ECLI:NL:TNORAMS:2025:19 Kamer voor het notariaat Amsterdam 760306 / NT 24-46

ECLI: ECLI:NL:TNORAMS:2025:19
Datum uitspraak: 28-08-2025
Datum publicatie: 02-09-2025
Zaaknummer(s): 760306 / NT 24-46
Onderwerp: Personen- en Familierecht, subonderwerp: Testamenten
Beslissingen: Klacht gegrond met waarschuwing
Inhoudsindicatie: De klacht is grotendeels gegrond. Van de notaris mocht worden verwacht dat hij erop zou toezien dat bij klagers geen onduidelijkheid bestond over zijn rol. Omdat de notaris ook zelf het testament had verleden waarin erflaatster hem tot executeur had benoemd, mocht van hem ook enige uitleg aan de erfgenamen worden verwacht over het feit dat hij die benoeming niet had aanvaard. De notaris heeft niet zorgvuldig gehandeld door na te laten klagers daarover tijdig te informeren. Omdat uit de e-mail die de notaris na indiening van de klacht aan klagers heeft gezonden blijkt dat hij heeft ingezien dat hij klagers direct op de hoogte had moeten brengen, ziet de kamer aanleiding om de notaris de maatregel van waarschuwing op te leggen. 

KAMER VOOR HET NOTARIAAT IN HET RESSORT AMSTERDAM

Beslissing van 28 augustus 2025 in de klacht met nummer 760306 / NT 24-46 van:

1. [klager 1],

    wonende te [plaats];

2. [klager 2],
   
wonende te [plaats];

3. [klager 3],

    wonende te [plaats],

gemachtigde: [naam gemachtigde],

tegen:

[naam notaris],

notaris te [plaats],

gemachtigde: mr. M.C.J. Höfelt, advocaat te Amsterdam.

Partijen worden hierna klagers (respectievelijk klager 1, klager 2 en klager 3) en de notaris genoemd.

1.          Ontstaan en loop van de procedure

1.1.      Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • het klaagschrift met bijlagen van 28 november 2024;
  • het verweerschrift met bijlagen van 24 januari 2025;
  • aanvullende stukken van de notaris van 16 juni 2025.
  • aanvullende stukken van klagers van 16 juni 2025;

1.2.      De kamer heeft de zaak mondeling behandeld op de openbare zitting van 26 juni 2025. Klagers waren aanwezig, bijgestaan door hun gemachtigde. De notaris was aanwezig, bijgestaan door zijn gemachtigde. Partijen hebben over en weer het woord gevoerd aan de hand van pleitaantekeningen. Uitspraak is bepaald op vandaag.

2.          De feiten

2.1.      Bij testament van 8 mei 2007 heeft mevrouw [naam erflaatster] (hierna: erflaatster) ten overstaan van de notaris beschikt over haar nalatenschap.

2.2.      Erflaatster was een vriendin van de ouders van klager 1 en van de ouders van klagers 2 en 3.

2.3.      Erflaatster heeft bij voornoemd testament klagers tot erfgenaam benoemd, klager 1 voor een derde deel, klagers 2 en 3 (de kinderen van [naam] en [naam]) samen voor een derde deel. Ook de kinderen van [X] (hierna: [X]) en [naam] heeft erflaatster voor een derde deel tot erfgenaam benoemd.

2.4.      Erflaatster heeft in haar testament de notaris benoemd tot executeur. Voor het geval de notaris die benoeming niet kon of wilde aanvaarden heeft zij [X] benoemd tot executeur.

2.5.      Bij testament van 30 september 2008, eveneens verleden door de notaris, heeft erflaatster in aanvulling op het testament van 8 mei 2007 een monumentenpand te Amsterdam gelegateerd. 

2.6.      Op 10 november 2023 is erflaatster overleden. Erflaatster heeft vrijwel tot het laatst thuis gewoond en is overleden in een hospice.

2.7.      Direct na het overlijden van erflaatster hebben de verzorgers van erflaatster in opdracht van [X] de woning van erflaatster ontruimd.

2.8.      Op 11 november 2023 heeft [X] de notaris bericht dat erflaatster was overleden.

2.9.      Op 13 november 2023 heeft een medewerker van “Bureau Uitvaarten van Gemeentewege” van de gemeente Amsterdam (hierna: de gemeente) de notaris op de hoogte gesteld van het overlijden van erflaatster.
Bij e-mail van dezelfde dag heeft een medewerker van het notariskantoor de gemeente geantwoord: “Wij hebben nog geen CTR kunnen opvragen omdat het overlijden van [naam erflaatster] nog niet is geregistreerd bij het BRP. Wel hebben wij een testament gevonden waarin notaris [naam notaris] tot executeur-testamentair is benoemd. Naar wij begrijpen heeft [naam erflaatster] geen vermogen nagelaten. Er is geen bezwaar dat u de uitvaart regelt. (..)”
Daarop heeft de gemeente bij e-mail van dezelfde dag geantwoord: “Indien [naam notaris] volgens de door u aangetroffen testamenten van 8 mei 2007 en 30 september 2008 tot executeur-testamentair is benoemd, is hij ook de aangewezen persoon om het testament uit te voeren. Wij gaan er dan ook vanuit, dat hij deze taak op zich neemt.(..)”

2.10.    Bij e-mail van 15 november 2023 heeft een medewerker van de notaris aan de gemeente bericht: “Hierbij bericht ik u dat de heer [naam notaris] de benoeming als executeur-testamentair niet aanvaard. Wij gaan ervan uit dat u de begrafenis zal organiseren.”     

2.11.    Bij brief van 17 november 2023 heeft de gemeente de verhuurder van de woning van erflaatster (hierna: de verhuurder) bericht over het overlijden van erflaatster, onder toezending van de sleutels van de woning.

2.12.    Bij e-mail van 29 november 2023 heeft de verhuurder aan de notaris zijn e-mail van 26 november 2023 doorgezonden. In de e-mail van 26 november 2023, onder anderen gericht aan [X], schreef de verhuurder onder meer dat het afscheid van erflaatster op de “Ooster” werd “overschaduwd door een onnavolgbare en ongepaste actie daags na haar opname in het Hospice, waarvan twee van haar buren getuigen zijn geweest (..). Duidelijke aanwijzingen voor een regelrechte diefstal van een waardevol gedeelte van haar persoonlijke bezittingen. De namen van de twee personen zijn bekend (..) waarvan er één - zij was afgelopen vrijdag aanwezig, maar snel na de ter aarde bestelling weer vertrokken - door één van [erflaatsters] buren, daarop werd aangesproken, glashard ontkende!(..) Afgelopen donderdag ben ik samen met [naam] binnen geweest om de toestand te aanschouwen en schrokken enorm: een regelrechte zwijnen stal en sporen van weggenomen goederen (onder meer los hangende snoeren waar overduidelijk langere tijd kunstwerken hadden gehangen en verkleurde plekken op de muur). (..)”

2.13.    Bij e-mail van 30 november 2023 heeft de notaris aan de verhuurder de e-mail van zijn medewerker van 15 november 2023 doorgezonden, waarin deze de gemeente bericht dat de notaris de benoeming tot executeur niet aanvaardt.

2.14.    Bij e-mail van 4 december 2023 heeft de verhuurder aan de notaris en aan de gemeente, met (onder anderen) cc aan [X], onder meer geschreven: “(..) Wel blijkt er een testament te zijn, dat ter inzage is voor [naam notaris], waarin 2 erfgenamen vermeld worden, waarvan één van de twee erfgenaam de heer [X] zou zijn en wordt [naam notaris] in het testament als executeur-testamentair vermeld. De reactie van [naam notaris] is helder (zie in de mail hieronder) en - naar ik begreep – ziet de heer [X] af van zijn erfdeel.

Ik begreep van [naam notaris] dat hij de andere erfgenaam zal aanschrijven of al heeft aangeschreven, met de vraag of deze persoon wel de erfenis wil aanvaarden (van een boedel met vermoedelijk alleen schulden). (..) Graag verneem ik van [naam notaris] of ik en zo ja, per wanneer, toestemming krijg om de betreffende woning te ontruimen? (..) Ik zal één dezer dagen de spullen van [erflaatster] in de woning ordenen en opslaan, ten behoeve van eventuele belanghebbende(n).”

2.15.    Tussen enkele vrienden van erflaatster (onder wie de moeder van klager 1) is een discussie ontstaan over de wijze waarop met de spullen van erflaatster is omgegaan. Op 12 december 2023 heeft [X] via WhatsApp (onder meer) aan de moeder van klager 1 geschreven: “(..) Via en in overleg met de notaris zijn er een beperkt aantal zaken van Agnes veilig gesteld De notaris is de enige die daar zeggenschap over heeft Volgens mij niemand anders Er is dus NIETS gestolen. Dit is ook keurig vastgelegd. (..)”

2.16.    In april 2024 heeft klager 2 een herinneringsbrief van de Belastingdienst ontvangen over de aangifte erfbelasting 2023. Na contact met de Belastingdienst ontving klager 2 alsnog een brief van 14 februari 2024, die hem niet eerder had bereikt. In de adressering is vermeld: “[naam klager 2] p/a [naam notaris] (..)”  De brief luidt als volgt: “U krijgt deze brief omdat u erfgenaam, executeur en/of gemachtigde bent in de nalatenschap van [erflaatster], (..) die is overleden op 10 november 2023.

Wat moet u doen?

Wij sturen deze brief alleen aan u. Wij vragen u alle erfgenamen op de hoogte te brengen dat zij aangifte erfbelasting moeten doen. (..) Bent u geen erfgenaam en ook geen executeur of gemachtigde? Dan hebben wij deze brief misschien ten onrechte gestuurd. (..)”

2.17.    Op 2 mei 2024 heeft klager 2 het notariskantoor bezocht om meer informatie te krijgen. De notaris heeft klager 2 toen meegedeeld dat hij het testament niet mocht inzien, omdat niet klager 2, maar zijn ouders in het testament stonden. De notaris heeft klager 2 toen verteld dat klager 1 wel in het testament was vermeld. Nog diezelfde dag heeft klager 2 contact opgenomen met de moeder van klager 1 en met de Belastingdienst. De Belastingdienst bevestigde dat klager 2 erfgenaam is en dat het aan hem was om de andere erfgenamen in te lichten.

2.18.    Bij e-mail van 3 mei 2024 heeft klager 1 de notaris verzocht om inzage in het testament van erflaatster.

2.19.    Bij e-mail van 6 mei 2024 heeft de medewerker van de notaris aan klager 1 een afschrift van het testament gezonden en haar onder meer meegedeeld: “(..) De heer [naam notaris] is krachtens dit testament benoemd tot de executeur van de nalatenschap. In het testament wordt ruimte gelaten om deze benoeming te verwerpen, waar hij gebruik van zal maken. Hij wijst het verzoek om executeur te worden af. Na [naam notaris] komt de positie toe aan de heer [X]. (..)” Vervolgens heeft de medewerker van het notariskantoor klager 1 uitgelegd welke keuzes zij had met betrekking tot de nalatenschap (zuiver aanvaarden/beneficiair aanvaarden/verwerpen).

2.20.    Bij e-mail van 7 mei 2024 heeft klager 1 aan de (medewerker van de) notaris geschreven: “(..) In uw e-mail van gisteren staat dat u de benoeming tot executeur zal verwerpen. Uit het testament van [erflaatster] blijkt dat in dat geval de heer [X], wordt benoemd. Tot aan uw e-mail van gisteren was u dus de notaris en de enige benoemde executeur in de nalatenschap van [erflaatster]. Moet ik uw e-mail zo begrijpen dat u de benoeming tot executeur een half jaar lang niet heeft aanvaard, maar ook niet verworpen?
Ik zit nu met nog een paar vragen:

  • Waarom ben ik niet op de hoogte gesteld over mijn erfstelling in het testament van [erflaatster], direct na haar overlijden?
  • Wie heeft het afgelopen half jaar beheer gevoerd over de nalatenschap van [erflaatster]?
  • In hoeverre zijn er werkzaamheden verricht ter afwikkeling van de nalatenschap van [erflaatster]?
  • Is er in het afgelopen half jaar een boedelbeschrijving gemaakt?
  • Zijn de schulden van de nalatenschap in kaart gebracht?

Ik verzoek u om spoedig antwoord op deze vragen.”

2.21.    Bij e-mail heeft de medewerker van de notaris nog diezelfde dag geantwoord:
“De heer [X] heeft aan ons kantoor aangegeven dat hij de executeur in de afwikkeling van de nalatenschap wil zijn. Voor verdere vragen kunt u bij hem terecht.”

2.22.    Bij e-mail van 7 mei 2025 aan de (medewerker van de) notaris heeft klager 1 verduidelijkt: “Onderstaande vragen zien op de periode vóórdat de heer [X] is benoemd tot executeur. (Dit gebeurt volgens het testament pas na indien u de benoeming verwerpt, wat u gisteren heeft aangezegd.) Mijn vragen zien op uw handelen als benoemd executeur  in de periode voor verwerping. Daarnaast zien mijn vragen op uw handelen in hoedanigheid van notaris in het testament van [erflaatster]. De heer [X] is om deze reden niet de gerede partij om deze vragen te beantwoorden.
Ik herhaal hier mijn vragen aan u, met herhaald verzoek om deze op kort termijn te beantwoorden.(..)” 

2.23.    Bij e-mail van 15 mei 2024 heeft de notaris geantwoord:
“(...) Vrij snel na het overlijden van [erflaatster] ben ik benaderd door de heer [X], die mij vertelde dat [erflaatster] was overleden en dat zij een testament had dat op mijn kantoor zou liggen. Hij liet ook weten in de woning van [erflaatster] te zijn geweest en vertelde dat er geen waardevolle spullen aanwezig waren. Hij had besloten de kosten van de begrafenis niet voor zijn rekening te nemen. Daarna ben ik benaderd door een medewerker van de gemeente Amsterdam, die ook liet weten dat [erflaatster] overleden was en dat de gemeente haar begrafenis zou verzorgen. Ook het hospice heeft mij benaderd met de mededeling dat er geen waardevolle spullen in haar huis waren, behalve wat oude kleding (die door de medewerkers van het uitvaartcentrum zouden zijn weggegooid). De heer [X] stond vermeld als een van de contactpersonen van [erflaatster] in het hospice. Dat verklaart dat hij in een vroeg stadium betrokken was. Volgens het testament is de heer [X] (na mij) tot executeur benoemd. Ik begreep dat hij die taak op zich wil nemen. Uit het bovenstaande volgt dat de executeur volledig op de hoogte is van hetgeen zich op of omstreeks de sterfdatum in het hospice en in de woning bevond. De heer [X] kent de verhuurder van de woning van [erflaatster] en heeft de huur beëindigd. Het dossier is te lang blijven liggen, mijn excuses hiervoor. Inmiddels zijn alle erven aangeschreven met eenzelfde brief en inhoud als aan u verzonden.(..)”

2.24.    Na indiening van de klacht bij de kamer heeft de notaris klagers bij e-mail van 13 januari 2025 onder meer geschreven: “(…) Inmiddels is mij wel duidelijk dat ik de erfgenamen zo snel als mogelijk had moeten informeren en ook direct had moeten aangeven dat ik de executeurstaak niet op mij nam. (…)”

3.          Het standpunt van klagers

3.1.      Na het overlijden van erflaatster heeft de notaris geen initiatief genomen om de erfgenamen in te lichten over het bestaan van een testament. Dit terwijl de notaris op de hoogte was dat erflaatster was overleden en dat haar testament bij hem op kantoor lag. In zijn e-mail van 15 mei 2024 schrijft de notaris immers dat [X] hem daarvan op de hoogte heeft gebracht, ‘vrij snel’ na het overlijden van erflaatster. De notaris heeft kennelijk niets gedaan met deze mededeling. Als de Belastingdienst geen brief aan klager 2 had gestuurd, waren klagers nooit op de hoogte geraakt van hun aanspraak op de nalatenschap.

3.2.      Op het moment dat klager 2 zélf initiatief nam om informatie te krijgen heeft de notaris niet transparant, onvolledig en zelfs onjuist gecommuniceerd. Klager 2 heeft de ontvangst op het kantoor als onvriendelijk ervaren. Er werd kortaf gecommuniceerd op onprettige toon. Vervolgens heeft de notaris hem onjuist ingelicht, met de mededeling dat hij niet in het testament voorkomt. De notaris heeft hem om die reden inzage van het testament geweigerd. Pas nadat klager 1 op 3 mei 2024 inzage van het testament had gevraagd, heeft de notaris in een telefoongesprek met klager 2 ‘rechtgezet’ dat hij wél in het testament staat. Hij heeft toen gezegd dat hij er tijdens het kantoorbezoek van klager 2 er “overheen heeft gelezen”. Dit is ernstig verwijtbaar. Van een notaris mag worden verwacht dat hij kan lezen en dat hij dit ook zorgvuldig doet.

3.3.      Ook naar klager 1 is de notaris niet transparant geweest. Bij e-mail van 7 mei 2025 heeft klager 1 inhoudelijke vragen gesteld over de wijze waarop hij als notaris en executeur heeft gehandeld. Bij klagers was immers niet bekend dat de notaris het executeurschap niet had aanvaard. Daar heeft de notaris enkel op gereageerd met een verwijzing naar [X]. Pas na rappel reageert de notaris bij e-mail van 15 mei 2024, onder meer met de erkenning dat het ‘dossier te lang is blijven liggen’. Hij maakt daarvoor zijn excuses. Daaraan zouden klagers meer waarde hebben gehecht, op het moment dat hij hier direct voor was uitgekomen, niet pas na zes maanden stilzitten, ontwijkende gesprekken in persoon en aan de telefoon, en ontwijkende e-mails.

3.4.      De notaris heeft zelf het testament van erflaatster van 8 mei 2007 gepasseerd, waarin hij tevens als executeur is benoemd. Als notaris was hij volledig op de hoogte van de erfgenamen en eenieders rechten en plichten: hij had na het overlijden van erflaatster alle touwtjes in handen. In die positie heeft hij stilgezeten. Door de rol van executeur niet uitdrukkelijk te verwerpen en toe te staan dat [X] zijn gang ging, zonder klagers te informeren, heeft de notaris de voorwaarden geschapen voor de situatie waarin klagers zijn beland.

3.5.      [X] heeft aangestuurd op een begrafenis door de staat omdat er geen waardevolle spullen aanwezig zouden zijn geweest in de woning, waarmee een ‘fatsoenlijke’ begrafenis zou kunnen worden bekostigd. Dit wordt door klagers met klem betwist. Er waren wel degelijk zaken van waarde aanwezig in de woning, hetgeen wordt bevestigd door meerdere getuigen. Erflaatster was een fervent verzamelaar van moderne kunst en fotografie; zij droeg hautecouturekleding en was in het bezit van kostbare sieraden. De begrafenis door de staat heeft ertoe geleid dat erflaatster een sobere uitvaart heeft gehad die een dame van haar statuur onwaardig was. Dit heeft veel geliefden van erflaatster (waaronder klagers) veel verdriet gedaan.
Het handelen van [X] kan uiteraard niet voor rekening van de notaris worden gebracht. Echter, als de notaris zorgvuldig had gehandeld had onafhankelijk kunnen worden vastgesteld welke zaken er in de woning aanwezig waren, wat ook een rol had gespeeld in de discussie over de begrafenis van gemeentewege van erflaatster, die kennelijk samenhing met de waarde van de nalatenschap.
[X] heeft (de moeders van) klagers destijds in niet mis te verstane bewoordingen duidelijk gemaakt dat zij zich niet moesten bemoeien met de afwikkeling en begrafenis. Daarbij schermde hij met de naam van de notaris en stelde dat klagers geen recht hadden op enige verantwoording. Klagers hebben zich daardoor op het verkeerde been laten zetten. Als de notaris klagers fatsoenlijk had geïnformeerd was dit niet gebeurd.

4.          Het standpunt van de notaris

De notaris heeft verweer gevoerd. Zijn standpunt zal voor zover relevant worden besproken in de beoordeling.

5.          De beoordeling                     

5.1.      Notarissen, toegevoegd notarissen en kandidaat-notarissen zijn aan tuchtrechtspraak onderworpen voor handelen of nalaten in strijd met hetzij enige bij of krachtens de Wet op het notarisambt (Wna) gegeven bepaling, hetzij met de zorg die zij behoren te betrachten ten opzichte van degenen voor wie zij optreden en voor handelen of nalaten dat een behoorlijk notaris niet betaamt. De kamer dient te onderzoeken of de handelwijze van de notaris een verwijtbare gedraging oplevert in de zin van artikel 93 lid 1 Wna.

5.2.      De klacht van klagers bestaat - kort samengevat - uit vier klachtonderdelen:

1. De notaris had in de gegeven omstandigheden klagers in kennis moeten stellen van het testament van erflaatster.

2. De notaris heeft aan klager 2 onjuiste informatie gegeven.

3. De notaris is niet transparant geweest over zijn rol naar klager 1.

4. De notaris had aan klagers duidelijkheid moeten verschaffen over zijn rol als executeur.

5.3.      De kamer ziet aanleiding om de klachtonderdelen 1, 3 en 4 gezamenlijk te beoordelen. In die klachtonderdelen gaat het om de vraag of de notaris de zorgvuldigheidsnorm van artikel 17 lid 1 Wna heeft geschonden. Daarop zal de kamer hierna eerst ingaan.

5.4.      De gemachtigde van de notaris heeft op de zitting betoogd dat in deze zaak de vraag centraal staat welke verplichtingen een notaris jegens de erfgenamen heeft wanneer hij “slechts het testament van erflater heeft verleden maar niets met diens nalatenschap van doen heeft gehad.”
Volgens de notaris zouden klagers zijn rol, betrokkenheid en verantwoordelijkheden veel groter achten dan op grond van de feiten gerechtvaardigd is. In zijn algemeenheid geldt immers dat een notaris niet verplicht is om bij een nalatenschap betrokkenen kennis te geven dat een uiterste wil van de erflater tot zijn minuten behoorde, als die nalatenschap is opengevallen. Blijkens de toelichting op het nieuwe erfrecht kan van een notaris niet worden verwacht dat hij zonder opdracht tot een volledige boedelafwikkeling of om een verklaring van erfrecht af te geven naspeuringen en mededelingen zou doen over een in zijn protocol aanwezig testament aan de belanghebbenden van dat testament.

5.5.      De notaris heeft indertijd, toen hij nog verbonden was aan een ander notariskantoor met een familiepraktijk, uit dienstbaarheid aan erflaatster erin bewilligd dat erflaatster in haar testament de benoeming van hem als executeur opnam. De notaris had en heeft echter geen ervaring in het familierecht en trad daarmee “buiten zijn gebruikelijke paden”. Achteraf gezien had de notaris dat beter aan een in de familiepraktijk ervaren collega kunnen overlaten, aldus de notaris.

5.6.      Op 11 november 2023 heeft [X] de notaris bericht dat erflaatster was overleden en dat de notaris haar testament had gepasseerd. De notaris heeft dat toen voor kennisgeving aangenomen, zo heeft hij ter zitting verklaard.
Op 13 november 2023 ontving de notaris de brief van het Bureau Uitvaarten van Gemeentewege van de gemeente Amsterdam. In die brief schreef de gemeente dat de notaris in het testament van erflaatster was benoemd tot executeur en dat de gemeente er daarom van uitging dat de notaris de uitvaart zou regelen. Op 15 november 2023 heeft de notaris de gemeente medegedeeld dat hij de benoeming tot executeur niet aanvaardde.

5.7.      Volgens de notaris is een belangrijke omstandigheid dat [X] zich vanaf het begin gedroeg als executeur. Daarom stelt de notaris dat de klacht, voor zover deze betrekking heeft op het executeurschap van de notaris, niet kleeft. De notaris erkent dat het wellicht beter was geweest als hij klagers proactief had benaderd om hen in te lichten over zijn weigering van het executeurschap, maar hij meent dat zijn handelen niet tuchtrechtelijk laakbaar is.

5.8.      De kamer is van oordeel dat de notaris de zorgvuldigheidsnorm van artikel 17 lid 1 Wna niet is nagekomen. In dit geval is, in afwijking van de door de notaris hiervoor genoemde algemeen geldende regel, sprake van de bijzondere omstandigheid dat erflaatster in haar testament, dat behoorde tot het protocol van de notaris, juist de notaris had benoemd tot executeur en daarmee haar vertrouwen heeft gesteld in de notaris. De notaris was ook op de hoogte dat de nalatenschap was opengevallen. Erflaatster, en daarmee klagers, mocht er op vertrouwen dat de notaris - bijzonderheden daargelaten – zijn benoeming zou aanvaarden. Terecht hebben klagers ter zitting betoogd dat een gebrek aan ervaring met het executeurschap niet in de weg zou moeten staan aan een behoorlijke vervulling van die taak door een notaris. De notaris had zich immers kunnen (en moeten) verdiepen in die rol. Maar op het moment dat in een geval als dit een notaris besluit die rol toch niet op zich te nemen, mag van een notaris worden verwacht dat hij de erfgenamen daarover informeert. Het lag dan ook op de weg van de notaris om klagers direct na zijn besluit te informeren over het testament en het niet-aanvaarden van zijn benoeming tot executeur. Dat heeft de notaris nagelaten. Nadat hij van klager 1 op 7 mei 2024 vragen had gekregen over zijn rol verwijst de notaris enkel naar [X], die “de executeur wil zijn”. Ook in zijn meer uitgebreide antwoord van 15 mei 2024 geeft de notaris nog steeds geen duidelijkheid over zijn eigen rol. Als reden daarvoor heeft de notaris ter zitting verklaard dat hij dacht dat misschien nog een actie tot verwerping van de benoeming tot executeur bij de rechtbank nodig was, hetgeen de kamer onbegrijpelijk vindt.

5.9.      De notaris had de regie over de duidelijkheid van zijn eigen rol en kan die niet afschuiven op [X], door “erop te vertrouwen dat [X] de taak van executeur op zich had genomen”, zoals de notaris ter zitting heeft betoogd. Ook als [X] die taak wel naar behoren had uitgevoerd, mocht van de notaris worden verwacht dat hij erop zou toezien dat bij klagers geen onduidelijkheid bestond over zijn eigen rol. Dat geldt nog meer omdat van de notaris, die het testament immers zelf had verleden, ook wel enige uitleg aan de erfgenamen mocht worden verwacht over het feit dat hij de executeursbenoeming niet had aanvaard.

5.10.    Dat de notaris klager 2 heeft meegedeeld dat hij geen erfgenaam was, maar zijn ouders (en klager 2 dus geen recht had op een afschrift van het testament), is een zeer ongelukkige fout, maar geen fout die tuchtrechtelijk verwijtbaar is. Klager 2 was zonder afspraak, spontaan het kantoor van de notaris binnengelopen.
In de hectiek van de dag heeft de notaris klager 2 te woord gestaan en daarbij het testament verkeerd gelezen. De notaris geeft ook toe dat een vooraf gepland en voorbereid gesprek beter was geweest en betreurt het dat klager 2 de ontmoeting op zijn kantoor als onaangenaam heeft ervaren. Dat de notaris kortaf en op een onprettige toon heeft gecommuniceerd is onvoldoende concreet gesteld. Dit klachtonderdeel zal de kamer dus ongegrond verklaren.

maatregel

5.11.    De kamer is van oordeel dat de notaris niet zorgvuldig heeft gehandeld door na te laten om klagers tijdig te informeren over het testament van erflaatster en zijn besluit om de benoeming tot executeur niet te aanvaarden. De kamer ziet aanleiding de notaris daarvoor de maatregel van waarschuwing op te leggen. Uit de e-mail die de notaris na indiening van de klacht aan klagers heeft gezonden blijkt immers dat de notaris heeft ingezien dat hij klagers direct op de hoogte had moeten brengen.

griffierecht

5.12.    Omdat de kamer de klacht tegen de notaris (deels) gegrond verklaart, dient de notaris het door klagers betaalde griffierecht van € 50 op grond van artikel 99 lid 5 Wna aan klagers te vergoeden, binnen vier weken na het onherroepelijk worden van deze beslissing. Klagers dienen daarvoor tijdig schriftelijk hun rekeningnummer aan de notaris door te geven.

kostenveroordeling   

5.13.    Nu de kamer de klacht (deels) gegrond verklaart en de notaris een maatregel oplegt, zal de kamer de notaris, gelet op artikel 103b lid 1 Wna jo. de richtlijn kostenveroordeling kamers voor het notariaat (Staatscourant 2020, nr. 67893), veroordelen in de kosten die klagers in verband met de behandeling van de klacht redelijkerwijs hebben moeten maken, vastgesteld op een (forfaitair) bedrag van € 50.

De kamer bepaalt dat dit bedrag binnen vier weken na het onherroepelijk worden van deze beslissing aan klagers moet worden betaald. Klagers dienen daarvoor tijdig schriftelijk hun rekeningnummer aan de notaris door te geven.

5.14.    Verder ziet de kamer aanleiding om de notaris, gelet op artikel 103b lid 1 Wna jo. de richtlijn kostenveroordeling kamers voor het notariaat 2021 (Staatscourant 2020, nr. 67893), te veroordelen in de kosten die voor de behandeling van de zaak door de kamer zijn gemaakt. Deze kosten worden vastgesteld op € 2.000 (wegingsfactor 1). De kamer ziet geen aanleiding voor het opleggen van een lagere kostenveroordeling. De kamer bepaalt dat deze kosten binnen vier weken na het onherroepelijk worden van deze beslissing aan de kamer moeten worden betaald.
De notaris ontvangt hiervoor een nota van het LDCR te Utrecht.

6.       De beslissing

De kamer voor het notariaat:

  • verklaart klachtonderdelen 1, 3 en 4 gegrond.
  • verklaart klachtonderdeel 2 ongegrond;
  • legt de notaris de maatregel van waarschuwing op;
  • veroordeelt de notaris tot betaling aan klagers van € 50 aan griffierecht en € 50 in de kosten in verband met de behandeling van de klacht, op de wijze en binnen de termijn als hiervoor in 5.12. en 5.13. bepaald;
  • veroordeelt de notaris tot betaling van € 2.000 in de kosten voor de behandeling van de zaak door de kamer, op de wijze en binnen de termijn als hiervóór onder 5.14. bepaald.

Deze beslissing is gegeven door mrs. W.S.J. Thijs, voorzitter, W.A. Groen en A.J.H.M. Janssen, leden en uitgesproken in het openbaar op 28 augustus 2025, in aanwezigheid van de secretaris.

Tegen deze beslissing van de kamer voor het notariaat kunnen partijen binnen dertig dagen na de datum van verzending van deze beslissing hoger beroep instellen bij het gerechtshof Amsterdam (postadres, postbus 1312, 1000 BH Amsterdam).