ECLI:NL:TGZRZWO:2025:170 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Zwolle Z2025/8407

ECLI: ECLI:NL:TGZRZWO:2025:170
Datum uitspraak: 22-12-2025
Datum publicatie: 23-12-2025
Zaaknummer(s): Z2025/8407
Onderwerp: Onjuiste behandeling/verkeerde diagnose
Beslissingen: Ongegrond/afwijzing
Inhoudsindicatie: Klaagster verwijt de tandarts dat hij onzorgvuldig heeft gehandeld bij het verwijderen van een tand. Volgens klaagster heeft de tandarts ten onrechte geen röntgenfoto gemaakt, geen uitleg gegeven en geen rekening gehouden met haar spierziekte. De klacht is ongegrond.


REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG

ZWOLLE

Beslissing van 22 december 2025 op de klacht van:

A ,

wonende in B,

klaagster,

gemachtigde: C (dochter),

tegen

D ,

tandarts,

werkzaam in B,

verweerder, hierna ook: de tandarts,

gemachtigde: mr. A.F. Maatje, werkzaam in Amsterdam.

  1. De zaak in het kort

1.1     De tandarts is werkzaam bij tandheelkundige kliniek E te B waar klaagster (geboren in 1936) patiënte was. Omdat bij klaagster element 13 deels was afgebroken, heeft de tandarts op 3 maart 2025 het (wortel)restant van dit element geëxtraheerd. Daarbij heeft de tandarts gebruik gemaakt van het verdovingsmiddel Septanest N. Tijdens de behandeling is het naastgelegen element 12 beschadigd. Op 4 maart 2025 is klaagster hiervoor door een andere tandarts binnen dezelfde kliniek behandeld.

1.2     Klaagster is niet tevreden over de behandeling. De tandarts heeft volgens klaagster ten onrechte geen röntgenfoto gemaakt, geen uitleg gegeven over de behandeling en de behandeling onzorgvuldig uitgevoerd. Medio 2025 heeft klaagster zich laten overschrijven naar een andere tandartsenpraktijk.

1.3     Het college komt tot het oordeel dat de tandarts niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. De klacht is daarom ongegrond. Hierna licht het college dat toe.

  1. De procedure

2.1     Het college heeft de volgende stukken ontvangen:
- het klaagschrift met de bijlagen, ontvangen op 14 april 2025;
- het verweerschrift met de bijlagen;
- de conclusie van repliek met de bijlagen;
- de conclusie van dupliek;
- de akte overlegging aanvullende productie (5) van de tandarts.

2.2     De partijen hebben de gelegenheid gekregen om onder leiding van een secretaris van het college met elkaar in gesprek te gaan (mondeling vooronderzoek). Daarvan hebben zij geen gebruik gemaakt.

2.3     De zaak is behandeld op de openbare zitting van 14 november 2025. Namens klaagster is haar dochter verschenen. De tandarts is met zijn gemachtigde verschenen. De partijen hebben hun standpunten mondeling toegelicht en vragen van het college beantwoord. De tandarts heeft spreekaantekeningen voorgelezen en aan het college overhandigd.

  1. De klacht en de reactie van de tandarts

3.1
Klaagster verwijt de tandarts dat hij:
a) geen röntgenfoto heeft gemaakt om te kijken of hij de extractie van de hoektand zelf kon uitvoeren of dat een verwijzing naar de kaakchirurg nodig was;
b) geen uitleg heeft gegeven over de behandeling en met de verdoving geen rekening heeft gehouden met haar spierziekte (myasthenia gravis);
c) de extractie onzorgvuldig heeft uitgevoerd waardoor andere tanden zijn beschadigd, haar wang dagenlang helemaal blauw en beurs was, eten bijna niet mogelijk was, zij veel bloed heeft verloren en mogelijk een onbedoelde opening tussen de mond en de neusbijholte (antrumperforatie) is ontstaan;
d) tijdens de behandeling haar “plaatje” heeft laten zitten waardoor er verstikkingsgevaar was;
e) voor de herstelbehandeling kosten in rekening heeft gebracht.

3.2     De tandarts heeft het college verzocht de klacht ongegrond te verklaren. 

3.3     Het college gaat hieronder verder in op de standpunten van partijen.

  1. De overwegingen van het college

4.1     Het college begrijpt van de dochter dat klaagster tot op heden wisselend pijn heeft aan haar gebit en dat klaagster sinds de behandeling uit angst geen tandarts meer heeft bezocht. Voorts zijn beide partijen nog steeds emotioneel over de behandeling en de nasleep hiervan. Het college heeft oog voor de impact van de kwestie op beide partijen. Het college zal de klacht(onderdelen) evenwel zakelijk moeten beoordelen.

De criteria voor de beoordeling
4.2     De vraag is of de tandarts de zorg heeft verleend die van hem verwacht mocht worden. De norm daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende tandarts. Bij de beoordeling wordt rekening gehouden met de voor de zorgverlener geldende beroepsnormen en andere professionele standaarden. Dat een zorgverlener beter anders had kunnen handelen is niet altijd genoeg voor een tuchtrechtelijk verwijt.

Klachtonderdeel a) geen röntgenfoto gemaakt
4.3     Klaagster verwijt de tandarts dat hij vóór de behandeling geen (nieuwe) röntgenfoto heeft gemaakt om te kijken of hij de extractie zelf kon uitvoeren of dat verwijzing naar een kaakchirurg nodig was.

4.4     De tandarts heeft toegelicht dat een orthopantomogram (OPT) uit 2011 beschikbaar was waarop de positie van de wortel van element 13 voldoende zichtbaar was. Volgens de tandarts zat dit element weliswaar stevig in het gebit verankerd maar betrof het geen complexe ingreep. Ook achteraf bezien was deze OPT voldoende actueel, omdat de wortelpositie onveranderd was en de extractie zonder complicaties verliep met uitzondering van het loslaten van de vulling van element 12, aldus de tandarts.

4.5     Hoewel de OPT al uit 2011 dateert en dus niet de actuele status weergeeft, ziet het college geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de tandarts in dit geval een solo opname van element 13 had moeten maken. Er bestaat geen richtlijn die bepaalt dat voor een extractie altijd een recente foto nodig is, hoewel dit wel van toegevoegde waarde kan zijn. Het achterwege laten hiervan in dit geval heeft naar het oordeel van het college echter geen invloed gehad op de uitkomst van de behandeling. Klachtonderdeel a) is ongegrond.

Klachtonderdeel b) geen uitleg gegeven en geen rekening gehouden met spierziekte
4.6     Klaagster verwijt de tandarts dat hij geen uitleg heeft gegeven over de behandeling en dat hij geen rekening heeft gehouden met haar spierziekte (myasthenia gravis).

4.7     De tandarts voert als verweer dat hij met klaagster heeft besproken dat restauratie van element 13 geen optie was, dat extractie van deze (afgebroken) hoektand juist aangewezen was en dat klaagster daarmee heeft ingestemd. Op basis van een door klaagster ingevulde “Gezondheidsvragenlijst mondzorg – volwassenen” is in de patiëntkaart van klaagster verwerkt dat zij aan een spierziekte lijdt en welke geneesmiddelen zij hiervoor gebruikt. Deze medische gegevens van klaagster zijn geen aanleiding geweest voor een afwijkend verdovingsbeleid. Daarbij wijst de tandarts erop dat klaagster ten behoeve van eerdere behandelingen al vaker met het standaardmiddel Septanest N is verdoofd en dat toen nooit complicaties zijn opgetreden.

4.8      Het college stelt vast dat blijkens de website van het Farmacotherapeutisch Kompas ten aanzien van de toepassing van het verdovingsmiddel Septanest N onder “Waarschuwingen en voorzorgen” onder meer het volgende is vermeld:

“Wees voorzichtig, dat wil zeggen pas de laagste dosis articaïne toe die tot effectieve anesthesie leidt en overweeg uitstel van de ingreep als de aandoening ernstig of instabiel is bij:

  • myasthenia gravis, behandeld met acetylcholinesteraseremmers;
  • (…);
  • ouderen;
  • (…).”

De tandarts heeft terecht aangevoerd dat de spierziekte van klaagster op zichzelf geen contra-indicatie is voor het gebruik van het verdovingsmiddel Septanest N, mede gelet op de eerdere behandelingen van klaagster waarbij dit middel kennelijk zonder problemen is toegepast. Daarbij betrekt het college dat de tandarts heeft toegelicht dat hij ten aanzien van de houding tijdens de behandeling rekening heeft gehouden met de kortademigheid van klaagster bij plat liggen en dat hij geen zichtbare tekenen van benauwdheid heeft waargenomen die noopten tot een meer rechtopstaande positie van klaagster. Het college heeft geen redenen om aan deze toelichting te twijfelen. Klachtonderdeel b) is ongegrond.

Klachtonderdeel c) onzorgvuldige behandeling

4.9       Klaagster verwijt de tandarts dat hij haar gebit heeft “gesloopt”. Daarnaast stelt klaagster dat zij een plop heeft gevoeld bij haar neus tijdens het sjorren en trekken wat kan wijzen op het ontstaan van een opening van de mondholte naar de neusbijholte (antrumperforatie).

4.10     Mede gelet op de toelichting die de tandarts ter zitting heeft gegeven, oordeelt het college dat de tandarts de behandeling correct heeft uitgevoerd en dat het gedeeltelijk losraken van de vulling van element 12 – in het medisch dossier en de factuur van 10 maart 2025 is dit omschreven als “V95 12 volledig vormherstel tand of kies met composiet (herstel anatomische kroon)” – als gevolg van de behandeling een complicatie is die de volgende dag direct is hersteld. Van een tuchtrechtelijk verwijtbare beroepsfout is geen sprake. Dat element 11 door de extractie ook zou zijn beschadigd (volgens klaagster heeft zij na de behandeling een gat aan de achterkant van dit element geconstateerd) is niet gebleken. De ongedateerde foto die klaagster als bijlage 3 bij de repliek heeft overgelegd vormt daarvoor geen overtuigend bewijs. Daarbij merkt het college op dat uit het medisch dossier blijkt dat op 10 juni 2024 ten aanzien van element 11 een eenvlaksrestauratie met composiet is uitgevoerd. Dit kan de “'witte lijm rond element 11 en 12” verklaren. Het dossier vermeldt voorts dat de tandarts een ‘blaas snuit proef’ heeft uitgevoerd, die negatief was. Dit betekent dat van een antrumperforatie na de behandeling geen sprake was. Tot slot geldt dat het college niet kan vaststellen of de tandarts na afloop van de behandeling aan klaagster de “Instructies na extractie” heeft meegegeven. Partijen verschillen hierover van mening. Wel merkt het college op dat de instructies zien op de nazorg en niet op de gewraakte behandeling zelf. Klachtonderdeel c) is ongegrond.

Klachtonderdeel d) verstikkingsgevaar door plaatje

4.11     Klaagster verwijt de tandarts dat hij tijdens de behandeling haar “plaatje” niet (tijdelijk) heeft verwijderd waardoor er verstikkingsgevaar was.

4.12     De tandarts voert als verweer dat hij tijdens de behandeling geen hinder heeft ondervonden van dit plaatje (gedeeltelijke prothese) in de onderkaak. Volgens hem is het plaatje niet verschoven en heeft dit de behandeling niet belemmerd. Als het plaatje los had gezeten, dan zou hij dit hebben opgemerkt en deze uit voorzorg hebben verwijderd. Van verstikkingsgevaar was geen sprake, aldus de tandarts.

4.13     Het college acht dit een plausibele uitleg van de tandarts die ook strookt met de notitie in het medisch dossier op 3 maart 2025 dat “ Mw draagt geen plaatje voor boven, wel voor onder ”. De verwijderde hoektand (element 13) bevond zich in de bovenkaak. Klachtonderdeel d) is ongegrond.

Klachtonderdeel e) herstelkosten

4.14     Tussen partijen is niet (meer) in geschil dat de tandarts eerst kosten in rekening had gebracht voor de (herstel)behandelingen op 3 en 4 maart 2025 die hij later door intrekking van de factuur van 10 maart 2025 met factuurnummer 2025-5038 weer ongedaan heeft gemaakt. Klachtonderdeel e) is ongegrond.

Slotsom

4.15     Uit de overwegingen hiervoor volgt dat alle onderdelen van de klacht ongegrond zijn.

  1. De beslissing

Het college verklaart de klacht ongegrond.
 

Deze beslissing is gegeven door Th.A. Wiersma, voorzitter, H.B.C. van der Meer, lid-jurist,
Th.J.M. Hoppenreijs, M.E. Geertman en E.M. Baas, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door

P. van der Stroom, secretaris, en in het openbaar uitgesproken op 22 december 2025 .

secretaris                                                                                           voorzitter



Tegen deze beslissing kan in de volgende gevallen schriftelijk beroep worden ingesteld bij het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:

  1. Heeft u de klacht ingediend? Dan kunt u in beroep als
  • het college u of uw klacht geheel of gedeeltelijk niet-ontvankelijk heeft verklaard, of
  • als de klacht geheel of gedeeltelijk ongegrond is verklaard,
  • het college kennelijk onbevoegd is, of
  • voor zover de klacht kennelijk van onvoldoende gewicht is.
     

Bij een gedeeltelijke niet-ontvankelijkverklaring of een gedeeltelijke ongegrondverklaring kan uw beroep alleen betrekking hebben op dat deel van de beslissing.

  1. Is de klacht tegen u gericht? Dan kunt u altijd in beroep.
  1. Ook de inspecteur van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd kan beroep instellen.


U moet het beroepschrift richten aan het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg, maar opsturen naar de secretaris van het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Zwolle. Daar moet het zijn ontvangen binnen zes weken nadat de beslissing aan u is verstuurd.
 

Als u beroep instelt, moet u € 50,- griffierecht betalen aan het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg. U ontvangt hierover bericht. Als u geheel of gedeeltelijk in het gelijk wordt gesteld, wordt het griffierecht aan u terugbetaald.