ECLI:NL:TNORARL:2025:42 Kamer voor het notariaat Arnhem-Leeuwarden C/05/449370 / KL RK 25-45

ECLI: ECLI:NL:TNORARL:2025:42
Datum uitspraak: 19-08-2025
Datum publicatie: 05-01-2026
Zaaknummer(s): C/05/449370 / KL RK 25-45
Onderwerp: Registergoed, subonderwerp: leveringsakte
Beslissingen: Klacht ongegrond
Inhoudsindicatie: Klager is belanghebbende, ondanks dat niet uit stukken blijkt dat hij erfgenaam is twijfelt de kamer daar niet aan en gaat zij hier vanuit.Klachtonderdeel I is feitelijk onjuist en dus ongegrond.Klachtonderdeel II notaris had geen reden te twijfelen aan handelingsbevoegdheid vader van klager, immers is hij in zijn hoedanigheid van (indirect) bestuurder altijd bevoegd gebleven om de verkopende vennootschap te vertegenwoordigen. Ook dit klachtonderdeel is ongegrond.

KAMER VOOR HET NOTARIAAT IN HET RESSORT ARNHEM-LEEUWARDEN

Kenmerk:         C/05/449370 / KL RK 25-45

beslissing van de kamer voor het notariaat

op de klacht van

[naam klager],

gevestigd te [plaats],

klager

tegen

[naam notaris],

notaris te [plaats],

Partijen worden hierna respectievelijk klager en de Notaris genoemd.

1. Het verloop van de procedure

1.1 Het verloop van de procedure blijkt uit

-     de klacht, met bijlagen, van 18 maart 2025;

-     het verweer van de notaris van 25 april 2025;

-     de spreekaantekeningen van klager zoals overgelegd ter zitting van 23 juni 2025.

1.2 De klachtzaak is ter zitting van 23 juni 2025 behandeld, waarbij zijn verschenen klager enerzijds en de Notaris anderzijds.

2. De feiten

2.1.      Op 26 mei 1965 zijn de ouders van klager getrouwd in gemeenschap van goederen. Binnen deze gemeenschap vielen ook de bedrijven [A]en [B].

2.2.      Op 1 juni 2022 is de echtscheiding tussen de ouders van klager door de rechtbank uitgesproken. In die beslissing is vastgesteld dat de ontbonden gemeenschap niet wordt verdeeld. De beheers- en bestuurshandelingen over de ontbonden gemeenschap worden overgedragen aan de heer [C].

2.3.      Op 15 juni 2023 is het depot van de koopovereenkomst van het bedrijfspand aan de [adres] in [plaats] (hierna: bedrijfspand) door [D] (broer van klager) aan de notaris verzocht. Dit bedrijfspand maakte onderdeel uit van de ontbonden maar onverdeelde gemeenschap van de ouders van klager. De notaris heeft aan dit verzoek beantwoord en de depotovereenkomst opgesteld.

2.4.      Op 4 januari 2024 is de moeder van klager (hierna: erflaatster) overleden.

2.5.      Op 27 augustus 2024 is de notaris door klager geïnformeerd over de afspraken die erflaatster en de vader van klager met elkaar hebben gemaakt in de echtscheidingsprocedure, zoals omschreven in 2.2. Daarnaast heeft klager op 18 september 2024 bij de notaris aangegeven dat het verkoopbedrag van het bedrijfspand, te weten € 600.000,00, lager is dan de getaxeerde waarde van het pand.

2.6.      Op 8 oktober 2024 heeft de notaris de akte van levering gepasseerd en heeft de overdracht van het bedrijfspand plaatsgevonden.

3. De klacht en het verweer

3.1       Klager verwijt de notaris dat hij onzorgvuldig heeft gehandeld, door,

I. op verzoek van de vader van klager de akte van depot/koopovereenkomst te passeren;

II. ondanks het feit dat vader onbevoegd was het pand te leveren, alsnog de akte van levering te passeren en zijn ministerie niet te weigeren. De notaris had moeten overleggen met de overige erfgenamen van erflaatster en de aandeelhouders van [A] alvorens tot levering over te gaan.

3.2.      Op het verweer van de notaris zal de kamer hierna, voor zover het verweer van belang is voor de beoordeling, nader ingaan.

4. De beoordeling

Belanghebbende

4.1.      De notaris heeft aangevoerd dat klager geen belang heeft bij het indienen van zijn klacht, nu onduidelijk is wat zijn aandeel in de nalatenschap van erflaatster is. Het kan niet worden vastgesteld dat klager in zijn belangen is geschaad.

4.2.      De kamer overweegt dat in artikel 99 lid 1 Wna staat dat klachten tegen notarissen door een ieder met enig redelijk belang kunnen worden ingediend. Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat een rechtstreeks belang niet zonder meer is vereist, ook een indirect of afgeleid belang van klagers kan grond zijn voor ontvankelijkheid. Hiermee is een ruime toegang tot de tuchtrechtelijke klachtprocedure door de wetgever beoogd. De kamer is van oordeel dat klager ontvankelijk is in zijn klacht. Hoewel in het dossier geen stukken zijn opgenomen waaruit expliciet blijkt dat klager een erfgenaam is van erflaatster, heeft de kamer geen reden om hieraan te twijfelen. De kamer veronderstelt aldus, anders dan de notaris, dat klager erfgenaam is in de nalatenschap van erflaatster. In deze nalatenschap valt ook het aan de broer geleverde bedrijfspand waarover de klacht gaat.

Inhoudelijke beoordeling

4.3.      Op grond van artikel 93 lid 1 Wet op het notarisambt (hierna: Wna) zijn notarissen, toegevoegd notarissen en kandidaat-notarissen aan het tuchtrecht onderworpen. De tuchtrechter toetst of hun handelen of nalaten in strijd is met het bepaalde in de Wna en de andere toepasselijke bepalingen. Ook kan de tuchtrechter toetsen of zij voldoende zorg in acht hebben genomen ten opzichte van de (rechts)personen voor wie zij optreden en of zij daarbij hebben gehandeld zoals een behoorlijk beroepsbeoefenaar behoort te doen.

4.4.      De kamer overweegt allereerst ten aanzien van klachtonderdeel I, dat dit feitelijk onjuist is gelet op de feiten zoals vastgesteld onder ‘2’. Niet vader, maar de broer van klager heeft de notaris verzocht de akte van depot/koopovereenkomst te passeren. Klager heeft niet gesteld in reactie hierop waarom de notaris dit niet had mogen doen. Voor wat betreft klachtonderdeel I oordeelt de kamer dan ook dat de klacht ongegrond is.

4.5.       Volgens klager mocht zijn vader geen zelfstandige beslissingen meer nemen ten aanzien van het bedrijf [A] (hierna: het bedrijf). Hij had dus ook niet zelfstandig het bedrijfspand mogen verkopen aan de broer van klager. Alvorens dit te doen had vader de andere vennoten moeten informeren en had hij moeten overleggen met beheerder en bestuurder accountant [naam]. Klager wijst hierbij op ro. 2.6 van de echtscheidingsbeslissing waarin het volgende is opgenomen.

“2.6.    Partijen zijn tijdens de mondelinge behandeling overeengekomen dat zij de ontbonden gemeenschap niet gaan verdelen. Partijen zijn overeengekomen dat de beheers- en bestuurshandelingen van de ontbonden gemeenschap zullen worden overgedragen aan een derde, te weten aan de heer [C]van [E]te [plaats]. De heer [C]zal de huurpenningen van de gemeenschappelijke panden incasseren en zal hiervan alle noodzakelijke lasten, inclusief de kosten voor zijn werkzaamheden, voldoen. Partijen krijgen daarna de resterende inkomsten bij helfte uitgekeerd en zij zullen van die inkomsten hun eigen lasten voldoen. Daarnaast zijn partijen overeengekomen dat de heer [C]geld kan reserveren indien hij dat nodig acht. De rechtbank zal overeenkomstig beslissen.”

4.6.      De notaris heeft erkend van bovenstaande passage uit de echtscheidingsbeslissing op de hoogte te zijn. De notaris voert verder aan dat de klacht feitelijk onjuist is, nu de levering van het bedrijfspand niet is geschied door vader, maar door de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [A]. De vader van klager is bij de betreffende verkoop enkel opgetreden als zelfstandig bevoegd bestuurder van [B], dat weer heeft gehandeld als zelfstandig bevoegd bestuurder van de verkopende vennootschap. In de statuten is geen enkele bepaling opgenomen met daarin toestemmings- of goedkeuringsvereisten op grond waarvan de aandeelhouders intern betrokken moesten worden bij de betreffende rechtshandeling.

4.7.       De kamer overweegt dat de notaris geen enkele aanleiding had om te twijfelen aan de handelingsbevoegdheid van de vader van klager ten aanzien van de verkoop van het bedrijfspand van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [A]. Vader is in zijn hoedanigheid van (indirect) bestuurder altijd bevoegd gebleven om de verkopende vennootschap te vertegenwoordigen. De bepaling in de echtscheidingsbeslissing waar naar klager verwijst doet hier niets aan af. Er is namelijk in die beslissing door de rechtbank niet beslist over dat vader niet langer zelfstandig bestuursbevoegd was. Wat wel is beslist is dat de heer [C] in plaats van of náást vader ook als zelfstandig bestuurder kan handelen. De kamer concludeert ten aanzien van klachtonderdeel II dat de notaris zijn ministerie terecht heeft verleend en oordeelt dat de klacht ongegrond is.

4.8.      Dit leidt tot de volgende beslissing.

5. De beslissing

De kamer voor het notariaat in het ressort Arnhem-Leeuwarden

  • Verklaart de klacht ongegrond.

Deze beslissing is gegeven door mr. M.J.C. van Leeuwen, voorzitter, mr. H.R. Grievink en mr. V. Oostra, leden, en in tegenwoordigheid van mr. E.W.A Nabbe, secretaris, door de voorzitter in het openbaar uitgesproken op 19 augustus 2025.

De secretaris

 

De voorzitter

     
 

Tegen deze beslissing van de kamer voor het notariaat kunnen partijen binnen dertig dagen na de datum van verzending van deze beslissing hoger beroep instellen bij het gerechtshof Amsterdam, Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.