ECLI:NL:TNORAMS:2025:20 Kamer voor het notariaat Amsterdam 768880 / NT 25-16

ECLI: ECLI:NL:TNORAMS:2025:20
Datum uitspraak: 06-11-2025
Datum publicatie: 21-11-2025
Zaaknummer(s): 768880 / NT 25-16
Onderwerp: Personen- en Familierecht, subonderwerp: Nalatenschap
Beslissingen: Klacht gegrond zonder maatregel
Inhoudsindicatie: Het eerste klachtonderdeel ziet op het partijdig handelen van de notaris door (opnieuw) een verklaring af te leggen ten gunste van de zuster van klagers. Er speelt tussen klagers en hun zuster een discussie over de onroerende zaak ten aanzien van het punt of deze gesplitst of in delen kan worden verkocht, of als één geheel. De notaris heeft zich in deze discussie gemengd en, op verzoek van mr. [P], in zijn e-mail van 7 april 2025 een verklaring afgelegd ten gunste van de zuster van klagers (en ten nadele van klagers).Het tweede klachtonderdeel ziet op de gedragingen van de notaris jegens de gemachtigde van klagers. Klagers menen dat zij, ondanks het eerdere oordeel van de kamer op dit punt (ECLI:NL:TNORAMS:2024:13), ontvankelijk zijn in dit klachtonderdeel. (...) De gedragingen waar het om gaat vonden plaats tijdens de zitting bij de kantonrechter toen de notaris stelde dat de gemachtigde van klagers ‘constant aan het liegen en bedriegen’ is. Hij heeft deze grievende uitlating later herhaald.De kamer is van oordeel dat deze verklaring niet zodanig afwijkt van hetgeen in het proces-verbaal van de zitting bij het hof is opgenomen, dat gezegd kan worden dat de verklaring onjuist is en/of dat sprake is van partijdig handelen van de notaris. (...)Het tweede klachtonderdeel ziet op de gedragingen van de notaris jegens de gemachtigde van klagers tijdens de zitting bij de kantonrechter. Het gaat daarbij om de uitlating van de notaris dat de gemachtigde ‘constant aan het liegen en bedriegen is’. De kamer neemt aan dat deze bewoordingen door de notaris zijn gebezigd met uitzondering van het woord ‘constant’, een en ander gelet op de inhoud van het proces-verbaal van de zitting bij de kantonrechter. De kamer is van oordeel dat de notaris de gemachtigde daarmee op ongepaste wijze heeft bejegend. Het gebruik van dergelijke diffamerende bewoordingen is niet passend voor een notaris. De kamer acht het tweede klachtonderdeel dan ook gegrond, zij het dat de kamer voor oplegging van een maatregel geen aanleiding ziet.

KAMER VOOR HET NOTARIAAT IN HET RESSORT AMSTERDAM

Beslissing van 6 november 2025 in de klacht met nummer 768880 / NT 25-16 van:

1. [klaagster]

wonende te [woonplaats]

en

2. [klager]

wonende te [woonplaats],

gemachtigde: mr. J.H. Heerebout, advocaat te Hoofddorp,

tegen:

[notaris],

notaris te [vestigingsplaats],

gemachtigde: mr. P.M. Leerink, advocaat te Deventer.

Partijen worden hierna klaagster/klager/klagers, respectievelijk de notaris genoemd.


1. Ontstaan en loop van de procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het klaagschrift met bijlagen bij brief ingekomen bij de kamer op 8 mei 2025;
- het verweerschrift van 25 juni 2025;
- aanvullende stukken van de notaris van 17 september 2025;
- reactie hierop van de gemachtigde van klagers van 22 september 2025.

1.2. Bij de mondelinge behandeling van de klacht op 25 september 2025 zijn klagers en de notaris, vergezeld van hun gemachtigden, verschenen. Partijen hebben het woord gevoerd, de gemachtigde van de notaris aan de hand van een pleitnotitie. Uitspraak is bepaald op heden.

2. De feiten

2.1. Klagers zijn, samen met mevrouw [zuster van klagers] (hierna: de zuster van klagers), erfgenamen in de nalatenschap van de heer [erflater] (hierna: erflater). Klagers en hun zuster hebben onenigheid over de afwikkeling van de nalatenschap van erflater.

2.2. Op 23 oktober 2023 heeft de kantonrechter van de rechtbank Amsterdam (hierna: de kantonrechter) de notaris tot executeur benoemd. Klaagster is hiertegen in hoger beroep gegaan. In afwachting hiervan hebben klagers een ontslagverzoek van de notaris als executeur ingediend. De mondelinge behandeling hiervan vond plaats op 12 november 2024 bij de kantonrechter (hierna: de zitting bij de kantonrechter).

2.3. Bij e-mail van 12 november 2024 (12:49u) heeft mr. J.H. Heerebout, advocaat van klagers (hierna: de gemachtigde van klagers), aan de notaris geschreven:
(…) Zojuist heeft u op twee manieren klachtwaardig gehandeld op de zitting ten overstaan van kantonrechter [kantonrechter] van de rechtbank Amsterdam
U heeft mij uw verweer niet toegezonden zodat ik op de zitting daarmee werd overvallen en [kantonrechter] de zitting heeft geschorst zodat ik uw verweer kon lezen.
Heel eenvoudig had u mij in de CC kunnen zetten en dat hebt u expres niet gedaan.
Ernstig is ook dat u direct toen u het woord kreeg letterlijk hebt gezegd “meneer Heerebout kan alleen maar liegen en bedriegen”.
Ik heb daarop akte gevraagd aan de griffier dit op te nemen en [kantonrechter] gaf aan “we hebben dit allemaal gehoord”.
Ik hoef u niet uit te leggen dat uw opmerkingen een notaris niet betamen.
U verneemt nader.

2.4. Bij e-mail van 12 november 2024 (13:14u) heeft de notaris aan de gemachtigde van klagers geschreven:
(…) Kijk naar uw zelf: u valt mij aan en spreekt niet de waarheid over mij. Voor het overige neem ik uw mail voor kennisgeving aan.

2.5. Tijdens de zitting in hoger beroep bij het gerechtshof Amsterdam (hierna: het hof) op 14 november 2024 (hierna: de zitting bij het hof), tegen de benoeming van de notaris als executeur door de kantonrechter, hebben klagers en hun zuster gedeeltelijk overeenstemming bereikt over de afwikkeling van de nalatenschap. Zo zou de woning in de nalatenschap van erflater (hierna: de onroerende zaak) door een nader aan te wijzen makelaar worden verkocht en zouden partijen het advies van deze makelaar volgen. Het voorgaande is door het hof vastgelegd in een beschikking van 17 december 2024 (hierna: de beschikking).

2.6. Bij e-mail van 15 november 2024 heeft de gemachtigde van klagers aan de notaris geschreven:
(…) Ik beschouw deze mail als een poging om met u om de tafel te gaan zitten teneinde de klachten van tafel te krijgen.
Gisteren heeft u zich onder zware druk van het Hof teruggetrokken als executeur. Niet nadat u mij ter zitting ervan beschuldigd had dat ik u ‘bedreigd’ zou hebben. Vermoedelijk werd dit door de raadsheren niet serieus genomen, maar ik vind toch dat u hiervoor uw execusses dient aan te bieden aan het Gerechtshof. U kunt namelijk niet in strijd met de waarheid dit soort bizarre uitlatingen doen.
Mede namens cliënten schrijf ik u dan ook vorenstaande en vraag ik u ook met betrekking tot de door u ingediende declaratie zorgvuldigheid te betrachten, in dier voege dat u slechts tot 16 november 2023 uw uren declareert. (…)

2.7. De heer [makelaar] (hierna: de makelaar) heeft op 7 februari 2025 een verkoopplan voor de onroerende zaak opgesteld. Vervolgens kregen klagers en hun zuster een geschil over de vraag of het verkoopplan al dan niet in lijn zou zijn met de beschikking. Bij e-mail van 18 februari 2025 heeft de makelaar het hof verzocht om de beschikking te verduidelijken. Bij e-mail van 24 februari 2025 heeft het hof aan de gemachtigde van klagers en aan de advocaat van de zuster van klagers, mr. [P] (hierna: mr. [P]), met de makelaar in de cc, bericht dat de door partijen bereikte overeenstemming zowel in een ondertekend proces-verbaal als in een beschikking is vastgelegd, de zaak daarmee is afgedaan en het hof voor zichzelf geen verdere rol weggelegd ziet.

2.8. Bij e-mail van 7 april 2025 (09:47u) heeft mr. [P] aan de notaris geschreven [de niet-onderstreepte tekst geeft het bericht van mr. [P] weer, de onderstreping is een toevoeging door de kamer en geeft de reactie van de notaris weer van 7 april 2025 (16:55u), kvhn]:
“(…) Mevrouw [klaagster] en haar broer hebben weer een kort geding aangespannen jegens mijn cliënte [zuster van klagers] Wat vervelend om te moeten lezen.
(…)Teneinde de kort geding rechter duidelijkheid te verschaffen verzoek ik U de navolgende vragen aan mij te beantwoorden met toestemming om deze te mogen overleggen.

1. Volgens mijn gegevens bent U niet ontslagen als executeur maar tijdens de zitting bij het Gerechtshof teruggetgreden omdat partijen overeenstemming hadden dat het onroerend goed middels de hoogste bieding zou worden verkocht.
Is dit juist ? Ik kan u berichten dat ik inderdaad niet ben ontslagen maar mij heb terug getreden nadat:

a. Er overeenstemming was over mijn honorarium en de wijze van betaling van mijn honorarium;
b. Betaling zou plaatsvinden na de overdracht van het onroerend goed aan de hoogste bieder.
(…)

2. (…) Verstaat U eveneens onder de woning conform eerdere stukken het geheel ? Tijdens de zitting is door de voorzitter aangestuurd op het op korte termijn verkopen tegen een hoogste bod onder begeleiding van een makelaar van het onroerend goed. Op deze wijze zou er op korte termijn een einde komen aan een jarenlang slepende afwikkeling van de nalatenschap en zou ook mijn honorarium worden voldaan.
3. Zijn er voor U belemmeringen om deze vragen mogelijk niet te kunnen beantwoorden dan wel andere aspecten die van belang kunnen zijn voor de besluitvorming van de rechter? Ik wil hierbij nogmaals benadrukken dat mij geen verwijt valt te maken omtrent het niet functioneren als executeur omdat ik niet in staat ben gesteld om mijn taak als executeur op te pakken maar ik wel werkzaamheden heb moeten verrichten in het belang van alle gerechtigden tot de nalatenschap. Ten overvloede sluit ik hierbij nog bij de beschikking van het hof.
Ik sluit de gewijzigde beschikking nog even voor U in. Dank hiervoor. Ik vraag mij oprecht af of een advocaat willens en wetens een ander zwart mag maken in een procedure die zich daar niet tegen kan verweren. Het maakt mij helaas somber voor de toekomst. (…)

2.9. Bij e-mail van 7 april 2025 (17:02u) heeft mr. [P] aan de notaris geschreven:
(…)Dank U voor Uw antwoord maar verstaat U onder het onroerend goed ook verkoop als één geheel want dat blijft een kernvraag en daarvoor bent U toch destijds benoemd ? (…)

2.10. Bij e-mail van 7 april 2025 (19:59u) heeft de notaris aan mr. [P] geschreven:
(…) Ik heb u in een eerdere mail reeds aangegeven hoe het is gelopen. Nu ligt mijns vast dat de voorzitter van de rechtbank heeft bevolen dat het registergoed in zijn geheel dient te worden aangeboden. Vervolgens kunnen bieders met een gesloten envelop een bieding doen en zal het hoogste bod een verkoper opleveren. Er is tijdens de zitting geen enkel moment geweest waarop er sprake zou zijn van meerdere percelen met meerdere biedingen in gesloten enveloppen. Inmiddels zijn we na mijn benoeming ruim 1,5 jaar verder en men weet niet van ophouden. Ik loop inmiddels ruim 25 jaar rond in het notariaat en heb dit nog nooit mee gemaakt. Ik heb nu twee tuchtzaken lopen waar het ook overduidelijk is dat mij niets te verwijten valt maar zolang je voor 50 euro klachten kunt indienen en er geen rem is door bijvoorbeeld de voorzitter van ring of de voorzitter van de tucht blijf je onterechte klachten houden. De huidige generatie kandidaat-notarissen wil helemaal niet meer voor benoeming opgaan, mede om deze reden. Nogmaals: diep triest maar als de samenleving wil dat het zo gaat dan doet over 20 jaar de laatste notaris het licht uit.

2.11. Vervolgens hebben klagers hun zuster gedagvaard in kort geding bij de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam. In zijn conclusie van antwoord heeft mr. [P] onder meer opgenomen wat de notaris hem in zijn e-mail van 7 april 2025 had geschreven: “(..) Ook de notaris heeft het dus opgevat dat de voorzitter van het gerechtshof heeft bevolen het onroerend goed als één geheel te verkopen.


3. De klacht

De klacht bestaat uit een tweetal klachtonderdelen:

Klachtonderdeel 1
3.1. Het eerste klachtonderdeel ziet op het partijdig handelen van de notaris door (opnieuw) een verklaring af te leggen ten gunste van de zuster van klagers. Er speelt tussen klagers en hun zuster een discussie over de onroerende zaak ten aanzien van het punt of deze gesplitst of in delen kan worden verkocht, of als één geheel. De notaris heeft zich in deze discussie gemengd en, op verzoek van mr. [P], in zijn e-mail van 7 april 2025 een verklaring afgelegd ten gunste van de zuster van klagers (en ten nadele van klagers). Volgens de notaris zou door de rechter zijn ‘bevolen’ dat de onroerende zaak in zijn geheel wordt aangeboden, hetgeen ook zou blijken uit het proces-verbaal van de zitting bij het hof.

3.2. De notaris stuurde zijn verklaring per e-mail alleen naar mr. [P] en niet naar de gemachtigde van klagers. Hij verzwijgt ook aan klagers en aan de gemachtigde van klagers dat hij deze communicatie met de wederpartij doet en betrekt klagers niet hierbij. De notaris weet heel goed dat hij klagers benadeelt door zijn verklaring af te leggen en handelt hier niet zoals een notaris betaamt. De notaris stelt zich willens en wetens partijdig op en dat is kwalijk omdat hij notaris en gewezen executeur is.

Klachtonderdeel 2
3.3. Het tweede klachtonderdeel ziet op de gedragingen van de notaris jegens de gemachtigde van klagers. Klagers menen dat zij, ondanks het eerdere oordeel van de kamer op dit punt (ECLI:NL:TNORAMS:2024:13), ontvankelijk zijn in dit klachtonderdeel. Het hof heeft bij uitspraak van 25 maart 2025 in hoger beroep geoordeeld dat klagers voldoende redelijk belang hebben bij een klacht over een correcte bejegening van hun raadsman door de notaris (ECLI:NL:GHAMS:2025:701).

3.4. De gedragingen waar het om gaat vonden plaats tijdens de zitting bij de kantonrechter toen de notaris stelde dat de gemachtigde van klagers ‘constant aan het liegen en bedriegen’ is. Hij heeft deze grievende uitlating later herhaald. De gemachtigde van klagers heeft de notaris hierover aangeschreven, maar de notaris heeft – ondanks de kans die de gemachtigde van klagers hem gaf – geen excuses aangeboden.

3.5. Door de grievende uitlatingen van de notaris is ook de goede naam van de gemachtigde van klagers en daarmee de positie van klagers bij de kantonrechter aangetast. Klagers menen dat zij niet hoeven te dulden dat een notaris zich op een dergelijke wijze uitlaat over hun raadsman. De notaris had er ook voor kunnen kiezen om, als hij het ergens niet mee eens was, het op een andere manier te formuleren. Dat doet hij echter niet. Hij zegt niet wat er naar zijn mening anders is, maar zegt alleen dat de gemachtigde van klagers een leugenaar is.


4. Het verweer

4.1. De notaris ontkent in zijn verweerschrift dat hij klachtwaardig heeft gehandeld door het sturen van een brief naar aanleiding van een verzoek van mr. [P].

4.2. De notaris heeft de klacht verder ter zitting gemotiveerd weersproken. Voor zover van belang wordt hierna op dat verweer ingegaan.


5. De beoordeling

5.1. Ingevolge artikel 93 lid 1 van de Wet op het notarisambt (hierna: Wna) zijn notarissen, toegevoegd notarissen en kandidaat-notarissen aan tuchtrechtspraak onderworpen ter zake van handelen of nalaten in strijd met hetzij enige bij of krachtens deze wet gegeven bepaling, hetzij met de zorg die zij behoren te betrachten ten opzichte van degenen te wier behoeve zij optreden en ter zake van handelen of nalaten dat een behoorlijk notaris niet betaamt. De kamer dient derhalve te onderzoeken of de handelwijze van de notaris een verwijtbare gedraging in de zin van dit artikel oplevert.

Klachtonderdeel 1
5.2. Het eerste klachtonderdeel ziet op de verklaring van de notaris over de onroerende zaak, in zijn e-mail van 7 april 2025: “Nu ligt mijns vast dat de voorzitter van de rechtbank heeft bevolen dat het registergoed in zijn geheel dient te worden aangeboden”. De notaris heeft daarmee zijn mening gegeven over wat ter zitting is besproken. Dat is geen feitelijke mededeling, maar een interpretatie van de notaris. De kamer is van oordeel dat deze verklaring niet zodanig afwijkt van hetgeen in het proces-verbaal van de zitting bij het hof is opgenomen, dat gezegd kan worden dat de verklaring onjuist is en/of dat sprake is van partijdig handelen van de notaris.

5.3. Dat de notaris de verklaring alleen naar mr. [P] en niet naar de gemachtigde van klagers heeft verzonden, acht de kamer ook niet klachtwaardig. De notaris reageerde op een verzoek van mr. [P] om een uitspraak te doen over de verkoop van de onroerende zaak en heeft zijn reactie op dit verzoek dan ook alleen aan mr. [P] gericht. Dat is niet tuchtrechtelijk laakbaar; de notaris was op dat moment immers geen executeur meer. Het eerste klachtonderdeel acht de kamer dan ook ongegrond.

Klachtonderdeel 2
5.4. Het tweede klachtonderdeel ziet op de gedragingen van de notaris jegens de gemachtigde van klagers tijdens de zitting bij de kantonrechter. Het gaat daarbij om de uitlating van de notaris dat de gemachtigde ‘constant aan het liegen en bedriegen is’. De kamer neemt aan dat deze bewoordingen door de notaris zijn gebezigd met uitzondering van het woord ‘constant’, een en ander gelet op de inhoud van het proces-verbaal van de zitting bij de kantonrechter. De kamer is van oordeel dat de notaris de gemachtigde daarmee op ongepaste wijze heeft bejegend. Het gebruik van dergelijke diffamerende bewoordingen is niet passend voor een notaris. De kamer acht het tweede klachtonderdeel dan ook gegrond, zij het dat de kamer voor oplegging van een maatregel geen aanleiding ziet. De notaris heeft erkend dat hij soms fel heeft gereageerd op stevige verwijten van de zijde van de gemachtigde van klagers, omdat deze naar zijn mening niet de waarheid sprak en zich onnodig grievend en onprofessioneel gedroeg. De in het klaagschrift gebruikte bewoordingen (“pertinent gelogen”, “willens en wetens partijdig”, “hem interesseert een veroordelinkje meer of minder door de tuchtkamer niet”) bevestigen dat beide partijen voor de geëscaleerde verhoudingen verantwoordelijkheid dragen, daar waar het juist de verantwoordelijkheid van de professionals is om geen olie op het vuur te gooien. Inmiddels, na gegrondverklaring van een eerdere klacht van klagers over de opstelling van de notaris jegens klagers en hun advocaat, heeft de notaris een cursus gevolgd om te leren op een zakelijker en minder emotionele wijze te reageren op verwijten. Verder heeft hij op zitting inzicht getoond in het ontoelaatbare van zijn gedrag en excuses aangeboden voor de gebruikte bewoordingen.

Griffierecht
5.5. Omdat de kamer de klacht deels gegrond verklaart, dient de notaris op grond van artikel 99 lid 5 Wna het door klagers betaalde griffierecht van € 50 aan klagers te vergoeden.

5.6. De notaris moet het griffierecht binnen vier weken na het onherroepelijk worden van deze beslissing aan klagers vergoeden. Klagers dienen daarvoor tijdig schriftelijk het hiervoor bestemde rekeningnummer aan de notaris door te geven.

5.7. Op grond van het voorgaande wordt beslist als volgt.


6. De beslissing

De kamer voor het notariaat:

- verklaart klachtonderdeel 1 ongegrond;
- verklaart klachtonderdeel 2 gegrond;
- legt de notaris geen maatregel op;
- veroordeelt de notaris tot betaling van het griffierecht aan klagers, op de wijze en binnen de termijn als onder 5.6. bepaald.

Deze beslissing is gegeven door mrs. N.C.H. Blankevoort, voorzitter, M.V. Ulrici, E.W. Oosterbaan, W.A. Groen en O. Schlaman, leden en uitgesproken in het openbaar op 6 november 2025 door mr. N.C.H. Blankevoort, voorzitter, in aanwezigheid van de secretaris.

Tegen deze beslissing van de kamer voor het notariaat kunnen partijen binnen dertig dagen na de datum van verzending van deze beslissing hoger beroep instellen bij het gerechtshof Amsterdam (postadres, postbus 1312, 1000 BH Amsterdam).