ECLI:NL:TNORAMS:2025:16 Kamer voor het notariaat Amsterdam 760313 / NT 24-47

ECLI: ECLI:NL:TNORAMS:2025:16
Datum uitspraak: 27-05-2025
Datum publicatie: 21-08-2025
Zaaknummer(s): 760313 / NT 24-47
Onderwerp: Personen- en Familierecht, subonderwerp: Nalatenschap
Beslissingen: Klacht gegrond met berisping
Inhoudsindicatie: Van een (kandidaat-)notaris die een opdracht tot het indienen van een (eenvoudige) aangifte erfbelasting ontvangt, mag worden verwacht dat hij deze aangifte op juiste wijze invult en indient en dat hij daarbij in de gegeven omstandigheden voldoende voortvarend handelt. Uit het voorgaande volgt dat de kandidaat-notaris aan een en ander niet heeft voldaan. Nergens blijkt dat de kandidaat-notaris een complete aangifte heeft ingediend en klager ook adequaat heeft geïnformeerd. Zorgvuldigheid is één van de kernwaarden van het notariaat en de kandidaat-notaris heeft deze bij voortduring geschonden. De kamer neemt bij de bepaling van soort en hoogte van de maatregel in aanmerking dat de kandidaat-notaris sinds mei 2022 faalt in de dienstverlening richting klager. De kandidaat-notaris heeft klager gedurende bijna drie jaar in het ongewisse gelaten door niet, te laat of niet naar behoren te reageren op correspondentie en/of telefoontjes van klager en de aangifte erfbelasting op zijn beloop te laten. (...) De incomplete en niet tijdige aangifte kan aanmerkelijke financiële consequenties voor erflaters hebben. De kamer acht daarom - mede gelet op het feit dat de kandidaat-notaris geen tuchtrechtelijk verleden heeft - de maatregel van berisping passend en geboden.

KAMER VOOR HET NOTARIAAT IN HET RESSORT AMSTERDAM

Beslissing van 27 mei 2025 in de klacht met nummer 760313 / NT 24-47 van:

[klager],

wonende te [woonplaats],

tegen:

[de kandidaat-notaris],

kandidaat-notaris, gevestigd te [vestigingsplaats].

Partijen worden hierna klager en de kandidaat-notaris genoemd.

1.          Ontstaan en loop van de procedure

1.1.      Bij e-mail van 20 november 2024 heeft klager een klaagschrift met bijlagen ingediend.

1.2.      Van de zijde van de kandidaat-notaris is geen verweerschrift ontvangen.

1.3.      Bij de mondelinge behandeling van de klacht op 15 april 2024 zijn klager en de kandidaat-notaris verschenen. Partijen hebben het woord gevoerd. Uitspraak is bepaald op heden.

2.          De feiten

De kamer gaat uit van de volgende voor de beoordeling van de klacht van belang zijnde feiten en omstandigheden:

2.1.      Klager was tot bewindvoerder van het vermogen van de heer [erflater] (hierna: erflater) benoemd. Erflater was gehuwd met [erflaatster] (hierna: erflaatster).

2.2.      Erflaatster is op 7 juni 2021 overleden.

2.3.      Op 15 maart 2022 heeft klager een vermogensopstelling ten behoeve van de aangifte erfbelasting van erflaatster opgesteld. De kandidaat-notaris heeft vervolgens de aangifte erfbelasting ten name van erflaatster ingediend.

2.4.      Op 6 mei 2022 is erflater overleden. Klager heeft daarna aan de kandidaat-notaris verzocht ook de aangifte erfbelasting ten name van erflater in te dienen.

2.5.      Klager heeft daartoe op 30 augustus 2022 een vermogensopstelling ten behoeve van de aangifte erfbelasting van erflater gemaakt en aan de kandidaat-notaris gegeven.

2.6.      Op 9 december 2022 heeft de kandidaat-notaris een verklaring van erfrecht opgemaakt, waarin de beide nichten van erflater, [T] en [E], de nalatenschap van erflater zuiver hebben aanvaard en waarin klager tot gevolmachtigde is benoemd.

2.7.      Op 15 september 2023 heeft de kandidaat-notaris aan de Belastingdienst, kantoor Eindhoven (hierna: de belastingdienst) het formulier aangifte erfbelasting 2022 toegestuurd en in een begeleidend schrijven geschreven: “Bijgaand stuur ik u een aangifte erfbelasting in verband met de nalatenschap van de heer [erflater]. (..)

De heer [erflater] heeft als zijn enige erfgenamen achtergelaten de personen genoemd op het aangiftebiljet. (..); sprake was van een zogenoemde tweetrapsmaking, waarbij mevrouw [erflaatster] de in het aangiftebiljet genoemde erfgenamen tot haar verwachters heeft genoemd. Ter verduidelijking stuur ik u bijgaand:

  • het testament van mevrouw [erflaatster];
  • de door mij afgegeven verklaring van erfrecht inzake beide nalatenschappen.

In aanvulling op bijgevoegd formulier deel ik u mede dat tot de nalatenschap van de heer [erflater] behoorde de navolgende bankrekening met saldo:

(..)

Op het aangiftebiljet bestond geen ruimte om deze te vermelden.

Ik verzoek u mij de aanslag erfbelasting toe te sturen.

Mocht u naar aanleiding van de tweetrapsmaking nog vragen hebben, dan kunt u met mij in contact treden.”

2.8.      Klager heeft in december 2023 en medio maart 2024 telefonisch contact opgenomen met de Belastingdienst en daarbij gesproken met mevrouw [L].

2.9.      Bij brief van 15 maart 2024 heeft de Belastingdienst aan de kandidaat-notaris bericht dat er nog geen aangifte erfbelasting is ingediend. Een kopie van dit schrijven is tevens aan klager toegestuurd.

2.10.    Bij e-mail van 8 mei 2024 heeft klager de kandidaat-notaris en notaris [notaris] geschreven: “Op 6 mei 2022 is de heer [erflater] overleden en heeft ondergetekende uw kantoor verzocht om de aangifte erfbelasting 2022 te verzorgen, evenals uw kantoor gedaan heeft voor zijn op 7 juni 2021 overleden vrouw. Volgens de testamenten zijn de nichtjes [E] en [T] enig erfgenaam. De testamenten zijn door uw kantoor gemaakt.

-Circa begin september 2022 heb ik op uw kantoor gebracht een overzicht van de boedel met bijlagen voor deze aangifte. Dus ruim op tijd. De aangifte erfbelasting 2022 heb ik ook ruim op tijd op uw kantoor gebracht. Er is door uw kantoor geen uitstel gevraagd.

-Later volgde er een aanmaning tot het doen van aangifte, welke verstuurd was aan [E]. Ook deze aanmaning op uw kantoor gebracht.

- Ik heb vele telefoontjes gedaan voor de [kandidaat-notaris]. Telefoniste maakte een terugbel verzoek. Maar ik ben nooit teruggebeld. Ook een keer gebeld voor de [notaris], maar hetzelfde resultaat.

-Ook de 2 nichtjes hebben gebeld en hun belletjes hebben de zaak ook niet bespoedigd.

-Uiteindelijk zou de aangifte erfbelasting ingediend zijn, papieren versie, circa 15 september 2023 en veel te laat. Voor de [kandidaat-notaris] begon aan deze aangifte was het dossier zoek hetgeen ik op circa begin september 2023 opnieuw op kantoor heb gebracht. Ik heb hem toen het overzicht boedel wederom verstrekt. Een kopie van de papieren versie van de aangifte erfbelasting heb ik wel gekregen.

-Ik hoorde niets van de belastingdienst, geen aanslag erfbelasting. In december 2023 heb ik de belastingdienst gebeld (Mw. [L]). Zij vertelde mij dat er geen aangifte was binnen gekomen. Raar, de papieren versie was toch opgestuurd door uw kantoor?

-Medio maart 2024 wederom Mw. [L] gebeld met hetzelfde resultaat, geen aangifte binnen. Maar ze zou een brief sturen naar uw kantoor, ik kreeg een kopie van dit schrijven d.d. 15 maart 2024. Dit kopie heb ik direct op uw kantoor gebracht. Uw kantoor moet haar brief ook rechtstreeks ontvangen hebben.

-Tot op heden heb ik geen enkele reactie van uw kantoor.

Als gevolmachtigde van de erfgenamen wil de nalatenschap correct en snel op een juiste manier afgehandeld zien. Volgens bovenstaande gang van zaken moet ik helaas constateren dat uw kantoor in gebreke blijft. Bij deze vraag ik u om duidelijke uitleg over deze gang van zaken en mij te ontzorgen. Want zorgen over deze afwikkeling heb ik inmiddels, vandaar deze mail.”

2.11.    Klager heeft bij e-mail van 18 mei 2024 de kandidaat-notaris bericht dat de kandidaat-notaris abusievelijk klager’s neef op zijn voicemail had ingesproken en nogmaals zijn mobiele telefoonnummer gegeven.

2.12.    Bij e-mail van 3 juli 2024 heeft klager de kandidaat-notaris gevraagd naar de status van de ingediende aangifte erfbelasting.

2.13.    Bij e-mail van 16 juli 2024 heeft de kandidaat-notaris aan klager geschreven: “(..) Uitgaande dat het vermogen van de heer [erflater] sedert het overlijden van zijn echtgenote niet was gewijzigd (..) nam ik contact op met de heer [S], een belastinginspecteur bij het belastingkantoor te Rotterdam afdeling schenk- en erfbelasting, met wie ik sinds het allereerste begin van mijn loopbaan persoonlijk contact heb. Later bleek evenwel op jouw aangeven de door mij doorgegeven gegevens inzake het vermogen van de heer [erflater] onjuist te zijn; (..) heb ik alsnog een aangifte erfbelasting gedaan. Van deze aangifte ben je in het bezit van een kopie: deze is destijds door jou opgehaald bij de receptie.

Na enige tijd bleek op de aangifte geen reactie te zijn gekomen. (..) kregen wij medio december een verzoek vanuit het belastingkantoor te Eindhoven. In het telefoongesprek dat volgde, werd aangegeven dat normaliter aangiften richting het kantoor Rotterdam direct wordt doorgezonden naar Eindhoven, maar dat dikwijls een aangifte verloren gaat. De kritiek vanuit Eindhoven was in die zin niet mals. Daarop heb ik rondom Kerst een kopie van de gedane aangifte direct in een enveloppe naar Eindhoven toegezonden.

Toen vervolgens vanuit het belastingkantoor te Eindhoven ons nogmaals werd gevraagd om de aangifte, verzochten wij om een directe mailadres (..)

Tot op heden echter, is vanuit de Belastingdienst elke vorm van communicatie uitgebleven. Indien nodig, dan wil ik nogmaals het één en ander nasturen met uitnodiging tot nader overleg, maar ons is momenteel onduidelijk wat er concreet gedaan moet worden om de aangifte eenmaal te doen aankomen.

Zo bezien, lijken alle betrokkenen het slachtoffer te zijn van het doen en laten van de Belastingdienst. Indien met mij alsnog wil instrueren over hoe de aangifte kan worden aangeleverd, dan zal ik direct daarop deze instructies opvolgen.”

2.14.    Bij e-mail van 17 juli 2024 heeft klager het telefoonnummer van mevrouw [L] aan de kandidaat-notaris doorgegeven.

2.15.    Bij e-mails van 4 en 6 september 2024 heeft klager de kandidaat-notaris om een spoedige reactie gevraagd.

2.16.    Bij e-mail van 13 september 2024 heeft de kandidaat-notaris klager bericht dat hij meerdere keren naar uiteenlopende mailadressen van klager heeft gecommuniceerd.

2.17.    Bij e-mail van 16 september 2024 heeft klager de kandidaat-notaris gevraagd om een bespreking op het notariskantoor.

2.18.    Op 22 oktober 2024 heeft een bespreking op het notariskantoor plaatsgevonden waarbij klager, vergezeld van een vriend, de kandidaat-notaris en zijn collega notaris [notaris] aanwezig waren. Volgens het door klager op dezelfde datum per e-mail verstuurde verslag is daarbij afgesproken dat de kandidaat-notaris opnieuw de aangifte erfbelasting zou indienen, een kopie aan klager zou sturen en hem op de hoogte zou houden van zijn contact met een belastinginspecteur van de Belastingdienst, de heer [B] (hierna: de belastinginspecteur).

2.19.    Bij e-mail van 5 november 2024 heeft klager de kandidaat-notaris gevraagd om een kopie van de aangifte erfbelasting en om een spoedige reactie gevraagd.

2.20.    Bij e-mail van 11 november 2024 heeft klager de kandidaat-notaris meegedeeld dat hij inmiddels zelf contact heeft opgenomen met de belastinginspecteur die klager telefonisch heeft bericht dat de aangifte verre van volledig is ingevuld en daarom als niet ingediend wordt beschouwd. In deze e-mail heeft klager de kandidaat-notaris gevraagd welke gegevens nog ontbreken voor de ingediende aangifte.

2.21.    Bij e-mail van 12 november 2024 heeft klager het kantoor van de kandidaat-notaris aansprakelijk gesteld en onderhavige klacht bij de kamer ingediend.

Bij e-mail aan de belastinginspecteur van diezelfde dag heeft de kandidaat-notaris de aangifte erfbelasting ingediend en daarin geschreven: “Naar aanleiding van ons telefoongesprek en eerdere correspondentie stuur ik u thans nogmaals de gedane aangifte erfbelasting alsook mijn schrijven richting uw collega’s bij de vestiging Eindhoven. Dit schrijven heb ik destijds op verzoek van uw collega gestuurd, daar zij er niet op vertrouwden dat de doorzendingen vanuit Rotterdam naar Eindhoven goed zou verlopen (..).

2.22.    Bij e-mail van 15 november 2024 heeft klager de kandidaat-notaris geschreven: “(..) Ik heb gisteren (14-11) wederom telefonisch contact gehad met [de belastinginspecteur] maar hij had nog geen tijd gehad op de mail te openen. Hij zag wel dat deze mail was binnengekomen. Ik heb de bijlagen geopend en zag dat de aangifte dezelfde was waarvan ik reeds een kopie heb. De aangifte is op meerdere punten onduidelijk en onvolledig en wijs je met name op punt 9, de tweetrapsmaking. Waarom zijn bij 9b en 9c de waardes niet ingevuld, je beschikt over alle gegevens. Ik vraag me af of [notaris] inhoudelijk naar de aangifte heeft gekeken.”

3.          De klacht

Klager verwijt de kandidaat-notaris dat hij ernstig in gebreke is gebleven om te zorgen voor een correcte en tijdige indiening en afhandeling van de aangifte erfbelasting ten name van erflater. Klager heeft alle benodigde bescheiden, waaronder de door klager opgestelde overzichten van de boedel van zowel erflaatster als erflater, opgesteld op respectievelijk 15 maart 2022 en 30 augustus 2022, tijdig bij de kandidaat-notaris aangeleverd.

4.          Het verweer

De kandidaat-notaris heeft geen verweerschrift ingediend. Hetgeen de kandidaat-notaris ter zitting heeft aangevoerd wordt hierna in de beoordeling beschreven.

5.         De beoordeling

5.1.      Ingevolge artikel 93 lid 1 van de Wet op het notarisambt (hierna: Wna) zijn notarissen, toegevoegd notarissen en kandidaat-notarissen aan tuchtrechtspraak onderworpen ter zake van handelen of nalaten in strijd met hetzij enige bij of krachtens deze wet gegeven bepaling, hetzij met de zorg die zij behoren te betrachten ten opzichte van degenen te wier behoeve zij optreden en ter zake van handelen of nalaten dat een behoorlijk notaris niet betaamt. De kamer dient derhalve te onderzoeken of de handelwijze van de kandidaat-notaris een verwijtbare gedraging in de zin van dit artikel oplevert.

5.2.      Ter zitting heeft de kandidaat-notaris het volgende verklaard.

De kandidaat-notaris heeft de aangifte erfbelasting vijf of zes keer moeten indienen omdat de aangifte niet in Eindhoven was aangekomen. Dit is buiten zijn macht gebeurd. De kandidaat-notaris heeft bevestigd dat hij de aangifte erfbelasting voor het eerst op 15 september 2023 heeft ingediend. In de week vóór de mondelinge behandeling heeft de kandidaat-notaris telefonisch contact met de belastinginspecteur gehad en deze heeft bevestigd dat het dossier inmiddels compleet is en dat de aangifte nu is ingediend. Hij heeft bovendien aangevoerd dat de klacht voortijdig is ingediend, omdat het werk nog niet beëindigd is.

5.3.      Bij de beoordeling stelt de kamer voorop dat de kandidaat-notaris de feiten die klager heeft gesteld niet heeft weersproken. Daarom gaat de kamer hierna uit van de juistheid van die feiten. Op basis daarvan stelt de kamer vast dat de kandidaat-notaris sinds mei 2022 bekend is met het openvallen van de nalatenschap van erflater. Klager heeft direct na ontvangst van het aangifteformulier de benodigde bescheiden inclusief de blauwe envelop naar het notariskantoor gebracht. Klager heeft op het moment dat hij een aanmaning voor het doen van de aangifte erfbelasting ontving, deze ook direct naar de kandidaat-notaris gebracht. Nadat klager op 30 augustus 2022 de vermogensopstelling van erflater had opgesteld, heeft de kandidaat-notaris bijna een jaar later, op 15 september 2023, een aangifte erfbelasting ingediend. In die aangifte is een aantal velden niet ingevuld.

Van een (kandidaat-)notaris aan wie een opdracht tot het indienen van een aangifte erfbelasting is gegeven en die deze opdracht ook heeft aangenomen, mag worden verwacht dat hij de belangen van de opdrachtgever, klager, zorgvuldig behartigt en daarbij in de gegeven omstandigheden voldoende voortvarend handelt. Aan de hand van deze maatstaf overweegt de kamer als volgt.

5.4.      In het procesdossier bevindt zich uitsluitend de aangifte erfbelasting die de kandidaat-notaris op 15 september 2023 heeft ingediend. Deze aangifte is te laat ingediend en ook niet volledig ingevuld. Dat de kandidaat-notaris daarna op 12 november 2024 voor de tweede keer een aangifte erfbelasting heeft ingediend is bij gebrek aan enige onderbouwing niet gebleken. Ook de stelling dat de aangifte erfbelasting nu inmiddels op juiste wijze en volledig ingevuld is ingediend, wordt door de kandidaat-notaris op geen enkele wijze onderbouwd.

De kamer houdt het er dan ook op dat de aangifte erfbelasting nu, drie jaar na het overlijden van erflater, nog steeds niet op correcte wijze is ingediend.

Bij gebrek aan andersluidende gegevens, die niet zijn gesteld of gebleken, gaat de kamer ervan uit dat de aangifte erfbelasting met de door klager aangeleverde gegevens eenvoudig kon worden ingevuld en ingediend. Van de kandidaat-notaris mocht dan ook worden verwacht dat hij klager spoedig na augustus 2022 op de hoogte zou stellen van de ingediende aangifte. Bij de mondelinge behandeling op 15 april 2025 heeft de kandidaat-notaris echter verklaard dat hij dat niet heeft gedaan.

Uit het verhandelde ter zitting en de onweersproken feiten leidt de kamer af dat erflater geen noemenswaardige schulden nalieten dat zijn nalatenschap bestond uit (aanzienlijke) tegoeden op bankrekeningen en vorderingen ter waarde van € 4.401,52.Het gaat dus om een redelijk overzichtelijke nalatenschap met de beide nichtjes als erfgenamen. Van de kandidaat-notaris mocht worden verwacht dat hij deze aangifte binnen afzienbare tijd zou indienen.

Klager heeft meerdere malen getracht de kandidaat-notaris telefonisch te spreken echter steeds tevergeefs. De kandidaat-notaris kon ter zitting niet verklaren waarom de telefoontjes van klager hem niet hebben bereikt. De kamer stelt dan ook vast dat de kandidaat-notaris klager (met uitzondering van de te late en incomplete aangifte op 15 september 2023 en de bespreking op het notariskantoor eind oktober 2024) bijna drie jaar lang in het ongewisse heeft gehouden. 

5.5.      Uit het vorenstaande volgt dat de kandidaat-notaris tot op heden niet heeft gehandeld zoals uit hoofde van zijn opdracht van hem had mogen worden verwacht. De kamer acht dit in ernstige mate tuchtrechtelijk verwijtbaar. De klacht wordt dan ook gegrond verklaard.

Maatregel

5.6.      Van een (kandidaat-)notaris die een opdracht tot het indienen van een (eenvoudige) aangifte erfbelasting ontvangt, mag worden verwacht dat hij deze aangifte op juiste wijze invult en indient en dat hij daarbij in de gegeven omstandigheden voldoende voortvarend handelt. Uit het voorgaande volgt dat de kandidaat-notaris aan een en ander niet heeft voldaan. Nergens blijkt dat de kandidaat-notaris een complete aangifte heeft ingediend en klager ook adequaat heeft geïnformeerd. Zorgvuldigheid is één van de kernwaarden van het notariaat en de kandidaat-notaris heeft deze bij voortduring geschonden. De kamer neemt bij de bepaling van soort en hoogte van de maatregel in aanmerking dat de kandidaat-notaris sinds mei 2022 faalt in de dienstverlening richting klager. De kandidaat-notaris heeft klager gedurende bijna drie jaar in het ongewisse gelaten door niet, te laat of niet naar behoren te reageren op correspondentie en/of telefoontjes van klager en de aangifte erfbelasting op zijn beloop te laten. Daarbij duurt het falen van de kandidaat-notaris voort, want de aangifte is tot op heden nog steeds niet compleet ingediend en in behandeling genomen door de Belastingdienst. De kamer heeft de kandidaat-notaris bij de mondelinge behandeling gevraagd om een verklaring voor zijn gedrag. De kandidaat-notaris heeft verklaard dat hij zelf ook worstelt met die vraag. Hij heeft er nog altijd spijt van dat hij niet meteen heeft gezegd dat hij de aangifte niet kon indienen. In dat kader heeft de kandidaat-notaris naar voren gebracht dat hij het erg druk had op kantoor. Hoewel deze omstandigheid van invloed kan zijn (geweest) op het werk van de kandidaat-notaris, neemt dat niet weg dat deze in beginsel niet, en zeker niet langdurig, ten koste mag gaan van de cliënten en de dienstverlening van het kantoor. Dit kan dan ook geen (gedeeltelijke) rechtvaardiging of verontschuldiging vormen voor de situatie die door zijn nalaten is ontstaan. De houding van de kandidaat-notaris baart de kamer zorgen. De incomplete en niet tijdige aangifte kan aanmerkelijke financiële consequenties voor erflaters hebben. De kamer acht daarom - mede gelet op het feit dat de kandidaat-notaris geen tuchtrechtelijk verleden heeft - de maatregel van berisping passend en geboden. 

Vergoeding griffierecht aan klager

5.7.      Omdat de kamer de klacht gegrond verklaart, dient de kandidaat-notaris het door klager betaalde griffierecht van € 50,- op grond van artikel 99 lid 5 Wna aan klager te vergoeden.

Kostenveroordeling

5.8.      Nu de kamer de klacht gegrond verklaart en de kandidaat-notaris tevens een maatregel oplegt, zal de kamer de kandidaat-notaris op grond van artikel 103b lid 1 Wna jo. de richtlijn kostenveroordeling kamers voor het notariaat 2021 (Staatscourant 2020, nr. 67893) veroordelen in de volgende kosten:

a. € 50,- forfaitaire vergoeding van kosten van klager;

c. € 2.000,- kosten van behandeling van de klacht door de kamer, wegingsfactor 1.

Er zijn geen bijzondere omstandigheden gebleken die aanleiding geven tot een andere beslissing.

5.9.      De kandidaat-notaris dient de kosten van klager en het griffierecht binnen vier weken na het onherroepelijk worden van deze beslissing aan klager te voldoen. Klager dient daartoe tijdig schriftelijk zijn rekeningnummer aan de kandidaat-notaris door te geven.

5.10.    De kandidaat-notaris dient de kosten van de behandeling van de klacht door de kamer na het onherroepelijk worden van deze beslissing te voldoen aan het Landelijk Dienstencentrum voor de Rechtspraak (LDCR), waarbij de in de artikelen 103b lid 3 Wna bepaalde termijn en de wijze waarop de kosten moeten worden voldaan door het LDCR per brief aan de kandidaat-notaris zullen worden meegedeeld.

5.11.    Op grond van het voorgaande wordt beslist als volgt.

BESLISSING

De kamer voor het notariaat:

- verklaart de klacht(en) gegrond;

- legt de kandidaat-notaris een berisping op;

- veroordeelt de kandidaat-notaris tot betaling aan klager van de kosten van klager van € 50,- en het griffierecht van € 50,- op de wijze en binnen de termijn zoals hiervóór bepaald;

- veroordeelt de kandidaat-notaris tot betaling van € 2.000,- in de kosten van behandeling van de klacht door de kamer, op de wijze en binnen de termijn zoals hiervóór bepaald.

Deze beslissing is gegeven door mrs. T.H. van Voorst Vader, voorzitter, S.P. Pompe, E. van Bolhuis, A.C. Stroeve, en O. Schlaman, leden, uitgesproken in het openbaar op 27 mei 2025 door mr. Voorst Vader, voorzitter, in aanwezigheid van de secretaris.

Tegen deze beslissing van de kamer voor het notariaat kunnen partijen binnen dertig dagen na de datum van verzending van deze beslissing hoger beroep instellen bij het gerechtshof Amsterdam (postadres, postbus 1312, 1000 BH Amsterdam).