ECLI:NL:TNORARL:2025:32 Kamer voor het notariaat Arnhem-Leeuwarden C/05/445218 / KL RK 24-177
| ECLI: | ECLI:NL:TNORARL:2025:32 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 29-08-2025 |
| Datum publicatie: | 14-11-2025 |
| Zaaknummer(s): | C/05/445218 / KL RK 24-177 |
| Onderwerp: | Personen- en Familierecht, subonderwerp: Echtscheiding/verdeling |
| Beslissingen: | Klacht gegrond met berisping |
| Inhoudsindicatie: | Notariële kernwaarden al onafhankelijkheid, onpartijdigheid, zorgvuldigheid en integriteit zijn door de notaris geschonden. De notaris heeft kennelijk op een aantal punten het belang van de man boven het belang van klaagster gesteld, zij heeft onvoldoende professionele afstand tot het dossier gehouden en de belangen van klaagster onvoldoende in acht genomen. Van een notaris wordt verwacht dat deze zich van meet af aan een beeld vormt van de belangen van beide partijen en daar naar handelt.Een berisping is de enige passende en geboden maatregel. |
KAMER VOOR HET NOTARIAAT IN HET RESSORT ARNHEM-LEEUWARDEN
Kenmerk: C/05/445218 / KL RK 24-177
beslissing van de kamer voor het notariaat
op de klacht van
[naam],
te [plaats],
klaagster
gemachtigde: W.E. van Bentem
tegen
[naam],
notaris te [plaats]
gemachtigde: mr. W.A.L.D.I. Slagmaat
Partijen worden hierna respectievelijk klaagster en de notaris genoemd.
1. Het verloop van de procedure
1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit
- de klacht, met bijlagen, van 14 december 2024;
- het verweer van de notaris van 18 februari 2025.
1.2. De klachtzaak is ter zitting van 23 mei 2025 behandeld, waarbij zijn verschenen klaagster enerzijds en de notaris anderzijds en waarbij de beide gemachtigden spreekaantekeningen hebben voorgedragen
2. De feiten
2.1. Klaagster was gehuwd met de heer [A] (hierna: de man). Bij beschikking van 24 maart 2020 is de echtscheiding door de rechtbank Rotterdam uitgesproken. Partijen waren gezamenlijk eigenaar van een woning in [plaats] (hierna: de woning).
2.2. In de echtscheidingsbeschikking heeft de rechtbank– zover relevant – het volgende overwogen:
“3.5.14. Op grond van artikel 1:99 lid 1 aanhef en onder b BW is de peildatum voor de omvang van de huwelijksgoederengemeenschap de datum waarop het verzoekschrift tot echtscheiding is ingediend. In afwijking hiervan, zijn partijen overeengekomen dat 31 december 2018 als de peildatum voor de omvang van de huwelijksgoederengemeenschap geldt. Met betrekking tot de waarde van de bestanddelen van de huwelijksgoederengemeenschap gaat de rechtbank in beginsel uit van de datum van de feitelijke verdeling van het betreffende bestanddeel, tenzij partijen een andere datum overeen zijn gekomen of op grond van de redelijkheid en billijkheid een andere datum moet worden aanvaard.
(…)
3.5.15.
(…) Partijen zijn het erover eens dat de echtelijke woning (…) moet worden toegedeeld aan de man.
(…)
Partijen zijn het erover eens dat de man de hypothecaire schuld bij de ABN AMRO van € 940.000,00 voor zijn rekening neemt.
(…)
Partijen zijn het eens dat de levensverzekering bij de ASR die is gekoppeld aan de
hypothecaire geldlening zal worden toegedeeld aan de man tegen een waarde van
€ 130.760,00 en onder verrekening van de helft van die waarde met de vrouw.
De rechtbank beslist dienovereenkomstig.”
2.3. De man heeft hierna in kort geding gevorderd dat klaagster op straffe van verbeurte van dwangsommen moet worden veroordeeld om aan de verdeling van de woning zoals door de rechtbank is bepaald mee te werken. Die vordering is bij vonnis van 5 januari 2023 afgewezen.
2.4. Zowel klaagster als de man zijn in hoger beroep gegaan van voormelde echtscheidingsbeschikking. Het Gerechtshof Den Haag (hierna: het hof) heeft in de beschikking van 19 december 2023 overwogen dat klaagster en de man op 24 maart 2020 een overeenkomst hebben gesloten inzake de woning, dat klaagster daaraan is gebonden en dat zij moet meewerken aan de (goederenrechtelijke voltooiing van) de toedeling van de woning aan de man. Het hof heeft daarnaast overwogen dat de tussen partijen gemaakte afspraken niet in het dictum zullen worden opgenomen, omdat het hof over afspraken waar overeenstemming over bestaat, niet hoeft te beslissen.
Klaagster heeft op 13 februari 2024 beroep in cassatie van deze beschikking ingesteld. Een van de cassatiegronden behelst kort gezegd dat het oordeel van het hof dat er tussen partijen overeenstemming bestond over toedeling van de woning aan de man tegen een waarde van € 940.000,--, onbegrijpelijk is. De Hoge Raad heeft nog geen uitspraak gedaan.
2.5. De man is van het vonnis in kort geding van 5 januari 2023 in hoger beroep gegaan. Bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard arrest van 19 december 2023 heeft het hof als volgt beslist.
“(…)
1. veroordeelt de vrouw om binnen 14 dagen na betekening van dit arrest volledig en onvoorwaardelijk
haar medewerking te verlenen aan de goederenrechtelijke voltooiing van de verdeling
van de echtelijke woning (…) met toedeling aan de man tegen een prijs van € 940.000,00
en tegen ontslag van de vrouw uit haar hoofdelijke verplichting ingevolge de hypothecaire
geldlening welke betrekking heeft op de hiervoor vermelde woning en daartoe de voor
deze toedeling noodzakelijke notariële akte te ondertekenen op de daartoe door de
man te bepalen datum ten overstaan van een door de man aan te wijzen notaris;
2. indien de vrouw na betekening van dit arrest niet haar onvoorwaardelijke medewerking verleent aan hetgeen onder 1 van dit dictum is gesteld, verbeurt zij een dwangsom van
€ 1.000,00 voor iedere dag of gedeelte daarvan met een maximum
van € 100.000,00,-.
3. bepaalt dat als de vrouw binnen 14 dagen na betekening van dit arrest nalatig blijft om medewerking te verlenen aan hetgeen onder 1 van dit dictum is gesteld, dit arrest dezelfde kracht heeft als een in wettige vorm opgemaakte akte van degene die tot de (rechts)handeling gehouden is en dat dit arrest in de plaats treedt van de akte of een deel daarvan;”
2.6. De man heeft het arrest bij exploot van 12 januari 2024 aan klaagster doen betekenen. De notaris heeft in opdracht van de man zowel op 18 als op 23 januari 2024 een conceptakte van verdeling aan klaagster toegestuurd. Klaagster kon met beide concepten niet instemmen, omdat in deze conceptakten een onjuiste peildatum was opgenomen en omdat in de akte ook was opgenomen dat de levensverzekering werd toegedeeld aan de man.
2.7. De notaris heeft vervolgens aan klaagster laten weten dat de bank het concept van de akte had goedgekeurd en dat op grond daarvan ook de akte van ontslag uit hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypotheek voor haar was afgegeven.
2.8. Bij exploot van 28 maart 2024 heeft de man aan klaagster beweerdelijk verbeurde dwangsommen doen aanzeggen tot een bedrag van € 59.000,00 met bevel tot betaling ervan. Klaagster heeft daarna de man op 10 april 2024 in kort geding gedagvaard. Zij heeft hierbij gevorderd dat de tenuitvoerlegging van het kort geding arrest van 19 december 2023 zou worden geschorst. In deze procedure heeft de man correspondentie tussen zijn advocaat en de notaris in het geding gebracht.
2.9. Bij in kort geding gewezen vonnis van 30 april 2024 heeft de voorzieningenrechter de man op straffe van verbeurte van een dwangsom verboden dwangsommen executoriaal te verhalen op klaagster, voor zover die zien op de conceptaktes die tot aan de datum van het vonnis door de notaris zijn opgesteld.
2.10. Bij e-mail van 22 april 2024 heeft de voormalig advocaat van klaagster de notaris aansprakelijk gesteld voor de schade die zij als gevolg van het handelen van de notaris stelt te hebben geleden.
2.11. Naar aanleiding van het bericht van de notaris dat een opnieuw gewijzigd concept van de akte van verdeling beschikbaar was heeft klaagster bij e-mail van 6 mei 2024 haar opmerkingen over dit concept aan de notaris kenbaar gemaakt.
2.12. Bij e-mail van 21 mei 2024 deelde de notaris vervolgens aan klaagster mede dat de datum en het tijdstip voor het passeren van de akte van verdeling waren vastgesteld op 29 mei 2024 om 11.00 uur.
2.13. Bij e-mail van 23 mei 2024 heeft de notaris elke aansprakelijkheid jegens klaagster afgewezen. Bij deze e-mail heeft de notaris ook een conceptakte van ontslag van hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypotheek in verband met de beoogde toedeling van de woning gevoegd.
2.14. Bij e-mail van 27 mei 2024 schreef de notaris onder meer het volgende aan de gemachtigde van klaagster:
“(…) Als mevrouw [naam klaagster] op het moment dat ik het vraag, weigert de akte te tekenen, verlaat ik de kamer en zal de akte onmiddellijk worden aangepast in die zin dat mijn medewerker namens mevrouw [naam klaagster] in de akte wordt gezet. Onmiddellijk daarna zal de akte door meneer en mijn medewerker worden getekend. U dient op mijn eerste verzoek het pand onmiddellijk te verlaten. Dit zal zijn nadat mevrouw getekend dan wel geweigerd heeft.
Er is in principe geen tijd meer voor vragen of overleg. Er is daarvoor in het voortraject meer dan voldoende gelegenheid geweest. De zaak is duidelijk en wordt woensdag afgewikkeld. (…)”
2.15. Op 28 mei 2024 heeft klaagster contact gehad met Florius (hierna: de bank). Bij de bank was op dat moment niets bekend over een akte ontslag uit hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypotheek of een daartoe strekkend verzoek.
2.16. De gemachtigde van klaagster heeft op 29 mei 2024 aan de notaris laten weten dat indien door de notaris of een van haar medewerkers een rechtshandeling namens klaagster wordt verricht als haar beweerdelijk vertegenwoordiger, de notaris aansprakelijk gesteld zal worden wegens onrechtmatig handelen jegens haar.
2.17. De notaris heeft bij e-mail van 29 mei 2024 vervolgens laten weten dat zij na herlezing van het arrest van 29 december 2023 heeft besloten het arrest in de plaats van de akte van volmacht te laten komen en dat er – bij gebrek aan medewerking – zonder klaagster zal worden getekend. De akte is vervolgens buiten aanwezigheid van klaagster en haar gemachtigde ondertekend door de man en de notaris, mede in naam van de bank.
3. De klacht en het verweer
3.1. Klaagster verwijt de notaris dat zij in strijd met de wet en de op haar rustende zorgplicht heeft gehandeld. Bovendien heeft de notaris niet gehandeld zoals het een goed notaris betaamt en heeft zij zich niet gehouden aan een integere beroepsuitoefening zoals die van haar als notaris wordt verwacht. De klacht valt uiteen in de volgende onderdelen:
I. de notaris is opgetreden als partijadviseur voor de man;
II. de notaris mocht de akte van verdeling nog niet passeren, nu nog niet was voldaan aan de voorwaarden uit het dictum van het kort geding arrest van het hof van 29 december 2023;
III. de akte van verdeling voldeed niet aan het dictum van voormeld arrest;
IV. in de gepasseerde akte van verdeling van 29 mei 2024 stonden meerdere feitelijke onjuistheden;
V. in de eerste conceptakte van verdeling is een onjuiste peildatum opgenomen en de notaris weigerde deze uit de akte te verwijderen;
VI. de notaris heeft de polis levensverzekering ASR zonder grond in de akte van verdeling aan de man toebedeeld;
VII. de notaris heeft ten onrechte doen voorkomen dat was voldaan aan de voorwaarde van ontslag van hoofdelijke aansprakelijkheid van klaagster voor de hypotheek en ook dat zij beschikte over een toereikende volmacht om een akte ontslag van klaagster uit de hoofdelijke aansprakelijkheid te laten ondertekenen door een van haar medewerkers. Daarnaast heeft de notaris ten onrechte in geen van beide akten melding gemaakt dat haar het bestaan van de mondelinge volmacht van de bank genoegzaam is gebleken. Tenslotte heeft de notaris de bezwaren van klaagster over de concept akte van ontslag uit hoofdelijke aansprakelijkheid niet doorgezonden aan de medewerkers van de bank en heeft zij de gegevens van de behandelend medewerkers van de bank niet aan klaagster kenbaar gemaakt.
VIII. de notaris heeft inadequaat en onprofessioneel met klaagster gecommuniceerd.
3.2 Op het verweer van de notaris zal de kamer hierna, voor zover het verweer van belang is voor de beoordeling, nader ingaan.
4. De beoordeling
Belanghebbende
4.1. De notaris heeft aangevoerd dat klaagster geen belang heeft bij het indienen van haar klacht op de onderdelen 2, 3 en 4. Klaagster is immers inmiddels ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypotheek op de woning en daarnaast heeft zij een afwijzende houding jegens de notaris aangenomen en geweigerd mee te werken.
4.2. De kamer overweegt dat in artikel 99 lid 1 Wna staat dat klachten tegen notarissen door een ieder met enig redelijk belang kunnen worden ingediend. Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat een rechtstreeks belang niet zonder meer is vereist, ook een indirect of afgeleid belang van klagers kan grond zijn voor ontvankelijkheid. Hiermee is een ruime toegang tot de tuchtrechtelijke klachtprocedure door de wetgever beoogd. De kamer overweegt dat klaagster ontvankelijk is in haar klacht op de voormelde onderdelen. Klaagster is partij bij de akte van verdeling waar de genoemde klachtonderdelen op zien waarmee haar belang is komen vast te staan. Dat klaagster inmiddels is ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypothecaire geldlening maakt niet dat zij geen belang (meer) heeft bij haar klacht.
Algemeen
4.3. Op grond van artikel 93 lid 1 Wet op het notarisambt (hierna: Wna) zijn notarissen, toegevoegd notarissen en kandidaat-notarissen aan het tuchtrecht onderworpen. De tuchtrechter toetst of hun handelen of nalaten in strijd is met het bepaalde in de Wna en de andere toepasselijke bepalingen. Ook kan de tuchtrechter toetsen of zij voldoende zorg in acht hebben genomen ten opzichte van de (rechts)personen voor wie zij optreden en of zij daarbij hebben gehandeld zoals een behoorlijk beroepsbeoefenaar behoort te doen.
Inhoudelijke beoordeling
Klachtonderdeel I: partijadviseur voor de man
4.4. Volgens klaagster heeft de notaris niet met klaagster gecommuniceerd dat zij de advocaat van de man heeft geadviseerd een kort geding te starten, zoals blijkt uit de door de advocaat overgelegde correspondentie met de notaris in de kort geding procedure. Klaagster was bovendien niet op de hoogte van het feit dat de ontstane ruis over de polis levensverzekering voor de notaris de reden was om niet te passeren. De bepaling van toedeling van de polis aan de man werd - zonder overleg met klaagster – op zijn verzoek opgenomen in de akte. De notaris heeft dan ook als partijadviseur van de man opgetreden. Als dit vast komt te staan, heeft de notaris ook de akte in die hoedanigheid op 29 mei 2024 gepasseerd. Zij heeft daarmee in strijd gehandeld met artikel 18 lid 2 van de Verordening beroeps- en gedragsregels 2011 (hierna: Vbg). Klaagster was bereid mee te werken aan waar zij toe gehouden was op grond van het arrest van het hof, te weten de goederenrechtelijke levering van haar aandeel in de woning. Het hof heeft in de beschikking niets overwogen over toedeling van de spaarpolis. Ondanks dat heeft de notaris de verdeling van de polis wel opgenomen in de akte van verdeling. Ook hieruit blijkt dat de notaris enkel oog had voor de belangen en wensen van de man, aldus klaagster.
4.5. De notaris had zich volgens klaagster, op grond van artikel 18 lid 3 Vbg, terstond moeten terugtrekken als instrumenterend notaris toen duidelijk werd dat er een niet aanstonds te overbruggen belangenconflict dreigde te ontstaan over haar rol als instrumenterend notaris. Dit heeft zij niet gedaan. Dat de notaris van dit belangenconflict op de hoogte was blijkt uit de onder 2.14 geciteerde e-mail van de notaris.
4.6. De kamer overweegt dat bij de beoordeling van dit klachtonderdeel eerst de vraag aan de orde is of de notaris is opgetreden als partijadviseur van de man. Als een notaris als partijadviseur optreedt, moet hij dit op grond van artikel 18 Vbg tijdig kenbaar maken aan de belanghebbenden en mag hij geen akte passeren als hij bij de totstandkoming daarvan als partijadviseur betrokken is geweest, tenzij alle betrokkenen daarmee instemmen op grond van aan hen vooraf verstrekte informatie. Mocht tussen partijen een niet direct overbrugbaar belangenconflict (dreigen te) ontstaan in verband met de te passeren akte, dan moet de notaris zich als zodanig terugtrekken.
4.7. De notaris heeft aangevoerd dat zij bij de uitvoering van haar plicht de belangen van beide partijen in acht heeft genomen. Zij betwist dat zij als partijadviseur is opgetreden. Het was voor haar van meet af aan lastig om invulling te geven aan haar ministerieplicht. De notaris zag zich geconfronteerd met de polis levensverzekering die ruis zou kunnen geven door de formulering van het arrest op dat punt. Daarom heeft zij aanvankelijk niet meegewerkt aan de juridische levering van de woning. Zij heeft dit gecommuniceerd met de advocaat van de man. Dat zij dit niet heeft gecommuniceerd met klaagster maakt nog niet dat de notaris als partijadviseur van de man kan worden aangemerkt, aldus de notaris.
4.8. De kamer hanteert als uitgangspunt dat een notaris overeenkomstig het bepaalde in artikel 17 lid 1 Wna het ambt in onafhankelijkheid uitoefent en de belangen van alle bij de rechtshandeling betrokken personen op onpartijdige wijze en met de grootst mogelijke zorgvuldigheid behartigd. Dit brengt mee dat een notaris wiens dienstverlening wordt verzocht ervan uit mag en moet gaan dat om zijn dienstverlening in de zin van artikel 17 Wna wordt verzocht, tenzij anders blijkt.
4.9. Naar het oordeel van de kamer is niet komen vast te staan dat de man de notaris op enig moment expliciet opdracht heeft gegeven om in het kader van de levering van de woning als zijn partijadviseur op te treden. De vraag resteert dan of de notaris klaagster door haar handelwijze aanleiding heeft gegeven om aan te nemen dat zij niettemin als partijadviseur optrad dan wel of zij daardoor op andere wijze klachtwaardig heeft gehandeld zoals door klaagster gesteld.
4.10. De kamer overweegt dat de notaris in een e-mail heeft erkend dat zij enkel de advocaat van de man heeft geadviseerd tot het starten van een kort geding. Zij schrijft immers op 23 mei 2024:
“Eén punt zorgde bij ons voor twijfel en dat was óf de polis wel aan meneer moest worden toegedeeld omdat het arrest van Hof Den Haag daar niets expliciets over zei (wel in een eerdere uitspraak). Ik wilde dit punt tussen partijen afkaarten. Maar de advocaat van meneer had daar geen geduld meer voor en wilde mij dwingen te passeren door het kort geding (althans dat is wat ik hem heb aangeraden en wat hij zei te gaan doen).”
4.11. De notaris heeft dit niet op voorhand gecommuniceerd met klaagster. De kamer overweegt dat, gelet op het feit dat de man de notaris heeft aangezocht, de door de notaris gegeven adviezen en de communicatie tussen de advocaat van de man en de notaris zonder dat klaagster hiervan op de hoogte was, klaagster aanleiding had om aan te nemen dat de notaris als partijadviseur optrad. De notaris heeft door zo te handelen onvoldoende oog gehad voor de belangen van klaagster. Zij heeft immers niet beide partijen in gelijke mate betrokken bij de diverse geschilpunten en de door haar uit te voeren werkzaamheden als notaris. De notaris heeft hiermee in strijd gehandeld met de Vbg en de kamer oordeelt dan ook dat dit klachtonderdeel gegrond is.
Klachtonderdeel II: de notaris mocht nog niet passeren, omdat de termijn uit het dictum van het arrest van het hof nog niet was verstreken
4.12. Klaagster heeft aangevoerd dat de notaris op grond van het onder 2.5 geciteerde dictum van het hof de akte op 29 mei 2024 niet zonder haar medewerking had mogen passeren. De in het arrest genoemde termijn van 14 dagen was volgens klaagster nog niet verstreken. Klaagster legt het dictum zo uit dat het arrest in de plaats treedt van haar medewerking, als zij binnen 14 dagen na betekening van het arrest niet meewerkt aan de levering van de woning aan de man. Het arrest van het hof is op 12 januari 2024 aan klaagster betekend. De termijn van 14 dagen eindigde dus op 26 januari 2024. In deze periode is klaagster echter niet nalatig geweest zodat deze voorwaarde dus niet is vervuld. Mocht het hof bedoeld hebben dat klaagster gedurende 14 dagen na betekening van het arrest nalatig moest zijn geweest, dan geldt dat ook dit niet het geval is geweest. Ook op basis daarvan mocht de notaris de akte dus niet passeren op 29 mei 2024.
4.13. De kamer overweegt dat het dictum van het arrest van het hof niet anders kan worden verstaan dan dat de termijn dat klaagster haar medewerking moest verlenen in zou gaan vanaf 14 dagen na de datum waarop het arrest zou zijn betekend. Het arrest is op 12 januari 2024 betekend zodat klaagster tot 26 januari 2024 de gelegenheid had mee te werken. De kamer oordeelt dan ook dat dit klachtonderdeel ongegrond is.
Klachtonderdeel III: de akte van verdeling voldeed niet aan het dictum van het arrest van het Gerechtshof
4.14. Klaagster voert aan dat de notaris zich strikt aan het (restrictief uit te leggen) dictum van de te executeren uitspraak moest houden. De op te maken en te passeren akte mocht dus enkel datgene bevatten wat nodig was om de executie te voltooien. Het dictum strekte er slechts toe de goederenrechtelijke verdeling van het aandeel van klaagster in de woning te voltooien onder voorwaarde van het gelijktijdig ontslag van klaagster uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor haar verplichtingen uit de aan de woning verbonden hypotheek. Hiervoor was enkel een notariële akte van levering van het aandeel van klaagster in de woning nodig, gevolgd door de inschrijving van deze akte in de registers en een notariële verklaring van de notaris waaruit zou blijken van het onvoorwaardelijk ontslag van klaagster uit de hoofdelijke aansprakelijkheid.
4.15. De notaris heeft in de akte van verdeling echter een uitvoerige beschrijving van de tussen partijen gevoerde procedures en citaten uit meerdere tussen partijen gegeven rechtelijke beslissingen opgenomen. Bovendien zijn de artikelen 2, 3 en 5 in de akte ook geen constitutieve vereisten om de levering van het deel van klaagster in de woning te bewerkstelligen. Deze bepalingen hadden niet opgenomen moeten worden. Bovendien was niet voldaan aan het vereiste dat klaagster was ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid ten aanzien van de hypotheek, aldus klaagster.
4.16. De notaris heeft aangevoerd dat de vervangende toestemming in de akte uitgebreider is geformuleerd dan het dictum vereiste. Dat maakt de akte echter nog niet onverenigbaar met het dictum. Bovendien heeft de notaris voorafgaand aan het transport uitdrukkelijk verklaard dat de bank haar de garantie had gegeven dat klaagster ná juridische levering van het woonhuis geheel zou zijn ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypotheek.
4.17. De kamer overweegt dat de voorwaarde dat klaagster wordt ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid, enkel kan worden vervuld op het moment dat de akte van levering gepasseerd is. Deze akte was bovendien noodzakelijk voor toedeling van de woning aan de man. De kamer maakt, bij gebrek aan de akte van levering zelf, uit de beschikbare dossierstukken op dat de notaris onderdelen in de akte wat uitgebreider heeft geformuleerd dan volgens het dictum noodzakelijk was. Dit maakt echter niet dat zij tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. De kamer acht dit klachtonderdeel dan ook ongegrond.
Klachtonderdeel IV: in de akte staan zaken in strijd met de waarheid
4.18. Klaagster heeft aangevoerd dat in de op 29 mei 2024 gepasseerde akte meerdere feitelijke onjuistheden zijn opgenomen. Zij stelt dat de volgende feiten onterecht in de akte staan:
a. klaagster is voor de notaris verschenen;
b. klaagster heeft als een van de verschenen personen verklaard zoals verder in de akte is gereleveerd;
c. klaagster weigert de akte te tekenen en daarom is op grond van het arrest van het hof d.d. 19 december 2023 de akte alleen door de man en de notaris ondertekend;
d. de notaris heeft de inhoud van de akte aan de verschenen personen zakelijk opgegeven en toegelicht;
e. de notaris heeft de verschenen personen gewezen op de gevolgen die voor hen uit de gepasseerde akte voortvloeien;
f. klaagster heeft verklaard van de inhoud van de akte te hebben kennisgenomen en heeft met beperkte voorlezing van de akte ingestemd.
4.19. Vast staat dat klaagster niet aanwezig was bij het compareren en het passeren. Nog voordat dit kon aanvangen, heeft de notaris klaagster en haar gemachtigde immers gesommeerd haar kantoor te verlaten hetgeen zij hebben gedaan.
4.20. De kamer overweegt dat de notaris niet heeft betwist dat zij feitelijke onjuistheden in de gepasseerde akte heeft laten staan. De kamer stelt vast dat de gepasseerde akte zodanig is ingericht dat het lijkt alsof klaagster continue bij het compareren aanwezig was, terwijl dit klaarblijkelijk niet het geval was. De kamer oordeelt dat de notaris op dit punt onzorgvuldig heeft gehandeld. Klachtonderdeel 4 zal daarom gegrond worden verklaard.
Klachtonderdeel V: in de eerste concept-akte is een onjuiste peildatum genoemd voor het bepalen van de waarde van de woning en de notaris weigerde deze te wijzigen
4.21. Klaagster heeft aangevoerd dat de notaris tegen de wil van klaagster de peildatum
31 december 2018 voor het bepalen van de waarde van de woning in de twee concepten van de akte van levering heeft opgenomen.
4.22. De kamer overweegt dat de notaris in haar e-mail van 23 mei 2024 aan de voormalig advocaat van klaagster heeft erkend dat zij een onjuiste peildatum in de akte heeft opgenomen. Zij schrijft:
“(…) Het blokje over de peildatum was inderdaad een foutje en had aangepast moeten worden. (…)”
4.23. De kamer oordeelt dat de notaris de onjuiste peildatum aanstonds had moeten wijzigen op eerste verzoek van klaagster. De akte van verdeling bevatte door de onjuiste peildatum immers een onjuistheid die financiële gevolgen voor klaagster (en de man) kon hebben. Door deze fout niet direct te herstellen en wederom te noemen in het tweede concept heeft de notaris onzorgvuldig gehandeld. De kamer zal ook klachtonderdeel 5 dus gegrond verklaren.
Klachtonderdeel VI: de notaris heeft zonder juridische grondslag de toedeling van de levensverzekering aan de man in de akte van verdeling opgenomen
4.24. Klaagster stelt dat de notaris in de gepasseerde akte van verdeling ook heeft opgenomen dat de polis levensverzekering bij de ASR die aan de hypothecaire geldlening is verbonden aan de man wordt toegedeeld, terwijl het arrest van 19 december 2023 haar hiertoe geen grond bood. Klaagster heeft hiertegen bezwaar gemaakt, maar de notaris heeft geweigerd de polis uit de akte te verwijderen. Haar standpunt dat deze polis voor ruis zou zorgen en dat zij daarom niet wilde passeren heeft de notaris wel met de man, maar niet met klaagster gedeeld. Door zo te handelen heeft de notaris bovendien meegewerkt aan een onrechtmatige opzet van de man om beweerdelijk verbeurde dwangsommen, wegens niet meewerken, bij de vrouw te incasseren, aldus klaagster.
4.25. De notaris heeft erkend dat zij de polis levensverzekering in de akte van verdeling heeft opgenomen. Zij acht dit echter niet tuchtrechtelijk laakbaar, nu het evident is dat bij juridische levering van het woonhuis zowel de hypothecaire geldlening als de ASR levensverzekering, die als onderpand was ingebracht, moest worden betrokken. Volgens de notaris zag klaagster hierin een mogelijkheid om de juridische levering te frustreren, terwijl de verdeling van de polis levensverzekering juist in lijn was met de partijbedoelingen. De man en klaagster waren het er immers over eens dat de polis levensverzekering aan de man moest worden toegedeeld.
4.26. De kamer overweegt dat niet ter discussie staat dat de polis levensverzekering ASR en de hypothecaire geldlening aan elkaar gekoppeld zijn. Dit neemt echter niet weg dat de notaris was gebonden aan het dictum van het hof in het arrest van 19 december 2023. In dit dictum staat enkel dat de woning aan de man wordt toegedeeld en dat klaagster moet worden ontslagen van haar hoofdelijke verplichting ingevolge de hypothecaire geldlening. Het hof heeft niets beslist over de polis levensverzekering ASR. Het arrest bood daarom geen juridische grondslag voor het opnemen van deze polis in de akte van verdeling. Indien de notaris dit had willen doen, omdat de polis en de hypothecaire geldlening aan elkaar verbonden zijn, had zij hierover vooraf moeten communiceren met beide partijen. Dit heeft zij niet gedaan. De kamer ziet evenwel geen aanknopingspunten voor de stelling van klaagster (zo begrijpt de kamer althans de stelling) dat de notaris met de man heeft samengespannen om te bewerkstelligen dat klaagster dwangsommen zou verbeuren.
De kamer oordeelt dat ten aanzien van toedeling van de polis sprake is van onzorgvuldig handelen door de notaris en zal klachtonderdeel 6 dan ook gegrond verklaren.
Klachtonderdeel VII: de notaris heeft ten onrechte doen voorkomen dat klaagster was ontslagen uit hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypothecaire geldlening
4.27. Klaagster heeft aangevoerd dat de notaris ten onrechte heeft doen voorkomen dat zij al ten tijde van de oorspronkelijke passeerdatum op 25 januari 2024 zou zijn ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypothecaire geldlening. Zij heeft bovendien ten onrechte doen voorkomen dat zij enige, laat staan een toereikende, volmacht had om de akte van ontslag uit de hoofdelijke aansprakelijkheid door een van haar medewerkers te laten ondertekenen. De notaris had bovendien in de akte van verdeling melding moeten maken van het feit dat haar het bestaan van de mondelinge volmacht van de bank genoegzaam was gebleken. Tenslotte heeft de notaris geweigerd de contactgegevens van de medewerker van de bank met wie zij contact had door te sturen aan klaagster, dan wel aan haar kenbaar te maken.
4.28. De kamer overweegt dat dit klachtonderdeel feitelijk onjuist is. Aan de voorwaarde dat klaagster was ontslagen uit hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypothecaire geldlening was voldaan. De akte van ontslag zit bij de dossierstukken die de kamer in haar bezit heeft. Dat in een concept akte van ontslag is opgenomen dat ontslag is verleend, wil niet zeggen dat dit ontslag al op het moment van het opmaken van de concept akte daadwerkelijk verleend is. Het is in het belang van klaagster om vanaf het moment dat zij geen mede-eigenaar meer is van de woning te worden ontslagen van hoofdelijke aansprakelijkheid. Dit moment is bij de ondertekening van de akte van verdeling. Pas op dat moment is het essentieel dat ook het ontslag uit de hoofdelijkheid volgt voor de partij die niet langer mede-eigenaar is. Vast staat dat de bank klaagster heeft ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid. De notaris heeft onder volmacht van zowel klaagster als de bank de akte ondertekend. Dit is een reguliere werkwijze binnen het notariaat en was in dit geval ook in het belang van klaagster. De notaris was verder niet gehouden in de aktes te melden dat haar het bestaan van een volmacht was gebleken. De notaris heeft erkend dat zij de gegevens van de medewerkers van de bank niet aan klaagster heeft verstrekt. De kamer overweegt dat zij hiertoe ook geen verplichting had. De kamer oordeelt dat de notaris op dit punt niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld en zal dit klachtonderdeel ongegrond verklaren.
Klachtonderdeel VIII: de notaris heeft niet adequaat en onprofessioneel met klaagster gecommuniceerd.
4.29. Klaagster heeft aangevoerd dat de notaris zich zonder deugdelijke grond vijandig tegenover haar heeft opgesteld. De notaris heeft daarmee niet integer gehandeld jegens klaagster. Deze kernwaarde vergt dat de notaris op professionele wijze met de betrokkene kan communiceren.
4.30. De notaris heeft erkend dat de communicatie tussen haar en klaagster erg stroef verliep. Dit kwam volgens haar niet in de laatste plaats, omdat klaagster de taak van de notaris nodeloos frustreerde.
4.31. De kamer overweegt dat uit de e-mailcorrespondentie tussen klaagster of haar gemachtigde en de notaris ook blijkt dat de communicatie niet soepel verliep. Dit blijkt onder meer ook uit de volgende e-mail berichten.
Op 21 mei 2024 om 16.35 schrijft de notaris aan klaagster:
“De afspraak voor het passeren van de akte van verdeling heb ik ingepland op woensdag 29 mei om 11.00.
Mocht u hierbij aanwezig willen zijn dan verneem ik dat graag van u.”
Op 27 mei 2024 om 22:28 uur schrijft de notaris aan de gemachtigde van klaagster:
“(…)
Het is ongewenst dat mevrouw [naam klaagster] twee personen meeneemt naar de afspraak. Het lijkt mij dat als ú meekomt, dat voldoende is.
De afspraak zal plaatsvinden in twee aparte kamers. De akte zal aan mevrouw worden uitgelegd en zij zal worden verzocht te tekenen. Daarna ga ik naar mijnheer en zal hij tekenen. Als mevrouw [naam klaagster] op het moment dat ik het vraag, weigert de akte te tekenen, verlaat ik de kamer en zal de akte onmiddellijk worden aangepast in die zin dat mijn medewerker namens mevrouw [naam klaagster] in de akte wordt gezet. Onmiddellijk daarna zal de akte door meneer en mijn medewerker worden getekend. U dient op mijn eerste verzoek het pand onmiddellijk te verlaten. Dit zal zijn nadat mevrouw getekend dan wel geweigerd heeft.
Er is in principe geen tijd meer voor vragen of overleg. Er is daarvoor in het voortraject meer dan voldoende gelegenheid geweest. De zaak is duidelijk en wordt woensdag afgewikkeld.”
4.32. De kamer overweegt dat uit de e-mail van 27 mei 2024 blijkt, dat de notaris niet meer in staat was om voldoende distantie te houden en zakelijk te blijven. Professionele communicatie mag echter te allen tijde van een notaris worden verwacht. De kamer oordeelt dan ook dat klachtonderdeel 8 gegrond is.
Conclusie
4.33. De kamer is van oordeel dat de notaris met haar handelwijze in klachtonderdelen 1, 4, 5, 6 en 8 haar kerntaken als notaris heeft veronachtzaamd. Notariële kernwaarden als onafhankelijkheid, onpartijdigheid, zorgvuldigheid en integriteit zijn door de notaris geschonden. De notaris heeft kennelijk op een aantal punten het belang van de man boven het belang van klaagster gesteld, zij heeft onvoldoende professionele afstand tot het dossier gehouden en de belangen van klaagster onvoldoende in acht genomen. Van een notaris wordt verwacht dat deze zich van meet af aan een beeld vormt van de belangen van beide partijen en daar naar handelt.
4.34. De kamer is van oordeel dat de notaris door haar hiervoor geschetste handelswijze niet heeft gehandeld zoals het een zorgvuldig en integer notaris betaamt en vindt dat zij de belangen van klaagster ernstig heeft veronachtzaamd. De kamer zal de notaris dan ook de maatregel van een berisping opleggen, nu zij dit de enige passende en geboden maatregel acht.
4.35. Omdat de kamer de klacht gegrond verklaart, dient de notaris het door klaagster betaalde griffierecht van € 50,00 op grond van artikel 99 lid 5 Wna aan haar te vergoeden.
4.36. Nu de kamer de notaris tevens een maatregel oplegt, zal de kamer de notaris op grond van artikel 103b lid 1 Wna en de (tijdelijke) richtlijn kostenveroordeling kamers voor het notariaat (Staatscourant 2020, nr. 67893), veroordelen in de kosten van klaagster, forfaitair vastgesteld op € 50,00.
4.37. De kamer bepaalt dat de notaris voornoemde bedragen binnen vier weken na het onherroepelijk worden van deze beslissing aan klaagster moet betalen. Klaagster dient daarvoor tijdig schriftelijk haar rekeningnummer aan de notaris door te geven.
4.38. Verder ziet de kamer aanleiding om de notaris, op grond van artikel 103b lid 1 Wna jo. de richtlijn kostenveroordeling kamers voor het notariaat 2021 (Staatscourant 2020, nr. 67893), te veroordelen in de kosten die in verband met de behandeling van de zaak door de kamer zijn gemaakt. Deze kosten worden vastgesteld op € 2.000,00 (wegingsfactor 1). De kamer bepaalt dat deze kosten binnen vier weken na het onherroepelijk worden van deze beslissing aan de kamer moeten worden betaald. De notaris ontvangt hiervoor nota van het LDCR te Utrecht.
5. De beslissing
De kamer voor het notariaat in het ressort Arnhem-Leeuwarden
- verklaart de klacht ten aanzien van de klachtonderdelen 2,3 en 7 ongegrond;
- verklaart de klacht ten aanzien van de klachtonderdelen 1, 4, 5, 6 en 8 gegrond;
- legt de notaris de maatregel van berisping op;
- veroordeelt de notaris tot betaling aan klaagster van € 50,00 griffierecht en € 50,00 aan andere kosten, op de wijze en binnen de termijn als onder 4.35 en 4.36 bepaald;
- veroordeelt de notaris tot betaling van € 2.000,00 in de kosten van behandeling van de klacht door de kamer, op de wijze en binnen de termijn als onder 4.37 bepaald.
|
Deze beslissing is gegeven door mr. I.C.J.I.M. van Dorp, voorzitter, mr. L.T. de Jonge en mr. M.M.M. Oors, leden, en in tegenwoordigheid van mr. E.W.A Nabbe, secretaris, door de voorzitter in het openbaar uitgesproken op 29 augustus 2025. | ||
|
De secretaris |
De voorzitter | |
|
Tegen deze beslissing van de kamer voor het notariaat kunnen partijen binnen dertig dagen na de datum van verzending van deze beslissing hoger beroep instellen bij het gerechtshof Amsterdam, Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam. | ||