ECLI:NL:TNORAMS:2025:21 Kamer voor het notariaat Amsterdam 767519 / NT 25-13 767521 / NT 25-14
| ECLI: | ECLI:NL:TNORAMS:2025:21 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 28-10-2025 |
| Datum publicatie: | 21-11-2025 |
| Zaaknummer(s): |
|
| Onderwerp: | Personen- en Familierecht, subonderwerp: Nalatenschap |
| Beslissingen: | Klacht ongegrond |
| Inhoudsindicatie: | Klager meent dat de kandidaat-notaris geen afschrift van het testament van erflaatster had mogen afgeven ten behoeve van de broer en zus van klager. Het testament geeft namelijk onvoldoende duidelijkheid om vast te stellen dat de persoon of personen die een kopie van het testament opvragen ook erfgenamen zijn. Daarnaast is het afgegeven afschrift van het testament een manipulatie, aldus klager. Klager verwijt bovengenoemd handelen ook de notaris omdat de kandidaat-notaris onder zijn verantwoordelijkheid valt en hij de kandidaat-notaris heeft verdedigd. De kamer acht beide klachtonderdelen ongegrond. De notarissen zijn niet verplicht aan klager verantwoording af te leggen over hun handelwijze. De notarissen wijzen er terecht op dat zij op grond van artikel 49 Wna verplicht zijn een afschrift van een testament te verstrekken aan degenen die een recht aan de akte kunnen ontlenen. De notarissen hebben daarbij toegelicht dat nooit zomaar een afschrift van een testament wordt afgegeven. Als een dergelijk verzoek wordt gedaan, wordt altijd gecontroleerd of de persoon die zich meldt recht heeft op een afschrift, waarna deze persoon wordt geïdentificeerd. De klacht dat het door de kandidaat-notaris afgegeven afschrift een manipulatie betreft berust op een misvatting van klager. De kandidaat-notaris heeft het afschrift volgens de geldende wetgeving afgegeven en niet klachtwaardig gehandeld. Omdat de kandidaat-notaris geen enkel tuchtrechtelijk verwijt valt te maken, kan ook de notaris niet worden verweten dat hij de kandidaat-notaris heeft verdedigd. |
KAMER VOOR HET NOTARIAAT IN HET RESSORT AMSTERDAM
Beslissing in de klachten met nummers 767519 / NT 25-13 en 767521 / NT 25-14 van:
[klager],
wonende te [woonplaats],
tegen:
1. [kandidaat-notaris],
kandidaat-notaris te [vestigingsplaats]
en
2. [notaris],
notaris te [vestigingsplaats],
gemachtigde: mr. G. van Atten, advocaat te Heemstede.
Partijen worden hierna klager, de notaris en de kandidaat-notaris genoemd. De notaris
en de kandidaat-notaris worden hierna gezamenlijk de notarissen genoemd.
1. Ontstaan en loop van de procedure
1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het klaagschrift met bijlagen van 9 april 2025;
- het verweerschrift van 21 mei 2025.
1.2. Bij de mondelinge behandeling van de klacht op 16 september 2025 zijn klager
en de notarissen, vergezeld van hun gemachtigde, verschenen. Partijen hebben het woord
gevoerd aan de hand van overgelegde pleitaantekeningen. Uitspraak is bepaald op heden.
2. De feiten
2.1. Op 10 augustus 2017 heeft kandidaat-notaris mr. [S], als waarnemer van notaris [B], het testament gepasseerd van mevrouw [erflaatster] (hierna: erflaatster). Klager is in dit testament benoemd tot executeur en afwikkelingsbewindvoerder. Erflaatster heeft, onder last van een aantal legaten, haar kinderen (drie in totaal) tot enig erfgenaam van haar gehele nalatenschap benoemd.
2.2. Per 1 januari 2021 zijn het protocol van notaris [B] en de overige notariële bescheiden aan de notaris toegewezen.
2.3. Erflaatster is op [datum] 2025 overleden.
2.4. Op 11 maart 2025 heeft mr. [L] namens de broer en zus van klager een verzoekschrift tot ontslag c.q. schorsing van klager als executeur van de nalatenschap van erflaatster ingediend bij de rechtbank Amsterdam.
2.5. Bij e-mail van 27 maart 2025 heeft klager aan de notarissen geschreven:
“Op 10 augustus 2017 heeft mijn moeder mevrouw [erflaatster] een testament opgemaakt
bij Notaris [B] met ondergetekende [klager] als excecuteur. Dit kantoor bestaat niet
meer en de dossiers zijn overgenomen door uw kantoor. Inmiddels is er door [naam van
het kantoor van L] een verzoekschrift tot schorsing gedaan, waarbij het testament
is overlegd, ik heb daarvoor geen toestemming gegeven, dus gaarne verneem ik op de
kortst mogelijke termijn, hoe dit document bij hem terecht is gekomen en verwacht
van u de bewijzen waarmee u kunt aantonen dat u binnen uw bevoegdheid als notaris
heeft gehandeld.”
2.6. Bij e-mail van 31 maart 2025 (21:14u) heeft de notaris aan klager geschreven:
“Indien de heer [broer van klager] [de broer van klager, kvhn] erfgenaam is, wat hij voor zover wij konden beoordelen ook is, dan is hij belanghebbende
en heeft recht om het gehele testament in te zien. Naar mijn mening heeft de executeur
niet het recht om deze informatie aan een erfgenaam te onthouden. Het behoort ook
tot uw taak als executeur om hem een afschrift van dit testament te doen verschaffen
als hij daar om vraagt. Indien hij mij daar als notaris om verzoekt als erfgenaam
en belanghebbende dan dien ik hem ook een afschrift te verstrekken als hij daar om
vraagt.”
2.7. Bij e-mail van 31 maart 2025 (21:49u) heeft klager aan de notaris geschreven:
“Het klopt dat ik als excecuteur het testament dien te overleggen als daarom gevraagd
wordt, zelfs als er niet om gevraagd wordt dan is het het aan mij de termijn te bepalen.
De vraag blijft nog steeds, hoe weet u dat de heer [broer van klager] om dit testament
gevraagd heeft, u kunt niet zomaar iemand iets sturen daarvoor moet een schriftelijk
verzoek gedaan worden alsmede een legitimatie overlegd anders kan iedereen wel wat
opvragen. Dus de vraag blijft gelijk u moet aan mij aantonen als excecuteur dat u
mij niet in de wielen heeft gereden of mijn autoriteit heeft ondermijnd door een testament
aan een willekeurige te sturen ofwel een persoon die zich uitgeeft voor [broer van
klager] en nergens staat in de wet dat hij iemand kan machtigen om dit namens hem
op te vragen, dus zeker niet mr. [L], gaarne zie ik dat bewijs tegemoet u zult daarvan
immers een administratie hebben bijgehouden, t.w. hoe u de aanvraag heeft ontvangen,
hoe u vast heeft gesteld dat de legitimatie echt was en op welke datum en tijd dit
allemaal heeft plaatsgevonden, uit uw schrijven maak ik op dat u een beetje om de
hete brij heen draait, maar mogelijk vergis ik mij (ik denk het echte niet).”
2.8. Bij e-mail van 31 maart 2025 (22:23u) heeft de notaris aan klager geschreven:
“Indien wij een afschrift van een testament afgeven, dan hebben we de persoon aan wie
dat afschrift afgeven uiteraard geïdentificeerd.”
2.9. Bij e-mail van 31 maart 2025 (22:34u) heeft klager onder meer nog aan de
notaris geschreven:
“Ik betwijfel het geheel, u heeft geen verklaring gegeven voor de discrepantie tussen
het volledige testament en uw aanpassing van pagina 4 bovenaan (…).”
3. De klacht
De klacht bestaat uit twee onderdelen:
3.1. De kandidaat-notaris had geen afschrift van het testament van erflaatster mogen afgeven ten behoeve van de broer en zus van klager. Het testament geeft namelijk onvoldoende duidelijkheid om vast te stellen dat de persoon of personen die een kopie van het testament opvragen ook erfgenamen zijn; noch de namen, noch de geboorteplaats, geboortedatum of geslacht is in het testament opgenomen. Een notaris moet 100% verifieerbare zekerheid hebben dat degene die om een kopie van het testament vraagt daartoe gerechtigd is, voordat hij tot afgifte daarvan overgaat. Die zekerheid kan worden verkregen door te vragen een geboorteakte te overleggen, maar dit is hoogstwaarschijnlijk niet gebeurd.
3.2. Het afgegeven afschrift van het testament is een manipulatie. Bij dit afschrift
is pagina 4 van het testament namelijk vervangen en daarop is een logo van [naam van
het kantoor van B] geplaatst. De kandidaat-notaris is niet werkzaam voor [naam van
het kantoor van B], maar heeft wel zijn handtekening geplaatst. Ook het paginanummer
en logo zijn verschoven. De kandidaat-notaris had het originele testament moeten overleggen
en daarbij een additioneel vel van [naam van het kantoor van de notaris] moeten toevoegen,
met een datum.
3.3. Klager verwijt bovengenoemd handelen ook de notaris omdat de kandidaat-notaris
onder zijn verantwoordelijkheid valt en hij de kandidaat-notaris heeft verdedigd.
4. Het verweer
De notarissen hebben de klacht gemotiveerd weersproken. Voor zover van belang wordt hierna op dat verweer ingegaan.
5. De beoordeling
5.1. Ingevolge artikel 93 lid 1 van de Wet op het notarisambt (hierna: Wna)
zijn notarissen, toegevoegd notarissen en kandidaat-notarissen aan tuchtrechtspraak
onderworpen ter zake van handelen of nalaten in strijd met hetzij enige bij of krachtens
deze wet gegeven bepaling, hetzij met de zorg die zij behoren te betrachten ten opzichte
van degenen te wier behoeve zij optreden en ter zake van handelen of nalaten dat een
behoorlijk notaris niet betaamt. De kamer dient derhalve te onderzoeken of de handelwijze
van de notarissen een verwijtbare gedraging in de zin van dit artikel oplevert.
5.2. Beide klachtonderdelen zijn terug te voeren op de afgifte van een afschrift van het testament van erflaatster door de kandidaat-notaris. De vraag is aan de orde of de kandidaat-notaris onzorgvuldig heeft gehandeld door een afschrift te verstrekken en of sprake is van een gemanipuleerd afschrift.
5.3. De kamer acht beide klachtonderdelen ongegrond en overweegt daartoe als volgt.
5.4. De notarissen zijn niet verplicht aan klager verantwoording af te leggen over hun handelwijze. De notarissen wijzen er terecht op dat zij op grond van artikel 49 Wna verplicht zijn een afschrift van een testament te verstrekken aan degenen die een recht aan de akte kunnen ontlenen. De notarissen hebben daarbij toegelicht dat nooit zomaar een afschrift van een testament wordt afgegeven. Als een dergelijk verzoek wordt gedaan, wordt altijd gecontroleerd of de persoon die zich meldt recht heeft op een afschrift, waarna deze persoon wordt geïdentificeerd. Ook als bepaalde persoonsgegevens niet in een testament zijn vermeld kunnen notarissen zelf onderzoek doen naar de vraag of iemand een kind en daarmee erfgenaam van de erflater is. Het opvragen van een geboorteakte is daarvoor niet noodzakelijk. Verder kunnen de notarissen vanwege hun geheimhoudingsplicht niet specifiek ingaan op de vraag of een afschrift van het testament aan anderen dan klager is afgegeven. Ter zitting heeft de notaris nog verklaard dat ook in dit geval een grondig onderzoek heeft plaatsgevonden. De kamer heeft geen reden hieraan te twijfelen.
5.5. De klacht dat het door de kandidaat-notaris afgegeven afschrift een manipulatie betreft berust op een misvatting van klager. De kandidaat-notaris heeft het afschrift volgens de geldende wetgeving afgegeven en niet klachtwaardig gehandeld. Zoals de notarissen hebben toegelicht is het overleggen van het originele testament wettelijk niet mogelijk. De kandidaat-notaris heeft de tekst [naam van het kantoor van B] aan mogen brengen op het door hem af te geven afschrift. Verder is niet verplicht om daarbij een datum aan te brengen. Dat de laatste pagina van het afschrift er anders uitziet dan het afschrift van het testament dat klager al in bezit had, maakt niet dat het afschrift een manipulatie zou zijn, zoals klager beweert.
5.6. Omdat de kandidaat-notaris geen enkel tuchtrechtelijk verwijt valt te maken, kan ook de notaris niet worden verweten dat hij de kandidaat-notaris heeft verdedigd. Overigens is de notaris zelf niet betrokken geweest bij de afgifte van het afschrift door de kandidaat-notaris, aangezien de kandidaat-notaris deze zaak zelfstandig in behandeling had. De notaris heeft klager alleen – in algemene zin – antwoord gegeven op diens vragen over de afgifte. Anders dan de notarissen aanvoeren betekent dit alles niet dat klager niet-ontvankelijk is in zijn klacht tegen de notaris. De kamer zal de klacht ongegrond verklaren.
5.7. Op grond van het voorgaande wordt beslist als volgt.
6. De beslissing
De kamer voor het notariaat:
- verklaart de klacht(en) tegen de notarissen ongegrond.
Deze beslissing is gegeven door mrs. S.P. Pompe, voorzitter, N.C.H. Blankevoort, E.W.
Oosterbaan, W.A. Groen en A.J.H.M. Janssen, leden. Bij afwezigheid van de voorzitter
uitgesproken in het openbaar op 28 oktober 2025 door mr. M.L.S. Kalff,
(plaatsvervangend) voorzitter, in aanwezigheid van de secretaris.
Tegen deze beslissing van de kamer voor het notariaat kunnen partijen binnen dertig dagen na de datum van verzending van deze beslissing hoger beroep instellen bij het gerechtshof Amsterdam (postadres, postbus 1312, 1000 BH Amsterdam).