ECLI:NL:TNORARL:2025:35 Kamer voor het notariaat Arnhem-Leeuwarden C/05/443160 / KL RK 24-157

ECLI: ECLI:NL:TNORARL:2025:35
Datum uitspraak: 06-06-2025
Datum publicatie: 01-12-2025
Zaaknummer(s): C/05/443160 / KL RK 24-157
Onderwerp: Personen- en Familierecht, subonderwerp: Testamenten
Beslissingen: Klacht gegrond met berisping
Inhoudsindicatie: De notaris had het stappenplan wilsbekwaamheid moeten volgen, gelet op de aanwezige indicatoren voor gerede twijfel over de vraag of erflaatster wilsbekwaam was (hoge leeftijd, onderbewindstelling en vastgestelde symptomen die kunnen wijzen op dementie). Ook onvoldoende gedaan om uit te sluiten dat erflaatster ongewenst werd beïnvloed door de zus van klaagsters bij de wijziging van haar testament. Deze zus woonde bij erflaatster in, heeft een partijverklaring overgelegd over de wilsbekwaamheid van erflaatster en zij ontving grote geldbedragen van erflaatster. De notaris heeft geen waarborg ingebouwd om te voorkomen dat erflaatster ongewenst werd beïnvloed door zus bij de wijziging van het testament, ten gunste van de zus. De kamer oordeelt de klacht gegrond en legt aan de notaris een berisping op.

KAMER VOOR HET NOTARIAAT IN HET RESSORT ARNHEM-LEEUWARDEN

Kenmerk: C/05/443160 / KL RK 24-157

herstelbeslissing van de kamer voor het notariaat op de klacht van

[A],

gevestigd te [vestigingsplaats]

[B],,

gevestigd te [vestigingsplaats],

klagers

gemachtigde: mr. E.J. Lievense

tegen

[C],

notaris te [vestigingsplaats]

gemachtigde: mr. M.J.G. Boender-Lamers en mr. C.J. Soekra

Partijen worden hierna respectievelijk klaagsters en de notaris genoemd.

1. Aanleiding herstelbeslissing

    1. In onderhavige zaak heeft de kamer voor het notariaat (hierna: de kamer) op 6 juni 2025 een beslissing gegeven.
    2. De kamer heeft ambtshalve geconstateerd dat onder regelnummer 5, ‘de beslissing’, is opgenomen dat aan de notaris de maatregel van waarschuwing wordt opgelegd. Uit de overige tekst van de beslissing blijkt echter evident dat de kamer beoogd heeft een berisping op te leggen, zoals ook is gemotiveerd onder ro. 4.14. Er is aldus sprake van een kennelijke verschrijving op dit punt.
    3. In zijn beschikking van 29 april 1994, NJ 1994, 497 heeft de Hoge Raad beslist dat verbetering van een kennelijke, voor partijen kenbare en voor eenvoudig herstel vatbare, fout, ambtshalve kan geschieden door de rechter die de uitspraak deed. De kennelijke verschrijving als ambtshalve geconstateerd in de oorspronkelijke beslissing valt onder deze beschrijving van de Hoge Raad en behoeft derhalve geen nadere motivering. Dit geldt te meer nu de herstelbeslissing niets aan de verdere inhoud van de beslissing veranderd.

2. De herstelbeslissing

De kamer voor het notariaat:

  • bepaalt dat de beslissing van 6 juni 2025 (C/05/443160) als volgt komt te luiden vanaf onderdeel ‘5. De beslissing’:

5. De beslissing

De kamer voor het notariaat in het ressort Arnhem-Leeuwarden

- verklaart de klacht gegrond;

- legt de notaris de maatregel van berisping op;

- veroordeelt de notaris tot betaling aan klager van € 50,00 griffierecht en € 50,00 aan andere kosten, op de wijze en binnen de termijn als onder 4.17 bepaald;

- veroordeelt de notaris tot betaling van € 2.000,00 in de kosten van behandeling van de klacht door de kamer, op de wijze en binnen de termijn als onder 4.18 bepaald.

Deze herstelbeslissing laat de oorspronkelijke beslissing voor zover niet gewijzigd, volledig in stand en vormt een onverbrekelijk geheel met de oorspronkelijke beslissing. De griffier zal deze herstelbeslissing hechten aan de oorspronkelijke beslissing hechten en aan klaagsters en de notaris toezenden.

Deze herstelbeslissing is gegeven door mr. D. Vergunst, voorzitter, mr. A.E. Zweers, mr. M.R.H. Goossens, mr. H.R. Grievink en mr. A.J.H.M. Janssen, leden, en in tegenwoordigheid van mr. E.W.A Nabbe, secretaris, door de voorzitter in het openbaar uitgesproken op 16 juni 2025.

De secretaris

De voorzitter

KAMER VOOR HET NOTARIAAT IN HET RESSORT ARNHEM-LEEUWARDEN

Kenmerk: C/05/443160 / KL RK 24-157

beslissing van de kamer voor het notariaat

op de klacht van

[A],

gevestigd te [vestigingsplaats]

[B],

gevestigd te [vestigingsplaats],

klagers

gemachtigde: mr. E.J. Lievense

tegen

[C],

notaris te [vestigingsplaats]

gemachtigde: mr. M.J.G. Boender-Lamers en mr. C.J. Soekra

Partijen worden hierna respectievelijk klaagsters en de de notaris genoemd.

1. Het verloop van de procedure

1.1 Het verloop van de procedure blijkt uit

- de klacht, met bijlagen, van 22 oktober 2024

- het verweer van de notaris van 10 januari 2025

1.2 De klachtzaak is ter zitting van 12 mei 2025 behandeld, waarbij zijn verschenen klagers en hun gemachtigde enerzijds en de notaris en zijn gemachtigde anderzijds.

2. De feiten

2.1 Op 29 december 2023 is mevrouw [D] erg (hierna: erflaatster) overleden. Erflaatster had drie dochters, onder wie klaagsters. De andere dochter van erflaatster is [E] de oudere zus van klaagsters. Zij woonde bij erflaatster in vanaf november 2022 en stond per 1 februari 2023 op hetzelfde adres als erflaatster ingeschreven.

2.2 In de zomer van 2022 werd het klaagsters duidelijk dat de geestelijke gezondheid van erflaatster achteruit ging. Klaagsters achtten erflaatster daardoor niet meer voldoende in staat om zelfstandig haar financiën te beheren. Klaagsters verzochten de kantonrechter eind september 2022 om een bewindvoerder voor erflaatster te benoemen.

2.3 De kantonrechter heeft dit verzoek gehonoreerd. Bij beschikking van 2 november 2022 heeft de kantonrechter een provisionele bewindvoerder in afwachting van onderbewindstelling benoemd, omdat sprake was van een situatie waarin onmiddellijke bescherming van erflaatster noodzakelijk was. Bij beschikking van 23 december 2022 heeft de kantonrechter vervolgens de goederen die (zullen) toebehoren aan erflaatster onder bewind gesteld wegens haar geestelijke of lichamelijk toestand.

2.4 Tegen de beslissing van de kantonrechter van 23 december 2022 zijn erflaatster en [E] in hoger beroep gegaan. Ook in deze procedure stond de beoordeling van de geestelijke gesteldheid van erflaatster centraal. Het hof heeft – om zich hierover goed te laten informeren – in een tussenbeschikking een deskundige aangewezen om onderzoek te doen naar de geestvermogens van erflaatster. Vóórdat dit onderzoek kon plaatsvinden is erflaatster overleden, de door erflaatster ingestelde procedure bij het hof liep met haar overlijden ook ten einde.

2.5 Vóór haar overlijden, op 26 januari 2023, heeft erflaatster samen met [E] voor het eerst een bezoek gebracht aan de notaris. Tijdens het gesprek dat toen door de notaris met erflaatster en [E] werd gevoerd zijn de mogelijkheden tot het opmaken van een testament besproken. Op het moment dat de notaris met erflaatster haar wensen voor de wijziging van haar testament ging bespreken, heeft hij [E] verzocht de spreekkamer te verlaten.

2.6 Tijdens deze bespreking met erflaatster alleen, heeft de notaris de beschikking onderbewindstelling van de kantonrechter gedateerd op 23 december 2022 van [E] ontvangen.

2.7 [E] heeft na het gesprek dat de notaris met erflaatster heeft gevoerd een verklaring gedateerd van 8 februari 2023, opgesteld door Hanszorg, aan hem verzonden. In deze verklaring heeft een specialist ouderengeneeskunde verklaard dat erflaatster wilsbekwaam was. Deze medisch specialist is tuchtrechtelijk berispt op 1 augustus 2024, omdat hij zijn conclusie in deze verklaring onvoldoende had onderbouwd. De wilsbekwaamheidsverklaring vermeldde immers niet de feiten, omstandigheden en bevindingen waarop deze berustte.

2.8 Op 16 februari 2023 wordt – naar aanleiding van de eerder gevoerde bespreking – het concept-testament met een begeleidend schrijven aan erflaatster per post verzonden op het adres waar ook [E] staat ingeschreven.

2.9 Op 23 februari 2023 wordt het gewijzigde testament van erflaatster gepasseerd. In dit testament heeft erflaatster [E] als enig erfgenaam en executeur benoemd. Pas na het overlijden van erflaatster zijn klaagsters van deze wijziging op de hoogte geraakt.

2.10 Op 3 januari 2024 hebben klaagsters de notaris aangeschreven om duidelijkheid te verkrijgen over de totstandkoming van het testament. De notaris heeft hierop bij brief van 11 januari 2024 gereageerd. Op 28 februari 2024 is een aanvullende brief aan de notaris verzonden, maar zijn reactie van 14 maart 2024 wordt pas in augustus 2024 aan klaagsters verzonden.

3. De klacht en het verweer

3.1 Klagers verwijten de notaris dat hij onvoldoende zorgvuldigheid heeft betracht bij het opstellen van het testament van erflaatster. De klacht valt uiteen in de volgende onderdelen:

- de notaris heeft onvoldoende onderzoek gedaan naar de wilsbekwaamheid van erflaatster;

- de notaris heeft zich gebaseerd op een partijverklaring van een door erflaatster en [E] ingeschakelde arts;

- de notaris heeft onvoldoende gewaarborgd dat er geen sprake was van beïnvloeding van erflaatster door [E].

3.2 Op het verweer van de notaris zal de kamer hierna, voor zover het verweer van belang is voor de beoordeling, nader ingaan.

4. De beoordeling

Algemeen

4.1 Op grond van artikel 93 lid 1 Wet op het notarisambt (hierna: Wna) zijn notarissen, toegevoegd notarissen en kandidaat-notarissen aan het tuchtrecht onderworpen. De tuchtrechter toetst of hun handelen of nalaten in strijd is met het bepaalde in de Wna en de andere toepasselijke bepalingen. Ook kan de tuchtrechter toetsen of zij voldoende zorg in acht hebben genomen ten opzichte van de (rechts)personen voor wie zij optreden en of zij daarbij hebben gehandeld zoals een behoorlijk beroepsbeoefenaar behoort te doen.

Wilsbekwaamheid

4.2 De kamer stelt het volgende voorop. Als uitgangspunt geldt dat iedereen aan wie op grond van de wet de bekwaamheid daartoe niet is ontzegd, bij testament uiterste wilsbeschikkingen kan maken. Een notaris dient daaraan in beginsel zijn ministerie (-dienst) te verlenen en moet op verlangen van een testateur doen wat is vereist om diens uiterste wilsbeschikkingen in een testament vast te leggen. Zoals bij elke akte moet de notaris de wilsbekwaamheid van de betrokkene beoordelen. Volgens vaste jurisprudentie van de kamers voor het notariaat moet bij de beoordeling van de wilsbekwaamheid van een betrokken cliënt primair worden uitgegaan van de eigen waarneming van de notaris, aan wie in dat kader beoordelingsruimte toekomt. Pas bij gerede twijfel aan de wilsbekwaamheid is verder onderzoek aangewezen. Het Stappenplan Beoordeling Wilsbekwaamheid van de KNB (hierna: het Stappenplan) biedt hiervoor een handreiking. In het Stappenplan staan indicatoren benoemd die aanleiding kunnen zijn voor een nadere beoordeling van de wilsbekwaamheid. Indien een notaris – ook al heeft hij kennis van het bestaan van één of meer indicatoren – geen aanleiding behoeft te hebben om te twijfelen aan de wilsbekwaamheid van een cliënt, dan hoeft hij het Stappenplan niet te volgen. Van belang hierbij is onder meer de indruk die een cliënt in een gesprek maakt. Ook als achteraf uit een rapport van een deskundige of uit getuigenverklaringen valt af te leiden dat een cliënt op het moment van een bespreking of passeren van de akte (mogelijk) niet als wilsbekwaam kon worden aangemerkt betekent dit nog niet zonder meer dat dit dan ook aan de notaris duidelijk moest zijn geweest. Of dit zo is, hangt af van de omstandigheden van het geval.

4.3 Het gaat in deze zaak niet om de vraag of erflaatster ten tijde van het passeren van het (levens)testament wilsbekwaam was, maar of de notaris daaraan in de gegeven omstandigheden moest twijfelen.

4.4 Klaagsters stellen dat de notaris voldoende aanwijzingen had in de vorm van de bevindingen van een specialist ouderengeneeskunde, de klinisch geriater en de kantonrechter, om gerede twijfel te hebben over de vraag of erflaatster voldoende wilsbekwaam was om een dergelijke ingrijpende wijziging als onterving in haar testament door te voeren en te begrijpen.

4.5 De notaris stelt dat hij op basis van het gesprek dat hij met erflaatster heeft gevoerd geen reden had om te twijfelen aan haar wilsbekwaamheid. Bovendien is het feit dat iemand onder bewind staat niet per definitie een reden waarom diegene geen testament zou kunnen laten wijzigen of opstellen. Over de verklaring van Hanszorg gedateerd op 8 februari 2023 stelt de notaris dat hij een dergelijke verklaring niet nodig vond om zijn twijfels weg te nemen, omdat hij geen enkele twijfel had.

4.6 In zijn beschikking van 2 november 2022 overweegt de kantonrechter als volgt.

‘De kantonrechter acht voldoende aannemelijk dat rechthebbende (de kamer begrijpt: erflaatster) niet langer in staat is om haar financiële belangen behoorlijk waar te nemen. In dit verband is van belang dat uit de stukken blijkt dat rechthebbende tijdelijk opgenomen is geweest bij het verpleeghuis de Oranje Nassau’s Oord in Renkum. Aldaar heeft de specialist ouderengeneeskunde op 14 oktober 2022 verklaard dat met name in het executief functioneren bij rechthebbende problemen gezien werden, waardoor het zelfstandig uitvoeren van onder andere de financiële administratie niet goed mogelijk is. In het vervolg daarop heeft de klinisch geriater mevrouw D.C.M. Verheijen op 21 november 2022 geconcludeerd dat er sprake is van een beeld passend bij dementiesyndroom, er onvoldoende ziektebesef en ziekte-inzicht is. Rechthebbende heeft hulp nodig bij het huishouden, zelfzorg en de financiën.

Dit beeld is tijdens de zitting bevestigd. Zo heeft rechthebbende feiten ontkend die wel degelijk hebben plaatsgevonden. Ter zitting heeft rechthebbende betwist dat zij op bepaalde momenten voor in totaal € 10.000,00 per dag heeft gepind. Uit de ingediende bankafschriften blijkt echter dat er op 25 oktober 2019 en 22 oktober 2021 5 keer is gepind voor € 2.000,00 per keer. Ook heeft rechthebbende betwist kort na het instellen van provisioneel bewind bedragen te hebben overgeschreven van de spaarrekening naar de betaalrekening. De provisioneel bewindvoerder heeft ter zitting aangegeven dat dit wel heeft plaatsgevonden en dat het gaat om een totaalbedrag van € 34.000,00.

De kantonrechter constateert ook dat het standpunt van ([E]) dat zij slechts een bedrag van haar moeder ontvangt gelijk aan een bijstandsuitkering, onvoldoende overeenkomt met de bankafschriften.’

4.7 Bij de mondelinge behandeling heeft de notaris erkend dat hij ten tijde van de gesprekken met erflaatster over de wijziging van haar testament op de hoogte was van de inhoud van deze beschikking. Gelet op de hoge leeftijd van erflaatster en de onderbewindstelling was het eerste gesprek met erflaatster en [E] informeel om te kunnen beoordelen of erflaatster wel compos mentis was. Omdat de notaris wist dat de door erflaatster beoogde wijziging van haar testament verstrekkende gevolgen kon hebben, heeft hij bovendien een kandidaat-notaris van zijn kantoor verzocht bij de gesprekken hierover aanwezig te zijn. Ook zij zag geen aanleiding om te twijfelen aan de wilsbekwaamheid van erflaatster. Van de wijze waarop de gesprekken tussen erflaatster en de (kandidaat-)notaris zijn verlopen zijn geen specifieke gespreksverslagen opgesteld.

4.8 De kamer overweegt dat erflaatster ten tijde van de gesprekken over de wijziging van haar testament de hoge leeftijd van 89 had en dat zij onder bewind stond omdat zij naar het oordeel van de kantonrechter onvoldoende in staat was haar financiën zelf te beheren. Een specialist ouderengeneeskunde en een klinisch geriater hebben in deze procedure onder meer verklaard dat sprake was van een beeld passend bij het dementiesyndroom, waardoor erflaatster hulp nodig had bij het huishouden, zelfzorg en de financiën. De notaris was van deze beschikking op de hoogte ten tijde van het passeren van het gewijzigde testament. Op grond van deze beschikking had de notaris naar het oordeel van de kamer al voldoende reden om gerede twijfel te hebben over de vraag of erflaatster wilsbekwaam was. Dit geldt te meer nu in de beschikking van de kantonrechter duidelijk naar voren komt dat erflaatster ter zitting aantoonbaar onjuiste informatie over haar financiën heeft gegeven, waaruit onomstotelijk blijkt dat zij niet goed op de hoogte was van wat er met haar financiën gebeurde.

4.9 De kamer benadrukt nogmaals dat het in deze klachtprocedure niet gaat om de vraag of erflaatster ten tijde van het passeren van het testament op 23 februari 2023 wilsbekwaam was, maar of de notaris daaraan in de gegeven omstandigheden moest twijfelen. De kamer oordeelt dat de bij de notaris bekende feiten en omstandigheden over de situatie van erflaatster (onderbewindstelling en administratie niet in eigen beheer) in combinatie met haar leeftijd van 89 jaar, bij de notaris gerede twijfel aan haar wilsbekwaamheid hadden moeten wekken en voor hem aanleiding moeten zijn om verder onderzoek hiernaar te doen. In elk geval had de notaris het Stappenplan moeten volgen gelet op de daartoe aanwezige indicatoren. Dit heeft de notaris niet gedaan. Van een zorgvuldig handelend notaris had bovendien mogen worden verwacht dat hij – ten behoeve van zijn dossiervorming – in ieder geval de kern van zijn gesprekken met erflaatster zou hebben vastgelegd. Op basis van slechts de summiere opmerkingen van de notaris en de kandidaat-notaris hierover ter zitting is het zowel voor klaagsters als voor de kamer niet mogelijk na te gaan hoe de notaris tot zijn beslissing is gekomen om geen nader onderzoek te verrichten naar de wilsbekwaamheid van klaagster. De klacht is op dit punt dan ook gegrond.

Ongewenste beïnvloeding

4.10 Volgens vaste rechtspraak is het ook de verantwoordelijkheid van de notaris om te waken voor de vrije en onafhankelijke wilsvorming van een testateur. De notaris dient dan ook al het nodige te doen om zich ervan te vergewissen dat de testateur bij het vormen en uiten van zijn wil niet op ongewenste wijze is beïnvloed door (de aanwezigheid van) een derde. Het is aan de notaris overgelaten om te bepalen op welke wijze hij uitvoering geeft aan deze verplichting. De hoogste notariële tuchtrechter heeft bepaald dat een notaris in beginsel aan deze verplichting voldoet indien hij op enig moment bij de voorbereiding of het passeren van het testament met de testateur afzonderlijk de relevante aspecten van het testament bespreekt. Van de notaris die daarvoor niet kiest, mag worden verwacht dat hij zijn keuze en de daarbij gemaakte afwegingen achteraf (als daarover vragen rijzen) kan verantwoorden aan de hand van de concrete omstandigheden van het geval (zie gerechtshof Amsterdam 1 oktober 2024, ECLI:NL:GHAMS:2024:2704).

4.11 De notaris stelt dat [E] op 3 januari 2023 heeft gebeld om een afspraak voor erflaatster met hem te maken. Het gesprek op 26 januari 2023 was in het bijzijn van [E]. Tijdens dit gesprek is allereerst gesproken over informele onderwerpen, daarna is gesproken over de reden waarom erflaatster haar testament wilde wijzigen. Pas op het moment dat de exacte wensen van erflaatster besproken gingen worden heeft [E] de spreekkamer verlaten.

4.12 De kamer overweegt het volgende. Aan de orde is de vraag of de notaris voldoende heeft gewaarborgd dat erflaatster haar wil op onafhankelijke wijze – zonder beïnvloeding van [E] – aan de notaris heeft kunnen overbrengen. De beantwoording van deze vraag moet mede worden bezien in het licht van het feit dat het notariaat het als zijn plicht beschouwt om financiële uitbuiting van ouderen te voorkomen en terug te dringen. In verband hiermee overweegt de kamer dat het tot de kernverantwoordelijkheid van een notaris behoort om te waken voor een vrije en onafhankelijke wilsvorming van degene die een testament maakt. Een notaris dient dan ook al het nodige te doen om zich ervan te vergewissen dat de betrokkene bij het vormen en uiten van zijn of haar wil niet op ongewenste wijze is beïnvloed door (de aanwezigheid van) een derde. Een notaris heeft de vrijheid om te bepalen op welke wijze hij uitvoering geeft aan deze verantwoordelijkheid.

4.13 Mede gelet op het in 4.6 overwogene en de vastgestelde feiten, waaronder dat [E] de afspraak heeft gemaakt, dat zij aan de notaris een partijverklaring over de wilsbekwaamheid van erflaatster heeft overgelegd, zij grote geldbedragen van erflaatster ontving en zij bij erflaatster inwoonde, is de kamer van oordeel dat de notaris onvoldoende alert is geweest op de mogelijkheid van beïnvloeding van erflaatster door [E]. In de gegeven omstandigheden acht de kamer geen waarborg aanwezig om mogelijk ongewenste beïnvloeding door [E] tegen te gaan. Dit geldt te meer nu de reden voor de wijziging van het testament van erflaatster in het bijzijn van [E] met haar is besproken door de notaris. Ook op dit onderwerp oordeelt de kamer de klacht gegrond.

Conclusie en maatregel

4.14 De kamer is van oordeel dat de notaris met zijn handelwijze zijn kerntaken als notaris heeft veronachtzaamd. Notariële kernwaarden als onafhankelijkheid en zorgvuldigheid zijn door de notaris geschonden. De notaris heeft bij de totstandkoming van de wijziging van het testament van erflaatster niet voldaan aan zijn zorg- en onderzoeksplicht. De notaris heeft niet met de in dit geval vereiste hoge mate van zorgvuldigheid onderzocht of erflaatster, die op leeftijd was, onder bewind was gesteld en samenwoonde met [E], haar wil vrij kon vormen en uiten.

De notaris heeft geen oog gehad voor de kwetsbare positie van erflaatster, laat staan dat hij zijn handelen daarop heeft afgestemd. De kamer is van oordeel dat de notaris door zijn hiervoor geschetste handelwijze niet heeft gehandeld zoals een zorgvuldig notaris betaamt en dat hij de belangen van erflaatster ernstig heeft veronachtzaamd. Daarmee heeft de notaris het vertrouwen in het notariaat schade toegebracht. De kamer zal aan de notaris de maatregel van een berispring opleggen, nu zij dit de enige passende en geboden maatregel vindt.

4.15 Omdat de kamer de klacht gegrond verklaart, dient de notaris het door klagers betaalde griffierecht van € 50,00 op grond van artikel 99 lid 5 Wna aan hen te vergoeden.

4.16 Nu de kamer de klacht tegen de notaris gegrond verklaart en de notaris tevens een maatregel oplegt, zal de kamer de notaris op grond van artikel 103b lid 1 Wna en de (tijdelijke) richtlijn kostenveroordeling kamers voor het notariaat (Staatscourant 2020, nr. 67893), veroordelen in de kosten van klager, forfaitair vastgesteld op € 50,00.

4.17 De kamer bepaalt dat de notaris voornoemde bedragen binnen vier weken na het onherroepelijk worden van deze beslissing aan klager moet betalen. Klager dient daarvoor tijdig schriftelijk zijn rekeningnummer aan de notaris door te geven.

4.18 Verder ziet de kamer aanleiding om de notaris, op grond van artikel 103b lid 1 Wna jo. de richtlijn kostenveroordeling kamers voor het notariaat 2021 (Staatscourant 2020, nr. 67893), te veroordelen in de kosten die in verband met de behandeling van de zaak door de kamer zijn gemaakt. Deze kosten worden vastgesteld op € 2.000,00 (wegingsfactor 1). De kamer bepaalt dat deze kosten binnen vier weken na het onherroepelijk worden van deze beslissing aan de kamer moeten worden betaald. De notaris ontvangt hiervoor nota van het LDCR te Utrecht.

5. De beslissing

De kamer voor het notariaat in het ressort Arnhem-Leeuwarden

- verklaart de klacht gegrond;

- legt de notaris de maatregel van waarschuwing op;

- veroordeelt de notaris tot betaling aan klager van € 50,00 griffierecht en € 50,00 aan andere

kosten, op de wijze en binnen de termijn als onder 4.17 bepaald;

- veroordeelt de notaris tot betaling van € 2.000,00 in de kosten van behandeling van de

klacht door de kamer, op de wijze en binnen de termijn als onder 4.18 bepaald.

Deze beslissing is gegeven door mr. D. Vergunst, voorzitter, mr. A.E. Zweers, mr. M.R.H. Goossens, mr. H.R. Grievink en mr. A.J.H.M. Janssen, leden, en in tegenwoordigheid van mr. E.W.A Nabbe, secretaris, door de voorzitter in het openbaar uitgesproken op 6 juni 2025.

De secretaris

De voorzitter

Tegen deze beslissing van de kamer voor het notariaat kunnen partijen binnen dertig dagen na de datum van verzending van deze beslissing hoger beroep instellen bij het gerechtshof Amsterdam, Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.