat geen succesvol beroep op de uitzonderingsgrond kan worden gedaan. Klaagster stelt hierbij dat voor de beoordeling van de ingangsdatum van de 1-jaarstermijn in de uitzonderingsgrond moet worden uitgegaan van het moment waarop het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden onherroepelijk is geworden. Bij dit arrest is het vonnis van 2 februari 2022 waarin de koopovereenkomst van 18 december 2017 is vernietigd, bekrachtigd. Het vervolgens ingestelde cassatieberoep is verworpen bij arrest van 14 juni 2024, zodat van deze datum moet worden uitgegaan, aldus klaagster.

3.4.6 De kamer overweegt dat de voorzitter op goede gronden heeft overwogen dat de klacht eerst is ingediend nadat de klachttermijn van drie jaar was verlopen. Klaagster bestrijdt dit ook niet. De beslissing tot niet-ontvankelijkheidsverklaring moet evenwel achterwege blijven als de gevolgen van het handelen of nalaten van een notaris redelijkerwijs pas bekend zijn geworden nadat deze klachttermijn al was verlopen. In dat geval verloopt de termijn voor het indienen van een klacht een jaar na de datum waarop de gevolgen redelijkerwijs als bekend geworden zijn aan te merken.

Vast staat dat bij vonnis van 2 februari 2022 de koopovereenkomst is vernietigd. De kamer is van oordeel dat klaagster, die partij was in die procedure, op dat moment redelijkerwijs bekend is geworden met het feit dat er mogelijk sprake was van klachtwaardig handelen van de notaris. Dat dit vonnis pas veel later onherroepelijk is geworden, doet daar niet aan af.

De 1-jaarstermijn is daarom gaan lopen op 2 februari 2022. Klaagster heeft op 20 september 2024 haar klacht ingediend. Dit betekent dat de klacht te laat is ingediend.

Het oordeel van de voorzitter is dus juist.

Het verzet ten aanzien van klachtonderdelen 1 (ten aanzien van de klachttermijn) en 2 zijn hiermee ongegrond.

Klachtonderdeel 3: geheimhoudingsplicht

3.4.7 Klaagster voert aan dat de voorzitter ten onrechte heeft overwogen dat er geen aanleiding is te veronderstellen dat de notaris zich ten onrechte op zijn geheimhoudingsplicht heeft beroepen. De kamer overweegt het volgende.

De oorspronkelijke klacht had betrekking op de weigering van de notaris om (uitgebreid) aan te geven wat de notaris heeft besproken met de verkoper van de woning. De geheimhoudingsplicht van de notaris is vastgelegd in artikel 22 Wna. De notaris is, voor zover niet bij wet anders is bepaald, ten aanzien van al hetgeen waarvan hij uit hoofde van zijn werkzaamheden als zodanig kennis neemt tot geheimhouding verplicht. Door klaagster zijn onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld op grond waarvan zou moeten worden geoordeeld dat de geheimhoudingsplicht zich niet uitstrekt tot de informatie die klaagster wenste te hebben. Ook zijn geen feiten of omstandigheden aangedragen op grond waarvan de notaris de geheimhoudingsplicht had moeten doorbreken. De beslissing van de voorzitter was dus juist en de kamer oordeelt het verzet ten aanzien van klachtonderdeel 3 daarom ongegrond.

Klachtonderdeel 4: ten onrechte niet reageren op handelen notaris valt binnen het beoordelingskader van de kamer

3.4.8 Ten aanzien van klachtonderdeel 4 voert klaagster aan dat de voorzitter hierop niet inhoudelijk heeft gereageerd. De voorzitter heeft dit klachtonderdeel afgedaan met de enkele opmerking dat de kamer voor het notariaat niet gaat over een aansprakelijkstelling. De kamer oordeelt dat de voorzitter dit klachtonderdeel verkeerd heeft geïnterpreteerd. Klaagster klaagt immers over het niet reageren van de notaris op haar aansprakelijkstelling. De voorzitter heeft over dit handelen van de notaris ten onrechte niets overwogen. Ten aanzien van klachtonderdeel 4 oordeelt de kamer het verzet dan ook gegrond.

Alle klachtonderdelen: ‘kennelijk’ en beslissing van de kamer

3.4.8 De voorzitter heeft in haar beslissing alle klachtonderdelen beoordeeld als ‘kennelijk niet ontvankelijk dan wel kennelijk ongegrond’. De kamer oordeelt dat dit, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, ten aanzien van klachtonderdeel 1, ziend op de (her)formulering van klaagsters klacht, en van klachtonderdeel 4 onjuist is geweest. De kamer heeft reeds geconcludeerd dat het verzet ten aanzien van deze klachtonderdelen gegrond zal worden verklaard.

3.4.9 De kamer overweegt tenslotte dat klaagster ook heeft aangevoerd dat de voorzitter in haar beslissing ten onrechte heeft aangegeven dat het een beslissing van de kamer (in plaats van een beslissing van de voorzitter) betreft. De kamer overweegt dat deze passage in de voorzittersbeslissing onjuist is, maar dat uit de rest ervan zo evident blijkt dat het een beslissing van alleen de voorzitter betreft dat de kamer geen gevolgen aan deze vaststelling zal verbinden.

3.4.10 Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.

4. De beslissing

De kamer voor het notariaat in het ressort Arnhem-Leeuwarden

verklaart het verzet ten aanzien van de klachtonderdelen 1 (ten aanzien van de (her)formulering van de klacht) en 4 gegrond en bepaalt dat deze onderdelen zullen worden behandeld op een nader te bepalen zitting waartoe partijen nog zullen worden opgeroepen;

verklaart het verzet ten aanzien van de klachtonderdelen 1 (ten aanzien van de klachttermijn), 2 en 3 ongegrond. 

Deze beslissing is gegeven door mr. I.C.J.I.M. van Dorp, voorzitter, mr. L.T. de Jonge en mr. M.M.M. Oors leden, en in tegenwoordigheid van mr. E.W.A. Nabbe, secretaris, door de voorzitter in het openbaar uitgesproken op 14 augustus 2025.

De secretaris

 

De voorzitter

     
 

Tegen deze beslissing van de kamer voor het notariaat staat geen rechtsmiddel open.