ECLI:NL:TNORAMS:2025:13 Kamer voor het notariaat Amsterdam 765132 / NT 25-6

ECLI: ECLI:NL:TNORAMS:2025:13
Datum uitspraak: 29-07-2025
Datum publicatie: 19-08-2025
Zaaknummer(s): 765132 / NT 25-6
Onderwerp: Personen- en Familierecht, subonderwerp: huwelijkse voorwaarden
Beslissingen: Klacht gegrond met berisping
Inhoudsindicatie: Dat de notaris heeft gemeend zijn dienstverlening te moeten weigeren vanwege de afhankelijkheid van de vrouw en haar juridische onkunde valt evenwel niet te rijmen met wat de notaris overigens over het verloop van de bespreking heeft verklaard. De notaris heeft ter zitting namelijk ook verklaard dat hij (uiteindelijk) de indruk had dat de vrouw van klager zich vrij voelde om antwoord te geven op de vragen van de notaris. Zo voelde zij zich – in de bewoordingen van de notaris – frank en vrij om haar voorkeur uit te spreken voor de toepasselijkheid van islamitisch recht op het huwelijkse vermogen. Daarbij komt dat ook volgens klager de vrouw de uitleg van de notaris goed begreep en duidelijk was in haar wensen. Gezien deze tegenstrijdigheid in de verklaringen van de notaris – en mede gelet op de verklaring van klager dat zijn vrouw af en toe vragend naar hem keek, maar dat dat was omdat zij de vertaling van de Syrische tolk niet begreep – is de kamer onvoldoende gebleken dat bij de vrouw daadwerkelijk sprake was van afhankelijkheid en onkunde, en dus dat de notaris een gegronde reden had om wegens afhankelijkheid of onkunde van de vrouw zijn dienstverlening te weigeren.

KAMER VOOR HET NOTARIAAT IN HET RESSORT AMSTERDAM

Beslissing van 29 juli 2025 in de klacht met nummer 765132 / NT 25-6 van:

[klager],

wonende te [woonplaats],

tegen:

[notaris],

notaris te [vestigingsplaats],

gemachtigde: mr. B.A.S. van Leeuwen, advocaat te Utrecht.

Partijen worden hierna klager en de notaris genoemd.

1. Ontstaan en loop van de procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de e-mail van klager van 19 februari 2025 en het klachtformulier van 23 februari 2025;

- het verweerschrift met bijlagen van 7 april 2025.

1.2. Bij de mondelinge behandeling van de klacht op 10 juni 2025 zijn klager en de notaris, vergezeld van zijn gemachtigde, verschenen. Partijen hebben het woord gevoerd. Uitspraak is bepaald op heden.

2. De feiten

2.1. Klager heeft het kantoor van de notaris benaderd om een afspraak te maken voor een bespreking met hem en zijn partner over het opstellen van huwelijkse voorwaarden met koude uitsluiting. Omdat zijn partner de Nederlandse taal niet goed machtig is, is tevoren met het kantoor afgesproken dat voor haar een tolk geregeld zou worden. Klager is op voorhand akkoord gegaan met de kosten die daarvoor gemaakt zouden moeten worden, te weten een bedrag van € 496,10.

2.2. Op 5 februari 2025 heeft een medewerker van de notaris de declaratie voor de kosten van de tolk aan klager verzonden. Klager heeft deze declaratie voldaan.

2.3. Op 19 februari 2025 heeft de bespreking met de notaris plaatsgevonden. Aan het einde daarvan heeft de notaris klager en zijn partner meegedeeld dat hij niet kon meewerken aan het opstellen van een akte huwelijkse voorwaarden.

2.4. Bij e-mail van 25 februari 2025 heeft klager aan het kantoor van de notaris bericht: “Ik heb u factuur ontvangen van 24-02-2025. Het is voor mij onduidelijk waarom ik een factuur ontvang van een bespreking van een opdracht die u niet wilde uitvoeren. Er is ook niet van tevoren afgesproken dat deze bespreking kosten mee zou brengen. (..)”

2.5. Bij e-mail van 26 februari 2025 heeft de bureaumanager van het notariskantoor aan klager bericht: “(..)Het is correct dat u hier tezamen met uw partner een afspraak heeft gehad met als doel huwelijksvoorwaarden op te stellen. Dit gesprek is in aanwezigheid van een tolk geweest. Deze tolk heeft u bij uw komst op kantoor direct moeten betalen. Immers, de tolk heeft werkzaamheden verricht. De notaris heeft 1 uur en 3 kwartier met u gesproken. Hij heeft getracht te kijken naar de mogelijkheden om aan de wensen van u en uw partner te voldoen. De conclusie was, dat het voor de notaris niet mogelijk is op basis van hetgeen u beiden heeft verteld in de bespreking, de huwelijksvoorwaarden op te stellen. Dat betekent niet dat u daar niet voor hoeft te betalen. Vergelijkt u het met een bezoek aan een huisarts. U komt daar met een klacht. De arts zegt tegen u: meneer, er is gelukkig niets met u aan de hand. Vindt u dan ook dat de arts niet het consult in rekening hoeft te brengen? Ik heb begrip voor uw teleurstelling, maar dat ontslaat u toch niet van het betalen van een langdurig gesprek met een notaris, waarbij u wel bereid bent om een tolk te betalen maar niet de notaris?”

2.6. Daarop reageerde klager bij e-mail van 26 februari 2025: “(..)Bedankt voor u voorbeeld, Alleen u vergelijkt appels met peren. Graag ontvang ik specifiek wat de reden is dat de notaris ons opdracht niet kon uitvoeren want volgens mijn begrip wilde de notaris de opdracht niet uitvoeren omdat hij niet kon accepteren dat mijn partner bij een scheiding niks van mijn vermogen of inkomen zult krijgen, en is dus niet dat hij het niet kon uitvoeren. Want de notaris gaf aan dat het ons recht is om een voorwaarden met een koude uitsluiting te kunnen sluiten.

2.7. Daarop heeft de notaris bij e-mail van dezelfde dag aan klager uitgebreid antwoord gegeven op de vraag waarom hij de opdracht van klager niet kon uitvoeren.

2.8. Klager heeft ook de factuur van de notaris voor de kosten van de bespreking voldaan.

3. De klacht

Klager verwijt de notaris dat hij kosten voor een tolk heeft moeten betalen (€ 496,10), terwijl de notaris de door hem gegeven opdracht - het opstellen van huwelijkse voorwaarden met koude uitsluiting - niet wilde uitvoeren. Klager meent dat de notaris verplicht is zijn diensten te leveren.

4. Het verweer

4.1. De notaris stelt zich allereerst op het standpunt dat klager niet-ontvankelijk is in zijn klacht. Volgens hem had klager eerst gebruik moeten maken van de bestaande interne en buitengerechtelijke klachtprocedures, die speciaal zijn ingericht om misverstanden of ontevredenheid op te lossen, voordat hij een formele tuchtprocedure startte.

4.2. Verder betwist de notaris dat hij klachtwaardig heeft gehandeld. In dat verband voert hij – kort gezegd – het volgende aan.

Gedurende het voorgesprek merkte de notaris op dat de partner van klager niet altijd direct reageerde op de gestelde vragen en schijnbaar op goedkeuring van haar echtgenoot wachtte, wat bij de notaris de nodige twijfels opriep over de vrijwilligheid van haar instemming met de voorgestelde - voor haar nadelige - huwelijkse voorwaarden. Gezien deze omstandigheden concludeerde de notaris dat hij, als onafhankelijke en onpartijdige juridisch adviseur, niet kon overgaan tot het opstellen van een conceptakte. Hij informeerde klager en diens partner dat zij een andere notaris konden benaderen die mogelijk wel bereid zou zijn de akte op te stellen.

4.3. De ministerieplicht van de notaris betekent niet dat hij verplicht is elke opdracht zonder meer te honoreren. Het besluit om op basis van het voorgesprek geen opdracht tot het opstellen van een concept notariële akte te aanvaarden, was geen willekeurige weigering, maar een daad van professionele integriteit en verantwoordelijkheid. Door zorgvuldig af te wegen of het opstellen van een conceptakte in deze context zou kunnen leiden tot onbillijke en potentieel schadelijke consequenties, heeft de notaris laten zien dat hij zijn plichten niet louter formeel, maar ook inhoudelijk en ethisch serieus neemt. Hiermee heeft hij niet alleen de belangen van de partner van klager, maar ook de integriteit en betrouwbaarheid van het notariaat als geheel beschermd.

5. De beoordeling

5.1. Ingevolge artikel 93 lid 1 van de Wet op het notarisambt (hierna: Wna) zijn notarissen, toegevoegd notarissen en kandidaat-notarissen aan tuchtrechtspraak onderworpen ter zake van handelen of nalaten in strijd met hetzij enige bij of krachtens deze wet gegeven bepaling, hetzij met de zorg die zij behoren te betrachten ten opzichte van degenen te wier behoeve zij optreden en ter zake van handelen of nalaten dat een behoorlijk notaris niet betaamt. De kamer dient daarom te onderzoeken of de handelwijze van de notaris een verwijtbare gedraging in de zin van dit artikel oplevert.

Ontvankelijkheid

5.2. Het feit dat klager niet eerst via een interne klachtprocedure of de Geschillencommissie Notariaat heeft getracht zijn bezwaren tegen de handelwijze van de notaris te bespreken maakt niet dat hij niet in zijn klacht kan worden ontvangen.

De Wna kent geen regel die voorschrijft dat een klager eerst die weg moet bewandelen. Het stond klager vrij om op grond van de Wna direct een klacht tegen de notaris in te dienen bij de kamer. Klager is dan ook ontvankelijk in zijn klacht.

De klacht

5.3. Klager heeft in zijn e-mail van 19 februari 2025 zijn klacht als volgt geformuleerd “Tot onze verbazing na een gesprek van 2 uren en allerlei vragen en informatie was de Heer [de notaris] ertegen om zo een huwelijksvoorwaarden vast t stellen, omdat hij vindt dat mijn partner bij een scheiding niets van mijn vermogen gaat kunnen krijgen. En dus wilde hij deze opdracht niet uitvoeren, en moesten we een andere notaris gaan vinden die dat opdracht wil doen. En waar ik mee zit, is de tolk kosten die ik nu zonder resultaat heb moeten betalen terwijl De notaris verplicht zijn diensten aan het publiek te verlenen. Dat was mijn klacht.”

In het klachtenformulier heeft klager onder “Wat heeft de notaris (cq kandidaat-notaris of toegevoegd notaris) volgens u niet goed gedaan of nagelaten. (..)” vermeld: “het Opdracht niet willen uitvoeren.”

Desgevraagd heeft klager ter zitting verklaard geen bezwaar te hebben tegen betaling van de tolkkosten maar het er niet mee eens te zijn dat de notaris hem en zijn partner niet wilde helpen.

Gelet op het voorgaande gaat de kamer er vanuit dat de klacht van klager ziet op het weigeren van ministerie door de notaris en dus niet – zoals de notaris heeft aangevoerd – op het betalen van de kosten van de tolk.

5.4. De kamer overweegt het volgende.

De notaris heeft een bijzondere positie in de Nederlandse rechtsorde. Hij is met uitsluiting van anderen bevoegd authentieke akten te verlijden in de gevallen waarin de wet dit aan hem opdraagt of een partij dit van hem verlangt. Artikel 21 lid 1 Wna verplicht de notaris de werkzaamheden te verrichten die hem bij of krachtens de wet zijn opgedragen of die door een partij worden verlangd, behoudens het bepaalde in het tweede, derde en vierde lid. De ratio van deze verplichting, die in de praktijk wel wordt aangeduid als ministerieplicht, is dat de dienstverlening door de notaris altijd voor iedereen toegankelijk is. De ministerieplicht is niet absoluut. Lid 2 van artikel 21 Wna bepaalt dat de notaris verplicht is zijn dienst te weigeren wanneer naar zijn redelijke overtuiging of vermoeden de werkzaamheid die van hem verlangd wordt, leidt tot strijd met het recht of de openbare orde, wanneer zijn medewerking wordt verlangd bij handelingen die kennelijk een ongeoorloofd doel of gevolg hebben of wanneer hij andere gegronde redenen voor weigering heeft. Naast de ministerieplicht en de plicht tot dienstweigering geven de leden 3 en 4 van artikel 21 Wna een notaris de mogelijkheid een verzoek bepaalde werkzaamheden te verrichten in verband met de werkverdeling door te verwijzen naar een andere notaris binnen zijn onderneming of samenwerkingsverband of vanwege het specialistische karakter daarvan naar een andere notaris daarbuiten. Voorwaarde daarbij is telkens dat de notaris naar wie is doorverwezen het verzoek aanvaardt.

5.5. Vast staat dat de notaris tijdens de bespreking uitleg heeft gegeven over de mogelijke gevolgen van een koude uitsluiting, vooral bij echtscheiding en overlijden. Daarnaast heeft de notaris klager en zijn partner gewezen op de mogelijke toepasselijkheid van Egyptisch huwelijksvermogensrecht en vragen gesteld om duidelijk te krijgen wat hun wensen waren. De notaris stelt dat hij bij het stellen van vragen merkte dat de vrouw telkens eerst naar de man keek voordat zij antwoord gaf. De wijze waarop de vrouw op zijn uitleg en vragen reageerde, heeft er uiteindelijk toe geleid dat de notaris heeft besloten zijn ministerie niet te verlenen. De notaris heeft ter zitting verklaard dat de afhankelijkheid van de vrouw van klager en haar juridische onkunde de voornaamste redenen voor het niet-passeren waren. In dit verband heeft hij verwezen naar artikel 6 Verordening beroeps- en gedragsregels (hierna: Vbg), waaruit volgt dat een notaris verplicht is zijn dienst te weigeren indien hij de redelijke overtuiging of het vermoeden heeft dat misbruik wordt gemaakt van juridische onkunde of feitelijk overwicht.

5.6. Dat de notaris heeft gemeend zijn dienstverlening te moeten weigeren vanwege de afhankelijkheid van de vrouw en haar juridische onkunde valt evenwel niet te rijmen met wat de notaris overigens over het verloop van de bespreking heeft verklaard. De notaris heeft ter zitting namelijk ook verklaard dat hij (uiteindelijk) de indruk had dat de vrouw van klager zich vrij voelde om antwoord te geven op de vragen van de notaris. Zo voelde zij zich – in de bewoordingen van de notaris – frank en vrij om haar voorkeur uit te spreken voor de toepasselijkheid van islamitisch recht op het huwelijkse vermogen. Daarbij komt dat ook volgens klager de vrouw de uitleg van de notaris goed begreep en duidelijk was in haar wensen. Gezien deze tegenstrijdigheid in de verklaringen van de notaris – en mede gelet op de verklaring van klager dat zijn vrouw af en toe vragend naar hem keek, maar dat dat was omdat zij de vertaling van de Syrische tolk niet begreep – is de kamer onvoldoende gebleken dat bij de vrouw daadwerkelijk sprake was van afhankelijkheid en onkunde, en dus dat de notaris een gegronde reden had om wegens afhankelijkheid of onkunde van de vrouw zijn dienstverlening te weigeren.

5.7. Voor zover de notaris stelt dat de keuze van de vrouw voor toepassing van islamitisch recht op het huwelijksvermogen (en zijn gebrek aan kennis daarvan) – welke wens overigens door klager is weersproken – een grond vormde om zijn dienstverlening te weigeren, geldt dat het in dat geval op de weg van de notaris had gelegen om klager verder te helpen. De notaris had, bij gebrek aan kennis over het islamitische recht, klager en zijn partner behoren door te verwijzen naar een andere notaris of (via de KNB) naar een deskundige op het gebied van het internationale privaatrecht. Dit klemt te meer nu de notaris klager zijn (advies)werkzaamheden ook in rekening heeft gebracht.

5.8. De kamer is van oordeel dat de notaris aldus onvoldoende oog heeft gehad voor het algemene belang bij een altijd toegankelijke notariële dienstverlening en het persoonlijke belang van de opdrachtgever - klager - in dit geval. De klacht is dan ook gegrond.

Maatregel

5.9. Uit het voorgaande volgt dat de notaris ten onrechte heeft geweigerd zijn ministerie te verlenen aan klager, althans ten onrechte klager meegedeeld hem niet verder te kunnen helpen, dit terwijl hij klager wel zijn uren in rekening heeft gebracht. Van de notaris had meer mogen worden verwacht dan alleen de mededeling dat hij klager niet verder van dienst kon zijn.

Bij de beoordeling van de op te leggen maatregel weegt mee dat de kamer al eerder waarschuwingen (in de vorm van waarschuwingen, berispingen en een schorsing) heeft opgelegd aan de notaris.

De kamer acht de maatregel van berisping passend en geboden.

Vergoeding griffierecht aan klager

5.10. Omdat de kamer de klacht gegrond verklaart, dient de notaris het door klager betaalde griffierecht van € 50,- op grond van artikel 99 lid 5 Wna aan klager te vergoeden.

Kostenveroordeling

5.11. Nu de kamer de klacht gegrond verklaart en de notaris tevens een maatregel oplegt, zal de kamer de notaris op grond van artikel 103b lid 1 Wna jo. de richtlijn kostenveroordeling kamers voor het notariaat 2021 (Staatscourant 2020, nr. 67893) veroordelen in de volgende kosten:

a. € 50,- forfaitaire vergoeding van kosten van klager;

b. € 2.000,- kosten van behandeling van de klacht door de kamer, wegingsfactor 1.

Er zijn geen bijzondere omstandigheden gebleken die aanleiding geven tot een andere beslissing.

5.12. De notaris dient de kosten van klager en het griffierecht binnen vier weken na het onherroepelijk worden van deze beslissing aan klager te voldoen. Klager dient daartoe tijdig schriftelijk zijn rekeningnummer aan de notaris door te geven.

5.13. De notaris dient de kosten van de behandeling van de klacht door de kamer na het onherroepelijk worden van deze beslissing te voldoen aan het Landelijk Dienstencentrum voor de Rechtspraak (LDCR), waarbij de in de artikelen 103b lid 3 Wna bepaalde termijn en de wijze waarop de kosten moeten worden voldaan door het LDCR per brief aan de notaris zullen worden meegedeeld.

5.14. Op grond van het voorgaande wordt beslist als volgt.

BESLISSING

De kamer voor het notariaat:

- verklaart de klacht(en) gegrond;
- legt de notaris een berisping op;
- veroordeelt de notaris tot betaling aan klager van de kosten van klager van € 50,- en het griffierecht van € 50,- op de wijze en binnen de termijn zoals hiervóór bepaald;
- veroordeelt de notaris tot betaling van € 2.000,- in de kosten van behandeling van de klacht door de kamer, op de wijze en binnen de termijn zoals hiervóór bepaald.

Deze beslissing is gegeven door mrs. S.P. Pompe, voorzitter, N.C.H. Blankevoort, W.A. Groen, E.F. van Bolhuis en A.J.H.M. Janssen, leden en uitgesproken in het openbaar op 29 juli 2025 door mr. S.P. Pompe, voorzitter, in aanwezigheid van de secretaris.

Tegen deze beslissing van de kamer voor het notariaat kunnen partijen binnen dertig dagen na de datum van verzending van deze beslissing hoger beroep instellen bij het gerechtshof Amsterdam (postadres, postbus 1312, 1000 BH Amsterdam).