ECLI:NL:TGZRZWO:2025:90 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Zwolle Z2025/8059

ECLI: ECLI:NL:TGZRZWO:2025:90
Datum uitspraak: 25-07-2025
Datum publicatie: 30-07-2025
Zaaknummer(s): Z2025/8059
Onderwerp: Onjuiste behandeling/verkeerde diagnose
Beslissingen: Ongegrond, kennelijk ongegrond
Inhoudsindicatie: Klacht tegen een psychiater kennelijk ongegrond. Klager verwijt verweerder dat hij onterecht aripiprazol (Abilify) heeft voorgeschreven en dat hij onterecht een verlenging van de zorgmachtiging heeft aangevraagd. Het college stelt vast, gelet op de psychotische problematiek van klager, dat de collega-psychiater gegronde redenen had om hem antipsychotica voor te schrijven en verweerder hiermee terecht door is gegaan. Voor de bijwerkingen was aandacht. Verder oordeelt het college dat verweerder in het door hem opgestelde zorgplan volgens de Wvggz, zorgvuldig was opgesteld en op voldoende grond de procedure in gang heeft kunnen zetten voor het aanvragen van een verlenging van de zorgmachtiging.

REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG ZWOLLE

Beslissing in raadkamer van 25 juli 2025 op de klacht van:

A,

wonende in B,

klager,

tegen

E,

psychiater,

werkzaam in B,

verweerder, hierna ook: de psychiater,

gemachtigde: D, werkzaam in B.

1. Waar gaat het over?

1.1 Klager is in verband met psychiatrische problemen meerdere keren verplicht opgenomen. Tijdens een opname in oktober 2023 voerde een collega-psychiater een intakegesprek met klager en gaf daarin aan antipsychotica in te gaan stellen. Begin 2024 werd klager wederom opgenomen en is verweerder bij de behandeling betrokken geraakt. Maandelijks kreeg klager aripiprazol (Abilify) in depotvorm toegediend. Klager ervaarde daar echter bijwerkingen van, zoals duizeligheid, even wegvallen, verlies van initiatief, futloosheid, maar ook niet stil kunnen zitten. Verder was hij, vanwege erfelijke belasting, bang voor hartproblemen. Op 27 mei 2024 vond er een gesprek plaats tussen klager, verweerder en een collega-psychiater over de bijwerkingen van de medicatie. Klager werd verwezen naar de cardioloog voor onderzoek; uit het cardiologisch onderzoek volgden geen afwijkingen. Eind september 2024 werd de maandelijkse depotmedicatie in verband met de door klager ondervonden bijwerkingen verlaagd van 400 mg naar 300 mg.

Ter voorbereiding op de aanvraag voor een verlenging van de zorgmachtiging op grond van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz) stelde verweerder begin januari 2025 het zorgplan van klager op. In het zorgplan schreef hij dat er sprake is van een psychiatrische stoornis bij klager, namelijk hechtingsproblematiek, complexe PTSS en een daaruit voortkomende psychotische kwetsbaarheid. Ook beschreef hij dat klager in het geval van een ontregeling medicatie zal weigeren en niet mee zal werken aan vrijwillige behandeling. Verder benoemde hij de uit de stoornis voortkomende dreiging van ernstig nadeel, waaronder psychische decompensatie, niet meewerken, agressie en dreigend gevaar voor zichzelf en anderen. Hij beschreef welke vormen van verplichte zorg konden worden ingezet om (dreigend) ernstig nadeel weg te nemen, in het geval dit ambulant en op vrijwillige basis niet mogelijk was. Het toedienen van dwangmedicatie en opname in een kliniek als klager onvoldoende meewerkt en stabilisatie niet meer mogelijk is in de thuissituatie, waren onderdelen van de verplichte zorg die in het zorgplan waren opgenomen.

Op 25 februari 2025 werd de aangevraagde zorgmachtiging door de rechtbank toegewezen voor een periode van een jaar.

In maart 2025 is in overleg tussen verweerder en klager de dosis van de depotmedicatie wegens de door klager ervaren bijwerkingen opnieuw verlaagd van 300 mg naar 200 mg.

Klager is volgens hemzelf niet psychotisch en wil dat er gestopt wordt met het toedienen van het medicijn. Hij verwijt verweerder dat hij onterecht aripiprazol (Abilify) heeft voorgeschreven en dat hij onterecht een verlenging van de zorgmachtiging heeft aangevraagd.

1.2 Het college komt tot het oordeel dat de klacht ontvankelijk is, maar kennelijk ongegrond. ‘Kennelijk’ betekent dat het niet nodig is om nog vragen aan de partijen te stellen en dat duidelijk is dat de klacht niet gegrond kan worden verklaard. Hierna licht het college toe hoe het tot deze beslissing is gekomen.

2. De procedure

2.1 Het college heeft de volgende stukken ontvangen:

  • het klaagschrift met de bijlage, ontvangen op 21 januari 2025;
  • het aanvullende klaagschrift met de bijlage, ontvangen op 18 februari 2025;
  • de brief van klager met de bijlage, ontvangen op 28 februari 2025;
  • het verweerschrift met de bijlagen, ontvangen op 24 maart 2025;
  • de brief van (de gemachtigde van) de psychiater van 9 april 2025, binnengekomen op 10 april 2025, met bijlage.

2.2 De partijen hebben de gelegenheid gekregen om onder leiding van een secretaris van het college in gesprek te gaan (mondeling vooronderzoek). Daarvan hebben zij geen gebruik gemaakt.

2.3 Het college heeft de klacht in raadkamer behandeld. Dit betekent dat het college de zaak beoordeeld heeft op basis van de stukken, zonder dat de partijen daarbij aanwezig waren.

3. De klacht en de reactie van de psychiater

3.1 Klager verwijt de psychiater dat hij:

a. onterecht het antipsychoticum aripiprazol (Abilify) heeft voorgeschreven, ondanks klachten over bijwerkingen;

  1. onterecht een verlenging van de zorgmachtiging heeft aangevraagd.

3.2 De psychiater vindt dat hij niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld en verzoekt het college de klacht ongegrond te verklaren.

3.3 Het college gaat hieronder verder in op de standpunten van partijen.

4. De overwegingen van het college

De criteria voor de beoordeling

4.1 De vraag is of de psychiater de zorg heeft verleend die van hem verwacht mocht worden. De norm daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende psychiater. Bij de beoordeling wordt rekening gehouden met de voor de psychiater geldende beroepsnormen en andere professionele standaarden. Dat een zorgverlener beter anders had kunnen handelen is niet altijd genoeg voor een tuchtrechtelijk verwijt. Verder geldt het uitgangspunt dat zorgverleners alleen tuchtrechtelijk verantwoordelijk zijn voor hun eigen handelen.

4.2 Het college oordeelt dat de psychiater niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld.

Klachtonderdeel a) onterecht antipsychoticum voorgeschreven

4.3 Klager verwijt verweerder dat hij antipsychoticamedicatie (aripiprazol/Abilify) heeft voorgeschreven, ondanks dat klager niet psychotisch is en hij veel last heeft van bijwerkingen. Klager is na het toekennen van een zorgmachtiging in 2023 verplicht opgenomen. Eind oktober 2023 weigerde klager de medicatie en is hij overgeplaatst naar een andere zorginstelling wegens provocerend gedrag.

4.4 Het college oordeelt dat het niet onjuist is dat er antipsychotica, eerst oraal en later ook in de vorm van depotmedicatie, is voorgeschreven door de collega-psychiater en is voortgezet door verweerder. In het zorgplan is als diagnose ‘psychotische kwetsbaarheid en hechtingsproblematiek’ vermeld en uit de stukken blijkt dat klager in 2023 in toenemende mate psychotische symptomen met delictgedrag (stalking) als gevolg vertoonde, vermoedelijk als gevolg van medicatieontrouw. Bovendien is uit de medische voorgeschiedenis van klager gebleken dat hij, na het op eigen initiatief staken van medicatie, vaker psychotisch ontregelde en gedwongen opnames met medicatie noodzakelijk waren om weer te stabiliseren.
Verder blijkt uit de voortgangsverslagen/rapportages dat het medicatiebeleid, dosering en de bijwerkingen, meerdere malen met klager is besproken en geëvalueerd. Niet aannemelijk is geworden dat dit beleid onzorgvuldig was. Voor de bijwerkingen (onder andere duizeligheid, hartritmestoornis en risico op hartproblemen) die klager mogelijk van de depotmedicatie ondervond, was aandacht, zoals ook blijkt uit de doorverwijzing naar de cardioloog en het advies om bij de huisarts langs te gaan. Hoewel deze bijwerkingen voor klager zeer hinderlijk zullen zijn geweest, waren deze niet zodanig dat moest worden geoordeeld dat de toepassing van deze dwangmedicatie niet langer proportioneel was.
Het college stelt vast, gelet op de psychotische problematiek van klager, dat de collega-psychiater gegronde redenen had om hem antipsychotica voor te schrijven en verweerder hiermee terecht door is gegaan. Tegen deze achtergrond kan niet geoordeeld worden dat verweerder omtrent het voortzetten van antipsychotische medicatie en het monitoren daarvan tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Het college overweegt daarbij dat de noodzaak voor klager om hem met medicatie te behandelen voldoende aannemelijk is geworden, waarbij het gebruik van een antipsychoticum eerder een positief effect had en klager na het stoppen van de medicatie vaker een psychotische terugval had.

Dit klachtonderdeel is kennelijk ongegrond.

Klachtonderdeel b) onterecht verlenging zorgmachtiging aangevraagd

4.5 Klager verwijt verweerder dat hij onterecht een verlenging van de zorgmachtiging heeft aangevraagd. Het college kan begrijpen dat verweerder, vanwege de verslechtering van de psychiatrische toestand van klager zoals onder klachtonderdeel a beschreven, in combinatie met het niet consistent innemen van antipsychotica, reden zag om een zorgplan op te stellen voor het aanvragen van een verlenging van de zorgmachtiging. In het zorgplan heeft hij een samenvatting van de voorgeschiedenis en zijn bevindingen gegeven, waaruit blijkt dat de verplichte zorg noodzakelijk, proportioneel en effectief was. Verweerder heeft onder meer toegelicht dat klager zonder zorgmachtiging in korte tijd depotmedicatie zal gaan weigeren, hulpverlening niet meer wil toelaten, in conflict zal komen met zijn omgeving en een groot gevaar voor zichzelf en anderen zal zijn. De rechtbank heeft het verzoek tot verlenging van de zorgmachtiging getoetst en vervolgens mede op basis van het zorgplan toegewezen. Daaruit blijkt dat de aanvraag tot verlenging van de zorgmachtiging niet onterecht was. Het college is van oordeel dat verweerder in het door hem opgestelde zorgplan volgens de Wvggz, zorgvuldig was opgesteld en op voldoende grond de procedure in gang heeft kunnen zetten voor het aanvragen van een verlenging van de zorgmachtiging.

Dit klachtonderdeel is ook kennelijk ongegrond.

Slotsom

4.6 Uit de overwegingen hiervoor volgt dat alle onderdelen van de klacht kennelijk ongegrond zijn.

5. De beslissing

De klacht is in al haar onderdelen kennelijk ongegrond.

Deze beslissing is gegeven op 25 juli 2025 door G. Tangenberg, voorzitter, C.M.J.H. Vermeulen en H.J. Kolthof, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door M.C. Sijtsema, secretaris.

secretaris voorzitter



Tegen deze beslissing kan in de volgende gevallen schriftelijk beroep worden ingesteld bij het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:

  1. Heeft u de klacht ingediend? Dan kunt u in beroep als
  • het college u of uw klacht geheel of gedeeltelijk niet-ontvankelijk heeft verklaard, of
  • als de klacht geheel of gedeeltelijk ongegrond is verklaard.

Bij een gedeeltelijke niet-ontvankelijkverklaring of een gedeeltelijke ongegrondverklaring kan uw beroep alleen betrekking hebben op dat deel van de beslissing.

  1. Is de klacht tegen u gericht? Dan kunt u altijd in beroep.
  1. Ook de inspecteur van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd kan beroep instellen.


U moet het beroepschrift richten aan het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg, maar opsturen naar de secretaris van het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Zwolle. Daar moet het zijn ontvangen binnen zes weken nadat de beslissing aan u is verstuurd.

Als u beroep instelt, moet u € 50,- griffierecht betalen aan het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg. U ontvangt hierover bericht. Als u geheel of gedeeltelijk in het gelijk wordt gesteld, wordt het griffierecht aan u terugbetaald.