ECLI:NL:TGZRZWO:2025:97 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Zwolle Z2024/7679

ECLI: ECLI:NL:TGZRZWO:2025:97
Datum uitspraak: 01-08-2025
Datum publicatie: 05-08-2025
Zaaknummer(s): Z2024/7679
Onderwerp: Overige klachten
Beslissingen: Ongegrond, kennelijk ongegrond
Inhoudsindicatie: Klacht tegen intensivist kennelijk ongegrond. Het betreft een klacht van nabestaanden van een patiënt die met COVID-19 ARDS was opgenomen op de intensive care. Na verschillende complicaties is de toestand van patiënt steeds verder verslechterd. Uiteindelijk is geconstateerd dat er geen verdere behandelmogelijkheden waren en is de behandeling van patiënt gestaakt. De klacht heeft betrekking op het staken van de behandeling.

REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG ZWOLLE

Raadkamerbeslissing van 1 augustus 2025 op de klacht van:

A en B,

wonende in C,

klaagsters,

tegen

D,

in het BIG-register ingeschreven als internist,

(destijds) werkzaam in E als intensivist,

verweerster,

gemachtigde: mr. L. Wijnbergen, werkzaam in Groningen.

1. De zaak in het kort

1.1 Klaagsters zijn de nabestaanden van F (hierna: patiënt). Patiënt is op 7 december 2021 met longklachten opgenomen in het G in H. Daar is vastgesteld dat sprake was van COVID-19 ARDS. Op 17 december 2021 is patiënt overgeplaatst naar het I, waar hij werd opgenomen op de corona-afdeling van de intensive care. Verweerster is hier als intensivist bij de behandeling van patiënt betrokken geweest. Na verschillende complicaties is de toestand van patiënt steeds verder verslechterd. Op 1 januari 2022 is geconstateerd dat er geen verdere behandelmogelijkheden waren en is de behandeling van patiënt gestaakt. Patiënt is diezelfde dag overleden.

1.2 Klaagsters verwijten verweerster dat zij zonder toestemming en tegen de nadrukkelijke wens van de familie de behandeling van patiënt heeft gestaakt.

1.3 Het college komt tot het oordeel dat de klacht kennelijk ongegrond is. ‘Kennelijk’ betekent dat het niet nodig is om nog vragen aan de partijen te stellen en dat duidelijk is dat de klacht niet gegrond kan worden verklaard. Hierna licht het college toe hoe tot deze beslissing is gekomen.

2. De procedure

2.1 Het college heeft de volgende stukken ontvangen:

  • het klaagschrift, ontvangen op 30 september 2024;
  • het verweerschrift met bijlagen, ontvangen op 6 december 2024;
  • de repliek van klagers, ontvangen op 30 januari 2025;
  • de dupliek van verweerster, ontvangen op 14 februari 2025;
  • het proces-verbaal van het op 12 mei 2025 gehouden mondelinge vooronderzoek.

2.2 Het college heeft de klacht in raadkamer behandeld. Dit betekent dat het college de zaak beoordeeld heeft op basis van de stukken, zonder dat de partijen daarbij aanwezig waren.

3. De feiten

3.1 Patiënt was 46 jaar toen hij op 7 december 2021 is opgenomen in het G vanwege COVID-ARDS. Vanuit dit ziekenhuis is hij op 17 december 2021 overgeplaatst naar het I. Hij werd op dat moment al behandeld met ceftriaxon en een stootkuur prednison. Deze behandeling is op 18 december 2021 gestaakt.

3.2 Nadat patiënt in het I eerst enkele dagen in buikligging beademd is, is hij vervolgens teruggedraaid in rugligging en is gestart met nierfunctievervangende therapie (CVVHDF) vanwege het uitvallen van de nieren. Gelet op de aanwezigheid van een schimmel in de longen, diverse bacteriën in het bloed en een hoge CRP-waarde is gestart met zowel antischimmelmedicatie als antibiotica.

3.3 Omdat de ademhaling van patiënt telkens verslechterde, is hij meerdere keren voor enkele dagen in buikligging beademd, waarbij hij tussendoor weer op zijn rug werd gedraaid. Op 30 december 2021 was opnieuw sprake van een respiratoire achteruitgang bij toename van bloederig sputum en is klager weer in buikligging gelegd. Ook is gestart met hoog gedoseerde steroïden. Desondanks verslechterde de toestand van patiënt. Diezelfde dag heeft de dienstdoende intensivist met klaagsters gesproken over de toestand van patiënt en over de start met prednison.

3.4 Op 31 december 2021 is door de dienstdoende intensivist ook met klaagsters gesproken over de situatie van patiënt. Hiervan is het volgende genoteerd:

“Moeder had naar aanleiding van de gesprekken van gisteren met name nog een vraag over het verdere vervolg. Stel dat de prednison niet aanslaat, wat gaan we dan doen? Door J uitgelegd dat er dan helaas geen opties meer zijn. Met de ondersteuning die we nu geven ziet het er vrij somber uit. Dus hierbij uitgelegd dat als de prednison helemaal geen verbetering geeft, dit helaas waarschijnlijk zal betekenen dat patiënt zal komen te overlijden. Familie geeft aan dat te begrijpen. Hebben geen verdere vragen meer.”

3.5 Omdat de toestand van patiënt in de nacht van 31 december 2021 op 1 januari 2022 snel achteruitging en de prognose slecht was, is klaagster B die nacht om 4.20 uur gebeld. Daarbij is aan haar meegedeeld dat de kans zeer groot was dat patiënt op zeer korte termijn zou overlijden. Klaagsters zijn vervolgens naar het ziekenhuis gekomen. In de ochtend hebben zij een gesprek gehad met verweerster en een arts-assistent. Diezelfde middag is de behandeling gestaakt. Patiënt is kort daarna in het bijzijn van familie overleden.

3.6 Van het familiegesprek en het beloop op 1 januari 2022 heeft de arts-assistent de volgende notities gemaakt:


“K, D, vpk L,

Fam: oa echtgenote, zoontje, beide ouders.

Slecht nieuws gesprek ivm infauste prognose.

Sinds gisteren forse verslechtering vanwege sepsis welke niet reageert op de huidige behandeling en waarbij meerdere organen falen. Er zijn helaas geen andere behandelmogelijkheden meer en gezien de huidige situatie in het licht van het recente beloop betekent dit dat verder behandelen zinloos is.

Er is sprake van onherstelbaar ziek zijn en patiënt komt hieraan te overlijden.

Familie is zeer verdrietig en geschokt, zij stellen nog enkele vragen over de behandel mogelijkheden en over het beloop vanaf nu.

Wij geven hen uiteraard de kans om de komende uren de tijd te nemen om afscheid te nemen. Er hoeft geen familie meer in huis te komen. In de loop van de middag zullen wij de curatieve behandeling staken en zorgen voor comfort middels palliatieve sedatie.”

En:

“Beloop:

Geen reële kans meer op herstel bij respiratoire insufficiëntie icm hemodynamische instabiliteit bij sepsis met multi-orgaanfalen niet reagerend op behandeling. Nor 10/50 stand 32ml/hr met hierbij MAP 48.

10.30 uur familie gesprek over bovenstaande met hierbij bespreken de curatieve behandeling in de loop van de dag te staken, nadat familie afscheid heeft kunnen nemen.

CVVH vooraf afbouwen met teruggave van bloed ten behoeve van terugdraaien naar rugligging na het staken van de behandeling.

13.15 uur patiënt op de rug gedraaid.

13.25 beademing en noradrenaline gestaakt. Morfine en midazolam gecontinueerd.

13.31 patiënt overleden in aanwezigheid familie.”

4. De klacht en de reactie van verweerster

4.1 Na bespreking tijdens het mondeling vooronderzoek luidt de klacht dat verweerster zonder toestemming en tegen de nadrukkelijke wens van de familie de behandeling van patiënt heeft gestaakt.

4.2 Verweerster heeft verzocht de klacht ongegrond te verklaren. Volgens haar waren er geen behandelopties meer voor patiënt aangezien hij niet meer reageerde op de ingezette behandeling en er sprake was van multi-orgaanfalen. In het gesprek met de familie heeft verweerster dit besproken. Daarbij heeft zij ook aangegeven dat het niet verder behandelen een medische beslissing was. Volgens verweerster was de familie geschokt en verdrietig, maar is er geen verzoek gedaan om de behandeling alsnog voort te zetten. Als dit wel was gedaan dan zou dit zijn gedocumenteerd in het medisch dossier en zou meer tijd genomen zijn om de medische beslissing om de behandeling te staken aan de familie toe te lichten. Ook in dat geval zou patiënt naar verwachting op zeer korte termijn zijn overleden. Van het staken van de behandeling tegen de nadrukkelijke wens van de familie in is volgens verweerster dan ook geen sprake geweest.

4.3 Het college gaat hieronder verder in op de standpunten van partijen.

5. De overwegingen

5.1 Het college stelt voorop dat het ziekbed en het overlijden van patiënt zeer aangrijpend en verdrietig zijn geweest voor klaagsters en ziet dat dit nog steeds grote impact heeft op hun levens. Toch zal het college, ondanks de invoelbare emotie, op zakelijke wijze moeten beoordelen of verweerster de zorg heeft verleend die van haar verwacht mocht worden. De norm daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende zorgverlener. Bij de beoordeling wordt rekening gehouden met de beroepsnormen en andere professionele standaarden die op dat moment voor verweerster golden.

5.2 Gelet op de toestand van patiënt in de aanloop naar 1 januari 2022, de reeds ingezette behandelingen en de uiteindelijke verslechtering die ochtend, staat voor het college wel vast dat het overlijden van patiënt onvermijdelijk was toen de behandeling geen verbetering bracht en zijn gezondheidssituatie niet ten goede kon worden gekeerd. Verder behandelen zou dan ook niet langer in het belang van patiënt zijn geweest. Dat werd besloten tot het staken van de behandeling, acht het college daarmee navolgbaar.

5.3 Een beslissing tot staken van de behandeling betreft een medische beslissing. Wel zal zo’n beslissing met de familie moeten worden besproken en zal meer tijd moeten worden genomen om de beslissing toe te lichten als blijkt dat de familie zich daar niet in kan vinden. Verweerster heeft ook verklaard dat dit de gebruikelijke werkwijze is.

5.4 Over de wijze waarop de beslissing tot staken van de behandeling in dit geval met de familie (onder wie klaagsters) is gecommuniceerd, verschillen de lezingen van partijen. Het college dient hiervoor dan ook af te gaan op de aantekeningen in het dossier die de arts-assistent heeft gemaakt. Volgens deze aantekeningen is aan de familie uitgelegd dat er een forse verslechtering was opgetreden sinds de dag ervoor, dat er geen verdere behandelmogelijkheden meer waren en dat verder behandelen zinloos was. Meegedeeld is dat de behandeling om die reden gestaakt zou worden en dat ingezet zou worden op palliatieve sedatie. Wat betreft de reactie van de familie is opgetekend dat zij zeer verdrietig en geschokt waren en nog enkele vragen hebben gesteld. Aan hen is de gelegenheid geboden om afscheid te nemen. Niet blijkt dat ze daarbij (expliciet dan wel impliciet) te kennen hebben gegeven dat zij niet akkoord waren met het staken van de behandeling dan wel dat er op dat moment nog vragen waren die onbeantwoord zijn gebleven. Het college kan om die reden niet vaststellen dat het staken van de behandeling tegen hun uitdrukkelijke wil heeft plaatsgevonden en dat meer tijd of uitleg nodig was. Daarmee kan ook niet worden vastgesteld dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld.

5.5 De klacht is daarmee kennelijk ongegrond.

6. De beslissing

Het college verklaart de klacht kennelijk ongegrond.

Deze beslissing is gegeven op 1 augustus 2025 door M.J.C. Dijkstra, voorzitter, T.F. Veneman en H.R.H. de Geus, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door M.D. Moeke, secretaris.

secretaris voorzitter

Tegen deze beslissing kan in de volgende gevallen schriftelijk beroep worden ingesteld bij het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:

  1. Heeft u de klacht ingediend? Dan kunt u in beroep als
  • het college u of uw klacht geheel of gedeeltelijk niet-ontvankelijk heeft verklaard, of
  • als de klacht geheel of gedeeltelijk ongegrond is verklaard.

Bij een gedeeltelijke niet-ontvankelijkverklaring of een gedeeltelijke ongegrondverklaring kan uw beroep alleen betrekking hebben op dat deel van de beslissing.

  1. Is de klacht tegen u gericht? Dan kunt u altijd in beroep.
  1. Ook de inspecteur van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd kan beroep instellen.


U moet het beroepschrift richten aan het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg, maar opsturen naar de secretaris van het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Zwolle. Daar moet het zijn ontvangen binnen zes weken nadat de beslissing aan u is verstuurd.

Als u beroep instelt, moet u € 50,- griffierecht betalen aan het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg. U ontvangt hierover bericht. Als u geheel of gedeeltelijk in het gelijk wordt gesteld, wordt het griffierecht aan u terugbetaald.