ECLI:NL:TNORARL:2025:28 Kamer voor het notariaat Arnhem-Leeuwarden C/05/447757 KL RK 25-21 C/05/447758 KL RK 25-22 C/05/447760 KL RK 25-23
| ECLI: | ECLI:NL:TNORARL:2025:28 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 27-08-2025 |
| Datum publicatie: | 13-11-2025 |
| Zaaknummer(s): |
|
| Onderwerp: |
|
| Beslissingen: | Klacht ongegrond |
| Inhoudsindicatie: | Samenlevingscontract opgesteld in 2006, klacht te laat (ond. 1) Novitaris arrest is van toepassing, notaris moet rekening houden met belangen derden. Vordering dochters op nalatenschap vader moet eerst worden vastgesteld alvorens tot afwikkeling van die nalatenschap kan worden overgegaan vwb klaagster. Indien nu al wordt afgewikkeld, worden de rechten van de dochters (derden) mogelijk geschaad. Notaris geeft terecht geen second opinion in zaak van collega’s binnen hetzelfde kantoor.Geen enkele aanleiding noch onderbouwing om aan te nemen dat geheimhoudingsplicht is geschonden. |
KAMER VOOR HET NOTARIAAT IN HET RESSORT ARNHEM-LEEUWARDEN
Kenmerken: C/05/447757 / KL RK 25-21, C/05/447758 / KL RK 25-22, C/05/447760 /
KL RK 25-23
beslissing van de kamer voor het notariaat
op de klacht van
[naam klaagster],
gevestigd te [plaats],
klaagster
gemachtigde: [naam], wonende in [plaats]
tegen
1.
[naam notaris],
notaris in [plaats]
2.
[naam notaris] notaris te [plaats]
3.
[naam kandidaat-notaris], kandidaat-notaris te [plaats]
Partijen worden hierna respectievelijk klaagster en de (kandidaat-)notarissen genoemd.
1. Het verloop van de procedure
1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit
- de klacht, met bijlagen, van 15 februari 2025;
- een e-mail van klaagster van 25 maart 2025;
- het verweer van de notarissen van 4 april 2025;
- de nagekomen stukken van klaagster ingekomen op 11 juni 2025.
1.2. De klachtzaak is ter zitting van 23 juni 2025 behandeld, waarbij zijn verschenen klaagster en haar gemachtigde enerzijds en de (kandidaat)-notarissen anderzijds. De gemachtigde van klaagster en de (kandidaat-)notarissen hebben spreekaantekeningen overgelegd en voorgedragen.
1.3. Op 11 en 23 juli 2025 zijn e-mails ontvangen van de gemachtigde van klaagster met vragen over het geheven griffierecht.
2. De feiten
2.1. Op 16 april 2023 is de heer [A] (hierna: erflater), de levenspartner van klaagster, overleden.
2.2. Eerder was erflater getrouwd met mw. [B] die is overleden op 15 februari 2005. Uit dat huwelijk zijn drie dochters geboren. Erflater en [B] beschikten ieder over een testament van 3 februari 1986. In het testament van [B] is een langstlevende beding opgenomen. Ook stond in dat testament dat het erfdeel van de kinderen niet opeisbaar was, totdat hun vader – erflater – kwam te overlijden. Tenslotte bevat het testament een bepaling dat bij overlijden de woning, in dit geval aan [adres] in [plaats], zal worden gewaardeerd uitgaande van bewoonde staat.
2.3. De nalatenschap van [B] is nooit afgewikkeld en zodoende is ook de vordering van de dochters van erflater op hem uit dien hoofde nimmer vastgesteld.
2.4. Klaagster en erflater hebben op 14 augustus 2006 bij notaris [C] bij notariële een samenlevingsovereenkomst gesloten. Daarin is een verblijvensbeding opgenomen. Het nieuwe testament van erflater werd op dat moment ook gepasseerd. In dat testament heeft erflater klaagster, naast zijn dochters, als erfgename en als executeur/ afwikkelingsbewindvoerder benoemd.
2.5. Naar aanleiding van het overlijden van erflater heeft klaagster met haar adviseur op 10 oktober 2023 een bespreking gehad met notaris [C]. Bij de tweede bespreking van 8 december 2023 waren hierbij ook de dochters van erflater aanwezig.
2.6. Kort na de laatste bespreking stelde notaris [C] een verklaring van aanvaarding door klaagster op alsmede haar verklaring van “ruimschoots-voldoende-zijn” om de vordering van de dochters op korte termijn te kunnen voldoen.
2.7. Op 15 december 2023 hebben klaagster en de dochters van erflater zijn nalatenschap beneficiair aanvaard.
2.8. Op 23 januari 2024 heeft notaris [C] een verklaring van erfrecht/executele en afwikkelingsbewind opgesteld, waarin onder meer het volgende is opgenomen:
“Mitsdien is mevrouw [D], voornoemd, handelend voor zich als erfgename en in haar hoedanigheid van executeur-afwikkelingsbewindvoerder, zelfstandig bevoegd de nalatenschap te beheren en daarover te beschikken overeenkomstig het vorenstaande, waaronder het opvragen en beschikken over banktegoeden, het wijzigen van de tenaamstelling van bankrekeningen, het opheffen van bankrekeningen, om de eventuele schulden en de begrafenis- of crematiekosten te betalen, om de vereiste (erf)belastingaangiften te doen en de verschuldigde (erf)belastingen te betalen, om verzekeringsuitkeringen te incasseren en alle daarmee samenhangende handelingen te verrichten.”
2.9. In maart 2024 leek er overeenstemming te worden bereikt over de vaststelling van de omvang van de vordering van de dochters op erflater, totdat de dochters aankondigden een rechtszaak te zullen starten om hun vordering in rechte te laten vaststellen op basis van de woningwaarde van de woning in [plaats]. De waardering was tussen klaagster en de dochters in geschil, waar klaagster stelde dat moest worden uitgegaan van een waarde van € 307.725, stelden de dochters een waarde van € 416.667. Ook was de waarde van een aantal kunstobjecten in geschil. De dochters meenden dat hen (tenminste) ruim € 23.000 toekwam, klaagster meende dat de dochters niets toekwam omdat de nalatenschap van [B] negatief was.
2.10. Op 26 september 2024 gaf klaagster notaris [C] opdracht tot het opmaken van een akte van levering ter uitvoering van het verblijvensbeding in de samenlevingsovereenkomst tussen haar en erflater met betrekking tot de woning aan de [adres] in [plaats] (hierna: de woning). De notaris heeft deze opdracht op 11 oktober 2024 schriftelijk bevestigd.
2.11. Op 18 oktober 2024 laat notaris [C] schriftelijk aan klaagster weten:
“Momenteel zijn wij bezig met een juridisch onderzoek inzake de verblijving en of deze mogelijk is binnen een nalatenschap die beneficiair aanvaard is waarin ook nog schulden aanwezig zijn vanwege het overlijden van een eerdere partner. Volgende week kom ik hier bij u op terug.”
2.12. Op 31 oktober 2024 liet notaris [C] weten verdere dienst te weigeren voor het opstellen van een akte afwikkeling en verdeling en het uitvoeren van het verblijvensbeding.
2.13. Klaagster heeft bij het kantoor van notaris [C] en kandidaat-notaris [E] een klacht ingediend. Notaris [F] heeft hierop als volgt geantwoord op 29 januari 2025:
“ Ik mag mij niet mengen in de afwikkeling van de nalatenschap daar deze bij mijn collega’s in behandeling is. De brief is gezien uw mail aan mijn collega’s bekend.”
3. De klacht en het verweer
3.1 Klaagster verwijt de (kandidaat-)notarissen dat zij zich niet hebben gedragen zoals het een behoorlijk notaris betaamt. De klacht valt uiteen in de volgende onderdelen:
I. notaris [C] heeft het samenlevingscontract van klaagster en erflater in 2006 foutief opgesteld, althans hen onvoldoende voorgelicht dienaangaande;
II. notaris [C] en kandidaat-notaris [E] hebben onterecht hun ministerie geweigerd ten aanzien van het opmaken van een akte afwikkeling en verdeling (‘ambtsweigering 1’) en uitvoering van het verblijvensbeding (‘ambtsweigering 2’);
III. de (kandidaat-)notarissen hebben hun geheimhoudingsplicht geschonden;
IV. notaris [F] heeft niet zorgvuldig gereageerd op de door klaagster ingediende klacht bij het kantoor.
3.2 Op het verweer van de notaris zal de kamer hierna, voor zover het verweer van belang is voor de beoordeling, nader ingaan.
4. De beoordeling
Klachtonderdeel I: het opgestelde samenlevingscontract in 2006 (notaris [C])
4.1. Voordat de kamer aan een inhoudelijke beoordeling van de klacht kan toekomen, moet (ambtshalve) worden beoordeeld of de klacht ontvankelijk is. Op grond van artikel 99 lid 21 Wet op het Notarisambt (hierna: Wna) kan een klacht slechts worden ingediend gedurende drie jaren na de dag waarop de tot klacht gerechtigde kennis heeft genomen van het handelen of nalaten van een notaris dat tot tuchtrechtelijke maatregelen aanleiding kan geven. Als de klacht wordt ingediend na verloop van drie jaren na de dag waarop klager kennis heeft genomen of redelijkerwijs kennis heeft kunnen nemen van het handelen of nalaten van de notaris waarop de klacht betrekking heeft, wordt de klacht niet-ontvankelijk verklaard.
4.2. Klaagster heeft zich voor het eerst bij brief van 15 februari 2025 bij de kamer gemeld met een klacht over notaris [C], zodat voor het bepalen van de klachttermijn van die datum zal worden uitgegaan. Dit betekent dat de klacht alleen ontvankelijk is voor zover deze betrekking heeft op handelen of nalaten van de notaris dat dateert van 14 februari 2022 of later, de periode van drie jaar als genoemd in artikel 99 lid 21 Wna.
4.3. De kamer stelt vast dat de klacht voor wat betreft klachtonderdeel I betrekking heeft op handelen of nalaten van de notaris op 14 augustus 2006. Deze datum ligt ver voor 14 februari 2022. Dit betekent dat klaagster haar klacht, voor zover deze ziet op het al dan niet foutief opstellen van het samenlevingscontract van klaagster en erflater, te laat heeft ingediend. Klaagster heeft bovendien niet nader onderbouwd waarom zij haar klacht ten aanzien van het samenlevingscontract niet eerder heeft ingediend. De kamer zal klaagster dan ook niet-ontvankelijk verklaren in dit klachtonderdeel.
Verdere beoordeling
4.4. Op grond van artikel 93 lid 1 Wet op het notarisambt (hierna: Wna) zijn notarissen, toegevoegd notarissen en kandidaat-notarissen aan het tuchtrecht onderworpen. De tuchtrechter toetst of hun handelen of nalaten in strijd is met het bepaalde in de Wna en de andere toepasselijke bepalingen. Ook kan de tuchtrechter toetsen of zij voldoende zorg in acht hebben genomen ten opzichte van de (rechts)personen voor wie zij optreden en of zij daarbij hebben gehandeld zoals een behoorlijk beroepsbeoefenaar behoort te doen.
Klachtonderdelen over notaris [C] en kandidaat-notaris [E]
Klachtonderdeel II: notaris [C] en kandidaat-notaris [E] hebben ten onrechte hun ministerie geweigerd ten aanzien van het opstellen van een akte afwikkeling en verdeling en het verblijvensbeding
4.5. Artikel 21 Wna verplicht de notaris de hem bij of krachtens de wet opgedragen of de door een partij verlangde werkzaamheden te verrichten. Hij dient zijn dienst evenwel te weigeren wanneer naar zijn redelijke overtuiging of vermoeden de werkzaamheid die van hem wordt verlangd leidt tot strijd met het recht of de openbare orde, wanneer zijn medewerking wordt verlangd bij handelingen die kennelijk een ongeoorloofd doel of gevolg hebben of wanneer hij andere gegronde redenen voor weigering heeft.
4.6. De functie van notaris in het rechtsverkeer verplicht hem onder bijzondere omstandigheden ook tot een zekere zorg voor de belangen van derden die mogelijkerwijs betrokken zijn bij de door zijn cliënten van hem verlangde ambtsverrichtingen. Deze zorgplicht kan er toe leiden dat de notaris gegronde redenen heeft als bedoeld in artikel 21 lid 2 Wna om de van hem gevraagde dienstverlening te weigeren of op te schorten. Verleent hij de gevraagde dienst toch, dan kan dit zijn civielrechtelijke aansprakelijkheid jegens de betrokken derde(n) meebrengen.
4.7. De belangen van derden zijn onder meer betrokken bij de verlangde ambtsverrichting indien deze betrekking heeft op de levering van een goed, terwijl ook een derde ter zake van dat goed rechten kan doen gelden. In zodanig geval behoort de notaris zich zorgvuldig op te stellen. De notaris dient in een dergelijk geval nader onderzoek te verrichten, zonder zijn geheimhoudingsplicht te schenden, om zich een oordeel te vormen over de vraag of het recht van de derde een beletsel behoort te vormen voor de beoogde levering.
4.8. Indien de voor de notaris kenbare feiten het oordeel rechtvaardigen dat het recht van de derde een beletsel vormt voor de beoogde levering, dan wel aanleiding vormen tot gerede twijfel daarover, dan dient hij – tenzij de betrokken derde verklaart geen bezwaar te hebben tegen de levering – zijn ministerie te weigeren.
4.9. Klaagster heeft aangevoerd dat [C] en [E] ten onrechte hun ministerie hebben geweigerd ten aanzien van het opmaken van een akte afwikkeling en verdeling en ten aanzien van het verblijvensbeding. De notaris heeft geweigerd behoorlijk onderzoek te doen naar de omvang van de vordering die de dochters hebben op erflater. Klaagster acht dit onbegrijpelijk, nu [C] enerzijds een verklaring ruimschoots-voldoende-zijn afgeeft en niet veel later stelt dat de vordering van de dochters nog onbekend is. De notaris had berekeningen moeten maken uit de eerste nalatenschap en zo de vorderingen van de dochters moeten vaststellen.
4.10. [C] en [E] hebben aangevoerd dat de positie van de schuldeisers, de dochters van erflater, geschaad wordt op het moment dat de akten verdeling en afwikkeling worden gepasseerd. De dochters van erflater zijn betrokken derden en met hun belangen moet rekening worden gehouden. De notaris mocht zijn ministerie aldus gerechtvaardigd weigeren. Eerst zal hun vordering op erflater vastgesteld moeten worden, alvorens de akten kunnen worden gepasseerd. Indien de akten al worden gepasseerd kan dit onomkeerbare gevolgen hebben in de zien dat de dochters geen verhaalsmogelijkheden meer hebben.
4.11. De kamer is met de (kandidaat-)notaris van oordeel dat het Novitaris-arrest van toepassing is. [C] en [E] moesten volgens deze maatstaf onderzoek verrichten en beoordelen of de rechten van de dochters een beletsel moesten vormen om tot levering van de woning en afwikkeling van de nalatenschap over te kunnen gaan. Uit de stukken en de mondelinge behandeling blijkt dat [C] dit enkel heeft onderzocht aan de hand van de mogelijke overwaarde in de woning in [plaats]. Er is niet onderzocht over welke liquide middelen de nalatenschap nog meer beschikt. De kamer acht dit onderzoek wat summier en [C] en [E] hebben in dit onderzoek geen heel actieve houding aangenomen. Dit is echter onvoldoende voor het aannemen van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen, mede omdat in deze procedure niet in geschil is dat er buiten de (over)waarde in de woning van klaagster en erflater geen relevante middelen zijn. Het (deels) onttrekken van dit bestanddeel aan de nalatenschap kan de (verhaals)positie van de dochters dus aanzienlijk beïnvloeden.
4.12. Daarnaast overweegt de kamer dat de vordering van de dochters eerst zal moeten worden vastgesteld zodat het verblijvensbeding van klaagster kan worden geëffectueerd en de akte van verdeling en afwikkeling. Zolang deze vordering niet vaststaat, kunnen [C] en [E] niet vaststellen – mede gezien het grote verschil tussen de inschatting van de aanspraak van de dochters – dat hun belangen als derden niet worden geschaad bij het passeren van de genoemde akte. Het vaststellen van die vordering is niet iets dat de notaris kan doen en ook niet iets waar de notaris invloed op kan uitoefenen. Dat de vordering van de dochters nog niet is vastgesteld, komt voort uit het feit dat de afwikkeling van de nalatenschap van hun moeder nimmer heeft plaatsgevonden. Het overlijden van hun moeder werkt door in het overlijden van hun vader. Dat de vordering van de dochters nog niet is vastgesteld omdat klaagster en de dochters hierover in geschil zijn geraakt en [C] en [E] dus niet verder kunnen in de afwikkeling van de nalatenschap van erflater kan hen dan ook niet worden verweten. Het is niet zo, zoals klaagster stelt, dat de uitleg die de dochters geven aan het beding ter waardering van de woning in [plaats] en hun overige standpunten zodanig evident onjuist zijn, dat [C] en [E] hieraan voorbij hadden moeten gaan en uitvoering hadden moeten geven aan de door klaagster voorgestane verdeling.
4.13. De kamer acht de klacht voor wat betreft dit klachtonderdeel dan ook ongegrond.
Klachtonderdeel over notaris [F]
Klachtonderdeel IV: de notaris heeft niet adequaat gereageerd op de klacht van klaagster die zij bij het kantoor heeft ingediend
4.14. Klaagster heeft aangevoerd dat [F] heeft geweigerd haar afdoende te woord te staan, nadat zij een klacht heeft ingediend bij kantoor over de werkwijze van [C] en [E]. Hij heeft haar enkel gemeld dat hij zich niet mag mengen in de afwikkeling van de nalatenschap nu deze bij zijn collega’s in behandeling is. [F] heeft dit niet weersproken.
4.15. Klaagster heeft op 4 februari 2025 het volgende per e-mail aan [F] verzonden.
“(…) Duidelijk was toch in mijn bericht van dinsdag 29 januari dat ik een klacht uitte en van u verwachtte dat u eens even zou meekijken om die op te lossen. Dan kunt u niet volstaan met een éénregelig berichtje waarmee u zich wel heel afzijdig opstelt om niet te zeggen dat u het afschuift. Heeft niet ieder kantoor een soort intern reglement voor een klacht? Is niet standaard dat er dan even iemand anders wordt bijgehaald?
(…)
Ik vraag u alleen maar om hen een duwtje te geven tot een oplossing en hen uw opinie te geven.
(…)
Gelet op mijn leeftijd, gezondheid en mogelijkheden zoek ik de eenvoudigste weg: dat de problemen door uw kantoor worden opgelost. Als het duo [C]/[E] dat niet vlot kan, is het dan zo gek dat ik op u een beroep doe?”
4.16. [E] heeft vervolgens op 7 februari 2025 namens het notariskantoor het volgende antwoord aan klaagster verzonden.
“(…)
Verder is binnen kantoor meerdere malen overleg gevoerd over de casus en heeft u tezamen met de erfgenamen meerdere besprekingen op kantoor gehad. Er is niet met duidelijkheid vast te stellen of er vorderingen zijn vanwege het overlijden van mevrouw [B] en zo die er wel zijn, hoe hoog die zijn. FBN Juristen is het hiermee eens. Het is afhankelijk van uitleg en de rechter leg uit. Dat is niet de taak van een notaris. Ik begrijp uw frustratie, echter kunnen wij niet namens u dan wel namens de andere erfgenamen bepalen hoe hoog de vorderingen zijn. (…)”
4.17. De kamer overweegt dat de e-mail van klaagster aan [F] niet slechts ziet op het indienen van een klacht over de werkwijze van [C] en [E]. Klaagster verzoekt [E] immers om ‘mee te kijken’, om [C] en [E] ‘een duwtje te geven tot een oplossing en hen zijn opinie te geven’ en zij ‘doet een beroep op hem voor een eenvoudige en vlotte oplossing van haar zaak’. De kamer stelt op grond hiervan vast dat klaagster [F] (in feite) verzoekt om een second opinion in haar zaak.
4.18. De kamer oordeelt dat [F] zich terecht afzijdig heeft gehouden van het geven van een second opinion. Immers is de zaak van klaagster in behandeling bij zijn collega’s van hetzelfde kantoor. Het staat een notaris vrij om overleg te voeren over zaken met zijn collega’s op kantoor. Het is echter niet zo dat hij buiten deze collega’s om een second opinion kan geven aan cliënten van deze collega’s. Door te handelen zoals [F] heeft gedaan heeft hij zich als een integer notaris gedragen. De kamer oordeelt dit klachtonderdeel dan ook als ongegrond.
Klachtonderdeel betreffende alle drie de (kandidaat-)notarissen
Klacht III: de geheimhoudingsplicht is geschonden
4.19. Klaagster heeft aangevoerd dat zij het gevoel heeft dat de (kandidaat-)notarissen hun geheimhoudingsplicht hebben geschonden, doordat voor haar niet zichtbaar is welke informatie het notariskantoor kort na 26 september 2024 heeft verstrekt aan de dochters [achternaam dochters] over de door klaagster verlangde akte en juridische levering van de woning, ter uitvoering van het verblijvensbeding. De (kandidaat-)notarissen hebben ontkend dat zij hun geheimhoudingsplicht hebben geschonden.
4.20. De kamer overweegt dat klaagster enkel haar vermoeden kenbaar heeft gemaakt. Dit vermoeden is geenszins onderbouwd en ook uit het dossier heeft de kamer geen aanwijzingen gevonden dat mogelijk sprake zou zijn van een schending van de geheimhoudingsplicht van de (kandidaat-)notarissen. De kamer oordeelt ook dit klachtonderdeel als ongegrond.
Griffierecht
4.21. In haar e-mails van 11 en 23 juli 2025 heeft klaagster aandacht gevraagd voor het feit dat aan haar driemaal het griffierecht van € 50,00 in rekening is gebracht en zij heeft stellingen ingenomen over de proceskostenveroordeling. De kamer meent dat de heffing juist is nu zij tegen drie separate personen een klacht heeft ingediend, waarbij in deze zaak nog komt dat zij deze personen (deels) separate verwijten maakt die afzonderlijk beoordeeld moesten worden. Aan een kostenveroordeling van de (kandidaat-)notarissen wordt gezien het voorgaande niet toegekomen.
5. De beslissing
De kamer voor het notariaat in het ressort Arnhem-Leeuwarden
- verklaart de klacht wat betreft onderdeel I niet-ontvankelijk en wat betreft het overige ongegrond
|
Deze beslissing is gegeven door mr. M.J.C. van Leeuwen, voorzitter, mr. C. Zijerveld en mr V. Oostra, leden, en in tegenwoordigheid van mr. L.E. Laddrak, secretaris, door de voorzitter in het openbaar uitgesproken op 27 augustus 2025. | ||
|
De secretaris |
De voorzitter | |
|
Tegen deze beslissing van de kamer voor het notariaat kunnen partijen binnen dertig dagen na de datum van verzending van deze beslissing hoger beroep instellen bij het gerechtshof Amsterdam, Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam. | ||