ECLI:NL:TNORAMS:2025:17 Kamer voor het notariaat Amsterdam 753699 / NT 24-17
| ECLI: | ECLI:NL:TNORAMS:2025:17 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 12-06-2025 |
| Datum publicatie: | 02-09-2025 |
| Zaaknummer(s): | 753699 / NT 24-17 |
| Onderwerp: | Registergoed, subonderwerp: Overig |
| Beslissingen: | Klacht niet-ontvankelijk |
| Inhoudsindicatie: | Klager heeft geen redelijk belang bij de klacht over de akte van 2001. Vast staat dat de moeder van klager partij was bij die akte. Zij was belanghebbende bij de beëindiging van de erfdienstbaarheid. Voor het geval dat de moeder van klager hem wel had gemachtigd namens haar de klacht in te dienen, is de klacht niet-ontvankelijk omdat deze niet tijdig is ingediend. |
KAMER VOOR HET NOTARIAAT IN HET RESSORT AMSTERDAM
Beslissing in de klacht met nummer 753699 / NT 24-17 van:
[naam klager]
wonende te [plaats],
tegen:
[naam notaris],
notaris te [plaats],
gemachtigde: mr. F. van der Woude, advocaat te Amsterdam.
Partijen worden hierna klager en de notaris genoemd.
1. Ontstaan en loop van de procedure
1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het klaagschrift met bijlagen van 4 juli 2024;
- het verweerschrift met bijlagen van 7 augustus 2024;
- brief van 10 oktober 2024 van de notaris;
- e-mail van de kamer van 15 oktober 2024;
- reactie van klager met bijlagen van 28 oktober 2024;
- reactie van de notaris met bijlagen van 20 november 2024.
1.2. De kamer heeft de zaak mondeling behandeld op de openbare zitting van 24 april 2025. Klager, terzijde gestaan door zijn echtgenote mevrouw [naam], en de notaris, bijgestaan door zijn gemachtigde, waren aanwezig. Partijen hebben over en weer het woord gevoerd aan de hand van een pleitnota. Uitspraak is bepaald op vandaag.
2. De feiten
2.1. Bij akte van 20 juni 1985 (hierna: de akte van 1985) is een erfdienstbaarheid van weg gevestigd ten laste van het perceel [ligging perceel A] (hierna: het perceel). De eigendom van de woning aan [weg A] is bij die akte overgedragen door de heer [naam grootvader klager] aan de heer [naam vader klager] (echtgenoot van [naam moeder klager]).
2.2. Klager is de zoon van [naam] (hierna: de vader van klager) en [naam moeder] (hierna: de moeder van klager).
2.3. Door de erfdienstbaarheid van weg was het voor het heersende erf mogelijk om via het dienende erf met (een) dam(men) over de grenssloot naar de openbare weg te komen.
2.4. Bij besluit van 22 december 1988 is besloten tot een ruilverkavelingsprocedure.
2.5. Het plan van toedeling werd opgemaakt naar de rechtstoestand op de peildatum, 1 mei 1995.
2.6. Op 18 mei 1995 is de vader van klager overleden. Alle baten van zijn nalatenschap, waaronder de eigendom van het perceel, kwamen toe aan de moeder van klager.
2.7. Het plan van toedeling werd op 8 maart 1996 goedgekeurd door de Centrale Landinrichtingscommissie. Wet- en regelgeving bepaalden dat het daarna ter inzage gelegd moest worden.
2.8. In 1999 zijn de dammen verwijderd.
2.9. Op 12 oktober 2001 heeft de notaris de akte van ruilverkaveling (hierna: de akte van 2001) gepasseerd.
2.10. In hoofdstuk III van de akte van 2001 is vermeld dat er geen wijziging plaatsvindt van de bestaande erfdienstbaarheden. Bij de kavels 207 en 219 (eigendom van de moeder van klager) is vermeld: “Recht van weg” (met verwijzing naar de akte van 1985).
2.11. Bij e-mail van 21 maart 2024 heeft klager aan het notariskantoor van de notaris
geschreven: “Zoals zojuist telefonisch besproken, stuur ik hierbij de ruilverkavelingsakte [X]
die op 12 oktober 2001 is gepasseerd bij notaris [naam].
Ik heb bij het Kadaster gevraagd om herstel van gegevens (via art. 7t lid 1 Kadasterwet),
maar zij verwijzen mij naar u. In de ruilverkavelingsakte staat voor Erven [naam vader
klager] (p.59) op twee plaatsen het ‘recht van weg’ genoemd (p. 235 nr 207 en p. 236
nr 219). Dat is vreemd, want met de landinrichtingscommissie was afgesproken dat de
erfdienstbaarheid zou verdwijnen en bovendien was – en is – het vanaf 1999 fysiek
onmogelijk om van het ene perceel op het andere te komen. De percelen zijn gescheiden
door een sloot; in de ruilverkaveling zijn de dammen verwijderd.
Ik voeg ook de kaart bij die wij in 1999 ontvingen van de landinrichtingscommissie,
waarop staat aangegeven: ‘opruimen dam’.
Verder voeg ik bij: de huidige situatie zoals te vinden op de digitale kaart van
het Hoogheemraadschap. Het betreft daar nu de percelen 910 en 911 (weg A).
Het is jammer dat wij hier nu pas achter komen, maar wij gingen er volledig vanuit
dat het recht van weg verdwenen zou zijn.
Ik vertrouw erop dat deze fout rechtgezet kan worden, zodat de voorgenomen transactie
van ons perceel kan doorgaan zonder erfdienstbaarheden die helemaal niet meer van
toepassing zijn.”
2.12. Bij e-mail van 22 maart 2024 heeft de notaris klager geantwoord:
“Ik begrijp wat u bedoelt maar ik kan u helaas niet verder helpen. Een ruilverkavelings
akte wordt gemaakt door de ruilverkavelings commissie de notaris ondertekent daarna
allen de akte. Er zijn op de ruilverkavelings akte [X] in het verleden ook diverse
rectificaties geweest maar die zijn allemaal opgesteld door genoemde commissie en
daarna door mij getekend. Ik heb inmiddels ook even contact gehad met het kadaster,
en hetgeen wat hiervoor is vermeld wordt door het kadaster bevestigd. Zij adviseren
u een klachten formulier in te vullen over het onderstaande welk formulier is te vinden
op de site van het kadaster.”
2.13. Bij brief van 4 april 2024 heeft een medewerker van het kadaster aan klager geschreven: “(..) Ingevolge artikel 56b van de kadasterwet (verjaring) is het niet meer mogelijk om bezwaar te maken. Uit onderzoek is gebleken dat de letterlijke tekst van de ingeschreven notariële akte in onze registratie werd overgenomen. De bijhouding van het betreffende perceel in de kadastrale registratie wordt daarom niet veranderd en het proces om de akte van ruilverkaveling te rectificeren wordt daarom niet gestart. Voor wat betreft de ingeschreven akte van levering is het Kadaster niet bevoegd om aanpassingen te doen. De verantwoordelijkheid voor de juistheid van dit stuk ligt bij de notaris Zodoende verwijs ik u naar de notaris voor het verbeteren van dit stuk.”
2.14. Bij e-mail van 5 april 2024 heeft klager de notaris geschreven:
“Op advies van u en het Kadaster heb ik via de website van het Kadaster een klachtenformulier
ingevuld en eveneens bij de klantcontactservice rechtstreeks het verzoek tot herstel
voorgelegd. Vandaag ontving ik bijgevoegde reactie. Het kadaster geeft aan dat het
proces om de akte van ruilverkaveling te rectificeren niet wordt gestart.
Men verwijst mij naar u, omdat het niet meer mogelijk zou zijn om bezwaar te maken.
Overigens kan ik in art 56b van de Kadasterwet geen ‘verjaring’ vinden. Dit begint
op ‘kastje-naar-de-muur’ te lijken. Verschillende partijen wijzen naar elkaar, maar
wij zitten klem omdat er ten onrechte een erfdienstbaarheid is vastgelegd op het perceel.
Hoe lossen we dit op?”
2.15. Bij e-mail van 5 april 2024 heeft de notaris aan klager geschreven: “Ik ga voor u wederom de bewaarder van het kadaster bellen en kom daarna bij u terug.”
2.16. Bij e-mail van 10 april 2024 heeft de notaris klager geschreven: “Als het goed is heeft u wederom een bericht ontvangen van het kadaster klopt dat?”
Daarop heeft klager bij e-mail van 11 april 2024 geantwoord dat hij niets had vernomen
van het kadaster.
2.17. Bij e-mail van 15 april 2024 heeft klager bij de notaris geïnformeerd of hij al had gehoord van het kadaster. Daarop heeft de notaris klager nog diezelfde dag geantwoord dat hij weer contact zou opnemen met het kadaster.
2.18. Bij e-mail van 16 april 2024 heeft de notaris klager bericht: “Zojuist het kadaster gesproken zij gaan contact met u opnemen dus nog even geduld.”
2.19. Bij e-mail van 19 april 2024 heeft klager de notaris geschreven: “Zojuist werd ik gebeld door [een medewerkster] van het kadaster. (..) Zij wist niets
van uw telefoontjes. (..) Ze stelde dat het kadaster geen uitspraken mag doen over
iets wel of niet kan. Ze wilde een papierenonderzoek gaan doen naar de vraag of de
landinrichtingscommissie toegezegd zou hebben dat het overpad verwijderd zou worden.
Ik zou nog wel van haar horen. (…) U heeft als notaris gezien dat er fouten zijn gemaakt.
U bent verplicht dat te melden bij het kadaster. Uit de reactie van [de medewerkster
van het kadaster] maak ik op dat dat niet is gebeurd. (..)”
Daarop heeft de notaris bij e-mail van diezelfde dag geantwoord: “Ik begrijp niet wat u bedoelt met de opmerking dat ik zou hebben gezien dat er fouten
zijn gemaakt? En zoals meerdere malen gemeld is de akte niet door mij gemaakt maar
door de commissie.”
2.20. Bij e-mail van 25 juni 2024 heeft een medewerker van het kadaster aan klager geschreven: “(..) U gaf aan dat in de akte Ruilverkaveling (onterecht) een erfdienstbaarheid van weg staat, die uw inziens niet meer uitgevoerd kan worden en dat hier destijds ook correspondentie over is geweest met de Ruilverkavelingscommissie. Genoemde erfdienstbaarheid wordt in de akte vermeld en wordt door ons lijdelijk aangetekend. Indien de vermelding van de erfdienstbaarheid onjuist blijkt, kan de notaris (eventueel met medewerking van de betrokken partijen) een akte van rectificatie indienen. (..)”
2.21. Bij e-mail van 26 juni 2024 heeft klager aan de notaris geschreven:
“Naar aanleiding van uw mail hieronder [de e-mail van de notaris van 16 april 2024, kvhn] heeft het kadaster geen contact met mij opgenomen. Inmiddels heb ik zelf diverse keren
contact gezocht met het kadaster. Ik heb gisteren gesproken met [een medewerker] van
het kadaster. Hij meldde mij dat hij na zoeken geen nummer kan vinden van een contact
tussen u en het kadaster over deze zaak. Van elk contact wordt bij het kadaster een
nummer aangemaakt en gemeld, zo lichtte hij toe. Kunt u mij het nummer geven waaronder
uw contact met het kadaster kan worden teruggevonden?”
2.22. Bij e-mail van 27 juni 2024 heeft de notaris zijn kantoornummer bij het kadaster aan klager meegedeeld.
2.23. Bij e-mail van 27 juni 2024 heeft klager de notaris geschreven:
“Wij maken uit uw reactie op dat u dus geen contact heeft opgenomen met het kadaster?
Klopt dat? Intern kon men daar niets vinden, niet op de naam van uw kantoor en kennelijk
heeft ook u geen meldingsnummer. Dat bevreemdt ons nogal. Van het kadaster kregen
wij de vraag waarom de notaris een bericht van het kadaster nodig heeft om de akte
van rectificatie op te stellen. Dat doet de notaris zelf, vertelde [de medewerker
van het kadaster]ons.
Kortom: hoe lossen we dit probleem nu op? De ruilverkavelingsakte is niet in overeenstemming
met de werkelijkheid destijds en niet met de werkelijkheid nu. Dat geeft voor ons
veel problemen. Als notaris die de ruilverkavelingsakte heeft gepasseerd draagt u
daarvoor verantwoordelijkheid, vanuit uw onderzoeksplicht etc. U heeft de akte wellicht
niet zelf opgesteld, maar het ligt toch voor de hand dat u de akte en de bijhorende
stukken heeft gecontroleerd. U had kunnen zien dat de dam verwijderd was. Het document
waaruit dat blijkt en waarover wij al sinds 1999 beschikken, en wat destijds ook onderdeel
uitmaakte van de ruilverkaveling, heeft u al drie maanden geleden van ons ontvangen.
Maar er gebeurt niets.(..)”
2.24. Bij e-mail van 2 juli 2024 heeft klager zijn klacht over de afhandeling van
zijn verzoek om rectificatie van de ruilverkavelingsakte bij de notaris ingediend.
Bij e-mail, nog diezelfde dag, heeft de notaris aan klager geschreven:“Uw mail in goede orde ontvangen. Uit onderstaande mail begrijp ik dat u er niet uitkomt
met het kadaster. Ik heb gisteren namelijk de bewaarder van het kadaster gesproken
en haar verzocht met u contact op te nemen maar dat heeft dus niets geholpen. Zoals
reeds eerder uitgelegd kan ik u helaas niet verder helpen.”
2.25. Bij e-mail van 3 juli 2024 heeft klager aan de notaris geschreven: “In uw mail geeft u aan dat ik er niet uit kom met het kadaster. Dat is onjuist. Ik ben er
volledig uit met het kadaster. In twee schriftelijke berichten aan mij heeft het kadaster
aangegeven dat de notaris verantwoordelijk is voor de juistheid van het stuk en dat
deze een akte van rectificatie kan indienen. De brief van 4 april 2024 heeft u al
in uw bezit. Daarin staat: ‘De verantwoordelijkheid voor de juistheid van dit stuk
ligt bij de notaris. Zodoende verwijs ik u naar de notaris’.
Ik stuur u hierbij ook de mail van het kadaster van 25 juni 2024 om 14:17 uur. Daarin
staat: ‘Indien de vermelding van de erfdienstbaarheid onjuist blijkt, kan de notaris
(eventueel met medewerking van de betrokken partijen) een akte van rectificatie indienen.’.
Maar ik begrijp uit uw mail dat u niet voornemens bent nog iets te gaan doen omdat
u meent dat u ons niet kunt helpen. (..)”
2.26. Bij e-mail van 4 juli 2024 heeft de notaris aan klager geschreven:
“Toch nog even kort een reactie op onderstaande mail, maar van een dame van de bewaarders
telefoon van het kadaster (naam bij mij bekend) welke dame u op mijn verzoek afgelopen
maandag heeft gebeld om onderstaande te bespreken en uit te leggen hoor ik dat zij
er met u NIET uitkomt. Zij heeft u namelijk geprobeerd uit te leggen hoe een en ander in zijn werk
is gegaan en wat nu n moet doen en bij welke instantie u nu moet zijn.”
2.27. Bij e-mail van 4 juli 2024 heeft klager aan de notaris geantwoord: “Afgelopen maandag ben ik niet gebeld door het kadaster. Afgelopen vrijdag ben ik
gebeld door een dame van het kadaster, bij mij bekend als [naam medewerker]. Zij begon
te vertellen dat de akte ter inzage had gelegen en dat de fout dus bij mij lag. Dat
is onjuist want van een provincieambtenaar (naam bij mij bekend) heb ik onlangs begrepen
dat ruilverkavelingaktes nooit ter inzage worden gelegd.
Deze dame wist inhoudelijk helemaal niets van de zaak, maar kon alleen vertellen
dat ik niet bij de notaris en niet bij het kadaster moest zijn. Ik moest maar naar
de buren, of de rechter, of GS. Zij handelde alsof zij rechtstreeks in opdracht van
u belde. Zij beaamde mijn stelling dat als ik naar GS ging, deze weer een opdracht
aan het kadaster zou geven. Uit het gesprek begreep ik dat u geen opdracht heeft gegeven
aan het kadaster om het probleem op te lossen. U schuift alleen af. De dame wilde
niets op papier zetten.
Daarentegen heb ik tweemaal schriftelijk van het kadaster vernomen dat juist u degene
bent die de rectificatie kunt uitvoeren. Maar u weigert systematisch om die handschoen
op te nemen. Ik heb op 15 april 2024 aan u gevraagd of ik bij de juridische opvolger
van de landinrichtingscommissie moest zijn. Uw antwoord was: ‘het kadaster gaat bellen’.
Dat gebeurde meer dan twee maanden lang niet.
Het had op uw weg gelegen om eventueel mijn vraag bij de bevoegde instantie neer
te leggen. Maar dat doet u niet. U negeert uw fouten en laat gedupeerden maandenlang
bengelen.
Het lijkt erop dat u nu probeert dat ik – als gedupeerde – naar GS moet gaan om
hen te verzoeken het door u veroorzaakte probleem op te lossen. Vervolgens moet GS
het kadaster verzoeken om u opdracht te geven voor rectificatie. U had dat u natuurlijk
zelf kunnen en moeten doen. U had – als u niets te verwijten zou zijn - de rekening
naar GS kunnen sturen en het probleem al maanden geleden kunnen oplossen. Dat werd
mij duidelijk uit het gesprek met de dame. Kortom: ik was er volledig uit met het
kadaster, mondeling en schriftelijk. Ik zal vandaag een klacht naar de Kamer van Notariaat
sturen.”
2.28. Daarop heeft de notaris bij e-mail van 4 juli 2024 geantwoord: “We stoppen met mailen dit heeft namelijk weinig zin, en natuurlijk heeft de akte ter inzage gelegen en had er bezwaar kunnen worden ingediend, staat namelijk gewoon in de wet.”
2.29. Op 21 augustus 2024 heeft een waarnemer van een andere notaris, werkzaam op een ander notariskantoor, bij ‘akte van einde erfdienstbaarheid’ vastgelegd dat door partijen bij de akte (waaronder de moeder van klager) is vastgesteld dat de erfdienstbaarheid door verjaring is tenietgegaan dan wel is beëindigd door afstand van de gerechtigden daartoe en aanvaarding daarvan door de moeder van klager.
3. Het standpunt van klager
3.1. Bij het verlijden van de akte van 2001 heeft de notaris zijn onderzoeksplicht niet goed uitgevoerd. Zonder enig overleg, inzage of melding is de erfdienstbaarheid in de akte opgenomen. Dat was tegen de afspraak met de Landinrichtingscommissie in: de dammen zouden verwijderd worden tijdens de ruilverkaveling. En die zijn ook verwijderd. Bovendien is de omschrijving in de akte van 2001 van de erfdienstbaarheid ruimer dan de omschrijving in de akte van 1985, waardoor de reikwijdte van de erfdienstbaarheid is verruimd.
3.2. Hoewel de notaris degene is die onjuistheden en onvolkomenheden dient te rectificeren, zoals ook is vastgelegd in de akte van 2001, weigerde de notaris dat te doen, ondanks herhaaldelijk verzoek van klager.
4. Het standpunt van de notaris
De notaris stelt zich primair op het standpunt dat klager niet‑ontvankelijk is in zijn klacht. Subsidiair betoogt de notaris dat de klacht ongegrond is. Het standpunt van de notaris wordt, voor zover relevant, hierna besproken.
5. De beoordeling
5.1. Notarissen, toegevoegd notarissen en kandidaat-notarissen zijn aan tuchtrechtspraak
onderworpen voor handelen of nalaten in strijd met hetzij enige bij of krachtens de
Wet op het notarisambt (Wna) gegeven bepaling, hetzij met de zorg die zij behoren
te betrachten ten opzichte van degenen voor wie zij optreden en voor handelen of nalaten
dat een behoorlijk notaris niet betaamt. De kamer dient te onderzoeken of de handelwijze
van de notaris een verwijtbare gedraging oplevert in de zin van artikel 93 lid 1 Wna.
Ontvankelijkheid, wettelijk kader
“Enig redelijk belang”
5.2. De kamer stelt het volgende voorop. Ingevolge artikel 99 lid 1 Wna kan ieder die daarbij enig redelijk belang heeft een klacht indienen. Het begrip ‘enig redelijk belang’ moet ruim worden opgevat. De wetsgeschiedenis vermeldt hieromtrent:
“(…) Dit belang kan volgen uit betrokkenheid bij een specifieke zaak of bestaan uit een belang bij de handhaving van de beroepsnormen en -regels voor het notariaat. Naast de cliënt van de notaris, de KNB en het Bureau kan hierbij, afhankelijk van de concrete omstandigheden van het geval, worden gedacht aan belangenorganisaties, het openbaar ministerie en instanties die zijn belast met het taken die raken aan werkzaamheden van de notaris, zoals gemeenten, de belastingdienst of het kadaster. Er geldt dan ook een ruim belanghebbendenbegrip: een rechtstreeks belang bij de klacht is niet zonder meer vereist, ook een indirect of afgeleid belang van de klager kan grond zijn voor ontvankelijkheid. Hiermee is een ruime toegang tot de tuchtrechtelijke klachtprocedure beoogd; ter ondersteuning van de corrigerende functie van het tuchtrecht en het zelfreinigend vermogen van de beroepsgroep. (…)” (Kamerstukken II, 2009-2010, 32 250, nr. 3, p. 26-27).
Vervaltermijn artikel 99 lid 21 Wna
5.3. Ingevolge artikel 99 lid 21 Wna kan een klacht slechts worden ingediend
binnen drie jaar na de dag waarop de tot klacht gerechtigde persoon kennis heeft genomen
van het handelen of nalaten dat tot tuchtrechtelijke maatregelen jegens de notaris,
toegevoegd notaris of kandidaat-notaris aanleiding kan geven. Als de klacht wordt
ingediend na verloop van drie jaar na de dag waarop de klager heeft kennisgenomen
of redelijkerwijs kennis heeft kunnen nemen van het handelen of nalaten van de notaris
waarop de klacht betrekking heeft, wordt de klacht door de voorzitter niet-ontvankelijk
verklaard.
De beslissing tot niet-ontvankelijkverklaring blijft achterwege indien de gevolgen
van het handelen of nalaten redelijkerwijs pas later bekend zijn geworden. In dat
geval verloopt de termijn voor het indienen van een klacht een jaar na de datum waarop
de gevolgen redelijkerwijs als bekend geworden, zijn aan te merken.
5.4. Volgens de wetsgeschiedenis is het stellen van een termijn vanuit een oogpunt van rechtszekerheid nuttig en nodig omdat de notaris niet tot in lengte van jaren moet kunnen worden achtervolgd met onderzoeken over zijn handelen (Eerste Kamer, vergaderjaar 2013-2014, 33 569, C, p. 3).
5.5. Het is vaste jurisprudentie dat voor het begin van de termijn van artikel 99 lid 21 Wna niet doorslaggevend is het moment dat klager tot de conclusie is gekomen dat het handelen of nalaten van de notaris onjuist zou zijn. Over een fout in een notariële akte moet door degenen die bij het passeren daarvan verschenen binnen drie jaar na de datum van die akte worden geklaagd. De objectieve kennis van het handelen of nalaten van de notaris is dus bepalend en niet de subjectieve kennis dat dit handelen of nalaten mogelijk tuchtrechtelijk onjuist zou kunnen zijn.
De akte van 2001(klachtonderdeel 3.1)
5.6. De kamer is van oordeel dat klager niet-ontvankelijk is in zijn klacht. Klager zelf heeft geen redelijk belang bij de klacht over de akte van 2001.
5.7. Vast staat immers dat de moeder van klager partij was bij die akte. Uit
de akte van 2001 en de akte van einde erfdienstbaarheid volgt dat de moeder van klager
belanghebbende was bij de beëindiging van de erfdienstbaarheid.
Niet is gebleken dat klager de klacht namens zijn moeder heeft ingediend. Klager
heeft ter gelegenheid van de mondelinge behandeling van de klacht toegegeven dat zijn
moeder de belanghebbende is. Maar het blijft in de familie, zo heeft klager ter zitting
verklaard. De koper van het perceel is de zoon van klager. De eigendom is inmiddels
aan hem overgedragen.
5.8. De kamer verwerpt het standpunt van klager dat het ook in het algemeen belang is, voor andere cliënten en de maatschappij, om duidelijkheid te geven over het handelen van de notaris in deze. Daarvoor biedt de Wna geen ruimte.
5.9. Voor het geval dat de moeder van klager hem wel zou hebben gemachtigd de klacht in te dienen, oordeelt de kamer dat de klacht niet-ontvankelijk is omdat deze niet tijdig is ingediend.
5.10. Bepalend voor het begin van de vervaltermijn van drie jaar is het moment waarop de moeder van klager (als partij bij de akte) geacht moet worden bekend te zijn geweest met de erfdienstbaarheid in de akte van 2001. Daarbij is niet vereist dat zij subjectief ook bekend was met het feit dat de erfdienstbaarheid niet in de akte thuis hoorde. Bepalend is de objectieve kennis van de (gestelde) onjuiste erfdienstbaarheid in de akte van de notaris. De erfdienstbaarheid was objectief al kenbaar sinds 2001 en derhalve al langer dan 20 jaar.
het verzoek om rectificatie (klachtonderdeel 3.2)
5.11. Ook voor de klacht over het verzoek om rectificatie geldt dat klager bij die rectificatie zelf geen belang had en de klacht reeds daarom niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.
5.12. De kamer is van oordeel dat, ook als klager wel ontvankelijk zou zijn, de klacht moet worden afgewezen.
5.13. In de onderhavige klacht gaat het om een situatie waarin de notaris moet uitgaan
van de juistheid van de akte van ruilverkaveling. Het standpunt van klager, dat de
notaris op grond van de akte bevoegd zou zijn om te rectificeren zonder medewerking
van de betrokkenen, is onjuist. De notaris heeft daar klager terecht op gewezen. Een
notaris heeft bij een wettelijke procedure bij herverkaveling, anders dan bij vrijwillige
herverkaveling, een passieve rol. Daarbinnen bestaat er voor een notaris geen mogelijkheid
om af te wijken van de verkaveling die het resultaat is van de wettelijke procedure
waaraan alle betrokkenen hebben meegewerkt voorafgaand aan de akte. Het plan van toedeling
werd op 8 maart 1996 goedgekeurd door de Centrale Landinrichtingscommissie en moest
vervolgens op basis van wet- en regelgeving ter inzage worden gelegd. Gesteld noch
gebleken is dat dit laatste niet is gebeurd. Daarbij laat de kamer nog buiten beschouwing
dat de notaris nooit stukken heeft ontvangen waaruit de door klager gestelde afspraak
van zijn vader met de Landinrichtingscommissie bleek zodat er voor hem ook geen aanleiding
was om nader onderzoek te doen.
Bovendien staat vast dat een notaris een erfdienstbaarheid in een akte niet eenzijdig
en zonder medewerking van alle partijen bij die akte en/of de erfdienstbaarheid kan
wijzigen. De Landinrichtingscommissie, verantwoordelijk voor de ruilverkaveling, waarvan
de notaris bij het passeren van de akte een volmacht had gekregen, bestaat niet meer,
zodat rectificatie van de ruilverkavelingsakte, voor zover überhaupt aan de orde,
niet mogelijk is. De erfdienstbaarheid kon alleen worden gewijzigd met medewerking
van de eigenaren van het heersend erf, zoals uiteindelijk (via een andere notaris)
ook is gebeurd.
5.14. Voor zover de klacht over de rectificatie ziet op de communicatie van de
notaris met de klager, oordeelt de kamer als volgt. Het feit dat de notaris niet uitvoerig
heeft gereageerd op de e-mails van klager acht de kamer niet klachtwaardig.
De notaris heeft op de zitting erkend dat hij in de communicatie met klager wat
kortaf is geweest. De notaris was op zich bereid klager te helpen, maar omdat klager
bleef eisen dat de notaris zou rectificeren - een eis waaraan de notaris dus niet
kon voldoen -, en vervolgens met een klacht dreigde, is het niet meer zover gekomen.
Klager is niet meer bij de notaris teruggekomen, maar hij (of zijn moeder) heeft een
andere notaris bereid gevonden om een “akte van einde erfdienstbaarheid” te verlijden.
5.15. Hetgeen partijen verder nog naar voren hebben gebracht, kan buiten beschouwing blijven omdat het niet van belang is voor de beslissing in deze zaak.
5.16. Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.
6. De beslissing
De kamer voor het notariaat:
- verklaart de klacht niet-ontvankelijk.
Deze beslissing is gegeven door mrs. J.J. Dijk, voorzitter, T.H. van Voorst Vader,
E.W. Oosterbaan, A.C. Stroeve en
O. Schlaman, leden, en uitgesproken in het openbaar op 12 juni 2025, in aanwezigheid
van de secretaris.
Tegen deze beslissing van de kamer voor het notariaat kunnen partijen binnen dertig dagen na de datum van verzending van deze beslissing hoger beroep instellen bij het gerechtshof Amsterdam (postadres, postbus 1312, 1000 BH Amsterdam).