ECLI:NL:TNORARL:2025:34 Kamer voor het notariaat Arnhem-Leeuwarden C/05/450201 / KL RK 25-59
| ECLI: | ECLI:NL:TNORARL:2025:34 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 02-10-2025 |
| Datum publicatie: | 18-11-2025 |
| Zaaknummer(s): | C/05/450201 / KL RK 25-59 |
| Onderwerp: |
|
| Beslissingen: | Klacht ongegrond |
| Inhoudsindicatie: | De kernvraag in deze zaak is of de notaris had moeten weten dat klager een belang had bij het passeren van de hypotheekakte van 24 juli 2024 en de akte van levering van 20 november 2024 en of de notaris daarvoor ook toestemming nodig had van klager. Het antwoord op deze vraag is nee. Klacht ongegrond. |
KAMER VOOR HET NOTARIAAT IN HET RESSORT ARNHEM-LEEUWARDEN
Kenmerk: C/05/450201 / KL RK 25-59
beslissing van de kamer voor het notariaat
op de klacht van
[naam klager],
wonende te [plaats],
klager,
tegen
[naam notaris],
notaris te [plaats],
verweerder.
Partijen worden hierna aangeduid als klager en de notaris.
1. Het verloop van de procedure
1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de klacht met bijlagen, ingekomen op 2 april 2025,
- het verweer van de notaris met bijlagen,
- de repliek met bijlagen van klager,
- de dupliek van verweerder.
1.2. De klachtzaak is ter zitting van 8 september 2025 behandeld, waarbij klager en de notaris zijn verschenen. De standpunten van partijen zijn over en weer toegelicht. Klager heeft daarbij gebruik gemaakt van een pleitnotitie die is overgelegd.
2. De feiten
2.1. De ex-partner van klager, mevrouw [A] (hierna: [A]) was eigenaar van drie percelen gelegen aan de [adres] in [plaats]. Deze percelen zijn kadastraal bekend bij de gemeente [B], sectie D, met de nummers [C], [D] en [E].
2.2. Op de percelen met de nummers [C] en [E] staat een woning waarin klager en [A] vanaf 1992 samen hebben gewoond.
2.3. Op 22 april 2003 is op de woning een eerste hypotheekrecht gevestigd ten gunste van BNP Paribas Personal Finance (hierna: de bank). [A] en klager hebben zich hoofdelijk aansprakelijk gesteld voor deze hypotheekschuld.
2.4. In 2015 is de affectieve relatie tussen klager en [A] geëindigd. In het tussen partijen op 7 oktober 2015 ondertekende convenant is, voor zover relevant, het volgende vermeld:
“(…)
C. De vrouw is eigenaar van de woning aan de [adres] te [plaats], waarin partijen sinds 1992 wonen.
D. Zij hebben zich tezamen verantwoordelijk gesteld voor hypotheekleningen op de woning en nagenoeg alle kosten van de woning zijn betaald vanuit de ondernemingen van de man.
(…)
Ten aanzien van de financiële geschillen
- De vrouw draagt de eigendom van de woning aan de [adres] over aan de man.. (…)
- De man kan op dit moment geen middelen vrijmaken c.q. zodanig leningen afsluiten, dat de hypotheekleningen direct kunnen worden overgenomen. Dat betekent, dat de voorlopig geen notariële overdrachtsacte terzake de woning kan passeren. De man vrijwaart de vrouw wel voor alle aanspraken van derden terzake de leningen, renten en kosten de woning betreffende. (…)
- De vrouw verleent de man, mits hij het gestelde onder b. en e. nakomt, tot aan het passeren van de notariële acte het uitsluitende vrije gebruik van de woning (…).
- Partijen hebben vastgesteld, dat de man de woning koopt voor een bedrag van € 85.000,00 te verhogen met de som van de hypotheekleningen en de negatieve stand van de en/of rekening.
- Het bedrag van € 85.000,00 wordt als volgt voldaan. De man betaalt voor het ondertekenen van het convenant € 20.000,00. Vervolgens betaalt de man iedere maand op de 20e van de maand € 750,00 aan de vrouw en ieder jaar vóór 25 december een bedrag van € 2.000,00. Dusdoende betaalt de man in ieder geval € 11.000,00 per jaar af. Indien mogelijk zal de man de aflossing, van hetgeen hij verschuldigd is, versneld doen plaatsvinden. (…)
(…)”
2.5. In 2024 heeft [A] de notaris laten weten dat zij de hypotheek op de woning (met perceelnummer [C]) wil oversluiten. De notaris heeft vervolgens een verzoek tot royement ingediend bij de bank.
2.6. Op 11 juli 2024 heeft de bank een brief gestuurd naar klager en [A] waarin, voor zover relevant, het volgende is vermeld:
“(…) Van uw notaris hebben wij op 10 juli 2024 het verzoek ontvangen om de lening(en) met nummer(s) [F] helemaal aan ons terug te betalen op 17 juli 2024 omdat deze wordt overgesloten naar een andere aanbieder.
Deze terugbetaling is voor de woning aan [adres] [postcode en plaats] (…)”
2.7. Tussen klager en [A] is in de tussentijd een kort geding procedure aanhangig gemaakt over de koop van de woning en de overname van de hypotheek op de woning.
2.8. Op 24 juli 2024 heeft de notaris de hypotheekakte gepasseerd, waarbij [A] een eerste recht van hypotheek op de woning (met perceelnummer [C]) heeft gevestigd ten behoeve van [G] Onroerend Goed B.V.
2.9. [A] heeft vervolgens het perceel met nummer [E] verkocht aan de heer [G]. Op 20 november 2024 heeft de notaris de akte van levering gepasseerd waarbij dat perceel in eigendom is overgedragen.
2.10. Op 22 augustus 2024 heeft de bank klager een brief gestuurd waarin, voor zover relevant, het volgende is vermeld:
“(…) Helaas moeten we u mededelen dat het niet mogelijk is om de aflossing van uw hypotheek, die u samen met uw ex-partner had, ongedaan te maken. De reden hiervoor is dat u beiden hoofdelijk aansprakelijk was voor de hypotheek. Dit betekent dat wij zowel u als uw ex-partner individueel kunnen aanspreken voor de aflossing van de hypotheek. Als één van de partijen besluit de hypotheek af te lossen, is hiervoor geen toestemming van de ander nodig. Hiervoor zijn geen handtekeningen vereist. (…)”
3. De klacht en het verweer
3.1. Klager verwijt de notaris - samengevat - dat hij zijn zorgplicht en onderzoeksplicht heeft geschonden. De notaris heeft geen rekening gehouden met de belangen van klager bij het passeren van de hypotheekakte van 24 juli 2024 en de akte van levering van 20 november 2024. De notaris heeft deze twee aktes gepasseerd zonder dat klager daarvan op de hoogte was en zonder dat klager daarvoor toestemming heeft gegeven.
3.2. De notaris heeft verweer gevoerd.
3.3. Op de toelichting op de klacht door klager en het verweer daartegen van de notaris zal de kamer hierna, voor zover voor de beoordeling van belang, nader ingaan.
4. De beoordeling
4.1. Toetsingskader
4.1.1. Op grond van artikel 93 lid 1 Wet op het notarisambt (hierna: Wna) zijn notarissen, toegevoegd notarissen en kandidaat-notarissen aan het tuchtrecht onderworpen. De tuchtrechter toetst onder meer of hun handelen of nalaten in strijd is met het bepaalde in de Wna en de andere toepasselijke bepalingen. Ook kan de tuchtrechter toetsen of zij voldoende zorg in acht hebben genomen ten opzichte van de (rechts-)personen voor wie zij optreden en of zij daarbij hebben gehandeld zoals een behoorlijk beroepsbeoefenaar behoort te doen.
4.1.2. In deze zaak ligt ter beoordeling voor de klacht zoals hiervoor onder 3.1. weergegeven. Voor zover klager ter zitting nieuwe klachtonderdelen aan de klacht heeft willen toevoegen, gaat de kamer hieraan voorbij omdat dit niet is toegestaan.
4.2. Beoordeling van de klacht
4.2.1. De kernvraag is of de notaris had moeten weten dat klager een belang had bij het passeren van de hypotheekakte van 24 juli 2024 en de akte van levering van 20 november 2024 en of de notaris daarvoor ook toestemming nodig had van klager. Het antwoord op deze vraag is nee. Dit wordt hierna uitgelegd.
4.2.2. Vaststaat dat [A] enig eigenaar was van alle drie percelen gelegen aan de [adres] in [plaats] en dat zij, met uitsluiting van een ieder ander, beschikkingsbevoegd was. Dit betekent meer specifiek dat [A] het recht heeft om de percelen te belasten met een hypotheekrecht, afstand te doen van een hypotheekrecht en/of de percelen in eigendom over te dragen.
4.2.3. [A] heeft van dit recht gebruik gemaakt. Zij heeft de notaris verzocht om doorhaling van de hypotheek op de woning. Weliswaar stelt klager terecht dat de notaris in principe had kunnen zien dat de hypotheek ook op naam van klager stond, maar niet vereist is dat de notaris klager dan ook op de hoogte stelt van een verzoek om doorhaling van de hypotheek.[1] Evenmin is de toestemming van klager vereist. Een verzoek om doorhaling van de hypotheek kan simpelweg door één van de hypotheekgevers worden gedaan. Een schuld kan namelijk door één van de hoofdelijk schuldenaren worden afgelost.[2] Op de notaris rust in beginsel geen verplichting om op dat punt nader onderzoek te doen.
4.2.4. Klager is het hier niet mee eens en wijst op het tussen hem en [A] op 7 oktober 2015 ondertekende convenant. Dit kan hem niet baten. Niet is komen vast te staan dat de notaris op de hoogte was – of had moeten zijn – van het bestaan en de inhoud van het convenant. De (civielrechtelijke) afspraken zoals vastgelegd in het convenant gelden weliswaar tussen klager en [A], maar die afspraken zijn kennelijk niet goederenrechtelijk geeffectueerd. Dit betekent dat de afspraken dus ook niet in de daarvoor bestemde (openbare) registers terecht zijn gekomen waarvan de notaris kennis had kunnen nemen. Klager heeft verder ook, gelet op de gemotiveerde betwisting daarvan door de notaris, onvoldoende feiten en omstandigheden naar voren gebracht waaruit volgt dat de notaris wel op de hoogte had moeten zijn van het convenant. De enkele omstandigheid dat klager in april 2024 telefonisch contact heeft gehad met de receptioniste van het notariskantoor - waar dat gesprek en het contact is blijven steken - is daarvoor onvoldoende.
4.2.5. [A] heeft vervolgens het perceel met nummer [E] in eigendom overgedragen. Ook hiertoe was zij als enig eigenaar bevoegd. Vaststaat dat er ten tijde van het passeren van de akte van levering een gerechtelijke procedure over de woning (die gedeeltelijk op dit perceel staat) tussen klager en [A] aanhangig was. Maar niet valt in te zien dat de notaris hiervan op de hoogte was of had moeten zijn. Daarvoor heeft klager geen of onvoldoende concrete feiten en omstandigheden aangedragen, terwijl de notaris gemotiveerd heeft aangegeven dat hij niet op de hoogte was van die gerechtelijke procedure.
4.3. Conclusie
4.3.1. De kamer is gelet op het voorgaande van oordeel dat de notaris niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Er is geen sprake van onzorgvuldig handelen of schending van de onderzoeksplicht door de notaris. De klacht wordt daarom ongegrond verklaard.
4.3.2. Al het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.
5. De beslissing
De kamer voor het notariaat in het ressort Arnhem-Leeuwarden:
- verklaart de klacht ongegrond.
Deze beslissing is gegeven door mr. A.E. Zweers, voorzitter, mr. M.R.H. Goossens en mr. J.P.W.H.T. Becks, leden, en in tegenwoordigheid van mr. L.E. de Jong, secretaris, door de voorzitter in het openbaar uitgesproken op 2 oktober 2025.
De secretaris De voorzitter
|
Tegen deze beslissing van de kamer voor het notariaat kunnen partijen binnen dertig dagen na de datum van verzending van deze beslissing hoger beroep instellen bij het gerechtshof Amsterdam, Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam. | ||
[1] Zie ook Kamer voor het notariaat ’s-Hertogenbosch van 20 november 2017, ECLI:NL:TNORSHE:2017:28.
[2] Artikel 6:7 BW.