ECLI:NL:TGZRZWO:2025:92 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Zwolle Z2024/7901

ECLI: ECLI:NL:TGZRZWO:2025:92
Datum uitspraak: 29-07-2025
Datum publicatie: 30-07-2025
Zaaknummer(s): Z2024/7901
Onderwerp: Geen of onvoldoende zorg
Beslissingen: Ongegrond, kennelijk ongegrond
Inhoudsindicatie: Klacht tegen een orthopedisch chirurg kennelijk ongegrond. Verweerder heeft klager geopereerd in verband met vernauwing van het wervelkanaal (lumbale stenose). Ruim twee weken later vond er een heroperatie plaats door verweerder en een andere wervelkolomchirurg. Beide operaties verliepen aanvankelijk ongecompliceerd. Klager verwijt verweerder, samengevat, dat hij te lang moest wachten voordat hij geopereerd werd, dat er onvoldoende met hem is gecommuniceerd en dat zijn verzoeken om een MRI en CT-scan niet spoedig genoeg zijn gehonoreerd waardoor er veel problemen zijn ontstaan na de operaties. Ook het operatieverslag van een latere operatie in een ander ziekenhuis zou verweerder ten onrechte niet of te laat gelezen hebben.

REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG ZWOLLE

Beslissing in raadkamer van 29 juli 2025 op de klacht van:

A,

wonende in B,

klager,

tegen

C,

orthopedisch chirurg,

(destijds) werkzaam in D,

verweerder, hierna ook: de orthopedisch chirurg,

gemachtigde: mr. T.A.M. van den Ende.

1. De zaak in het kort
 

1.1     Verweerder heeft klager in december 2023 geopereerd in verband met vernauwing van het wervelkanaal (lumbale stenose). Ruim twee weken later vond er een heroperatie plaats door verweerder en een andere wervelkolomchirurg. Beide operaties verliepen aanvankelijk ongecompliceerd. Klager verwijt verweerder, samengevat, dat hij te lang moest wachten voordat hij geopereerd werd, dat er onvoldoende met hem is gecommuniceerd en dat zijn verzoeken om een MRI en CT-scan niet spoedig genoeg zijn gehonoreerd waardoor er veel problemen zijn ontstaan na de operaties. Ook het operatieverslag van een latere operatie in een ander ziekenhuis zou verweerder ten onrechte niet of te laat gelezen hebben.
 

1.2     Het college komt tot het oordeel dat de klacht kennelijk ongegrond is. ‘Kennelijk’ betekent dat het niet nodig is om nog vragen aan de partijen te stellen en dat duidelijk is dat de klacht niet gegrond kan worden verklaard. Hierna licht het college toe hoe het tot deze beslissing is gekomen.
 

2.     De procedure
 

2.1     Het college heeft de volgende stukken ontvangen:

  • het klaagschrift met de bijlagen, ontvangen op 28 november 2024;
  • het verweerschrift met de bijlagen, ontvangen op 11 februari 2025;
  • de repliek, ontvangen van klager op 11 maart 2025;
  • de dupliek, ontvangen van verweerder op 29 april 2025.
     

2.2     De partijen hebben de gelegenheid gekregen om onder leiding van een secretaris van het college in gesprek te gaan (mondeling vooronderzoek). Daarvan hebben zij geen gebruik gemaakt.
 

2.3     Het college heeft de klacht in raadkamer behandeld. Dit betekent dat het college de zaak beoordeeld heeft op basis van de stukken, zonder dat de partijen daarbij aanwezig waren. 
 

3.     De feiten

3.1     Het college gaat bij de beoordeling, voor zover van belang, uit van de volgende feiten en omstandigheden.

3.2     Klager bezocht op 1 december 2023 de Spoedeisende hulp (SEH) van te F met als reden van komst uitval van zijn rechterbeen bij bestaande herniaklachten. De conclusie van de SEH-arts was (alle citaten letterlijk weergegeven):
84-jarige man met in de voorgeschiedenis oa polymyalgia rheumatica, PCI LAD en recent gediagnosticeerde kanaalstenose van oa L3-L4, heden op SEH met:
1. Enige verminderde kracht bovenbeen rechts zonder sensibiliteitsverlies of andere alarmsymptomen, reeds sinds 26-11 bestaand, werkdiagnose waarschijnlijk passend bij kanaalstenose L3-L4 met nu geen aanwijzingen nieuwe acute pathologie
.”
 

3.3     In overleg met de dienstdoende orthopeed van de G te D werden vervolgafspraken gemaakt. De orthopedische behandeling van klager is uitgevoerd door artsen werkzaam bij of voor G. Dit is een kliniek voor orthopedische zorg gevestigd binnen E te D en F. Tussen G en E bestaat een intensieve samenwerking.
 

3.4     Later op dezelfde dag is naar aanleiding van een telefonisch consult door een collega van verweerder besloten klager alsnog op te nemen in het G. Er bestond nog steeds uitstralende pijn in zijn rechterbeen met anamnestisch krachtverlies en het gevoel door het been te zakken. De conclusie van deze collega was dat sprake was van een radiculair pijnsyndroom aan het rechterbeen, vermoedelijk op basis van wortelcompressie L3/4. Klager werd opgenomen ter observatie en mobilisatie middels een fysiotherapeut en voor adequate pijnstilling. Afgesproken werd dat op maandag 4 december 2023 röntgenonderzoek en een MRI zouden plaatsvinden.

3.5     De uitslag van het röntgenonderzoek en de MRI werd op 4 december 2023 door een collega van verweerder met klager besproken. De conclusie op basis van de beelden was mogelijk symptomatische stenose L3/4 met uitstraling naar het rechter bovenbeen.
 

3.6     Verweerder kwam de volgende dag om met klager en zijn echtgenote te spreken over mogelijke behandelingen. Als conclusie staat in het medisch dossier genoteerd:
Uitstraling rechter been L3 dermatoom met onhoudbare klachten (pijn en invaliditeit)sinds 10 dagen ondanks maximale conservatieve therapie bij stenose L3-4 met ook HNP component. Al langere tijd forse lage rugklachten. Tijdelijk effect epiduraal injectie, geen effect L5 blok.”  Verweerder sprak uitgebreid met klager en zijn echtgenote over zowel conservatieve als operatieve mogelijkheden, en klager koos voor een operatieve interventie. Verweerder gaf uitleg over de ingreep, nabehandeling, het verwachte resultaat en mogelijke complicaties. Klager ging akkoord met de ingreep en verweerder zette hem op de wachtlijst voor de ingreep.

3.7     In de periode vanaf 5 december 2023 tot de geplande operatie op 12 december 2023 was klager opgenomen in het E te F. Uit het medisch dossier volgt dat de pijnklachten van klager in die periode wisselend waren. De pijnmedicatie werd daar vervolgens op aangepast.

3.8     De operatie vond plaats op 12 december 2023 met verweerder als operateur. Er werd een decompressie laminotomie L3-4 bdz uitgevoerd, meer uitgebreid rechts met herniotomie. Voor de operatie was een hematoom (bloeduitstorting) op het rechter bovenbeen te zien. De operatie verliep ongecompliceerd.

3.9     De dag na de operatie vertelde klager tijdens het consult dat het direct postoperatief goed ging, maar de pijnklachten in het been vergelijkbaar waren ten opzichte van voor de operatie. Klager vertelde dat hij had verwacht dat deze afgenomen zouden zijn. Op 13 december 2023 raakte klager uit balans toen hij zijn handen wilde wassen in de badkamer. Klager is daarbij gevallen op zijn billen. Hij had geen evidente pijnklachten nadien. Op 14 en 15 december 2023 vertelde klager dat hij wederom veel pijn had in zijn rechterbil, uitstralend naar zijn bovenbeen. Hij had op 15 december 2023 meer klachten dan voor de operatie. Het hematoom in zijn bovenbeen was verminderd ten opzichte van de voorgaande dagen, hier had klager geen pijn aan. Verweerder bezocht klager op diens verzoek, en gaf klager volgens het medisch dossier uitleg dat een MRI geen meerwaarde had, omdat de klachten pasten bij een normaal postoperatief beloop.

3.10     Klager vertelde op 16 december 2023 dat hij graag naar huis zou willen. Twee dagen later, op 18 december 2023, vertelde klager dat de pijn in het rechterbeen onveranderd was en niet dragelijk. Dezelfde dag sprak klager met een collega van verweerder over de pijn en vertelde hij dat als hij afleiding had, bijvoorbeeld door een gesprek te voeren, het veel beter ging. De collega van verweerder gaf aan dat hij vond dat de dosis opiaten teruggebracht moest worden naar een veel lager niveau. Ook werden aan de fysiotherapeut instructies gegeven dat klager veel moest mobiliseren en zou het transferbureau benaderd worden, waarmee klager akkoord was. Klager wilde graag met de kerst thuis zijn en werd op 21 december 2023 ontslagen uit het ziekenhuis. Op dat moment was de pijn onder controle met alleen paracetamol. In de ontslagbrief aan de huisarts staat bij beloop: “Ongecompliceerd. Patiënt blijft echter pijnklachten houden van het rechterbovenbeen, welke bij afleiding wel af lijken te zakken. Er wordt geen verklaring gevonden voor zijn klachten en lijken het meest passend bij deconditionering. Waar in eerste instantie de opiaten opgehoogd waren, zijn deze op 19-12 verlaagd naar zo nodig oxinorm 5mg.”

3.11     Klager belde op 27 december 2023 met de polikliniek. In het dossier staat:
Samenvatting
8.55 Pt alweer, had nog geen antwoord, heb hem uitgelegd dat ik het heb voorgelegd aan de arts.ass en dat hij dit verder oppakt. Patiënt is erg ontevreden en vindt het maar raar dat ik hem niet meteen wil doorverbinden met een “echte” orthopeed.
8.23 Pt belt, is 12-12 geopereerd aan een decompressie L3-4 en herniotomie rechts, (microscopisch). Hij geeft nu aan dat de pijn toeneemt en geeft ook aan dat hij minder gevoel krijgt, (geen uitval). Hij is een beetje dwingend en wil eigenlijk alleen een orthopeed spreken en wil direct antwoord, Uitgelegd dat ik dit ga voorleggen aan de arts ass. Hij denkt zelf dat de operatie niet goed is gegaan. Mail naar [RTG; voornaam arts] gestuurd met de vraag of hij patiënt zelf wil bellen.”

 

3.12     Op 27 december 2023 bezocht klager de SEH in verband met klachten van doofheid na de rugoperatie. Klager wenste een MRI en re-operatie. Na overleg tussen de arts-assistent van de SEH en verweerder werd besloten dat een MRI op dat moment niet zinvol was, nu het ‘vers’ operatiegebied betrof dat niet goed beoordeelbaar was voor de radioloog. Verweerder vroeg zich af of de huidige pijnklachten gerelateerd konden worden aan de eerdere operatie, nu deze vlekkeloos was verlopen. Op verzoek van verweerder werd de neuroloog in consult gevraagd die klager beoordeelde. Er vond vervolgens overleg plaats tussen verweerder en de neuroloog, waarbij afgesproken werd dat een poliklinische MRI gemaakt zou worden waarna het vervolgbeleid via verweerder zou lopen. Ter overbrugging tot de MRI werd een nieuw recept oxycontin meegegeven.

3.13     Klager kwam op 28 december 2023 bij verweerder op vervolgconsult. In het medisch dossier staat genoteerd:
Reden van komst/Verwijzing
Opname i.v.m. uitstralende pijn rechter been met anamnestisch krachtsverlies en gevoel door het been te zakken.
Conclusie
Blijvende pijn en uitstraling rechter been. Gisteren cosult neuroloog. L4 radiculopathie is mogelijk, MRI vandaag, hematoom en centrale stenose. Iom patient morgen re-decompressie samen met naam [RTG; naam collega]
.”

3.14     De heroperatie vond plaats op 29 december 2023 met verweerder en een andere wervelkolomchirurg als operateurs. De indicatie voor deze operatie was “recidief stenose mogelijk na hematoom 14 dagen na decompressie”. De operatie (re-decompressie en laminotectomie L4 en uitruimen hematoom rechts) verliep ongecompliceerd. Na de operatie bezocht verweerder klager en liet hem de foto’s zien die aan het eind van de heroperatie waren gemaakt. Hierna droeg verweerder in verband met vakantie de behandeling over aan een collega.
 

3.15     Op 1 januari 2024 bezocht een collega van verweerder klager, en vertelde klager zich zorgen te maken over de wondlekkage. Er was geen sprake van actieve lekkage maar de wond had in het verband gelekt. Op 2 januari 2024 had klager hevige buikpijn en wilde hij gezien worden door een chirurg. Hij werd per ambulance vanuit G naar de SEH van het E gebracht voor het specialisme Chirurgie. Er was sprake van verdenking van een beklemde navelbreuk. De conclusie van de chirurg was verdenking van een perforatie van de dunne darm danwel sigmoïd. Op 3 januari 2024 bezocht een collega van verweerder klager in het E. Klager zei zich naar omstandigheden goed te voelen. Zijn rechterbeen voelde wat minder sterk, wel had hij een ongestoord gevoel in zijn rechter boven- en onderbeen. Zijn rechter lies-/heupregio voelde mogelijk iets minder maar dit was subtiel volgens klager. Wel vertelde klager over een aantal aspecten ontevreden te zijn, en had hij het gevoel onjuist of niet volledig geïnformeerd te zijn door verweerder. Lichamelijk onderzoek wees uit dat de wond op klagers rug rustig was, in zijn linkerbeen hadden alle spiergroepen ongestoorde kracht en in het rechterbeen hadden alle spiergroepen kracht IV op een schaal van V. Sensibiliteit in het hele been was aanwezig, subjectief was het gevoel in de rechter lies-/heupregio wat verminderd. Het grote hematoom dat in het rechter bovenbeen aanwezig was tijdens de opname in december was volledig weggetrokken.

Op 3 januari 2024 is door een collega van verweerder het volgende als beleid genoteerd: “Met pt besproken dat ik al zijn emails aan mij die hij ter documentatie sinds begin december gearchiveerd heb in het medisch dossier. Deze zijn te vinden onder multimedia.
Tevens besproken dat de chirurg moment formeel hoofdbehandelaar is en ik in afwezigheid van collega [RTG; achternaam verweerder] vanuit de orthopedie als consulent de behandeling voor [RTG; achternaam verweerder] waarneem. Daarmee ging klager akkoord.(…)
Gelet op het door pt uitgesproken wantrouwen heb ik voorgesteld in geval van nieuwe symptomen die duiden op stenoses of wortelcompressie op lumbaal niveau. wij in overleg zullen treden met de neurochirurg in I met het verzoek beoordeling en behandeling aldaar voor te zetten. Dhr [RTG; achternaam klager] ging daarmee akkoord. Bij het gesprek waren twee verpleegkundigen van de afdeling chirurgie aanwezig. Dit scenario komt dus alleen in beeld als er opnieuw symptomen van uitval optreden. Indien het herstel vanaf nu verder voorspoedig verloopt is kan de poliklinische follow up vooralsnog bij collega [RTG; achternaam verweerder] plaatsvinden.
Tenslotte heb ik aangegeven dat voor de zaken die dhr. [RTG; achternaam klager] collega [RTG; achternaam verweerder] verwijt, een gesprek met collega [RTG; achternaam verweerder] noodzakelijk is aangezien het zaken zijn die alleen de operateur die de operaties heeft uitgevoerd in perspectief kan plaatsen. Op dit moment is collega [RTG; achternaam verweerder] met vakantie. Er volgt sowieso nog een poliklinische controle en indien dhr. [RTG; achternaam klager] op een ander moment een gesprek wenst dan geeft hij dat aan.

3.16     Op 4 januari 2024 werd de afdeling orthopedie van G gebeld door de afdeling chirurgie van het E dat sprake was van heldere lekkage van de rugwond. Op 6 januari 2024 belde de chirurg, dat klager koorts had ontwikkeld en een stijgend CRP. Bij aanvullend onderzoek met CT-thorax en CT-abdomen werd geen andere focus gezien dan een mogelijk geïnfecteerd hematoom in de rug. De wond was iets rood, met name proximaal en distaal. Vanuit de rode plekken was sereuze lekkage. De conclusie was dat sprake was van (beginnende) sepsis bij waarschijnlijk een geïnfecteerd hematoom in de rugwond bij status na decompressie met herniotomie en meer recent uitruimen hematoom. Gelet op de beginnende sepsis werd klager overgedragen aan het H. Op 6 februari 2024 staat in het medisch dossier genoteerd als beleid: “Informatie opvragen H neurochirurgie inclusief OK verslag. Indien patient HB wenst met [RTG; achternaam verweerder] bellen.

3.17     Uit het medisch dossier volgt dat er op 23 mei 2024 een vervolgconsult heeft plaatsgevonden, waarbij verweerder en klager nogmaals hebben gesproken over het verloop van de behandeling. Op 19 juli 2024 hadden de manager en de medisch directeur van G een gesprek met klager over klagers onvrede over de behandeling en een eventuele schadeclaim.

4.     De klacht en de reactie van de orthopedisch chirurg
 

4.1     Volgens klager heeft de orthopedisch chirurg onzorgvuldig gehandeld, omdat hij:

  1. te lang heeft gewacht met de operatie;
  2. onvoldoende aandacht heeft besteed aan klagers pijnklachten;
  3. klagers verzoek om een MRI niet honoreerde en hem zonder goed onderzoek heeft ontslagen;
  4. onvoldoende heeft gecommuniceerd rondom de tweede operatie;
  5. te laat is ingegaan op het gemotiveerde verzoek om een CT-scan;
  6. het operatieverslag van het H niet heeft gelezen;
  7. niet erkent dat sprake is van tekortschietende zorg.
     

4.2     De orthopedisch chirurg heeft het college verzocht de klacht ongegrond te verklaren. Hij meent dat de (pijn)klachten van klager serieus zijn genomen en ook de behandeling zorgvuldig is uitgevoerd. Er was geen sprake van een spoedindicatie en klager is pas ontslagen toen de pijnklachten onder controle waren. De orthopedisch chirurg stelt zich op het standpunt dat hij heeft gehandeld op een wijze zoals het een redelijk beroepsbeoefenaar betaamd. Op hetgeen de orthopedisch chirurg overigens heeft aangevoerd, zal het college hieronder, voor zover noodzakelijk voor de beoordeling, nader ingaan.
 

4.3     Het college gaat hieronder verder in op de standpunten van partijen.

5.     De overwegingen van het college
 

De criteria voor de beoordeling

5.1     De vraag is of de orthopedisch chirurg de zorg heeft verleend die van hem verwacht mocht worden. De norm daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende orthopedisch chirurg. Bij de beoordeling wordt rekening gehouden met de voor de orthopedisch chirurg geldende beroepsnormen en andere professionele standaarden.


5.2     Het college oordeelt dat de orthopedisch chirurg niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld en zal dat hierna verder uitleggen.


Klachtonderdeel a) te lang wachten met eerste operatie

5.3     Klager verwijt verweerder allereerst dat hij niet met grotere spoed dan elf dagen na opname is geopereerd. Het college stelt vast dat klager op 1 december 2023 ter observatie is opgenomen in verband met een radiculair pijnsyndroom aan het rechterbeen, vermoedelijk op basis van een wortelcompressie L3/L4. Na het weekend, op 4 december 2023, is een MRI gemaakt die dit bevestigde. Aanvullend onderzoek volgde nog. Op 5 december 2023 is de indicatie voor de eerste operatie gesteld, toen verweerder klager voor het eerst bezocht en tevens heeft voorgelicht over de voorgenomen operatie. Uit het medisch dossier blijkt niet dat er redenen waren voor een spoedindicatie. Er was geen sprake van een acuut neurologisch beeld. Ook verslechterde de situatie van klager niet in de dagen na het stellen van de indicatie. Anders dan klager betoogt is er sprake van een wachttijd van één week tussen de indicatiestelling, op 5 december 2023, en de operatiedatum op 12 december 2023. Nu geen sprake was van een spoedindicatie, is het college van oordeel dat één week tussen de gestelde indicatie en de datum van de operatie een redelijke termijn is. Verweerder is daarover geen tuchtrechtelijk verwijt te maken.

Klachtonderdeel b) onvoldoende aandacht voor de pijnklachten

5.4     Ten aanzien van klagers verwijt dat verweerder onvoldoende aandacht had voor zijn pijnklachten, die waren toegenomen na de eerste operatie, overweegt het college als volgt. In het medisch dossier, waarin aantekeningen staan van zowel artsen als verpleegkundigen, staan vrijwel dagelijks notities over de ernst van de pijn. Verweerder heeft klager zelf ook gezien op 15 december 2023 en beoordeeld dat de klachten op dat moment passend waren bij het postoperatieve beloop. De pijnmedicatie is vervolgens meermalen hierop aangepast, totdat de pijn zodanig dragelijk was dat klager naar huis kon. De stelling dat er onvoldoende aandacht zou zijn voor klagers pijnklachten, volgt het college dan ook niet. Van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen is geen sprake.

Klachtonderdeel c) niet honoreren verzoek om een MRI-scan

5.5     Klager heeft zijn wens om een MRI na de eerste operatie meermalen naar voren gebracht. Klager verwijt verweerder dat hij zonder goed onderzoek is ontslagen uit het ziekenhuis. Het college kan het door verweerder ingestelde beleid, waaronder het niet aanvragen van een MRI kort na de operatie, volgen. De waarde van een MRI-scan kort na een operatie is relatief. Nu er geen sprake was van een verslechterd toestandsbeeld in de zin van progressieve neurologische uitval na de operatie, was voor een MRI-scan geen indicatie. Een MRI kon geen uitsluitsel over de oorzaak van de klachten geven, nu hematomen, oedeem en vochtcollecties ook gezien kunnen worden op een MRI na een ongecompliceerd postoperatief beloop. Verweerder heeft dan ook niet tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld.  

Klachtonderdeel d) onvoldoende uitleg rond tweede ingreep
5.6     Klager is op 29 december 2023 voor de tweede keer door verweerder (en een collega van verweerder) geopereerd. Klager stelt dat verweerder onvoldoende heeft gecommuniceerd voorafgaand en na deze operatie. Het college overweegt als volgt. Uit het medisch dossier volgt dat verweerder op 28 december 2023, na het alsnog vervaardigen van een MRI, preoperatief met klager heeft overlegd en dat gezamenlijk tot een nieuwe operatie is besloten. Ook voorafgaand aan de operatie op 29 december 2023 heeft verweerder nogmaals met klager gesproken. Op dat moment uitte klager zijn onvrede dat niet eerder een MRI-scan was gemaakt, waarna verweerder hem uitlegde dat een MRI zo kort na de operatie niet zinvol was. In het verweerschrijft schrijft verweerder dat hij klager na de operatie heeft uitgelegd dat er geen opzienbarende afwijkingen tijdens de re-exploratie waren gevonden, maar dat voor de zekerheid de decompressie iets verder was uitgebreid om verdere hematomen uit te sluiten onder de lamina. Ook deelde verweerder met klager de foto’s die gemaakt waren. Klager erkent dit in zijn repliek. Het college oordeelt op grond van het voorgaande dat verweerder zowel voor als na de operatie met klager heeft gesproken en hem voldoende heeft voorgelicht. Dat verweerder uiteindelijk geen duidelijke verklaring kan geven voor het verdwijnen van de klachten na de tweede operatie, is niet tuchtrechtelijk verwijtbaar.

Klachtonderdeel e) te laat ingaan op verzoek CT-scan

5.7     Klager stelt dat zijn gemotiveerde verzoek om een CT-scan te vervaardigen in de week van 1 tot 6 januari 2024, omdat hij het vermoeden had van een abces, ten onrechte pas laat en door toeval is gehonoreerd.
Verweerder heeft klager op 29 december 2023 geopereerd en had daarna vakantie. Klager werd op 2 januari 2024 opgenomen op de afdeling Chirurgie van het E. Met klager werd afgesproken dat de chirurg op dat moment formeel de hoofdbehandelaar was en een collega van verweerder vanuit de orthopedie als consulent de behandeling voor verweerder waarnam. Klager ging daarmee akkoord. Nu uit het dossier niet blijkt van enige persoonlijke betrokkenheid van verweerder bij de behandeling van klager in de periode van
1 tot 6 januari 2024, kan hem geen tuchtrechtelijk verwijt gemaakt worden over het al dan niet honoreren van een verzoek om een CT-scan.

Klachtonderdeel f) niet lezen operatieverslag

5.8     Klager is op 6 januari 2024 overgeplaatst naar het H waar hij vervolgens is geopereerd. Klager verwijt verweerder dat hij het operatieverslag van het H tijdens het telefonisch contact op 12 februari 2024, vijf weken na de operatie, nog niet had gelezen. Verweerder stelt dat hij meerdere malen heeft geprobeerd het operatieverslag te verkrijgen, maar dat hij dit niet eerder dan in mei 2024 heeft ontvangen. Het college stelt vast dat uit het medisch dossier blijkt dat klager op 3 januari 2024 is gezien door een collega van verweerder, die heeft genoteerd dat er nog een poliklinische afspraak bij verweerder zou plaatsvinden. Uit het medisch dossier volgt verder dat verweerder in ieder geval op 6 februari 2024 als beleid heeft genoteerd om het operatieverslag bij het H op te vragen. Verweerder heeft naar het oordeel van het college niet tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld door het operatieverslag vanuit het H nog niet te hebben gelezen op 12 februari 2024. Verweerder heeft zich met het opvragen van het operatieverslag voldoende ingespannen om dat verslag te krijgen. Dat verweerder ondanks zijn verzoeken het operatieverslag pas in mei 2024 heeft ontvangen, kan hem niet worden verweten.

Klachtonderdeel g) niet erkennen tekortschietende zorg
5.9     Klager en verweerder verschillen van mening of al dan niet sprake is van tekortschietende zorg. Klager verwijt verweerder dat hij deze vermeende tekortkomingen niet heeft willen erkennen. In het gesprek van 23 mei 2024 hebben klager en verweerder het beloop uitgebreid besproken, echter is daarbij een verschil van inzicht blijven bestaan. Het kan verweerder niet tuchtrechtelijk worden verweten dat hij tekortkomingen, die in zijn ogen niet bestonden, niet heeft willen erkennen. Verweerder heeft zorgvuldig gehandeld door het gesprek daarover aan te gaan. Zoals in de overwegingen hiervoor uiteen is gezet, is het college ook van oordeel dat verweerder de zorg heeft verleend die van hem verwacht mocht worden.


Slotsom

5.10     Uit de overwegingen hiervoor volgt dat alle onderdelen van de klacht kennelijk ongegrond zijn.

6.     De beslissing

De klacht is in al haar onderdelen kennelijk ongegrond.
 

Deze beslissing is gegeven op 29 juli 2025 door M.J.C. Dijkstra, voorzitter, P.C. Rijk en E.J. van Lindert, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door M.H. van Ham, secretaris.

secretaris                                                                                           voorzitter


 

Tegen deze beslissing kan in de volgende gevallen schriftelijk beroep worden ingesteld bij het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:

  1. Heeft u de klacht ingediend? Dan kunt u in beroep als
  • het college u of uw klacht geheel of gedeeltelijk niet-ontvankelijk heeft verklaard, of
  • als de klacht geheel of gedeeltelijk ongegrond is verklaard.

Bij een gedeeltelijke niet-ontvankelijkverklaring of een gedeeltelijke ongegrondverklaring kan uw beroep alleen betrekking hebben op dat deel van de beslissing.

  1. Is de klacht tegen u gericht? Dan kunt u altijd in beroep.
  1. Ook de inspecteur van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd kan beroep instellen.


U moet het beroepschrift richten aan het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg, maar opsturen naar de secretaris van het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Zwolle. Daar moet het zijn ontvangen binnen zes weken nadat de beslissing aan u is verstuurd.
 

Als u beroep instelt, moet u € 50,- griffierecht betalen aan het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg. U ontvangt hierover bericht. Als u geheel of gedeeltelijk in het gelijk wordt gesteld, wordt het griffierecht aan u terugbetaald.