ECLI:NL:TNORAMS:2025:22 Kamer voor het notariaat Amsterdam 763518 / NT 25-3 766112 / NT 25-7 769709 / NT 25-18

ECLI: ECLI:NL:TNORAMS:2025:22
Datum uitspraak: 06-11-2025
Datum publicatie: 21-11-2025
Zaaknummer(s):
  • 763518 / NT 25-3
  • 766112 / NT 25-7
  • 769709 / NT 25-18
Onderwerp: Personen- en Familierecht, subonderwerp: Nalatenschap
Beslissingen: Klacht ongegrond
Inhoudsindicatie: Klager heeft zeven klachten ingediend: klacht 1 ziet op de gang van zaken na het overlijden van erflaatster, klacht 2 op de wilsbekwaamheid van erflaatster ten tijde van het opstellen van het testament in 2018, klacht 3 op de afwikkeling van de nalatenschap van erflater in 2014, klacht 4 op het opstellen van de (oudere) testamenten van erflater en erflaatster in 2008, klacht 5 op de partijdigheid van de notaris, klacht 6 betreft schending van het beroepsgeheim en klacht 7 betreft een algemene klacht over de notaris. De kamer voor het notariaat verklaart de klachtonderdelen 3 en 4 niet-ontvankelijk en verklaart de overige klachtonderdelen ongegrond.

KAMER VOOR HET NOTARIAAT IN HET RESSORT AMSTERDAM

Beslissing van 6 november 2025 in de klachten met nummers 763518 / NT 25-3, 766112 / NT 25-7 en 769709 / NT 25-18 van:


[klager],

wonende te [woonplaats],

tegen:


[notaris],

notaris te [vestigingsplaats],

gemachtigde: mr. M.J.P. Schipper, advocaat te Alkmaar.

Partijen worden hierna klager respectievelijk notaris genoemd.


1. Ontstaan en loop van de procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het klaagschrift met bijlagen van 31 oktober 2024;
- het verweerschrift met bijlagen van 3 april 2025;
- het klaagschrift van 13 maart 2025;
- het verweerschrift met bijlagen van 29 april 2025;
- het klaagschrift met bijlagen van 2 mei 2025;
- het verweerschrift van 1 juli 2025.

1.2. Bij de mondelinge behandeling van de klacht op 25 september 2025 zijn klager en de notaris, vergezeld van zijn gemachtigde, verschenen. Partijen hebben het woord gevoerd aan de hand van overgelegde pleitaantekeningen. Uitspraak is bepaald op heden.


2. De feiten

2.1. De vader van klager, de heer [erflater] (hierna: erflater), is overleden op [datum] 2014. In deze nalatenschap was klager erfgenaam. Bij de afwikkeling van deze nalatenschap was de notaris betrokken, maar was hij geen executeur.

2.2. In februari 2014 is er een mailwisseling geweest tussen klager en de notaris. In een e-mail van 8 februari 2014 (22:20u; deze en de hierna volgende e-mails van klager zijn verstuurd in tijdszone UTC+3) aan de notaris geeft klager aan dat erflater recentelijk is overleden, dat er onenigheid is over de afwikkeling en omvang van de nalatenschap, dat hij overweegt een advocaat in te schakelen en vervolgens vraagt hij of de notaris een advocaat kan aanraden. De notaris reageert bij e-mail van 9 februari 2014 (0:06u), als volgt:
(…) Het is goed om je gevoelens in vertrouwen te uiten. Ik zal hier nooit misbruik van maken, geheimhouding staat bij mij bovenaan. (…) Bij mijn weten staat er begin maart een bespreking op mijn kantoor in de agenda omtrent de afwikkeling van de nalatenschap. Weet jij hier van?
Vooralsnog wil ik je aanraden om vooralsnog geen advocaat in de hand te nemen, dit kan later altijd nog. Door mij functie als notaris dien ik alle partijen onafhankelijk te adviseren en dien ik een bemiddelende rol te spelen tussen partijen. Deze rol speel ik al meer dan 5 jaar in diverse nalatenschappen waarbij ik streng ben tegen diegenen die zich niet aan de afspraken houden en complimenten uitdeel bij een correcte afwikkeling.
(…) p.s. mevrouw [kandidaat-notaris] [in cc, kvhn] is kandidaat-notaris op mijn kantoor en tevens mijn vriendin, geheimhouding is derhalve gegarandeerd

2.3. Bij e-mail van 8 februari 2014 (23:18u) heeft klager aan de notaris geschreven:
(…) Nee ik was niet op de hoogte dat er een bespreking zou zijn in maart, ben ikk niet in gekent tot nu door jouw.
Ik heb (…) een volmacht getekend maar weet niet precies meer betreft deze volmacht, er zoen toen bespreking geweest zonder mij erbij want ik bleek toch niet er bij hoeven zijn volgens mij broer en zus toen, ging toen ook over het testament geloof ik.
(…)

2.4. De moeder van klager, [erflaatster] (hierna: erflaatster), is overleden op 27 september 2024. Bij brief van 24 oktober 2024 (met als bijlage een gedeeltelijk afschrift van het testament van erflaatster) heeft de notaris aan klager geschreven:
In verband met de afwikkeling van de nalatenschap van uw moeder bericht ik u als volgt.
(…) Bijgaand ontvangt u een uittreksel van genoemd testament, waaruit blijkt dat ik als executeur de nalatenschap van uw moeder beheer.
Op grond van dit testament bent u door uw moeder onterfd.
(…) Uw minimale erfdeel bedraagt derhalve 1/6de gedeelte van de legitimaire massa.
(…) Ik verzoek u vriendelijk op de bijgesloten verklaring kenbaar te maken of u een beroep wenst te doen op de legitieme portie. U dient deze verklaring te laten legaliseren. U kunt dit uiteraard op mijn kantoor laten doen of op een door u te bepalen notariskantoor.
(…) Om duidelijkheid te krijgen stellen de erfgenamen u op grond van artikel 85 lid 1 van Boek 4 van het Burgerlijk Wetboek een termijn van 3 maanden waarbinnen u dient aan te geven of u een beroep wenst te doen op de legitieme portie. Indien u niet binnen deze 3 maanden reageert vervalt uw mogelijkheid om aanspraak te maken op de legitieme portie.

2.5. Bij e-mail van 24 oktober 2024 (21:22u) heeft klager aan de notaris geschreven:
Ik kreeg een aantal documenten onder ogen die niet vriendelijk waren. deze mail ius vertrouwelijk en mag niet met anderen gedeeld worden .
1. geen oproep om bij het voorlezen van het testament te zijn. Dat is de notaris wettelijk verplicht te melden wanneer dat zou plaatsvinden.
2. geen uitvoerig testament is bij gevoegd, hoofdstuk 1 en hoofdstuk 6 maar waar zijn alle tussenliggende hoofstukken?
3. geen verklaring waarom ik onterfd ben en geen verklaring wat de andere erfgenamen ontvangen en hoe de nalatenschap verdeeld wordt en aan wie.
4. Geen verklaring hoe de uitvoer van het testament van mijn vader nu zal plaatsvinden.
5. Hoe de uitbetaling van de 2 leningen die elk van ons aan mijn ouders terugbetaald gaat worden aan ons, in totaal van rond de 50.000 euro per persoon.
6. Op zich was het een niets zeggende brief en testament, ik zal zekr, bovenop de uitbetaling van de lening aan ons, daar bovenop mijn legitieme portie opeisen.
7. Het lijkt mij verstandig om een advocaat aan te stellen die mijn belangen behartigd want ik ben er niet zo zeker van dat wat er nu aan de hand is, dit klopt.

2.6. Bij e-mail van 24 oktober 2024 (22:34u) heeft klager een tweede e-mail aan de notaris geschreven waarin hij schrijft dat hij uit het afschrift van het testament dat hij van de notaris heeft ontvangen niet kan opmaken dat hij onterfd is. Daarnaast schrijft hij dat hij het niet eens is met de termijn van drie maanden die hij krijgt om een beroep te doen op zijn legitieme portie, met name vanwege de reis die hij ervoor moet afleggen.

2.7. Bij brief van 29 oktober 2024 heeft de notaris aan klager geschreven:
(…) Allereerst wil ik u berichten dat het voorlezen van een testament vooral in films voorkomt en in de dagelijkse praktijk komt het voorlezen van het testament nauwelijks voor.
Een notaris heeft een geheimhoudingsplicht en kan dus niet melden aan een derde of er wel of geen afspraak is geweest.
Aangezien u niet wordt genoemd in het testament van uw moeder (impliciete onterving), heeft u geen recht op inzage in het volledige testament van uw moeder.
(…) In het testament wordt doorgaans geen verklaring gegeven waarom erflater een kind onterfd. Het antwoord moet ik u dan ook schuldig blijven.
Zoals hiervoor aangegeven kunt u geen rechten ontlenen aan het testament en heeft u ook geen recht om te weten wie de erfgenamen zijn en hoe de nalatenschap wordt verdeeld.
In mijn brief van 24 oktober jongstleden heb ik aangegeven in een later schrijven u te zullen berichten over uw aanspraak als erfgenaam in de nalatenschap van uw vader en eventuele andere vorderingen welke u heeft op de nalatenschap van uw moeder (zoals de schuldigerkenning uit vrijgevigheid). Uw punten onder 4 en 5 genoemd heeft dus zeker mijn aandacht en zodra ik meer inzicht heb in de vermogensbestanddelen van de nalatenschap van uw moeder zal ik u daarover verder berichten.
In artikel 85 lid 1 van Boek 4 van het Burgerlijk Wetboek wordt genoemd dat een belanghebbende een redelijke termijn kan stellen aan de legitimaris waarbinnen de legitimaris dient aan te geven of hij een beroep wenst te doen op de legitieme portie. Wordt er geen termijn gesteld dan vervalt de mogelijkheid een beroep te doen op de legitieme portie uiterlijk 5 jaar na het overlijden.
In het algemeen wordt gesteld, dat een termijn van 3 maanden een redelijke termijn is.
Ook het stellen van een redelijke termijn is een vervaltermijn. Deze termijn kan derhalve niet door u worden gestuit.
(…) In mijn brief heb ik aangegeven dat u de legalisatie van uw handtekening op mijn kantoor kan laten plaatsvinden of op een door u te bepalen notariskantoor.
Uiteraard mag u uw handtekening ook laten legaliseren door een daartoe bevoegde autoriteit in [land waar klager woont], bij de Nederlandse ambassade in [land waar klager woont] of via een online teams meeting met één van mijn medewerkers.

2.8. Bij brief van 4 februari 2025 heeft de notaris aan klager geschreven:
In aansluiting op mijn brief de dato 24 oktober jongstleden ontvangt u bijgaand de volgende documenten:
(…) Uit deze informatie blijkt dat uw legitieme portie nihil is.
Uiteraard heeft u nog wel twee vorderingen op de nalatenschap, te weten:
(…) Graag ontvang ik van u de verklaring dat u akkoord gaat dat uw legitieme portie nihil is en dat u daarnaast een totale vordering van € 48.524,- op de nalatenschap van uw moeder heeft. Na ontvangst van een scan van uw geldig legitimatiebewijs en de getekende en gelegaliseerde verklaring, waarbij u mij kwijting en décharge verleend, zal voornoemd bedrag naar u worden overgemaakt op een door u op te geven bankrekening.
Uw handtekening op genoemde verklaring dient u te laten
legaliseren. Dit kan op mijn kantoor, op een door u te betalen notariskantoor, een daartoe bevoegde autoriteit in [land waar klager woont], bij de Nederlandse ambassade in [land waar klager woont] of via een online teams meeting met één van mijn medewerkers.
Indien u nog vragen en/ of opmerkingen heeft, kunt u altijd contact met ondergetekende opnemen. (…)

2.9. Bij e-mail van 5 februari 2025 heeft klager aan de notaris geschreven dat de berekening van de legitieme portie niet juist is en dat er documenten (met name bankafschriften) ontbreken om deze berekening te kunnen maken. Daarnaast stelt hij dat hij maar een klein stuk van het testament heeft ontvangen, terwijl hij het recht heeft het volledige testament in te zien. Ook vindt hij dat de notaris heeft verzuimd erflaatster in 2018 op wilsbekwaamheid te toetsen toen zij besloot haar testament aan te passen. Tot slot is hij van mening dat de termijn van drie maanden te kort is om een beroep te kunnen doen op zijn legitieme portie.
Per brief van 20 maart 2025 heeft de notaris op bovenstaande e-mail gereageerd dat hij de bankafschriften die minder dan zeven jaar oud zijn reeds heeft verstrekt en dat dit niet mogelijk is voor oudere bankafschriften. De notaris antwoordt verder dat klager impliciet is onterfd en daarom geen recht heeft op de inzage in de rest van het testament. Tot slot legt hij uit dat een belanghebbende kan besluiten een legitimaris een redelijke termijn te stellen en dat drie maanden wordt geacht een redelijke termijn te zijn.

2.10. Bij een tweede e-mail van 5 februari 2025 heeft klager opnieuw aan de notaris geschreven dat hij het niet eens is met de berekening van de legitieme portie en daarom ook geen kwijting en décharge aan de notaris wil verlenen. Klager is van mening dat er bedragen onterecht worden meegerekend bij de berekening van de legitieme portie, maar ook bedragen worden vergeten bij deze berekening.
Per brief van 20 maart 2025 heeft de notaris hierop gereageerd met onder andere een nieuwe berekening en daarbij aangegeven: “(…) Onder verwijzing naar uw brieven de dato 5 februari jongstleden heb ik mijn reacties is het groen in deze brieven gegeven (zie bijlagen).
In mijn hoedanigheid van executeur constateer ik dat er tussen de gerechtigden in genoemde nalatenschap verschillende standpunten worden ingenomen. Om onnodige (procedurele) kosten te voorkomen adviseer ik partijen om met elkaar in overleg te treden en op deze wijze eventuele gerechtelijke procedures te voorkomen. Uiteraard ben ik bereid en in staat om dit overleg te regelen. In afwachting van uw bericht, teken ik, (…)

2.11. Bij e-mail van 7 februari 2025 heeft klager aan de Rabobank (hierna: de bank) geschreven:
(…) Ik probeer gegevens en bankafschriften te verkrijgen van mijn overleden moeder en vader.
(…) U zal mogelijk voorstellen die via een notaris te doen maar de notaris staan we niet op goede voet mee en het vermoeden is dat hij informatie achterhoudt. Ik heb volgens de wet recht op deze informatie. (…)

2.12. Bij e-mail van 14 februari 2025 (12:14u) heeft de bank aan klager geschreven:
(…)Het overlijden van [erflaatster] was is nog niet bekend bij ons en heb ik nu wel geregistreerd.
Hierdoor worden rekeningen, bankpassen en volmachten geblokkeerd totdat wij van u de verklaring van Erfrecht en Akte van overlijden hebben ontvangen. (…)

3. De klacht

De drie separate klachten die door klager zijn ingediend, zijn in te delen op onderwerp.

3.1. Klachtonderdeel 1 – gang van zaken na het overlijden van erflaatster

1.a. Onterving
De notaris heeft klager een brief gestuurd om het overlijden van erflaatster te melden, maar heeft verzuimd het deel van het testament mee te sturen waarin zou staan dat klager onterfd is. Ook ontbreekt een toelichting op de onterving. Daarom betwist klager de onterving.

1.b. Legitieme portie en de berekening hiervan
De notaris heeft klager een termijn van drie maanden gesteld om een beroep te doen op de legitieme portie, maar klager is het niet eens met deze termijn. Hij verwijst naar de vervaltermijn van vijf jaar na overlijden van een erflater, zoals genoemd in het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW). Verder moet klager, voordat het beroep op de legitieme portie in behandeling kan worden genomen, ver reizen om bij een ‘public notary’ te komen die klager identificeert en zijn handtekening legaliseert. Dit vindt klager omslachtig; na het overlijden van erflater hoefde klager qua identificatie niets mee te sturen en hij is toen ook niet bij een notaris in [land waar klager woont] geweest.
Klager stelt ook dat de berekening van de legitieme portie door de notaris niet klopt. Dat ligt aan het feit dat de notaris bewust foutieve berekeningen stuurt, die ook erg chaotisch zijn. Klager is van mening dat er bedragen onterecht worden meegerekend bij de berekening van de legitieme portie (zoals de lening van erflater aan klager, die allang is kwijtgescholden), maar ook bedragen worden vergeten. Klager wenst daarom verdere informatie over de erfgenamen en de te verdelen tegoeden, zodat uitgerekend kan worden hoeveel de legitieme portie bedraagt. Als hij de notaris hierom vraagt, wordt hij echter met een kluitje in het riet gestuurd.
Tot slot weigert de notaris om de schenkingen op papier, gedaan door erflater en erflaatster aan klager en aan de broer en zus van klager, uit te betalen. Eerst wil de notaris dat klager een document ondertekent waarin hij 1) de notaris vrijwaart, 2) zijn berekening accepteert en 3) hem een compliment geeft. Dit vindt klager chantage.

1.c. Rol van de notaris als executeur
De notaris heeft, ondanks het feit dat hij executeur is in de nalatenschap van erflaatster, verzuimd de bank te informeren over haar overlijden. Klager heeft dit toen zelf gedaan waardoor de bankrekening van erflaatster is geblokkeerd en machtigingen zijn ingetrokken. In de periode tussen het overlijden van erflaatster en de melding van klager bij de bank is er echter nog geld van de bankrekening afgeschreven, (ook) voor privédoeleinden van de zus van klager. Dit is weer een teken van partijdigheid en fraude van de notaris.

3.2. Klachtonderdeel 2 – wilsbekwaamheid van erflaatster ten tijde van het opstellen van het testament in 2018
Klager wil dat het testament uit 2018, waarin hij is onterfd, nietig wordt verklaard omdat erflaatster toen niet wilsbekwaam was. De notaris heeft verzuimd om te controleren of erflaatster toen wilsbekwaam was. Als hij dit wel had gedaan, was duidelijk geworden dat erflaatster dement was en zeer dominant. Met de toename van de dementie werd ze steeds dominanter om haar gelijk te halen en te verdoezelen dat ze het allemaal niet meer op een rijtje had. Klager meent dat erflaatster vrijwel niets meer zag, bij veel dingen hulp nodig had en dat het initiatief het testament te wijzigen van zijn broer en zus kwam. Laatstgenoemden waren ook bij een bespreking over het gewijzigde testament aanwezig, met als doel klager te onterven. Klager wenst nu inzage in het dossier en in hoe de notaris wilsbekwaamheid van erflaatster heeft vastgesteld. Verder wil hij beslag laten leggen op (een gedeelte van) de nalatenschap totdat er duidelijkheid is over de wilsbekwaamheid van erflaatster in 2018.

3.3. Klachtonderdeel 3 – afwikkeling van de nalatenschap van erflater in 2014
Bij het overlijden van erflater in 2014 zijn de details van de nalatenschap nooit met klager besproken. Klager weet uitsluitend dat de erfgenamen voor gelijke delen erfden en erflaatster als langstlevende het vruchtgebruik had gekregen. Klager heeft in 2014 dan ook € 900 aan belasting moeten betalen, zonder te weten waarvoor. Ook had de notaris beloofd dat klager geïnformeerd zou worden wanneer het testament van erflater voorgelezen en besproken zou worden en dat hij uitgenodigd zou worden om voor de aanvaarding van de erfenis te tekenen. Klager kreeg de informatie echter pas nadat de voorlezing had plaatsgevonden en ontving toen uitsluitend een verzoek per e-mail om de erfenis te aanvaarden. Klager vindt dat de notaris bij de afwikkeling van deze nalatenschap steken heeft laten vallen, onder meer omdat hij nooit bankafschriften van erflater heeft overlegd.

3.4. Klachtonderdeel 4 – opstellen van de (oudere) testamenten van erflater en erflaatster in 2008
In 2008 hebben erflater en erflaatster een nieuw testament laten opstellen. Voorafgaand aan de bespreking bij de notaris, heeft klager hierover met erflater en erflaatster gesproken. Bij de bespreking bij de notaris heeft de notaris echter gekozen voor standaardtestamenten, zonder de wensen van erflater en erflaatster hierin op te nemen. Hij heeft zaken ten onrechte afgewezen die daardoor niet in de testamenten terecht zijn gekomen. Hier zou klager voor gecompenseerd worden, maar dit is nooit gebeurd. Na het overlijden van erflater in 2014 werd klager namelijk in rap tempo overal buitengesloten. Er werd niets besproken en er is geen overleg gevoerd.

3.5. Klachtonderdeel 5 – partijdigheid
De notaris speculeert, houdt zich niet aan de wet en rommelt maar wat aan om de broer en zus van klager, maar ook zijn eigen bankrekening, te spekken. De notaris handelt partijdig. Hij is betrokken bij diverse commissies en verenigingen, vaak als penningmeester, en onderhoudt nauwe banden met de zus en zwager van klager. Ook beweert de notaris dat klager een keer verbaal agressief is geweest tegen erflaatster, maar dit ontkent klager (het was namelijk andersom, aldus klager). Dit verhaal komt van de zus en zwager van klager en wordt door de notaris gebruikt om klager te onterven. De notaris probeert klager zwart te maken.

3.6. Klachtonderdeel 6 – schending beroepsgeheim
Klager stelt dat de notaris zijn beroepsgeheim heeft geschonden door alle communicatie te delen met iedereen die daarom vraagt, zoals de broer en zus van klager, de rechtspraak, et cetera, terwijl hij klager nadrukkelijk had beloofd dat alles vertrouwelijk is.

3.7. Klachtonderdeel 7 – algemene klacht over de notaris
Klager eist dat de notaris uit zijn ambt wordt gezet vanwege moedwillige fraude, onkunde, belangenverstrengeling en chantage. De notaris moet gestopt worden en zou nooit meer in het vak mogen werken.

4. Het verweer

De notaris heeft de klacht gemotiveerd weersproken. Voor zover van belang wordt hierna op dat verweer ingegaan.

5. De beoordeling

5.1. Ingevolge artikel 93 lid 1 van de Wet op het notarisambt (hierna: Wna) zijn notarissen, toegevoegd notarissen en kandidaat-notarissen aan tuchtrechtspraak onderworpen ter zake van handelen of nalaten in strijd met hetzij enige bij of krachtens deze wet gegeven bepaling, hetzij met de zorg die zij behoren te betrachten ten opzichte van degenen te wier behoeve zij optreden en ter zake van handelen of nalaten dat een behoorlijk notaris niet betaamt. De kamer dient derhalve te onderzoeken of de handelwijze van de notarissen een verwijtbare gedraging in de zin van dit artikel oplevert.

Klachtonderdeel 1 – gang van zaken na het overlijden van erflaatster

1.a. – Onterving
5.2. Ingevolge artikel 49 lid 1 en lid 2 Wna verstrekt een notaris een afschrift van een testament zowel aan degene die hieraan een recht ontleent, als aan degene die hierdoor een erfrechtelijke aanspraak heeft verloren, maar slechts ten aanzien van het desbetreffende onderdeel van die wilsbeschikking.
De notaris heeft een afschrift van het testament van erflaatster aan klager verstrekt, waarin de algemene bepalingen alsmede informatie over de testateur en de executele waren opgenomen. De notaris heeft verklaard dat, nu klager impliciet door erflaatster onterfd is, het niet mogelijk was andere passages van het testament dan voornoemde passages over te leggen. De kamer is het met dit standpunt van de notaris eens, maar overweegt dat het beter was geweest als de notaris met meer empathie met klager had gecommuniceerd over de onterving. Het is immers goed voorstelbaar dat de onterving bij de onterfde emoties oproept. Tuchtrechtelijk verwijtbaar is de wijze van communicatie naar het oordeel van de kamer echter niet. Klachtonderdeel 1.a. acht de kamer dan ook ongegrond.

1.b. – Legitieme portie en de berekening hiervan
5.3. Ingevolge artikel 4:85 lid 1 BW kan een belanghebbende een legitimaris een redelijke termijn stellen om een beroep te doen op de legitieme portie. Een termijn van drie maanden, zoals in het onderhavige geval, is niet ongebruikelijk (vergelijk: gerechtshof ’s-Hertogenbosch, 27 september 2022, ECLI:NL:GHSHE:2022:3275). Daarbij komt dat klager op eenvoudige wijze en zonder enig (financieel of ander) risico een beroep op zijn legitieme portie kon doen. Bij klager bestond weliswaar de veronderstelling dat hij voor een beroep op de legitieme portie ver diende te reizen voor legalisatie van de bijbehorende verklaring, wellicht door de brief van de notaris van 24 oktober 2024 (geciteerd hiervoor onder 2.4), maar de notaris heeft deze veronderstelling tweemaal gepoogd te weerleggen. Zowel op 29 oktober 2024 als op 4 februari 2025 (geciteerd hiervoor onder 2.7 respectievelijk 2.8) heeft de notaris aan klager geschreven dat legalisatie van deze verklaring ook via een online teams meeting met één van zijn medewerkers zou kunnen plaatsvinden. Dat de notaris klager een termijn van drie maanden heeft gesteld, acht de kamer daarom niet onredelijk.
Ten aanzien van de berekening van de legitieme portie geldt dat de notaris zich lijdelijk heeft opgesteld. De kamer kan niet constateren dat de notaris foutief heeft gehandeld en als hij al foutief gehandeld zou hebben, is niet gebleken dat hij dit bewust heeft gedaan. De kamer kan niet verifiëren of de berekening (on)juist is en een nadere onderbouwing van de stellingen van klager ontbreekt. Uit de stukken van het dossier blijkt dat de notaris klager op 4 februari 2025 een berekening heeft toegestuurd en daarbij heeft aangegeven dat klager altijd contact kon opnemen met de notaris indien hij vragen en/of opmerkingen zou hebben. Klager heeft hierop kunnen reageren, maar heeft dat niet inhoudelijk gedaan. Het is, mede gezien de verschillende standpunten die door de gerechtigden in genoemde nalatenschap worden ingenomen, niet onredelijk dat de notaris, alvorens tot betaling over te gaan, klager verzoekt om met zijn berekening in te stemmen. Daarom is van chantage geen sprake. De kamer overweegt daarbij dat de door de notaris opgestelde berekening(en) en de gevolgen van de verschillende standpunten van de gerechtigden door de notaris meer toegelicht hadden kunnen worden, echter de notaris heeft in het begeleidend schrijven aangeboden om daarover met elkaar in overleg te treden, waarvan klager geen gebruik heeft gemaakt. Van enig klachtwaardig handelen is niet gebleken en de kamer acht klachtonderdeel 1.b. daarom ongegrond.

1.c. – Rol van de notaris als executeur
5.4. De notaris heeft ter zitting verklaard dat hij in overleg met de erfgenamen bewust geen contact heeft opgenomen met de bank en daarom acht de kamer ook klachtonderdeel 1.c. ongegrond.

Klachtonderdeel 2 – wilsbekwaamheid van erflaatster ten tijde van het opstellen van het testament in 2018
5.5. Een klacht kan slechts worden ingediend binnen drie jaar na de dag waarop de tot klacht gerechtigde persoon kennis heeft genomen van het handelen of nalaten dat tot tuchtrechtelijke maatregelen jegens de notaris, toegevoegd notaris of kandidaat-notaris aanleiding kan geven (artikel 99 lid 21 Wna). Deze regel dient de rechtszekerheid. Artikel 99 lid 21 Wna kent echter een uitzondering: de beslissing tot niet-ontvankelijkverklaring blijft achterwege indien de gevolgen van het handelen of nalaten redelijkerwijs pas nadien bekend zijn geworden. In dat geval verloopt de termijn voor het indienen van een klacht een jaar na de datum waarop de gevolgen redelijkerwijs als bekend geworden zijn aan te merken. De kamer is van oordeel dat klager ontvankelijk is in dit klachtonderdeel. Tussen het overlijden van erflaatster op 27 september 2024 (waarna klager op enig later moment (beperkt) kennis heeft genomen van het testament van erflaatster) en het indienen van de klacht (daarbij uitgaand van de eerste e-mail van klager aan de kamer van 31 oktober 2024) is nog geen jaar verstreken.
De notaris heeft ter zitting verklaard dat erflaatster een heldere indruk maakte en dat het passeren van het gewijzigde testament van erflaatster in 2018 onder vier ogen heeft plaatsgevonden (in tegenstelling tot hetgeen klager beweert, die stelt dat zijn broer en zus hierbij aanwezig zouden zijn geweest). De kamer heeft geen reden om aan de verklaring en het oordeel van de notaris te twijfelen, gelet op de niet onderbouwde stellingen van klager dat erflaatster wilsonbekwaam was. De kamer acht dit klachtonderdeel dan ook ongegrond.

Klachtonderdeel 3 – afwikkeling van de nalatenschap van erflater in 2014
5.6. De kamer verwijst naar hetgeen hiervoor is vermeld onder 5.5 over de vervaltermijn van artikel 99 lid 21 Wna. Nu de afwikkeling van de nalatenschap van erflater in 2014 heeft plaatsgevonden, is de driejaarstermijn reeds verstreken. Voor zover klager toentertijd niet door de notaris geïnformeerd zou zijn omtrent die afwikkeling, kan ook een eventueel beroep op de eenjaarstermijn van artikel 99 lid 21 Wna klager niet baten. Klager heeft ter zitting immers verklaard dat hij in de zomer van 2023 kennis heeft genomen van stukken betreffende deze nalatenschap. De kamer oordeelt dat klager niet-ontvankelijk is in dit klachtonderdeel vanwege overschrijding van de klachttermijn.

Klachtonderdeel 4 – opstellen van de (oudere) testamenten van erflater en erflaatster in 2008
5.7. Voor zover klager een belang heeft in dit klachtonderdeel met betrekking tot het testament van erflater uit 2008, verwijst de kamer naar hetgeen hiervoor onder 5.6 is vermeld over de overschrijding van de klachttermijn. Met betrekking tot het testament van erflaatster uit 2008 geldt dat klager geen belang heeft, omdat erflaatster dit testament heeft herroepen in 2018. De kamer oordeelt daarom dat klager niet-ontvankelijk is in dit klachtonderdeel.

Klachtonderdeel 5 – partijdigheid
5.8. Van enige partijdigheid van de notaris jegens de broer en zus van klager is niet gebleken. Klager heeft dit ook onvoldoende feitelijk onderbouwd. Het enkele lidmaatschap van een vereniging leidt als zodanig niet tot het vermoeden van partijdigheid, zelfs niet als zou komen vast te staan dat de broer en zus lid zijn van diezelfde vereniging. De kamer acht dit klachtonderdeel daarom ongegrond.

Klachtonderdeel 6
5.9. De notaris heeft ter zitting verklaard dat hij zijn communicatie met klager niet met de broer en zus van klager heeft gedeeld, alleen met de kamer. Dit is niet door klager weersproken. De kamer acht dit klachtonderdeel daarom ongegrond.

Klachtonderdeel 7
5.10. De kamer acht ook dit klachtonderdeel ongegrond nu niet is gebleken van fraude, onkunde, belangenverstrengeling of chantage door de notaris. Klager heeft hieraan ook geen (nadere) feitelijke onderbouwing gegeven. De kamer acht dit klachtonderdeel daarom ongegrond.

5.11. Op grond van het voorgaande wordt beslist als volgt.

6. De beslissing

De kamer voor het notariaat:

- verklaart de klachtonderdelen 3 en 4 niet-ontvankelijk;
- verklaart de overige klachtonderdelen ongegrond.

Deze beslissing is gegeven door mrs N.C.H. Blankevoort, voorzitter, M.V. Ulrici, E.W. Oosterbaan, W.A. Groen en O. Schlaman, leden en uitgesproken in het openbaar op 6 november 2025 door mr. N.C.H. Blankevoort, voorzitter, in aanwezigheid van de secretaris.

Tegen deze beslissing van de kamer voor het notariaat kunnen partijen binnen dertig dagen na de datum van verzending van deze beslissing hoger beroep instellen bij het gerechtshof Amsterdam (postadres, postbus 1312, 1000 BH Amsterdam).