ECLI:NL:TGZRZWO:2025:94 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Zwolle Z2024/7755
| ECLI: | ECLI:NL:TGZRZWO:2025:94 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 29-07-2025 |
| Datum publicatie: | 30-07-2025 |
| Zaaknummer(s): | Z2024/7755 |
| Onderwerp: | Onjuiste verklaring of rapport |
| Beslissingen: | Gegrond, waarschuwing |
| Inhoudsindicatie: | Klacht tegen verpleegkundige over rapport/advies in het kader van een Wmo-aanvraag. Het college oordeelt dat de klacht gedeeltelijk gegrond is omdat de verpleegkundige onzorgvuldig heeft gehandeld bij het tot stand komen van het rapport. Het college legt een waarschuwing op. |
REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG ZWOLLE
Beslissing van 29 juli 2025 op de klacht van:
A,
wonende in B,
klaagster,
gemachtigde: C, vader van klaagster,
tegen
D,
verpleegkundige,
werkzaam in E,
verweerder, hierna ook: de verpleegkundige,
gemachtigde: F, werkzaam te E.
1. De zaak in het kort
Klaagster heeft een aanvraag gedaan voor begeleiding vanuit de Wet maatschappelijke
ondersteuning (Wmo). De verpleegkundige heeft onderzoek gedaan en een rapport/advies
uitgebracht. Klaagster verwijt de verpleegkundige dat dit rapport onzorgvuldig tot
stand is gekomen en een onjuist advies, met een onjuiste conclusie, is. Verder verwijt
klaagster de verpleegkundige dat hij het correctierecht niet goed heeft uitgevoerd
en de rapportage niet op deze wijze naar de gemeente had mogen sturen. Ten slotte
wordt de verpleegkundige verweten dat hij zonder toestemming van klaagster medische
informatie in de tuchtrechtprocedure heeft ingebracht.
Het college komt tot het oordeel dat de klacht gedeeltelijk gegrond is. Hierna licht
het college dat toe.
2. De procedure
2.1 Het college heeft de volgende stukken ontvangen:
- het klaagschrift met de bijlagen, ontvangen op 24 oktober 2024;
- het aanvullende klaagschrift met bijlagen van 7 november 2024;
- het e-mailbericht van de gemachtigde van klaagster van 21 november 2024, met bijlagen;
- het e-mailbericht van de gemachtigde van klaagster van 6 december 2024, met bijlagen;
- het verweerschrift met de bijlagen, binnengekomen op 10 januari 2025;
- de aanvullende klacht per e-mailbericht, van 24 januari 2025, met bijlagen;
- het e-mailbericht van de gemachtigde van klaagster van 29 januari 2025;
- het proces-verbaal van het mondelinge vooronderzoek, gehouden op 25 februari 2025.
2.2 De zaak is behandeld op de openbare zitting van 27 juni 2025. Klaagster is
niet verschenen. Zij heeft zich doen vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Verweerder
is verschenen bijgestaan door zijn gemachtigde. De partijen dan wel hun gemachtigden
hebben hun standpunten mondeling toegelicht.
3. De feiten
3.1 Klaagster, geboren in 2005, heeft een aanvraag bij de gemeente van haar woonplaats
gedaan in het kader van de Wmo. Dit betrof een aanvraag tot begeleiding.
3.2 Verweerder is verpleegkundige en werkzaam als adviseur sociaal domein bij
G. De aanvraag van klaagster is via G bij de verpleegkundige gekomen.
3.3 De verpleegkundige heeft op 9 september 2024 een huisbezoek afgelegd bij klaagster. Na dit huisbezoek heeft de verpleegkundige een conceptrapportage opgemaakt en ter correctie aan klaagster gestuurd.
3.4 Klaagster heeft in het kader van het correctierecht op 18 oktober 2024 opmerkingen
gemaakt over de conceptrapportage waarbij digitaal akkoord is gegeven dat geen gebruik
werd gemaakt van het blokkeringsrecht.
Klaagster heeft navolgende opmerkingen gemaakt:
“p.5, 3e regel: verergerden haar lichamelijke en psychische klachten: [voornaam klaagster, RTC] was vóór het ongeval niet bekend met psychische klachten.
p.5, laatste regel “leefgebieden”: elke maandag naar de huisarts voor medicatie prikken (ipv bloed prikken).
p.7, onderaan “bruto ondersteuning”: er staat als laatste “Per dag 5 min.”, waar heeft dit betrekking op?
p.7, “bruto ondersteuning”, er wordt een opsomming gegeven van de ondersteuning die cliënte wekelijks nodig heeft, u komt tot 550 minuten aan bruto ondersteuning. Als ik echter de minuten bij elkaar optel in het overzicht kom ik tot 610 minuten per week (120+60+35+35+120+60+30+60+30+60). Wilt u ook dit aanpassen?’
Daarna heeft de verpleegkundige een aantal correcties, overeenkomstig de door klaagster
gemaakte opmerkingen, aangebracht in het rapport.
3.5 Op diezelfde dag heeft klaagster, via een letselschadeadvocaat, per e-mailbericht
laten weten dat de opmerkingen van klaagster niet aangepast mochten worden in de rapportage.
De verpleegkundige heeft in de rapportage de correcties, naar aanleiding van de opmerkingen
van klaagster, weer verwijderd.
3.6 In het definitieve rapport, zoals dit deel uitmaakt van de processtukken, is onder meer vermeld, voor zover relevant voor de klacht (citaten zijn overgenomen inclusief eventuele type- en spelfouten):
Melding/reden aanvraag cliënt
Cliënt heeft zich bij de gemeente, in het kader van de Wet maatschappelijke ondersteuning
(Wmo), gemeld met een probleem met betrekking tot:
● Begeleiding
De gemeente heeft specifieke vragen:
Wmo enkelvoudig:
- Wat zijn de aandoeningen en welke beperkingen komen daaruit voort?
- Wat is de prognose?
Wmo ergonomisch extern:
- Heeft de cliënt hulpverlening nodig naast de lopende behandeling(en) om structuur
in haar dag te krijgen en om activiteiten te ondernemen? Zo ja? Welke hulpverlening
zou het best passend zijn (formeel/informeel)?
- Als er hulpverlening nodig is, hoe frequent is deze hulpverlening noodzakelijk?
- Wanneer informele hulp het best passend blijkt welke taken vallen dan onder gebruikelijke zorg van ouders? Welke taken vallen buiten gebruikelijke zorg waarvoor een eventuele informele indicatie benodigd is vanuit de Wmo?
Reactie cliënt
(…)
‘p.5, 3e regel: verergerden haar lichamelijke en psychische klachten: [voornaam klaagster, RTC] was vóór het ongeval niet bekend met psychische klachten. p.5, laatste regel “leefgebieden”: elke maandag naar de huisarts voor medicatie prikken (ipv bloed prikken). p.7, onderaan “bruto ondersteuning”: er staat als laatste “Per dag 5 min.”, waar heeft dit betrekking op? p.7, “bruto ondersteuning”, er wordt een opsomming gegeven van de ondersteuning die cliënte wekelijks nodig heeft, u komt tot 550 minuten aan bruto ondersteuning. Als ik echter de minuten bij elkaar optel in het overzicht kom ik tot 610 minuten per week (120+60+35+35+120+60+30+60+30+60). Wilt u ook dit aanpassen?’
Op 18 oktober 2024 is er een e-mail ontvangen met het verzoek om bovenstaande niet
aan te passen in het advies.
Toevoeging adviseur:
De psychische klachten waren inderdaad niet bekend voor het ongeluk. Dit stond foutief
in het advies. Daarnaast is er een foutieve optelsom gemaakt.
(…)
Leefgebieden
Persoonlijk functioneren:
(…) Echter, op 23-03-2023 raakte de cliënt betrokken bij een verkeersongeval als
bijrijder, waarna haar lichamelijke en psychische klachten verergerden.
(…)
Daarnaast gaat ze elke maandag naar de huisarts voor bloedprikken.
(…)
Huisvesting & huiselijke relaties:
(…)
Hij (de vader van cliënt, RTC) is sterk betrokken bij haar zorg en ondersteuning.
Moeder werkt zestien uur per week in de uitvaartzorg en heeft zelf lichamelijke beperkingen,
waardoor ze niet volledig belastbaar is volgens partner. De broer van de cliënt heeft
ook beperkingen zoals werd toegelicht in het huisbezoek.
(…)
Uit de brief van revalidatiearts [naam revalidatiearts, RTC] blijkt dat de ouders
met veel zorg proberen het beste te regelen voor hun dochter. Echter, de betrokkenheid
van de ouders neemt zoveel ruimte in dat er minder ruimte is voor de ontwikkeling
van de cliënt zelf en haar vertrouwen in eigen kunnen. Tijdens de revalidatie is hier
aandacht aan besteed, en het is een punt van aandacht voor het gezin om de balans
te vinden tussen zorg en zelfontwikkeling van de cliënt.
(…)
Bruto ondersteuning
● De cliënt heeft wekelijks ondersteuning nodig bij het volgen van behandeling, waaronder fysiotherapie en psychologische begeleiding.
120 min.
● De cliënt heeft ondersteuning nodig bij het vervoer voor lange afstanden, bijvoorbeeld naar afspraken of activiteiten. 60min.
● De cliënt heeft dagelijkse ondersteuning nodig bij het behouden van de zelfzorg om de persoonlijke hygiëne en gezondheid te waarborgen. 35min (5x7.*
● De cliënt heeft dagelijkse ondersteuning nodig bij het behouden van de dagstructuur om stabiliteit en voorspelbaarheid te waarborgen. 35min (5x7).*
● De cliënt heeft wekelijks ondersteuning nodig bij het ondernemen van ontspannende activiteiten om het welzijn te bevorderen. 120min
● De cliënt heeft wekelijks ondersteuning nodig bij het leren omgaan met fysieke en mentale klachten om de kwaliteit van leven te verbeteren.
60min
● De cliënt heeft wekelijks ondersteuning nodig bij het vinden van een passende daginvulling, zoals vrijwilligerswerk, om structuur te
bieden. 30min
● De cliënt heeft wekelijks ondersteuning nodig bij het bevorderen van haar zelfredzaamheid via een plangerichte aanpak. 60min
● De cliënt heeft wekelijks ondersteuning nodig bij het vergroten van haar zelfredzaamheid, met professionele begeleiding vanuit een strategische
en objectieve visie. 30min
● De cliënt heeft wekelijks ondersteuning nodig bij het vinden van een passende samenwerking met begeleiding en ouders om de cliënt te
ondersteunen. 60min
De cliënt heeft dagelijkse behoefte aan ondersteuning om een duidelijke dagstructuur
en overzicht te behouden. Dit omvat kortdurende momenten van ondersteuning, die essentieel
zijn voor het observeren van haar zelfzorg en ervoor zorgen dat zij aan haar dagelijkse
behoeften kan voldoen. Daarnaast zijn er wekelijks minimaal twee contactmomenten nodig
om de zelfredzaamheid verder te bevorderen. Vanuit een professionele insteek is een
planmatige aanpak het meest wenselijk, waarbij het doel is om de cliënt stap voor
stap te ondersteunen in het opbouwen van dagelijkse routines en het plannen van activiteiten.
Deze aanpak is gericht op het verder uitbouwen van haar vaardigheden en onafhankelijkheid,
naarmate haar belastbaarheid toeneemt. In totaal worden er 550 minuten bruto ondersteuning per week ingeschat om deze doelen te bereiken.
*per dag vijf minuten.
(…)
Gebruikelijke hulp:
● De cliënt heeft ondersteuning nodig bij het vervoer voor lange afstanden, bijvoorbeeld naar afspraken of activiteiten.
● De cliënt heeft dagelijks ondersteuning nodig bij het behouden van de zelfzorg om de persoonlijke hygiëne en gezondheid te waarborgen.
● De cliënt heeft dagelijkse ondersteuning nodig bij het behouden van de dagstructuur om stabiliteit en voorspelbaarheid te waarborgen.
● De cliënt heeft wekelijks ondersteuning nodig bij het ondernemen van ontspannende activiteiten om het welzijn te bevorderen.
Gebruikelijke hulp betreft de hulp die naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid
verwacht mag worden van huisgenoten, zoals de partner, ouders, inwonende kinderen
of andere personen in het huishouden. In het gezin van de cliënt is er deels sprake
van deze gebruikelijke hulp. Van een ouder mag bijvoorbeeld verwacht worden dat deze
bijdraagt aan het vervoer van een inwonend kind, zoals in het geval van de cliënt.
Ook wordt van ouders verwacht dat zij hun kind stimuleren en motiveren om activiteiten
te ondernemen en zorg te dragen voor hun eigen zelfzorg. Echter, om een gezonde balans
te bewaren tussen de rol van ouder en verzorger, is het essentieel dat ouders de ruimte
behouden om ouder te kunnen zijn zonder dat zij volledig de rol van verzorger of begeleider
op zich moeten nemen. Dit helpt om de ouder-kindrelatie in stand te houden, zonder
dat deze relatie wordt belast door overmatige zorgverantwoordelijkheden. Het behouden
van deze balans voorkomt dat ouders overbelast raken en ondersteunt het behoud van
gezonde relaties binnen het gezin.
(…)
Compensatie
● De cliënt heeft wekelijks ondersteuning nodig bij het leren omgaan met fysieke en mentale klachten om de kwaliteit van leven te verbeteren.
● De cliënt heeft wekelijks ondersteuning nodig bij het vinden van een passende daginvulling, zoals vrijwilligerswerk, om structuur te
bieden.
● De cliënt heeft wekelijks ondersteuning nodig bij het bevorderen van haar zelfredzaamheid via een plangerichte aanpak.
● De cliënt heeft wekelijks ondersteuning nodig bij het vergroten van haar zelfredzaamheid, met professionele begeleiding vanuit een strategische en objectieve visie.
● De cliënt heeft wekelijks ondersteuning nodig bij het ondernemen van ontspannende activiteiten om het welzijn te bevorderen.
● De cliënt heeft wekelijks ondersteuning nodig bij het vinden van een passende samenwerking met begeleiding en ouders om de cliënt te
ondersteunen. 60min
(…)
Een professionele zorgaanbieder wordt hiervoor het meest passend en adequaat geacht. Voor deze opzet is een indicatie van 240 minuten per week passend, met de voorkeur voor twee contactmomenten per week, waarmee kan worden gestart met het activeren van de cliënt en het opbouwen van een professionele relatie, waarbij haar welzijn centraal staat.”
4. De klacht en de reactie van de verpleegkundige
4.1 Klaagster verwijt de verpleegkundige dat hij:
- een rapport heeft gemaakt dat op onzorgvuldige wijze tot stand is gekomen;
- een onjuist advies met een onjuiste conclusie heeft gegeven;
- het inzage- en correctierecht bij het rapport niet goed heeft uitgevoerd;
- de conceptrapportage naar de gemeente heeft verzonden;
- zonder toestemming van klaagster medische informatie met het tuchtcollege heeft gedeeld.
4.2 De verpleegkundige heeft het college verzocht de klacht ongegrond te verklaren.
De verpleegkundige voert aan dat hij op basis van de vraagstelling door gemeente een
zorgvuldig onderzoek heeft uitgevoerd. Dat daarin een aantal onjuistheden stonden
is juist waarom het correctierecht bestaat. De verpleegkundige was het met een aantal
opmerkingen van klaagster inzake het correctierecht eens en heeft de rapportage in
die zin aangepast. Er is geen voorschrift dat maakt dat de verpleegkundige de terechte
opmerkingen niet in de rapportage mocht aanpassen. Op verzoek van klaagster heeft
hij, nadat hem bekend werd dat zij niet wenste dat de opmerkingen in het rapport zelf
werden aangepast, de correcties verwijderd en het rapport weer ter correctie en blokkering
aangeboden. Op het moment dat de rapportage door de administratie werd verzonden was
door klaagster geen gebruik gemaakt van het blokkeringsrecht. De versie zoals deze
verzonden is aan de gemeente, waarin de opmerkingen van klaagster waren verwerkt,
is niet meer terug te halen in verband met het systeem waarbij een later rapport een
eerder rapport overschrijft. In het kader van het verweer van de verpleegkundige stond
het hem vrij om de relevante medische gegevens, zonder toestemming van klaagster,
aan het college te sturen.
4.3 Het college gaat hieronder verder in op de standpunten van partijen.
5. De overwegingen van het college
De criteria voor de beoordeling
5.1 De vraag is of de verpleegkundige de zorg heeft verleend die van hem verwacht mocht worden. De norm daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende verpleegkundige. Bij de beoordeling wordt rekening gehouden met de voor de verpleegkundige geldende beroepsnormen en andere professionele standaarden. Dat een zorgverlener beter anders had kunnen handelen is niet altijd genoeg voor een tuchtrechtelijk verwijt. Verder geldt het uitgangspunt dat zorgverleners alleen tuchtrechtelijk verantwoordelijk zijn voor hun eigen handelen.
5.2 Naar de geldende vaste jurisprudentie van het Centraal Tuchtcollege (geformuleerd
in de uitspraak van 30 januari 2014, ECLI:NL:TGZCTG:2014:17) dient een deskundigenrapport
te voldoen aan de volgende criteria:
1. Het rapport vermeldt de feiten, omstandigheden en bevindingen waarop het berust;
2. Het rapport geeft blijk van een geschikte methode van onderzoek om de voorgelegde
vraagstelling te beantwoorden;
3. In het rapport wordt op inzichtelijke en consistente wijze uiteengezet op welke
gronden de conclusies van het rapport steunen;
4. Het rapport vermeldt de bronnen waarop het berust, daaronder begrepen de gebruikte
literatuur en de geconsulteerde personen;
5. De rapporteur blijft binnen de grenzen van zijn deskundigheid.
Het college beoordeelt daarbij ten volle of het onderzoek uit een oogpunt van vakkundigheid
en zorgvuldigheid de toets der kritiek kan doorstaan. Ten aanzien van de conclusie
van de rapportage vindt slechts een marginale toetsing plaats.
5.3 Het college oordeelt dat de verpleegkundige tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft
gehandeld. Hieronder legt het college dat verder uit.
Klachtonderdelen a) rapport is onzorgvuldig tot stand gekomen en b) het advies en
de conclusie zijn onjuist
5.4 Vanwege de samenhang zal het college deze klachtonderdelen gezamenlijk beoordelen.
Klaagster stelt dat de conceptrapportage onzorgvuldig tot stand is gekomen omdat daarin
onjuistheden staan. Dit gaat onder meer over het feit dat de verpleegkundige heeft
opgeschreven dat klaagster wekelijks ging bloedprikken terwijl zij wekelijks medicatie
liet prikken bij de huisarts. De verpleegkundige heeft opgeschreven dat klaagster
psychische problemen had voorafgaande aan het verkeersongeval, hetgeen niet aan de
orde was. Daarnaast is volgens klaagster de optelsom van de door de verpleegkundige
genoemde benodigde ondersteuning onjuist. De gebruikelijke zorg is niet zorgvuldig
beoordeeld nu de gezinsleden van klaagster zelf ondersteuning nodig hebben en de gebruikelijke
zorg aan klaagster niet binnen het gezin geboden kan worden. In tegenstelling tot
de uitdrukkelijke wens van klaagster om geen externe hulp te adviseren is door de
verpleegkundige (externe) professionele ondersteuning geadviseerd.
De verpleegkundige heeft gesteld dat hij kennelijk in het gesprek met klaagster
niet goed heeft gedestilleerd dat zij medicatie liet prikken bij de huisarts. Dit
geldt hetzelfde voor de zin over de verergering van lichamelijke en psychische klachten
sinds het ongeval. De bedoelde zin is voor meerdere uitleg vatbaar. Ook heeft hij
een rekenfout gemaakt. Om dergelijke onjuistheden uit het rapport te halen bestaat
het correctierecht. Dat de gezinsleden de gebruikelijke zorg niet kunnen bieden is
door de verpleegkundige niet beoordeeld, omdat daartoe geen verzoek vanuit de gemeente
is gedaan. De gebruikelijke zorg is qua taken conform de daarvoor geldende regels
geformuleerd. De verpleegkundige stelt zich op het standpunt dat het rapport aan de
daaraan te stellen eisen voldoet en daarmee zorgvuldig tot stand is gekomen.
5.5 Het college overweegt dat de verpleegkundige onzorgvuldig heeft gehandeld bij het tot stand komen van het rapport. Partijen zijn het erover eens dat in de conceptrapportage op drie onderdelen onjuiste feiten stonden. In plaats van wekelijks bloedprikken bij de huisarts liet klaagster medicatie prikken. Daarnaast staat ten onrechte vermeld dat er een verergering van lichamelijke en psychische klachten was sinds het ongeval en heeft de verpleegkundige fouten gemaakt bij het optellen van de uren voor de benodigde ondersteuning. Ook de optelsom van de benodigde ondersteuning die onder het kopje “Compensatie” is vermeld, is onjuist. De daar vermelde vormen van ondersteuning tellen op tot 360 minuten, in plaats van tot 240 minuten. Het college is van oordeel dat deze onjuistheden verder gaan dan verschrijvingen of kennelijke onjuistheden. Hoewel de door de gemachtigde van klaagster gesignaleerde onjuistheden door middel van het correctierecht zijn aangepast is het college van oordeel dat dit niet afdoet aan de verantwoordelijkheid van de verpleegkundige om bij het opstellen van het rapport zorgvuldig te werk te gaan. Van een redelijk handelend verpleegkundige mag worden verwacht dat hij ook bij het opstellen van een conceptrapportage voldoende zorgvuldigheid betracht. De fouten zoals hierboven vermeld duiden naar het oordeel van het college op onzorgvuldig handelen van de verpleegkundige bij het interpreteren en weergeven van de feiten.
De gemachtigde van de verpleegkundige heeft ter zitting verklaard dat het bij G niet
gebruikelijk is om in een rapport informatie op te nemen over, zoals in dit geval,
gezinsleden die de verpleegkundige niet heeft gesproken of onderzocht. Het is aan
de opdrachtgever om deze vraag te stellen als dit van belang is. De gemeente heeft
bij de vraagstelling geen extra beoordeling gevraagd voor de gebruikelijke zorg door
gezinsleden zodat de verpleegkundige daar ook niet over kon adviseren. De verpleegkundige
heeft ter zitting verklaard dat dit de reden is dat hij informatie over de gezinssituatie
bewust algemeen heeft gehouden. In de rapportage heeft de verpleegkundige de beperkingen
van moeder en zoon, die door de gemachtigde van klaagster zijn benoemd, opgenomen.
Bij zijn oordeel over de gebruikelijke hulp van gezinsleden heeft hij de bijzondere
gezinssituatie echter niet meegewogen, omdat dit buiten de opdracht van de gemeente
viel. Hoewel hij hiermee gehandeld heeft conform de gebruikelijke werkwijze van G,
zoals ter zitting toegelicht, is het college van oordeel dat deze werkwijze hem niet
ontslaat van zijn eigen verantwoordelijkheid als verpleegkundige. Hij was op de hoogte
van de problematiek bij de moeder en broer van klaagster. Gelet op deze bevindingen
heeft hij niet in redelijkheid tot zijn conclusie over de gebruikelijk zorg van gezinsleden
kunnen komen. Bij zijn conclusie had hij ook zonder nader onderzoek naar deze gezinsleden
de bijzondere gezinssituatie in ieder geval moeten benoemen. De opdrachtgever (in
dit geval de gemeente) had dan kunnen beoordelen of nader onderzoek nodig was. Het
rapport voldoet, naar het oordeel van het college, niet aan de onder 5.2 genoemde
eerste en derde eis.
Deze klachtonderdelen zijn gegrond.
Klachtonderdelen c) inzage- en correctierecht is niet goed toegepast en d) conceptrapportage
is naar de gemeente verzonden
5.6 Vanwege de samenhang zal het college ook deze klachtonderdelen gezamenlijk beoordelen. Klaagster verwijt de verpleegkundige dat hij zijn fouten heeft verdoezeld door de door klaagster gemaakte opmerkingen in het kader van het correctierecht aan te passen in het rapport. Volgens klaagster had de verpleegkundige de onjuistheden allemaal moeten laten staan en erop wijzen dat klaagster die onjuistheden had geconstateerd. Klaagster verwijt de verpleegkundige ook dat de conceptrapportage (met de verdoezelde onjuistheden) naar de gemeente is verzonden.
De verpleegkundige voert aan dat het correctierecht bestaat om feitelijke onjuistheden
in de conceptrapportage aan te geven en te verbeteren. Omdat klaagster een aantal
terechte correcties heeft gedaan heeft de verpleegkundige deze, in eerste instantie,
aangepast in het rapport. Nadat klaagster heeft laten weten dat zij niet wilde dat
de onjuistheden werden aangepast heeft hij de correcties teruggedraaid en de door
klaagster gemaakte opmerkingen toegevoegd aan het rapport. Wat betreft de verzending
van het rapport aan de gemeente voert de verpleegkundige aan dat na het e-mailbericht
van klaagster van 18 oktober 2024 het rapport, omdat geen gebruik was gemaakt van
het blokkeringsrecht, het advies, zoals ook in het digitaal (akkoord)formulier staat,
naar de opdrachtgever is verzonden. Op welke datum dat exact is gebeurd en welke versie
dit betreft is niet meer te achterhalen, omdat een aangepast rapport de vorige versie
overschrijft.
5.7 Het college is van oordeel dat de verpleegkundige op dit punt geen gegrond
tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt. Het correctierecht volgt uit artikel 16
van de Algemene Verordening Gegevensverkeer (AVG). Uit de stukken en uit wat ter zitting
is besproken leidt het college af dat er onduidelijkheid is geweest over hoe en wanneer
de correcties zijn doorgevoerd die eerst door de letstelschadespecialist namens klaagster
zijn ingediend en waar later op terug werd gekomen. Vaststaat dat uiteindelijk de
onder 3.6 genoemde rapportage aan de gemeente is gestuurd. Verweerder betwist niet
dat eerder een rapport aan de gemeente is gestuurd waarin hij de correcties niet zichtbaar
heeft overgenomen. Wat daarin precies stond geschreven kan het college niet vaststellen
nu deze versie zich niet in het dossier bevindt en deze kennelijk ook niet meer te
achterhalen is. Voor zover verweerder erkent dat hij een aantal correcties in eerste
instantie (onherkenbaar) heeft overgenomen in de rapportage acht het college dat,
gelet op de aard van de correcties, niet tuchtrechtelijk verwijtbaar. Daarbij heeft
het college meegewogen dat de correcties niet tot een andere conclusie hebben geleid.
Het versturen van die versie van de rapportage naar de gemeente, acht het college
evenmin tuchtrechtelijk verwijtbaar omdat klaagster op 18 oktober 2024 digitaal akkoord
heeft gegeven. Daarbij heeft zij geen gebruik gemaakt van het blokkeringsrecht.
In de definitieve rapportage, zoals weergegeven onder 3.6, heeft de verpleegkundige
de correcties vermeld in het rapport en daarbij verwezen naar de betreffende paginanummers.
Daarmee heeft de verpleegkundige naar het oordeel van het college conform de geldende
regels van het correctierecht gehandeld.
Deze klachtonderdelen zijn ongegrond.
Klachtonderdeel e) medische informatie zonder toestemming van klaagster met tuchtcollege gedeeld
5.8 Klaagster verwijt de verpleegkundige dat hij in de tuchtrechtprocedure medische gegevens aan het college heeft gezonden. Daarbij wijst klaagster erop dat daarvoor geen toestemming van klaagster was en onduidelijk is met wie de verpleegkundige de medische gegevens heeft gedeeld. Klaagster heeft in haar e-mailberichten nog gewezen op het feit dat versturen van medische informatie per beveiligde e-mail dient plaats te vinden en niet per (aangetekende) post.
De verpleegkundige voert aan dat hij in het kader van zijn verdediging de relevante
medische gegevens zonder toestemming van betrokkene mag delen met het college. De
verpleegkundige geeft aan dat hij de gegevens alleen met zijn gemachtigde en het college
heeft gedeeld. Deze gegevens zijn per aangetekende post verzonden aan het college.
5.9 Het college volgt ten aanzien van dit klachtonderdeel de uitspraak van het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg van 13 april 2022, geregistreerd onder ECLI:NL:TGZCTG:2022:87. Om zich in een juridische procedure goed te kunnen verweren, heeft een zorgverlener doorgaans medische gegevens van de patiënt/cliënt nodig, die hij vervolgens inbrengt in de procedure zodat de beoordelende instantie daar kennis van kan nemen. Voor het gebruiken, c.q. delen, van medische gegevens van de patiënt voor het verweer is wel een rechtvaardiging nodig. Met het verstrekken van de gegevens in een juridische procedure doorbreekt de arts immers zijn medisch beroepsgeheim. De rechtvaardiging voor het gebruik van medische gegevens voor het verweer in een tuchtzaak kan worden gevonden in het 'recht op een eerlijk proces', zoals vastgelegd in het Europese Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM). Als de zorgverlener de medische gegevens van de patiënt niet zou mogen gebruiken, zou hij immers in een ongelijke positie staan ten opzichte van de patiënt die deze gegevens wel kan gebruiken. Zorgverleners hebben een te respecteren eigen belang om zich adequaat te kunnen verweren. Een zorgverlener die zich wil verweren aan de hand van medische gegevens van de patiënt heeft hiervoor dus géén toestemming van de patiënt nodig. De inzage in en het gebruik van medische gegevens voor het verweer moeten wel binnen de grenzen van proportionaliteit en subsidiariteit blijven. Op voorhand valt moeilijk te bepalen welke gegevens voor het verweer relevant zijn. Bij het beoordelen daarvan heeft de zorgverlener zelf enige beoordelingsruimte.
De verpleegkundige heeft in de onderhavige tuchtklacht de medische informatie van
klaagster, zoals hij die tot zijn beschikking had ten tijde van het onderzoek en de
rapportage, overgelegd. Deze informatie is voor het beoordelen of de door de verpleegkundige
opgemaakte rapportage aan de daaraan te stellen eisen voldoet relevant. Gesteld noch
gebleken is dat klaagster een beperking heeft gesteld aan het gebruiken van medische
informatie in de onderhavige tuchtrechtprocedure. Conform artikel 4.2 van het reglement
van orde van de Regionale Tuchtcolleges heeft de verpleegkundige deze stukken per
(aangetekende) post aan het college verzonden. Dat de verpleegkundige de medische
informatie met anderen zou hebben gedeeld is door de verpleegkundige betwist en kan
het college niet vaststellen. Het college is daarmee van oordeel dat de verpleegkundige
zonder toestemming van klaagster deze stukken in de tuchtrechtprocedure mocht indienen.
Dit klachtonderdeel is eveneens ongegrond.
Slotsom
5.10 Uit de overwegingen hiervoor volgt dat klachtonderdelen a) en b) gegrond zijn voor zover zij zien op de zorgvuldigheid waarmee de rapportage tot stand is gekomen. De andere klachtonderdelen zijn ongegrond.
Maatregel
5.11 Omdat uit de overwegingen hiervoor volgt dat de klacht gedeeltelijk gegrond
is, moet het college bepalen of een maatregel moet worden opgelegd en zo ja, welke
maatregel daarbij past. Het kan gebeuren dat een zorgverlener abusievelijk een fout
maakt. Het is belangrijk hoe daar vervolgens mee wordt omgegaan, niet alleen procesmatig
maar ook op emotioneel/menselijk vlak. De verpleegkundige heeft ter zitting aangegeven
lering te hebben getrokken uit deze klacht. Hij is nu extra alert. Ook heeft hij ter
zitting excuses aangeboden aan klaagster. Het college vindt een waarschuwing passend
als zakelijke terechtwijzing dat in de toekomst anders gehandeld moet worden.
Publicatie
5.12 In het algemeen belang zal deze beslissing worden gepubliceerd. Dit algemeen
belang is erin gelegen dat andere verpleegkundigen mogelijk van deze zaak kunnen leren.
De publicatie zal plaatsvinden zonder vermelding van namen of andere tot personen
of instanties herleidbare gegevens.
6. De beslissing
Het college:
- verklaart de klacht gedeeltelijk gegrond;
- legt de maatregel van een waarschuwing op;
- bepaalt dat deze beslissing, nadat die onherroepelijk is geworden, zonder vermelding van namen of andere herleidbare gegevens in de Nederlandse Staatscourant zal worden bekendgemaakt en ter publicatie zal worden aangeboden aan de tijdschriften Medisch Contact, Nursing en TvZ Verpleegkundige praktijk en wetenschap.
Deze beslissing is gegeven door P.E.M. Messer-Dinnissen, voorzitter, W.R. Kastelein, lid-jurist, L.H. Kruze, J. van der Sluis en R. Broeren-Woudstra, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door K.M. Dijkman, secretaris, en in het openbaar uitgesproken op 29 juli 2025.
secretaris
voorzitter
Tegen deze beslissing kan in de volgende gevallen schriftelijk beroep worden ingesteld
bij het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:
- Heeft u de klacht ingediend? Dan kunt u in beroep als
- het college u of uw klacht geheel of gedeeltelijk niet-ontvankelijk heeft verklaard, of
- als de klacht geheel of gedeeltelijk ongegrond is verklaard.
Bij een gedeeltelijke niet-ontvankelijkverklaring of een gedeeltelijke ongegrondverklaring kan uw beroep alleen betrekking hebben op dat deel van de beslissing.
- Is de klacht tegen u gericht? Dan kunt u altijd in beroep.
- Ook de inspecteur van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd kan beroep instellen.
U moet het beroepschrift richten aan het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg,
maar opsturen naar de secretaris van het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg
te Zwolle. Daar moet het zijn ontvangen binnen zes weken nadat de beslissing aan u
is verstuurd.
Als u beroep instelt, moet u € 50,- griffierecht betalen aan het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg. U ontvangt hierover bericht. Als u geheel of gedeeltelijk in het gelijk wordt gesteld, wordt het griffierecht aan u terugbetaald.