ECLI:NL:TNORARL:2025:27 Kamer voor het notariaat Arnhem-Leeuwarden C/05/439464 KL RK 24-100 C/05/439466 KL RK 24-101
| ECLI: | ECLI:NL:TNORARL:2025:27 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 24-03-2025 |
| Datum publicatie: | 07-08-2025 |
| Zaaknummer(s): |
|
| Onderwerp: |
|
| Beslissingen: | Klacht gegrond zonder maatregel |
| Inhoudsindicatie: | De klacht heeft betrekking op de afwikkeling van de nalatenschap van erflater door de kandidaat-notaris en notaris. Klaagster verwijt de kandidaat-notaris dat 1) zij meerdere fouten heeft gemaakt bij de afwikkeling van de nalatenschap van erflater 2) dat de notaris en kandidaat-notaris ernstig tekort zijn geschoten in hun communicatie met klaagster en de zoon. 3) de notarissen niet de benodigde zorgvuldigheid hebben betracht bij de beoordeling van de wilsbekwaamheid van erflater.De kamer oordeelt dat klaagster een redelijk belang heeft bij klachtonderdelen 1) en 3), aangezien klaagster versterferfgenaam, legitimaris en legataris is en zij recht heeft op uitkering van haar legitieme portie en belang heeft bij een correcte berekening van de nalatenschap. Voor wat betreft klachtonderdeel 2) stelt de kamer vast dat de kandidaat-notaris als beheersexecuteur uitsluitend gehouden is rekening en verantwoording af te leggen aan de erfgenamen. De zoon is de enig erfgenaam en klaagster beschikt niet over een volmacht van de zoon om namens hem een klacht in te dienen. De kamer verklaart klaagster daarom niet-ontvankelijk bij klachtonderdeel 2), behoudens voor zover hierin aan de orde wordt gesteld dat de notaris heeft toegezegd om (dossier)onderzoek te doen naar de wilsbekwaamheid van erflater. Van een notaris mag worden verwacht dat hij kennis neemt van de inhoud van de aan hem gerichte correspondentie en daar zo nodig deugdelijk en tijdig op reageert. De kamer is van oordeel dat de notaris de vraag van klaagster niet inhoudelijk onbeantwoord had mogen laten. De notaris heeft onvoldoende rekening gehouden met de belangen van klaagster en zijn zorgplicht onvoldoende in acht genomen. Gelet op het voorgaande zal de kamer dit klachtonderdeel gegrond verklaren.De kamer concludeert dat niet voldoende aannemelijk is gemaakt dat er ten tijde van de bezoeken van de kandidaat-notaris sprake was van wilsonbekwaamheid bij erflater en oordeelt dat de kandidaat-notaris zorgvuldig heeft gehandeld door de wilsbekwaamheid van erflater te beoordelen op basis van haar eigen waarnemingen. De kamer verklaart klachtonderdeel 3) ongegrond.De notaris heeft ter zitting aangevoerd dat hij op kantoor de nodige noodzakelijke maatregelen heeft getroffen om de geconstateerde knelpunten aan te pakken.Gezien deze inspanningen en de genomen stappen acht de kamer het niet nodig om een verdere maatregel op te leggen. |
KAMER VOOR HET NOTARIAAT IN HET RESSORT ARNHEM-LEEUWARDEN
Kenmerk: C/05/439464 / KL RK 24-100 en C/05/439466 / KL RK 24-101
beslissing van de kamer voor het notariaat
op de klacht van
[naam],
wonende te [woonplaats],
klaagster,
gemachtigde: mr. S.M. Knol,
tegen,
1. [naam notaris],
notaris te [plaatsnaam],
2. [naam kandidaat-notaris],
kandidaat-notaris te [plaatsnaam],
gemachtigde: mr. S.F. Knijnenburg.
Partijen worden hierna respectievelijk klaagster, de notaris, de kandidaat-notaris, of tezamen de notarissen genoemd.
1. Het verloop van de procedure
1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de klacht, met bijlagen, ingekomen op 29 juli 2024;
- het verweer van de notaris van 15 oktober 2024;
- pleitnotitie van klaagster;
- pleitnotitie van de notaris;
- e-mail van aan gemachtigde klaagster.
1.2. De klachtzaak is ter zitting van 14 februari 2025 behandeld, waarbij zijn verschenen klaagster met haar gemachtigde enerzijds en de notaris en de kandidaat-notaris met hun gemachtigde anderzijds.
De standpunten van partijen zijn over en weer toegelicht, mede aan de hand van pleitnotities.
2. De feiten
2.1. Klaagster en de heer [naam zoon] (hierna: de zoon) zijn de kinderen van [naam erflater] (hierna: erflater).
2.2. Op 1 november 2021 is de kandidaat-notaris op verzoek van erflater bij hem thuis geweest. Erflater heeft toen aangegeven dat hij zijn testament wilde wijzigen.
2.3. Op 2 november 2021 is erflater opgenomen in het ziekenhuis met een ernstig delier. Erflater heeft een week in het ziekenhuis gelegen.
2.4. Op 11 november 2021 heeft erflater telefonisch contact opgenomen met de kandidaat-notaris naar aanleiding van de ontvangst van de eerste conceptakte van het testament. Erflater heeft aangegeven een aantal wijzigingen te willen doorvoeren.
2.5. Op 12 november heeft de kandidaat-notaris erflater een gewijzigd concept van het testament toegezonden.
2.6. Op 18 november 2021 heeft de kandidaat-notaris, als waarnemer van de notaris, het testament gepasseerd.
2.7. Erflater heeft in zijn testament klaagster onterfd en de zoon benoemd tot enig erfgenaam en begrafenisexecuteur. Aan klaagster is een bedrag van € 10,00 gelegateerd, met als omschrijving “(Albert Heijn, sokken)”.
2.8. Erflater heeft in zijn testament de notaris, dan wel zijn waarnemer of ambtsopvolger, dan wel de oudste kandidaat-notaris verbonden aan diens kantoor, benoemd tot beheers- executeur.
2.9. Op 23 maart 2022 is erflater overleden.
3. De klacht en het verweer
De klacht valt uiteen in de volgende onderdelen:
I. de kandidaat-notaris heeft meerdere fouten gemaakt bij de afwikkeling van de nalatenschap van erflater,
II. de notaris en kandidaat-notaris zijn ernstig tekortgeschoten in hun communicatie met klaagster en de zoon bij de afwikkeling van de nalatenschap,
III. de notarissen hebben niet de benodigde zorgvuldigheid betracht bij de beoordeling van de wilsbekwaamheid van erflater.
4. De beoordeling
4.1. Ingevolge artikel 93 lid 1 van de Wet op het notarisambt (hierna: Wna) zijn notarissen, toegevoegd notarissen en kandidaat-notarissen aan het tuchtrecht onderworpen ter zake van handelen of nalaten in strijd met hetzij enige bij of krachtens deze wet gegeven bepaling, hetzij met de zorg die zij behoren te betrachten ten opzichte van degenen te wier behoeve zij optreden en ter zake van handelen of nalaten dat een behoorlijk notaris, toegevoegd notaris of kandidaat-notaris niet betaamt. De kamer dient derhalve te onderzoeken of de handelwijze van de notaris en kandidaat-notaris een verwijtbare gedraging in de zin van dit artikel oplevert.
Ontvankelijkheid
4.2. Voordat de kamer aan een inhoudelijke beoordeling van de klacht kan toekomen, moet eerst (ambtshalve) worden beoordeeld of klaagster als belanghebbende kan worden aangemerkt bij de klacht. In artikel 99 lid 1 Wet op het notarisambt (hierna: Wna) staat dat klachten tegen notarissen door een ieder met enig redelijk belang kunnen worden ingediend. Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat een rechtstreeks belang bij de klacht niet zonder meer is vereist, ook een indirect of afgeleid belang van klager kan grond zijn voor ontvankelijkheid. Hiermee is een ruime toegang tot de tuchtrechtelijke klachtprocedure door de wetgever beoogd.
4.3. De kamer moet beoordelen of klaagster met succes op persoonlijke titel een klacht kan indienen. Hiervoor is nodig dat zij een voldoende redelijk belang heeft bij deze klacht. De klacht gaat over de wijze van handelen van de kandidaat-notaris en de notaris bij het wijzigen van het testament en de afwikkeling van de nalatenschap van erflater. Klaagster is de dochter van erflater en ze was dus versterferfgenaam. Ze heeft daarom een redelijk belang bij de klacht voor zover deze ziet op de totstandkoming van het testament van erflater. Klaagster is legitimaris en legataris. Zij heeft recht op uitkering van haar legitieme portie en heeft daarom een redelijk belang bij een correcte berekening van de nalatenschap. De kamer concludeert daarom dat klaagster een voldoende redelijk belang heeft bij de klachtonderdelen I en III.
4.4. Voor wat betreft klachtonderdeel II overweegt de kamer het volgende. Klaagster verwijt de kandidaat-notaris en de notaris dat zij bij de afwikkeling van de nalatenschap van erflater tekort zijn geschoten in hun communicatie met haar en de zoon. De kamer stelt vast dat de kandidaat-notaris als beheersexecuteur uitsluitend gehouden is rekening en verantwoording af te leggen aan de erfgenamen. De zoon is de enig erfgenaam en klaagster beschikt niet over een volmacht van de zoon om namens hem een klacht in te dienen. De kamer oordeelt dat klaagster daarom voor dit klachtonderdeel niet als belanghebbende kan worden beschouwd. De kamer verklaart klaagster daarom niet-ontvankelijk bij klachtonderdeel II, behoudens voor zover hierin aan de orde wordt gesteld dat de notaris heeft toegezegd om (dossier)onderzoek te doen naar de wilsbekwaamheid van erflater op het moment van het passeren van het testament, maar hierop ondanks nadere verzoeken niet meer is teruggekomen.
Klachtonderdeel I
4.5. Klaagster stelt dat de kandidaat-notaris meerdere fouten heeft gemaakt bij de afwikkeling van de nalatenschap van erflater door herhaaldelijk foutieve berekeningen te overleggen. Daarnaast heeft de kandidaat-notaris nagelaten om de effecten van erflater tijdig te verkopen, waardoor schade aan de nalatenschap is ontstaan.
4.6. De kandidaat-notaris heeft betwist dat sprake is geweest van opeenvolgende foutieve berekeningen. Tijdens een bespreking op 8 december 2022 met klaagster en de zoon is het concept van de boedelbeschrijving besproken, waarbij enkele onjuistheden zijn geconstateerd. Volgens de kandidaat-notaris betroffen deze echter niet de door klaagster in het klaagschrift gestelde fouten, maar geheel andere punten. De boedelbeschrijving wordt gedurende de afwikkeling definitief vormgegeven en het voorkomen van enkele onjuistheden in een concept is niet tuchtrechtelijk verwijtbaar, aldus de kandidaat-notaris.
Daarnaast betwist de kandidaat-notaris dat zij is tekortgeschoten bij de verkoop van de effecten. De verkoop is, net als andere actiepunten binnen de nalatenschapsafwikkeling, opgepakt. Eventuele waardeveranderingen van de effecten tussen de datum van overlijden en de verkoopdatum kunnen haar volgens haar niet worden aangerekend.
4.7. De kamer overweegt dat klaagster ter zitting haar klacht op dit punt niet nader heeft onderbouwd, terwijl dit wel op de weg had gelegen gelet op de betwisting van de kandidaat-notaris. Uit de beschikbare informatie kan niet worden afgeleid dat er sprake is geweest van opeenvolgende foutieve berekeningen of dat de kandidaat-notaris ten aanzien van de verkoop van de effecten tuchtrechtelijk verwijtbaar traag heeft gehandeld. De kamer verklaart klachtonderdeel I daarom ongegrond.
Klachtonderdeel II
4.8. Klaagster heeft tijdens het afsluitende gesprek van 20 oktober 2023 haar bedenkingen over de geldigheid van het testament van erflater met de notaris gedeeld. Zij heeft de notaris een mapje met stukken overhandigd met het verzoek om deze te beoordelen. De notaris heeft op dat moment zijn bereidheid getoond, maar is hier, ondanks meerdere e-mailverzoeken, niet op teruggekomen.
4.9. De notaris voert in zijn verweerschrift en ter zitting aan dat hij het spijtig vindt dat hij ondanks zijn getoonde bereidheid om op een passend moment naar het mapje met stukken te kijken, daar niet aan toe is gekomen. Hij heeft geen toezegging gedaan over de termijn waarbinnen hij de stukken zou beoordelen, maar hij ziet in dat hij daar te veel ruimte voor heeft genomen en begrijpt goed dat dit klaagster heeft gefrustreerd. De notaris erkent dat hij niet heeft gereageerd op de e-mails die klaagster heeft gestuurd en waarin zij om zijn reactie vroeg. In deze periode was het erg druk op kantoor en hij was aan de beoordeling nog niet toe gekomen. De notaris realiseert zich dat hij klaagster had moeten informeren over de stand van zaken.
4.10. De kamer overweegt dat van een notaris mag worden verwacht dat hij kennis neemt van de inhoud van de aan hem gerichte correspondentie en daar zo nodig deugdelijk en tijdig op reageert. In dit geval ging het om de twijfel van klaagster bij de beoordeling van de wilsbekwaamheid van erflater en had zij recht op een reactie van de notaris. De kamer is van oordeel dat de notaris de vraag van klaagster niet inhoudelijk onbeantwoord had mogen laten. De notaris heeft onvoldoende rekening gehouden met de belangen van klaagster en zijn zorgplicht onvoldoende in acht genomen. Gelet op het voorgaande zal de kamer dit klachtonderdeel gegrond verklaren.
Klachtonderdeel III
4.11. Ter onderbouwing van haar klacht voert klaagster het volgende aan.
In de nacht van 29 op 30 oktober 2021 en in de nacht van 30 oktober op 1 november 2021 heeft erflater op de deur van zijn onderburen staan bonken met een wokpan, waarna de politie is gekomen. Op 1 november 2021 is de kandidaat-notaris bij erflater thuis geweest om de wijzigingen die erflater wilde doorvoeren in het testament te bespreken. Bij dit gesprek was de zoon aanwezig. De zoon heeft de kandidaat-notaris toen verteld welke medicatie erflater gebruikte en hij heeft benadrukt dat hij zijn vader zo niet kende. Op het moment dat de kandidaat-notaris vertrok, kwam de huisarts binnen vanwege zijn verwarde staat. De kandidaat-notaris heeft de huisarts zien binnenkomen. Er is geen stappenplan wilsbekwaamheid gevolgd of een onafhankelijke arts ingeschakeld, terwijl er duidelijk signalen aanwezig waren dat erflater niet compos mentis was. Erflater heeft tijdens het gesprek aangegeven dat hij een bedrag van € 10,00 wilde legateren aan klaagster voor “Albert Heijn sokken”. Een opmerkelijk legaat waardoor bij de kandidaat-notaris een belletje had moeten gaan rinkelen. Ook het korte tijdsbestek tussen alle opgestelde testamenten, de ziekenhuisopname en het medicijngebruik hadden aanleiding moeten zijn geweest voor de kandidaat-notaris om het stappenplan te volgen.
4.12. De kandidaat-notaris heeft hiertegen aangevoerd dat ze bij situaties waarin een cliënt aangeeft zijn/haar testament te willen wijzigen, in het bijzonder wanneer dat gebeurt in de laatste levensfase, alert is op wie de afspraak maakt, waarom juist diegene de afspraak maakt en wat daarvoor de aanleiding is. Doorgaans vinden twee besprekingen plaats, één om het huidige testament door te nemen en de gewenste wijzigingen te inventariseren en te bespreken en één om het aangepaste testament door te nemen en te ondertekenen. Op beide momenten wordt de wilsbekwaamheid van de cliënt beoordeeld. In het geval van erflater vond de eerste beoordeling daarvan al plaats tijdens het telefonische contact tussen de kandidaat-notaris en erflater op 29 oktober 2021. Erflater nam zelf contact op met het kantoor en kon goed duidelijk maken waarom hij contact opnam. Tijdens de bespreking op
1 november 2021 bij erflater thuis, heeft de kandidaat-notaris het vorige testament uit 2018 met hem doorgenomen. Erflater leed aan kanker en zijn ziekte was de aanleiding voor de bespreking. Erflater had er geen bezwaar tegen dat de zoon in de woonkamer verbleef. De zoon zat achter in de woonkamer op de bank, op ruime afstand van de kandidaat-notaris en erflater en hield zich afzijdig. Erflater was helder van geest, hij sprak ontspannen en vertelde vrij. Hij was stellig en duidelijk in zijn instructies en wensen ten aanzien van zijn testament. De kandidaat-notaris had geen aanleiding om te twijfelen aan zijn wilsbekwaamheid. Een opmerking van de zoon in de trant van ”dit is mijn vader niet”, heeft de kandidaat-notaris niet gehoord. Datzelfde geldt ook voor de mededelingen van de zoon over medicatie die erflater zou gebruiken. De kandidaat-notaris heeft ook niets vernomen over de voorvallen met de wokpan. De kandidaat-notaris herinnert zich dat er, toen ze vertrok, iemand bij erflater langskwam en dat erflater aangaf dat dit zijn huisarts was. Gelet op de ziekte van erflater vond ze dit niet opmerkelijk. Op 2 november 2021 heeft de kandidaat-notaris een conceptakte met de gewenst aanpassingen, tezamen met een uitgebreide toelichting, per post aan erflater gezonden. Op 11 november 2021 heeft erflater telefonisch contact opgenomen met de kandidaat-notaris naar aanleiding van het ontvangen concept. Erflater gaf wederom duidelijk en resoluut aan wat zijn wensen waren en dat hij nog enkele wijzigingen wilde doorvoeren Hij liet blijken dat hij zich bewust was van de gevolgen van zijn keuzes. Erflater liet de kandidaat-notaris ook weten dat hij enkele dagen opgenomen was geweest in verband met, zo gaf hij aan, “de stress die het ziekzijn met zich meebracht”. Op 12 november 2021 heeft de kandidaat-notaris een gewijzigd concept testament toegezonden. Op 15 november 2021 nam erflater weer telefonisch contact op met de kandidaat-notaris. Erflater overzag de gevolgen voor onder meer de erfbelasting vanwege de door hem gemaakte keuzes. Hij gaf aan dat de inhoud akkoord was en bevestigde de afspraak voor het ondertekenen van het testament op 18 november 2021 bij hem thuis. Op 18 november 2021 heeft de kandidaat-notaris de volledige inhoud van het testament met erflater doorgenomen en vervolgens ondertekend. Bij de bespreking was verder niemand aanwezig. Erflater was ook bij deze bespreking helder van geest en duidelijk in zijn wensen en instructies. De kandidaat-notaris heeft, op basis van haar eigen waarneming, tijdens de contactmomenten geen twijfel gehad over de wilsbekwaamheid van erflater.
4.13. De kamer stelt het volgende voorop.
Een (kandidaat-)notaris moet bij de beoordeling van de wilsbekwaamheid van de betrokken cliënt primair uitgaan van zijn/haar eigen waarneming als niet bekend is, en er ook geen aanwijzingen zijn, dat de cliënt lijdt aan een ziekte die de wilsbekwaamheid kan beïnvloeden. Daarbij heeft een (kandidaat-)notaris een zekere mate van beoordelingsvrijheid. Bij gerede twijfel aan de wilsbekwaamheid van de cliënt en/of als aanleiding bestaat om te vermoeden dat mogelijk sprake is van beïnvloeding door derden, is in het algemeen verder onderzoek aangewezen. Het Stappenplan Beoordeling Wilsbekwaamheid ten behoeve van notariële dienstverlening (hierna: het Stappenplan) biedt hiervoor een handreiking. In het Stappenplan staan indicatoren vermeld die aanleiding kunnen vormen voor een nadere beoordeling van de wilsbekwaamheid. Indien een (kandidaat-)notaris - ook al heeft hij/zij kennis van het bestaan van één of meerdere indicatoren - geen aanleiding heeft om te twijfelen aan de wilsbekwaamheid van de cliënt, hoeft het Stappenplan niet te worden gevolgd. Daarbij zal het in belangrijke mate aankomen op zowel de inhoud van de gesprekken die een (kandidaat-)notaris met de cliënt voert, als de wijze waarop de cliënt zich daarbij presenteert.
4.14. De kamer overweegt dat de kandidaat-notaris erflater meerdere malen telefonisch en tijdens huisbezoeken heeft gesproken. Op die momenten heeft zij de wilsbekwaamheid van erflater beoordeeld. De kandidaat-notaris heeft op basis van haar eigen waarneming niet getwijfeld aan de wilsbekwaamheid van erflater en kwam daarom niet toe aan toepassing van het Stappenplan. De kandidaat-notaris heeft aangevoerd dat zij niet op de hoogte was van de nachtelijke voorvallen van erflater met de wokpan, de verwarde staat, het gebruik van zware medicatie en de ziekenhuisopname vanwege een delier. De kamer heeft geen aanleiding om hier aan te twijfelen. Als uitgangspunt geldt dat bij de beoordeling van de wilsbekwaamheid primair mag worden uitgegaan van de eigen waarneming van de kandidaat-notaris. Overige feiten of omstandigheden op grond waarvan de kandidaat-notaris tot een andere conclusie had moeten komen, zijn door klaagster niet gesteld en hiervan is ook niet gebleken. Dat erflater een testament wilde opstellen dat inhoudelijk ingrijpend afweek van zijn eerdere testament is naar het oordeel van de kamer op zichzelf onvoldoende om aan zijn wilsbekwaamheid te twijfelen. Ook het feit dat er, blijkens het door klaagster overgelegde rapport, ten tijde van het bespreken en passeren van het testament een verdenking bestond op een dementieel syndroom is van onvoldoende gewicht.
4.15. De kamer concludeert dat niet voldoende aannemelijk is gemaakt dat er ten tijde van de bezoeken van de kandidaat-notaris sprake was van wilsonbekwaamheid bij erflater en oordeelt dat de kandidaat-notaris zorgvuldig heeft gehandeld door de wilsbekwaamheid van erflater te beoordelen op basis van haar eigen waarnemingen. De kamer verklaart dit klachtonderdeel ongegrond.
Maatregel
4.16. Op de gegrondverklaring van een klacht (onderdeel II) past in beginsel een tuchtrechtelijke maatregel. De notaris heeft ter zitting aangevoerd dat hij op kantoor de nodige noodzakelijke maatregelen heeft getroffen om de geconstateerde knelpunten aan te pakken. Gezien deze inspanningen en de genomen stappen acht de kamer het niet nodig om een verdere maatregel op te leggen.
Griffierecht
4.17. Omdat de kamer de klacht gedeeltelijk gegrond verklaart, dient de notaris op grond van artikel 99 lid 5 Wna het door klaagster betaalde griffierecht van € 50 aan haar te vergoeden. Omdat geen maatregel wordt opgelegd, blijft een kostenveroordeling achterwege.
4.18. De kamer bepaalt dat voornoemd bedrag binnen vier weken na het onherroepelijk worden van deze beslissing aan klaagster moet worden betaald. Klaagster dient daarvoor tijdig schriftelijk haar rekeningnummer aan de notaris door te geven.
5. De beslissing
De kamer voor het notariaat in het ressort Arnhem-Leeuwarden
- verklaart de klachtonderdelen I en III ongegrond;
- verklaart klachtonderdeel II voor wat betreft de kandidaat-notaris niet-ontvankelijk en voor wat betreft de notaris gegrond, zonder oplegging van een maatregel;
- veroordeelt de notaris tot betaling aan klaagster van het griffierecht van € 50 op de wijze en binnen de termijn als hiervoor bepaald.
|
Deze beslissing is gegeven door mr. I.C.J.I.M. van Dorp, voorzitter, mr. M.M.M. Oors en mr. A.J.H.M. Janssen, leden, en in tegenwoordigheid van M.A.T. de Weerd LLB, secretaris, door de voorzitter in het openbaar uitgesproken op 24 maart 2025. | ||
|
De secretaris |
De voorzitter | |
|
Tegen deze beslissing van de kamer voor het notariaat kunnen partijen binnen dertig dagen na de datum van verzending van deze beslissing hoger beroep instellen bij het gerechtshof Amsterdam, Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam. | ||