ECLI:NL:TGZRZWO:2025:43 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Zwolle Z2024/7760

ECLI: ECLI:NL:TGZRZWO:2025:43
Datum uitspraak: 01-04-2025
Datum publicatie: 03-04-2025
Zaaknummer(s): Z2024/7760
Onderwerp: Geen of onvoldoende zorg
Beslissingen: Ongegrond, kennelijk ongegrond
Inhoudsindicatie: Klacht tegen internist-oncoloog kennelijk ongegrond. Klager werd door de huisarts verwezen naar de polikliniek maag-darm-leverziekten in verband met een rectale zwelling en bloedverlies. Na aanvullend onderzoek in het ziekenhuis bleek bij klager sprake te zijn van een T4N2Mx EMVI+ rectumcarcinoom met verdenking van een urotheelcelcarcinoom en lymfekliermetastasen. Het advies van het multidisciplinair overleg was om te starten met een ‘best supportive care beleid’. Klager verwijt de internist-oncoloog dat zij een onjuist/onvolledig advies heeft uitgebracht, waardoor klager essentiële zorg is ontnomen. Verder stelt klager dat de internist-oncoloog ten onrechte de informatieoverdracht heeft overgelaten aan een MDL-arts. Het college oordeelt dat internist-oncoloog niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld.

REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG

ZWOLLE

Beslissing in raadkamer van 1 april 2025 op de klacht van:

A,

wonende in B,

klager,

gemachtigde: C,

tegen

D,

internist,

werkzaam in E,

verweerster, hierna ook: de internist-oncoloog,

gemachtigde: F, werkzaam in E.

1. De zaak in het kort

1.1 Klager werd door de huisarts verwezen naar de polikliniek maag-darm-leverziekten (verder: MDL), in verband met bloedverlies waarbij een massa in het rectum werd geconstateerd. De uitslagen van de coloscopie en het aanvullend onderzoek werden tijdens een multidisciplinair overleg (verder: MDO) besproken. Bij klager bleek sprake te zijn van een T4N2Mx, EMVI+ rectumcarcinoom met verdachte lymfeklieren retroperitoneaal, mediastinaal en supraclaviculair passende bij metastasering en verdenking van een urotheelcelcarcinoom. Indien de verdachte lymfeklieren inderdaad metastasen bevatten dan was er sprake van een T4N2M1 rectumcarcinoom. Er waren geen curatieve behandelopties. In het advies vanuit het MDO ging men uit van de gemetastaseerde ziekte en werd palliatieve systeemtherapie afgeraden. Er werd geadviseerd in te zetten op een ‘best supportive care beleid’ gezien de zeer matige conditie van klager. Ter bevestiging van de uitgebreidheid van de ziekte kon een punctie van de lymfeklier op afstand, bijvoorbeeld supraclaviculair, overwogen worden. Dit advies werd ook genoteerd in het MDO-verslag. De MDL-arts besprak de uitslagen en het advies van het MDO met klager en zijn gemachtigde. Klager verwijt de internist-oncoloog dat zij een onjuist en onvolledig advies heeft uitgebracht, waardoor klager essentiële zorg is ontnomen en daarnaast dat zij ten onrechte de informatieoverdracht heeft overgelaten aan een MDL-arts.

1.2 Het college komt tot het oordeel dat de klacht kennelijk ongegrond is. ‘Kennelijk’ betekent dat het niet nodig is om nog vragen aan de partijen te stellen en dat duidelijk is dat de klacht niet gegrond kan worden verklaard. Hierna licht het college toe hoe het tot deze beslissing is gekomen.

2. De procedure

2.1 Het college heeft de volgende stukken ontvangen:

  • het klaagschrift met de bijlagen, ontvangen op 25 oktober 2024;
  • de nagestuurde machtiging van klager, ontvangen op 27 november 2024;
  • het verweerschrift met de bijlagen.

2. 2 e partijen hebben de gelegenheid gekregen om onder leiding van een secretaris van het college in gesprek te gaan (mondeling vooronderzoek). Daarvan hebben zij geen gebruik gemaakt.

2.3 Het college heeft de klacht in raadkamer behandeld. Dit betekent dat het college de zaak beoordeeld heeft op basis van de stukken, zonder dat de partijen daarbij aanwezig waren.

3. De feiten

3.1 In verband met bloedverlies en een rectale zwelling werd klager door de huisarts verwezen naar de polikliniek MDL, waar hij op 2 november 2023 door een MDL-arts werd gezien. Vanwege een verdenking van een rectumcarcinoom werd nader onderzoek verricht. Op 6 november 2023 stond een coloscopie gepland, die niet doorging vanwege een suboptimale voorbereiding op het onderzoek door klager zelf. Op 7 november 2023 vond de coloscopie alsnog plaats. Op 10 november 2023 werd een CT-Thorax/abdomen gemaakt en op 14 november 2023 een MRI-rectum.

3.2 Op 16 november 2023 werden de onderzoeksuitslagen besproken tijdens een algemeen oncologie MDO (colorectaal), waar een patholoog-anatoom, een radiotherapeut, een radioloog, een MDL-arts, verweerster (als internist-oncoloog) en twee chirurgen aan deelnamen. Verweerster was voorzitter van het MDO en verder niet betrokken bij de behandeling van klager. Tijdens het MDO heeft de aanwezige MDL-arts de medische situatie van klager toegelicht. De conclusie van het MDO luidde dat er bij klager sprake was van een T4N2Mx, EMVI+ rectumcarcinoom met verdenking op lymfekliermetastasen op afstand (deze waren nog niet histopathologisch bevestigd), die niet curatief behandelbaar was. Ook bestond een verdenking op een urotheelcelcarcinoom gelet op een hydronefrose op basis van een massa-effect leidende tot obstructie van de linker urineleider. Gelet op de score van de afgenomen vragenlijst (G8 screeningsinstrument voor geriatrische oncologie), in samenhang bezien met de matige conditie van klager en de verwachte beperkte compliantie met een behandeling gezien de taalbarrière en het zorgmijdende karakter van klager, werd een ‘best supportive care beleid’ geadviseerd en geen palliatieve systeemtherapie.

3.3 Op 17 november 2023 had klager een poliklinische afspraak met een MDL-arts (verweerder in zaaknummer Z2024/7177, ECLI:NL:TGZRZWO:2024:130) om de uitslagen en het advies van het MDO te bespreken. De gemachtigde van klager was bij deze afspraak aanwezig. De MDL-arts heeft het advies overgenomen en besproken, met daarbij het aanbod voor een gesprek met een internist-oncoloog en in dat geval een punctie van een lymfeklier. Klager heeft van dat aanbod geen gebruik gemaakt. Hij is naar G gegaan voor een second opion en behandeling.

4. De klacht en de reactie van de internist

4.1 Klager verwijt de internist-oncoloog dat zij:

  1. een onjuist/onvolledig advies heeft uitgebracht, waardoor klager essentiële zorg is ontnomen;
  2. ten onrechte de informatieoverdracht heeft overgelaten aan een MDL-arts.

4.2 De internist-oncoloog heeft het college verzocht de klacht ongegrond te verklaren. Zij stelt zich, samengevat, op het standpunt dat zij niet persoonlijk advies heeft gegeven en dat de behandelaar verantwoordelijk blijft voor het in te zetten beleid.

4.3 Het college gaat hieronder verder in op de standpunten van partijen.

5. De overwegingen van het college

De criteria voor de beoordeling

5.1 In deze zaak moet het college de vraag beantwoorden of de internist-oncoloog, in haar rol als voorzitter van het MDO, een tuchtrechtelijk verwijt gemaakt kan worden. De internist-oncoloog was niet rechtstreeks bij de zorg aan klager betrokken. Bij de beoordeling wordt rekening gehouden met de voor de internist-oncoloog geldende beroepsnormen en andere professionele standaarden. Verder geldt het uitgangspunt dat zorgverleners alleen tuchtrechtelijk verantwoordelijk zijn voor hun eigen handelen.

Klachtonderdeel a) uitbrengen onjuist/onvolledig advies

5.2 Tijdens een MDO stemmen diverse zorgprofessionals met andere specialisten af hoe zij de beste zorg voor patiënten kunnen bieden. Ieder lid van het MDO heeft daar zijn eigen specialisme. Het college stelt voorop dat de rol van de internist-oncoloog bij het MDO, evenals die van andere specialisten tijdens een MDO, is om ter voorbereiding op het MDO te kijken of er onduidelijkheden zijn gelet op de klinische gegevens en of er gegevens ontbreken die nodig zijn voor het nemen van een behandelbeslissing. Ook kijkt de specialist
of gegevens die protocollair vermeld moeten worden volledig zijn weergegeven en of er bevindingen staan, die in het licht van de bij het MDO beschikbaar gekomen gegevens verdere vragen oproepen. Het advies dat vervolgens door het MDO wordt gegeven is van gewicht, maar is niet bindend. De hoofdbehandelaar kan afwijken van dit advies, bijvoorbeeld omdat er andere informatie beschikbaar is gekomen. De behandelaar blijft hoe dan ook verantwoordelijk voor het te volgen beleid. In dit specifieke geval is het advies van het MDO opgevolgd door de MDL-arts (verweerder in zaaknummer Z2024/7177). Meer specifiek was de internist-oncoloog in haar rol van voorzitter van het desbetreffende MDO verantwoordelijk voor het leiden van het MDO, bewaken van de tijd en de inhoudelijke kwaliteit. Uiteindelijk heeft het MDO, onder gezamenlijke verantwoordelijkheid, een advies uitgebracht over het te volgen traject. De internist-oncoloog kan niet persoonlijk verantwoordelijk worden gehouden voor de gehele inhoud van het MDO-advies. Verder heeft het college geen aanknopingspunten om te oordelen dat het MDO-advies onzorgvuldig tot stand is gekomen of qua inhoud onjuist of onvolledig is. De stelling van klager dat de internist-oncoloog de geschiedenis van klager onvoldoende had bestudeerd, volgt het college niet. De relevante voorgeschiedenis van klager volgt voldoende uit het MDO-advies. Naar het oordeel van het college kan de internist-oncoloog geen tuchtrechtelijk verwijt gemaakt worden. Dit klachtonderdeel is kennelijk ongegrond.

Klachtonderdeel b) informatieoverdracht overlaten aan MDL-arts

5.3 Klager was onder behandeling bij de afdeling MDL. Nadat de nodige onderzoeken waren gedaan, is de casus van klager besproken in het hiervoor genoemde MDO. Een MDL-arts heeft het advies dat uit het MDO kwam met klager en zijn gemachtigde besproken, en hierbij het advies van het MDO overgenomen inclusief het aanbod van een gesprek bij een internist-oncoloog voorafgegaan door een punctie van een lymfeklier waardoor metastasering op afstand bevestigd wordt. Het college acht deze gang van zaken niet tuchtrechtelijk verwijtbaar en conform de gebruikelijke werkwijze en afspraken. Dit klachtonderdeel is kennelijk ongegrond. Slotsom

5.4 Uit de overwegingen hiervoor volgt dat de klacht kennelijk ongegrond is.

6. De beslissing

De klacht is kennelijk ongegrond.

Deze beslissing is gegeven op 1 april 2025 door H.L. Wattel, voorzitter, J.W.B. de Groot en M.E.M.M. Bos, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door M.H. van Ham, secretaris.

secretaris voorzitter



Tegen deze beslissing kan in de volgende gevallen schriftelijk beroep worden ingesteld bij het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:

  1. Heeft u de klacht ingediend? Dan kunt u in beroep als
  • het college u of uw klacht geheel of gedeeltelijk niet-ontvankelijk heeft verklaard, of
  • als de klacht geheel of gedeeltelijk ongegrond is verklaard.

Bij een gedeeltelijke niet-ontvankelijkverklaring of een gedeeltelijke ongegrondverklaring kan uw beroep alleen betrekking hebben op dat deel van de beslissing.

  1. Is de klacht tegen u gericht? Dan kunt u altijd in beroep.
  1. Ook de inspecteur van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd kan beroep instellen.


U moet het beroepschrift richten aan het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg, maar opsturen naar de secretaris van het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Zwolle. Daar moet het zijn ontvangen binnen zes weken nadat de beslissing aan u is verstuurd.

Als u beroep instelt, moet u € 50,- griffierecht betalen aan het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg. U ontvangt hierover bericht. Als u geheel of gedeeltelijk in het gelijk wordt gesteld, wordt het griffierecht aan u terugbetaald.