ECLI:NL:TNORAMS:2025:24 Kamer voor het notariaat Amsterdam 771320 / NT 25-20
| ECLI: | ECLI:NL:TNORAMS:2025:24 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 25-11-2025 |
| Datum publicatie: | 02-12-2025 |
| Zaaknummer(s): | 771320 / NT 25-20 |
| Onderwerp: | Personen- en Familierecht, subonderwerp: Nalatenschap |
| Beslissingen: | Klacht gegrond met berisping |
| Inhoudsindicatie: | Klager verwijt de notaris dat zij geen uitleg heeft gegeven over de verklaring van erfrecht en over de boedelvolmacht [klacht 1] en de verklaring vervolgens onjuist heeft opgesteld door hierin tegen de wil van klager een volledige boedelvolmacht aan zijn zuster op te nemen [klacht 2]. De notaris heeft daarna niet tijdig en/of adequaat gereageerd toen de fout in de verklaring van erfrecht aan het licht kwam [klacht 3].Partijen verschillen van mening over hetgeen is besproken over (de gevolgen van) de boedelvolmacht en de verklaring van erfrecht. Hierdoor kan de kamer niet vaststellen dat de notaris klager (en zijn zuster) al dan niet (voldoende) heeft geïnformeerd. Wat van de inhoud van de bespreking ook zij, dit heeft er niet toe geleid dat klager geen weloverwogen keuze heeft kunnen maken over het al dan niet verlenen van een boedelvolmacht aan zijn zuster. (...) Dit klachtonderdeel is ongegrond.De kamer ziet vanwege de inhoudelijk samenhang aanleiding de klachtonderdelen 2 en 3 gezamenlijk te behandelen. De zorgplicht van een notaris brengt mee dat hij of zij met inachtneming van de belangen van alle betrokken partijen de rechtszekerheid dient te waarborgen. Hieruit vloeit voort dat een notaris geen akten opmaakt zonder voorafgaand deugdelijk onderzoek te verrichten. (...) De notaris had voorafgaand aan het passeren deze akte moeten controleren op feitelijke onjuistheden. De kamer verwijt de notaris dat zij dit heeft nagelaten en daarmee de rol heeft miskend die het notariaat heeft in het dienen van de rechtszekerheid. (...) De notaris heeft verder niet overtuigend laten zien dat zij na ontdekking van de fout adequaat heeft gehandeld om de fout te herstellen. Het had op de weg van de notaris gelegen om direct te reageren op het telefonische verzoek van klager om de akte te rectificeren en daarmee niet twee dagen te wachten. (...) Deze klachtonderdelen zijn dan ook gegrond. Berisping. |
KAMER VOOR HET NOTARIAAT IN HET RESSORT AMSTERDAM
Beslissing van 25 november 2025 in de klacht met nummer 771320 / NT 25-20 van:
[klager],
wonende te [woonplaats],
tegen:
[notaris],
notaris te [vestigingsplaats].
Partijen worden hierna klager en de notaris genoemd.
1. Ontstaan en loop van de procedure
1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het klaagschrift met bijlagen bij brief ingekomen bij de kamer op 20 juni 2025;
- het verweerschrift van 19 augustus 2025.
1.2. Bij de mondelinge behandeling van de klacht op 14 oktober 2025 zijn klager en de notaris verschenen. Partijen hebben het woord gevoerd en vragen beantwoord. Uitspraak is bepaald op heden.
2. De feiten
2.1. Op [overlijdensdatum] 2022 is de moeder van klager, mw. [erflaatster] (hierna: erflaatster), overleden. Op 15 maart 2022 heeft klager samen met zijn zuster, mw. [zuster van klager] (hierna: de zuster van klager), een bespreking gehad met de notaris over de nalatenschap van erflaatster. Daarbij is een door (een medewerker van) de notaris opgesteld formulier gebruikt met als titel ‘verklaring omtrent aanvaarden nalatenschap boedelvolmacht’. Op het formulier is het hokje ‘zuiver te aanvaarden’ aangekruist en de opgenomen tekst waarbij een boedelvolmacht aan de zuster van klager is opgenomen doorgekruist (klager wilde zijn zuster niet volmachtigen). Het ingevulde formulier is door klager ondertekend. Op 17 maart 2022 heeft de notaris een akte van verklaring van erfrecht afgegeven met daarin een boedelvolmacht van klager aan de zuster.
2.2. Op 22 juni 2022 heeft klager contact opgenomen met ING Bank N.V. (hierna: de bank) met een vraag over de bankrekening van erflaatster. Een medewerker van de bank gaf vervolgens aan geen inlichtingen te kunnen verschaffen aan klager omdat er een gemachtigde voor de bankrekening zou zijn, niet zijnde klager.
2.3. Klager heeft dezelfde dag nog contact opgenomen met de notaris met de vraag wat er aan de hand kon zijn. De notaris ontdekte toen dat in de verklaring van erfrecht ten onrechte was opgenomen dat klager een boedelvolmacht had verstrekt aan zijn zuster, waardoor zij zelfstandig bevoegd en gerechtigd was geworden tot de goederen van de nalatenschap.
2.4. Klager heeft op dezelfde dag, 22 juni 2022, een aangetekende brief aan de notaris gestuurd. Op 24 juni 2022 heeft de notaris de verklaring van erfrecht gerectificeerd. Bij brief van diezelfde dag heeft een medewerker van het notariskantoor aan klager geschreven:
“Bijgaand ontvangt u het afschrift van de verklaring van erfrecht en de rectificatie akte. U kunt het beste de rectificatie akte onder de aandacht brengen van de ING bank, zodat zij ook op de hoogte zijn van de laatste stand van zaken en ook weten wie bevoegd zijn om toegang te krijgen tot de bankrekening.
Onze oprechte excuses voor de onjuistheid in de verklaring van erfrecht.”
2.5. Op 27 juni 2022 heeft de zuster van klager een bedrag van ruim € 28.000 vanaf de bankrekening van erflaatster naar zichzelf overgemaakt.
2.6. Bij e-mail van 4 juli 2022 heeft een medewerker van de bank aan klager en zijn zuster geschreven:
“Wij hebben de rectificatie van de verklaring van erfrecht inzake de nalatenschap van [erflaatster], geboren op [geboortedatum] 1938, in goede orde ontvangen. Hartelijk dank hiervoor. Wij hebben deze in behandeling genomen. In deze e-mail leest u hier meer over.
Rectificatie verklaring van erfrecht
Uit de rectificatie van de verklaring van erfrecht blijkt dat er sprake is van een
gezamenlijke bevoegdheid in de nalatenschap. Daarom is de Betaalrekening van overledene
geblokkeerd voor afschrijvingen, omdat voor alle handelingen uw beide handtekeningen
noodzakelijk zijn.”
2.7. Op 10 juli 2024 is namens klager een brief/e-mail gestuurd aan de notaris. Bij e-mail van 9 september 2024 heeft de notaris hierop geantwoord:
“Naar aanleiding van uw schrijven d.d. 10 juli jl. bericht ik u als volgt.
Op 17 maart 2022 is er door mijn kantoor een verklaring van erfrecht afgegeven met
daarin de conclusie dat [zuster van klager] zelfstandig bevoegd is om te handelen.
Vanwege ziekte van de behandelaar heeft de daadwerkelijk ondertekening van de verklaringen
(en boedelvolmacht) plaatsgevonden bij een collega, waarna de zieke behandelaar vanuit
huis de verklaring van erfrecht heeft opgemaakt, niet wetende dat de boedelvolmacht
aan [zuster van klager], ondanks eerdere instructies, toch niet getekend is. Op 22
juni werd ons bekend dat deze boedelvolmacht onterecht in de verklaring van erfrecht
is opgenomen, waarna er direct op 24 juni een rectificatieakte getekend is.
Deze akte is naar beide partijen gezonden en er is door mijn kantoor direct contact
opgenomen met de ING om er zeker van te zijn dat ook daar de juiste akte verwerkt
kon worden.
U stelt dat [zuster van klager] als gevolg van de foutieve verklaring van erfrecht
bevoegd was om grote bedragen over te maken naar haar eigen bankrekening en om energiecontracten
stop te zetten. Wij stellen ons echter op het standpunt dat er geen enkel causaal
verband is tussen de foutieve verklaring van erfrecht en het overmaken van grote bedragen.
Het overmaken van geld van de rekening van moeder naar een privérekening van dochter
is mogelijk via internetbankieren, daar is geen verklaring van erfrecht voor nodig.
Voor het opzeggen van energiecontracten is evenmin een verklaring van erfrecht nodig,
daarvoor is de akte van overlijden afdoende. [Zuster van klager] heeft deze handelingen
kunnen verrichten zonder daarbij gebruik te hoeven maken van de onjuiste verklaring
van erfrecht.
Naast het feit dat er geen causaal verband is, maakt het al dan niet aanwezig zijn
van een boedelvolmacht nog niet dat een erfgenaam de nalatenschap anders kan verdelen
dan zoals in het testament van erflaatster is bepaald. Als [zuster van klager] zich
méér geld heeft toegeëigend dan waartoe zij op grond van het testament gerechtigd
is, is er sprake van diefstal c.q. verduistering.
Uit eerdere correspondentie die is gevoerd met uw cliënt blijkt voorts dat [zuster
van klager] en uw cliënt samen op kantoor zijn geweest voor de ondertekening van de
verklaringen en dat [zuster van klager] gezien heeft dat haar broer, uw cliënt, de
boedelvolmacht heeft doorgestreept. [Zuster van klager] is derhalve wel degelijk op
de hoogte geweest van het feit dat zij niet zelfstandig bevoegd was om te handelen.
Concluderend erken ik dat er wel degelijk een fout is gemaakt bij het ondertekenen
van de eerste verklaring van erfrecht. Hiervoor zijn wij cliënten ook tegemoetgekomen
door het verlagen van de declaratie. Na het bekend worden van deze omissie is de verklaring
van erfrecht direct gerectificeerd. Ik stel mij echter ook op het standpunt dat er
geen enkel causaal verband is tussen de foutieve verklaring van erfrecht en het naar
uw mening onterecht toe-eigenen van banksaldi van de overledene.
Ik wijs dan ook elke aansprakelijkheid in deze af.”
3. De klacht
De klacht bestaat – samengevat – uit drie klachtonderdelen:
klachtonderdeel 1
3.1. De notaris heeft geen uitleg gegeven over de verklaring van erfrecht en over de boedelvolmacht, en dus ook niet uitgelegd wat een dergelijke volmacht inhoudt.
klachtonderdeel 2
3.2. De notaris heeft de verklaring van erfrecht onjuist opgesteld door hierin tegen de wil van klager een volledige boedelvolmacht aan zijn zuster op te nemen.
klachtonderdeel 3
3.3. De notaris heeft niet tijdig en/of adequaat gereageerd toen de fout in de verklaring van erfrecht aan het licht kwam (op 22 juni 2022, na een telefoontje van klager). Klager is nooit teruggebeld door (een medewerker van) de notaris, de akte is niet direct gerectificeerd en de bank is niet direct bericht. Rectificatie gebeurde pas op 24 juni 2022, op de dag dat de notaris een aangetekende brief van klager ontving. Klager ontving de gerectificeerde akte vervolgens (per niet-aangetekende post) pas op 27 juni 2022.
4. Het verweer
De notaris heeft de klacht gemotiveerd weersproken. Voor zover van belang wordt hierna op dat verweer ingegaan.
5. De beoordeling
5.1. Ingevolge artikel 93 lid 1 van de Wet op het notarisambt (hierna: Wna)
zijn notarissen, toegevoegd notarissen en kandidaat-notarissen aan tuchtrechtspraak
onderworpen ter zake van handelen of nalaten in strijd met hetzij enige bij of krachtens
deze wet gegeven bepaling, hetzij met de zorg die zij behoren te betrachten ten opzichte
van degenen te wier behoeve zij optreden en ter zake van handelen of nalaten dat een
behoorlijk notaris niet betaamt. De kamer dient derhalve te onderzoeken of de handelwijze
van de notaris een verwijtbare gedraging in de zin van dit artikel oplevert.
ontvankelijkheid
5.2. Op grond van artikel 99 lid 21 Wna verloopt het klachtrecht drie jaar na de dag waarop de klachtgerechtigde kennis heeft gekregen van het klachtwaardig handelen of nalaten van de notaris. Dat betekent dat in dit geval de vervaltermijn op 22 juni 2022 is gaan lopen – de dag waarop klager de fout in de verklaring van erfrecht ontdekte – en op 22 juni 2025 is geëindigd. Op 20 juni 2025 heeft klager zijn klaagschrift afgegeven bij de Centrale Balie van de rechtbank Amsterdam. In artikel 4 van het Reglement omtrent de werkwijze van de kamers voor het notariaat (hierna: het Reglement) staat dat een klaagschrift kan worden ingediend “door afgifte aan de balie van de griffie van de rechtbank waar de kamer is gevestigd.” Omdat klager het klaagschrift heeft afgegeven bij de Centrale Balie – de balie van de griffie van de rechtbank waar de kamer is gevestigd – is hiermee voldaan aan het Reglement. Het klaagschrift is tijdig ingediend en klager is ontvankelijk in alle klachtonderdelen.
klachtonderdeel 1
5.3. Partijen verschillen van mening over hetgeen is besproken tijdens de bespreking op 15 maart 2022 over (de gevolgen van) de boedelvolmacht en de verklaring van erfrecht. Hierdoor kan de kamer niet vaststellen dat de notaris klager (en zijn zuster) al dan niet (voldoende) heeft geïnformeerd. Wat van de inhoud van de bespreking ook zij, dit heeft er niet toe geleid dat klager geen weloverwogen keuze heeft kunnen maken over het al dan niet verlenen van een boedelvolmacht aan zijn zuster. Klager heeft namelijk ter zitting verklaard tijdens deze bespreking reeds te hebben geweten wat een boedelvolmacht inhoudt, waardoor hij heeft kunnen besluiten geen boedelvolmacht aan zijn zuster te willen verlenen. Hij heeft daarom tijdens deze bespreking de passage over de boedelvolmacht op het formulier doorgekruist. Dit klachtonderdeel is ongegrond.
klachtonderdelen 2 en 3
5.4. De kamer ziet vanwege de inhoudelijk samenhang aanleiding de klachtonderdelen 2 en 3 gezamenlijk te behandelen. De zorgplicht van een notaris brengt mee dat hij of zij met inachtneming van de belangen van alle betrokken partijen de rechtszekerheid dient te waarborgen. Hieruit vloeit voort dat een notaris geen akten opmaakt zonder voorafgaand deugdelijk onderzoek te verrichten. Het staat vast dat de verklaring van erfrecht die de notaris op 17 maart 2022 heeft gepasseerd een feitelijke onjuistheid bevat ten aanzien van de boedelvolmacht aan de zuster van klager. Op het moment van het passeren van de betreffende akte was duidelijk dat hierin geen boedelvolmacht voor de zuster van klager moest worden opgenomen. De notaris had voorafgaand aan het passeren deze akte moeten controleren op feitelijke onjuistheden. De kamer verwijt de notaris dat zij dit heeft nagelaten en daarmee de rol heeft miskend die het notariaat heeft in het dienen van de rechtszekerheid. Een vermelding van een feit dat in strijd met de werkelijkheid is, tast de geloofwaardigheid van en daarmee het vertrouwen in het notariaat aan. Partijen en derden moeten op de juistheid van een akte kunnen vertrouwen. De notaris heeft verder niet overtuigend laten zien dat zij na ontdekking van de fout adequaat heeft gehandeld om de fout te herstellen. Het had op de weg van de notaris gelegen om direct te reageren op het telefonische verzoek van klager om de akte te rectificeren en daarmee niet twee dagen te wachten. Het had ook op de weg van de notaris gelegen om direct contact op te nemen met de zuster van klager en met de bank. De notaris heeft in haar verweerschrift aangevoerd dat de bank direct op de hoogte is gesteld, maar ter zitting heeft zij niet kunnen aangeven hoe en wanneer dat is gebeurd en bovendien is dit lastig te rijmen met (i) de brief van haar medewerker van twee dagen na het ontdekken van de fout (zie 2.4) die aangeeft dat klager zelf de bank moet informeren en (ii) het feit dat zeven dagen na het ontdekken van de fout (zie 2.5) de zuster nog geld van de bankrekening van de erflaatster heeft afgeschreven. Deze klachtonderdelen zijn dan ook gegrond.
maatregel
5.5. Aangezien de kamer de klacht van klager voor een belangrijk deel gegrond verklaart en sprake is van het schenden van een kernwaarde in het notariaat, namelijk de zorgplicht, ziet de kamer aanleiding een maatregel op te leggen. De kamer acht het handelen van de notaris dermate onzorgvuldig dat hij een berisping passend en geboden acht.
griffierecht
5.6. Omdat de kamer de klacht deels gegrond verklaart, dient de notaris het door klager betaalde griffierecht van € 50 op grond van artikel 99 lid 5 Wna aan klager te vergoeden.
kostenveroordeling
5.7. Nu de kamer de klacht deels gegrond verklaart en de notaris tevens een
maatregel oplegt, zal de kamer de notaris op grond van artikel 103b lid 1 Wna jo.
de richtlijn kostenveroordeling kamers voor het notariaat 2021 (Staatscourant 2020,
nr. 67893) veroordelen in de volgende kosten:
a. € 50 forfaitaire vergoeding van kosten van klager;
b. € 2.000 kosten van behandeling van de klacht door de kamer, wegingsfactor 1.
Er zijn geen bijzondere omstandigheden gebleken die aanleiding geven tot een andere
beslissing.
5.8. De notaris dient de kosten van klager en het griffierecht binnen vier weken na het onherroepelijk worden van deze beslissing aan klager te voldoen. Klager dient daartoe tijdig schriftelijk zijn rekeningnummer aan de notaris door te geven.
5.9. De notaris dient de kosten van de behandeling van de klacht door de kamer na het onherroepelijk worden van deze beslissing te voldoen aan het Landelijk Dienstencentrum voor de Rechtspraak (LDCR), waarbij de in de artikelen 103b lid 3 Wna bepaalde termijn en de wijze waarop de kosten moeten worden voldaan door het LDCR per brief aan de notaris zullen worden meegedeeld.
5.10. Op grond van het voorgaande wordt beslist als volgt.
6. De beslissing
De kamer voor het notariaat:
- verklaart klachtonderdeel 1 ongegrond;
- verklaart de klachtonderdelen 2 en 3 gegrond;
- legt de notaris een berisping op;
- veroordeelt de notaris tot betaling aan klager van de kosten van klager van €
50 en het griffierecht van € 50 op de wijze en binnen de termijn zoals hiervóór bepaald;
- veroordeelt de notaris tot betaling van € 2.000 in de kosten van behandeling van
de klacht door de kamer, op de wijze en binnen de termijn zoals hiervóór bepaald.
Deze beslissing is gegeven door mrs. M.L.S. Kalff, voorzitter, J.J. Dijk, K.Th.J. van Duin, C. Holdinga en A.J.H.M. Janssen, leden en uitgesproken in het openbaar op 25 november 2025 door mr. M.L.S. Kalff, voorzitter, in aanwezigheid van de secretaris.
Tegen deze beslissing van de kamer voor het notariaat kunnen partijen binnen dertig dagen na de datum van verzending van deze beslissing hoger beroep instellen bij het gerechtshof Amsterdam (postadres: postbus 1312, 1000 BH Amsterdam).