ECLI:NL:TNORARL:2025:43 Kamer voor het notariaat Arnhem-Leeuwarden C/05/437774 / KL RK 24-84
| ECLI: | ECLI:NL:TNORARL:2025:43 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 17-06-2025 |
| Datum publicatie: | 19-01-2026 |
| Zaaknummer(s): | C/05/437774 / KL RK 24-84 |
| Onderwerp: | Overig, subonderwerp: Overig |
| Beslissingen: | Verzet ongegrond |
| Inhoudsindicatie: | verzet tegen een voorzittersbeslissing waarin de klacht niet ontvankelijk is verklaard vanwege overschrijding van de driejaarstermijn. Artikel 99 lid 21 Wna. Verzet ongegrond. De kamer oordeelt - onder verbetering van gronden - dat in de voorzittersbeslissing terecht is geoordeeld dat de driejaarstermijn is overschreden. De andere verzetsgrond over het niet ontvangen van alle processtukken door klager is afgewikkeld doordat klager inzicht heeft gekregen in het klachtdossier. Volgt bekrachtiging van de voorzittersbeslissing. |
KAMER VOOR HET NOTARIAAT IN HET RESSORT ARNHEM-LEEUWARDEN
Kenmerk: C/05/437774 / KL RK 24-84
beslissing van de kamer voor het notariaat in het ressort Arnhem-Leeuwarden op het verzet van
[naam klager],
wonende te [plaats],
klager
tegen de beslissing van de voorzitter van de Kamer voor het Notariaat van 18 juni 2024 (met kenmerk C/05/428064 / KL RK 23-129) op de klacht tegen:
[naam notaris],
notaris te [plaats]
gemachtigde: mr. M.C.J. Höfelt.
Partijen worden hierna respectievelijk klager en de notaris genoemd.
1. Het verloop van de procedure
1.1. Voor het verloop van de procedure tot aan de beslissing van de voorzitter van 18 juni 2024, wordt verwezen naar die beslissing met kenmerk C/05/428064/KL RK 23-129 (hierna: de voorzittersbeslissing).
1.2. In een e-mailbericht met bijlagen gedateerd 20 juni 2024 heeft klager een
vooraankondiging van zijn verzetschrift ingestuurd tegen de voorzittersbeslissing.
Daarna is een e-mailbericht van 2 juli 2024 van klager ontvangen met de (nadere) gronden
van het verzet, met daarbij een brief met bijlagen, nogmaals ingestuurd op 4 juli
2024. In een
e-mailbericht met bijlagen van 2 december 2024 heeft klager de gronden van zijn
verzet toegelicht. Ook op 10 december 2024 is nog een e-mailbericht van klager ontvangen.
1.3. Op 13 december 2024 is de verzetzaak ter zitting behandeld. Daarbij is verschenen klager, vergezeld door twee belangstellenden, en mr. Höfelt voornoemd als toehoorder.
1.4. Na de zitting zijn door klager op 7 januari 2025 en op 31 maart 2025 twee wrakingsverzoeken ingediend tegen de leden van de kamer voor het notariaat die deze verzetprocedure behandelen. Bij beslissingen van 10 april 2025 (kenmerken KL RK 25-1 tot en met 25-5) en 29 april 2025 (kenmerken KL RK 25-54 tot en met 25-58) zijn deze verzoeken tot wraking afgewezen door de wrakingskamer.
1.5. Overeenkomstig rechtsoverweging 4.15 van de beslissing van 10 april 2025 van de wrakingskamer heeft de kamer voor het notariaat in deze verzetprocedure kennis genomen van het e-mailbericht van 20 maart 2024 (pagina 54/238 van het wrakingsverzoek van 7 januari 2025) en meegewogen in de hiernavolgende beslissing.
2. De feiten
2.1. Voor de feiten in deze zaak verwijst de kamer naar de feiten, zoals vastgesteld in de voorzittersbeslissing van 18 juni 2024.
3. De beoordeling van het verzet
Norm
3.1. Op grond van artikel 99 lid 11 Wet op het notarisambt (hierna: Wna) kan de voorzitter na een summier onderzoek de klacht terstond bij een met redenen omklede beslissing afwijzen indien hij van oordeel is dat deze kennelijk niet-ontvankelijk dan wel kennelijk ongegrond is, of van onvoldoende gewicht. In verzet moet getoetst worden of deze beslissing op goede gronden is gegeven.
3.2. Op grond van artikel 99 lid 18 Wna kan de kamer voor het notariaat zonder nader onderzoek het verzet ongegrond verklaren indien zij van oordeel is dat de klacht kennelijk niet-ontvankelijk, kennelijk ongegrond of van onvoldoende gewicht is, echter niet dan na de klager die daarom vroeg in de gelegenheid te hebben gesteld te worden gehoord.
3.3. Uit artikel 99 lid 15 Wna volgt dat klager binnen veertien dagen na de dag van verzending van het afschrift van de beslissing van de voorzitter tot afwijzing van een klacht, schriftelijk verzet kan doen tegen die beslissing.
Tijdigheid van het verzet
3.4. Het afschrift van de voorzittersbeslissing is op 18 juni 2024 aan klager
verzonden. In een e-mailbericht met bijlagen gedateerd 20 juni 2024 heeft klager een
vooraankondiging van zijn verzetschrift ingestuurd tegen de voorzittersbeslissing.
In een e-mailbericht met bijlagen gedateerd 2 december 2024 heeft klager – aldus klager
– de gronden van zijn verzet toegelicht.
3.5. De kamer overweegt dat er geen wettelijke basis bestaat voor het pro-forma in verzet gaan tegen een voorzittersbeslissing. Omdat echter het e-mailbericht van 20 juni 2024 daadwerkelijk inhoudelijke gronden voor het verzet bevat en dit ook nog binnen de termijn (namelijk op 2 juli) is aangevuld, beschouwt de kamer het e-mailbericht van 20 juni 2024 en in combinatie met dat van 2 juli 2024 als het verzetschrift en het bericht van 2 december 2024 als een aanvulling op het verzetschrift. Het verzetschrift is door de kamer ontvangen op 20 juni 2024 en daarmee is het verzet binnen de termijn van veertien dagen zoals genoemd in artikel 99 lid 15 van de Wna ingediend. De aanvulling van 2 december 2024 is buiten de termijn van veertien dagen ingediend, maar wordt in dit geval wel door de kamer meegewogen in deze beslissing omdat het een aanvulling op het (wel tijdig) ingediende verzetschrift bevat.
3.6. De kamer concludeert dan ook dat klager ontvankelijk is in zijn verzet.
Gronden van de voorzittersbeslissing
3.7. Het verzet richt zich tegen de voorzittersbeslissing van 18 juni 2024, waarbij de klacht van klaagster kennelijk niet-ontvankelijk is verklaard.
3.8. De voorzitter heeft daarbij overwogen dat de elf klachtonderdelen die klager heeft ingediend, alle betrekking hebben op handelen of nalaten van de notaris in de tijd voorafgaand aan 11 november 2020, zodat klager zijn klacht (van 12 november 2023) te laat heeft ingediend gelet op de klachttermijn van drie jaar uit artikel 99 lid 21 Wna.
Het standpunt van klager
3.9. Klager is het oneens met de voorzittersbeslissing omdat volgens hem het procedureverloop bij de klachtbehandeling niet goed is verlopen en omdat zijn klacht ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard. Klager heeft niet alle processtukken ontvangen in de klachtprocedure, ondanks dat hij hier herhaaldelijk bij de kamer om heeft verzocht. Verder is in de voorzittersbeslissing ten onrechte geoordeeld dat klager aanwezig was tijdens de algemene ledenvergadering (hierna: ALV) van 13 oktober 2020 en dus op dat moment op de hoogte was van het aannemen van de statutenwijziging en welke rol de notaris hierbij had gespeeld. Klager was digitaal aanwezig bij de ALV, maar het bestuur heeft hem uit de vergadering gegooid op het moment dat het agendapunt van de statutenwijziging en zijn schriftelijke vragen daarover werden besproken. Klager ontving pas op 13 november 2020 (dus binnen de in de voorzittersbeslissing gehanteerde verjaringstermijn) een kopie van de gedeponeerde statutenwijziging samen met de concept-notulen van de ALV en pas toen raakte klager ervan op de hoogte dat de statutenwijziging in strijd met de regels was aangenomen, zijn vragen niet waren beantwoord en welke rol de notaris daarbij had gespeeld. Volgens klager is daarom in de voorzittersbeslissing ten onrechte geoordeeld dat de op 12 november 2023 ingediende klachtonderdelen die hierop zien, te laat zijn ingediend en dient klager (alsnog) ontvankelijk te worden verklaard in zijn klacht.
Toetsing
3.10. Ten aanzien van de eerste verzetsgrond (het verloop van de klachtprocedure
en het ontvangen door klager van alle stukken van het dossier) overweegt de kamer
dat alle vragen en opmerkingen van klager over de procedure en de dossierstukken zo
goed mogelijk zijn beantwoord. In aanloop naar de zitting van 13 december 2024 heeft
de voorzitter van de kamer in deze verzetprocedure twee e-mailberichten (beide van
11 december 2024) laten sturen aan klager, met daarin onder meer een opsomming van
de tot dan toe beschikbare stukken in het procesdossier van de verzetprocedure. Hierop
heeft klager gereageerd dat voor hem alles een stuk helderder is geworden. Klager
heeft toen niet aangegeven dat hij nog stukken aan het procesdossier toegevoegd wilde
zien, noch dat hij niet beschikte over een processtuk dat de kamer wel in haar bezit
zou hebben. Verder is in het tweede e-mailbericht van 11 december 2024 klager uitgenodigd
om na de zitting in bijzijn van een medewerker van de griffie het volledige dossier
(met kenmerk KL RK 23-129) in de klachtprocedure tegen de notaris in te zien. Klager
heeft daadwerkelijk van die mogelijkheid gebruik gemaakt na afloop van de zitting
van 13 december 2024. Verder heeft de kamer op verzoek van klager tijdens de wrakingsprocedures,
in deze verzetprocedure alsnog kennis genomen van de
e-mail van 20 maart 2024 (pagina 54/238 van het wrakingsverzoek van 7 januari 2025,
zie rov. 1.5). Gelet op het voorgaande beschouwt de kamer de kwestie over het procedureverloop
en de processtukken dan ook als afgewikkeld.
3.11. Daarmee blijft als enige verzetsgrond over dat klager (aldus klager) ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard omdat in de voorzittersbeslissing ten onrechte ervan uit is gegaan dat klager tijdens de ALV van 13 oktober 2020 op de hoogte raakte van de aangenomen statutenwijziging en de rol van de notaris daarbij.
3.12. Getoetst moet worden of de voorzittersbeslissing van 18 juni 2024, waartegen het verzet zich richt, al dan niet op goede gronden is gegeven. De niet-ontvankelijkheid van de klacht is gebaseerd op artikel 99 lid 21 Wna. Daaruit volgt dat een klacht slechts kan worden ingediend gedurende drie jaren na de dag waarop de tot klacht gerechtigde (hierna: de klager) kennis heeft genomen van het handelen of nalaten van een notaris dat tot tuchtrechtelijke maatregelen aanleiding kan geven. Wordt de klacht ingediend na afloop van die termijn, dan wordt de klacht niet-ontvankelijk verklaard.
3.13. In de voorzittersverklaring is terecht tot uitgangspunt genomen dat de klacht alleen ontvankelijk is voor zover deze betrekking heeft op handelen of nalaten van de notaris dat dateert van 11 november 2020 of later. Beoordeeld moet dan ook worden of in de voorzittersbeslissing op goede gronden is geoordeeld dat klager eerder dan 11 november 2020 afwist van de gedragingen van de notaris waarover hij klaagt.
3.14. Volgens het verzetsschrift had klager voorafgaand aan de algemene ledenvergadering
vragen ingediend over de statutenwijziging en werd hij tijdens de algemene ledenvergadering
– juist toen die vragen en de statutenwijziging zou worden besproken – digitaal uit
de vergadering gegooid. Volgens klager heeft hij wel het digitale voorstelrondje gezien
en heeft hij wel een gedeelte van de vergadering bijgewoond. Dat klager op enig moment
problemen had met de digitale verbinding wordt bevestigd door een
e-mailbericht van 13 oktober 2020 van mevrouw [naam], secretaris van het bestuur
van Bewonersoverleg Koepel SSH. In dat e-mailbericht staat dat klager mevrouw [naam]
heeft gebeld tijdens de ALV omdat hij problemen ondervond bij het inloggen in de vergadering
omdat hij zich niet wilde identificeren.
3.15. De kamer is gelet op het voorgaande van oordeel dat niet aangenomen kan worden dat klager gedurende de gehele vergadering digitaal aanwezig was en dus toen en daardoor op de hoogte is geraakt van de besluiten en gedragingen die hij de notaris verwijt. De kamer is echter ook van oordeel dat wel vastgesteld kan worden dat klager op de dag van de ALV (13 oktober 2020) op de hoogte was van de zaken waarover hij heeft geklaagd. De kamer komt tot dit oordeel op grond van het volgende.
3.16. Niet ter discussie staat dat klager op de hoogte was van de ALV, dat hij voorafgaand aan de ALV vragen heeft ingediend, dat hij wist dat tijdens de ALV de voorgenomen statutenwijziging zou worden besproken en wist dat de notaris aanwezig was bij de ALV. Ter zitting heeft klager verklaard dat hij direct na afloop van de ALV vrienden heeft opgebeld die bij de (gehele) ALV aanwezig waren. Volgens klager heeft hij toen van zijn vrienden gehoord dat de nieuwe statuten waren aangenomen en dat de vragen die klager had ingestuurd, niet waren besproken. Klager heeft verder ter zitting verklaard dat als zijn vragen waren behandeld, de statutenwijziging nooit zou zijn doorgevoerd. Daarmee wist klager dan ook op 13 oktober 2020 dat de statutenwijziging waar hij kritisch over was – en waarover hij aan de notaris vanaf 15 juli 2020 diverse berichten met zijn bezwaren had gestuurd – tijdens de ALV in bijzijn van de notaris was aangenomen. Ter zitting heeft klager verder verklaard dat hij de driejaarstermijn van artikel 99 lid 21 Wna kende, zodat ook gelet daarop van hem verwacht mocht worden dat hij zijn klacht tijdig in zou dienen.
3.17. Gelet op het voorgaande is de kamer dan ook van oordeel dat in de voorzittersbeslissing terecht ervan is uitgegaan dat klager op 13 oktober 2020, althans eerder dan binnen de driejaarstermijn, al afwist van de feiten waarover hij heeft geklaagd, al kwam hij hiervan op de hoogte direct na afloop van de ALV en niet al tijdens de ALV. In zoverre dienen de gronden van de voorzittersbeslissing te worden verbeterd en aangevuld. Dit verandert echter niet het oordeel uit de voorzittersbeslissing dat klager te laat heeft geklaagd gelet op de driejaarstermijn. Klager is dan ook terecht niet-ontvankelijk verklaard in zijn klacht. Het verzet slaagt daarom niet.
3.18. Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.
4. De beslissing
De kamer voor het notariaat in het ressort Arnhem-Leeuwarden:
- bekrachtigt, onder verbetering van gronden, de beslissing van de voorzitter van de kamer van 18 juni 2024 waarvan verzet is ingesteld,
- verklaart het verzet tegen de beslissing van de voorzitter van de kamer van 18 juni 2024 ongegrond.
Deze beslissing is gegeven door mrs. M.J.C. van Leeuwen, voorzitter, A.E. Zweers, M.M.M. Oors, B.B. van Dis, J.W.H.T. Becks, leden, en in tegenwoordigheid van mr. M.C.R. van Lent (secretaris), door de voorzitter in het openbaar uitgesproken op 17 juni 2025.
De secretaris De voorzitter
|
Tegen deze beslissing van de kamer voor het notariaat kunnen partijen binnen dertig dagen na de datum van verzending van deze beslissing hoger beroep instellen bij het gerechtshof Amsterdam, Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam. | ||