ECLI:NL:TGZRZWO:2025:168 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Zwolle Z2025/7973

ECLI: ECLI:NL:TGZRZWO:2025:168
Datum uitspraak: 19-12-2025
Datum publicatie: 23-12-2025
Zaaknummer(s): Z2025/7973
Onderwerp: Schending beroepsgeheim
Beslissingen: Gegrond, (voorwaardelijke) schorsing inschrijving register
Inhoudsindicatie: Klacht tegen een psychotherapeut. Klaagster was gedurende een periode van acht jaar in behandeling bij de psychotherapeut. In juni 2021 liep de behandeling vast en nam de psychotherapeut contact op met de huisarts van klaagster om hierover te overleggen. Klaagster wilde vervolgens een brief waarin stond dat zij de behandeling wilde beëindigen persoonlijk overhandigen bij de praktijk (aan huis) van de psychotherapeut, waarop hij de politie belde. Nadien hadden klaagster en de psychotherapeut nog meerdere keren contact. Klaagster verwijt de psychotherapeut, samengevat, het schenden van zijn beroepsgeheim en onheuse bejegening. Het college komt tot het oordeel dat de klacht gegrond is en legt de maatregel van een voorwaardelijke schorsing voor de duur van zes maanden op.


REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG

ZWOLLE

Beslissing van 19 december 2025 op de klacht van:

A,

wonende in B,

klaagster,

tegen

C,

psychotherapeut,

werkzaam in D,

verweerder, hierna ook: de psychotherapeut,

gemachtigde: mr. drs. A. Dekker, werkzaam in Amsterdam.

1. De zaak in het kort
 

1.1     Klaagster was gedurende een periode van acht jaar in behandeling bij verweerder. In juni 2021 liep verweerder vast in de behandeling en nam hij contact op met de huisarts van klaagster om hierover te overleggen. Klaagster wilde vervolgens een brief waarin stond dat zij de behandeling wilde beëindigen persoonlijk overhandigen bij de praktijk van verweerder, waarop verweerder de politie belde. Nadien hadden klaagster en verweerder nog meerdere keren contact.
 

1.2     Klaagster verwijt verweerder, samengevat, het schenden van zijn beroepsgeheim en onheuse bejegening.
 

1.3     Het college komt tot het oordeel dat de klacht gegrond is en legt de maatregel van een voorwaardelijke schorsing voor de duur van zes maanden op. Hierna licht het college dat toe.
 

2. De procedure
 

2.1     Het college heeft de volgende stukken ontvangen:

  • het klaagschrift met de bijlagen, ontvangen op 3 januari 2025;
  • het verweerschrift;
  • aanvullende bewijsstukken van klaagster, ontvangen op 16 en 17 juni 2025;
  • het proces-verbaal van het op 26 juni 2025 gehouden mondelinge vooronderzoek, met de reactie op het proces-verbaal van de gemachtigde van verweerder van 15 juli 2025.

2.2     De zaak is behandeld op de openbare zitting van 25 november 2025. Klaagster is verschenen. Verweerder is eveneens verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Klaagster heeft pleitnotities voorgelezen en aan het college en de andere partij overhandigd. Verweerder heeft tevens een pleitnotitie voorgelezen en aan het college overhandigd.
 

3. Wat is er gebeurd?
 

3.1       Klaagster was vanaf 2013 in behandeling bij verweerder. Verweerder heeft een praktijk voor psychotherapie aan huis. Bij klaagster was de diagnose chronisch posttraumatische stress gesteld. Klaagster bleek niet in staat om reguliere psychotherapie te volgen en verweerder schakelde om die reden terug naar pre-therapie.

3.2       Uit het medisch dossier van klaagster bij de huisarts volgt dat klaagster op
15 juni 2021 een klacht indiende tegen verweerder.

3.3       Op 16 juni 2021 staat in het het medisch dossier van klaagster bij de huisarts genoteerd (alle citaten letterlijk overgenomen en bij weergave van namen degene die het betreft):
S        [RTG: naam verweerder] wil graag overleg over behandeling, adv E,
            komt niet verder met patiente.
P          C. wil overleg met beh. huisarts en over 2 wkn met [RTG: naam medewerker
            huisartsenpraktijk] duurt te lang, zal overleggen, ik kan geen vw doen zonder
            overleg met pat. Mevr wil mij niet meer spreken”

“S        Tel Overleg met [RTG: naam verweerder]. Dhr is de behandlaar van [RTG: naam
            klaagster]. Hij heeft pte verwezen naar het E maar heeft niets terug
            gehoord. Hij kan daar niet mee leven.Dhr heeft een moeizame pt – behandelaar
            relatie met pte en dhr is bang dat pte klachten in gaat dienen over hem omdat ze
            een manipulateur is. Dhr wil dat de ha het E belt zodat hij van daar uit
            ondersteuning krijgt
P          Uitgelegt dat het bellen vh E niet meer lukt na 17.00. Dhr belt morgen
            weer terug naar de waarnemer van [RTG: naam huisarts].


3.4       Klaagster nam op 16 juni 2021 contact op met een bemiddelaar van de Nederlandse Vereniging voor Psychotherapie (NVP). Deze bemiddelaar hielp haar dezelfde dag met het opstellen van een brief om de behandelingsovereenkomst met verweerder te beëindigen. Klaagster wilde deze brief persoonlijk overhandigen bij de praktijk van verweerder (tevens zijn huisadres). Verweerder wilde de brief niet aannemen en vroeg klaagster en haar partner vervolgens om het terrein te verlaten en belde uiteindelijk de politie. De politie vroeg klaagster te vertrekken en de brief per post te versturen, in de brievenbus te doen of te e-mailen, waarop klaagster vertrok.

3.5       Op 17 juni 2021 belde verweerder opnieuw de huisartsenpraktijk van klaagster. In het dossier van de huisarts staat genoteerd:
“S        [RTG: naam verweerder] belt, beschuldigingen aan adres van de praktijk, er is een
            lek!!! vertrouwelijke informatie met deze praktijk delen kan kennelijk niet, want er is
            geen andere uitleg mogelijk dan dat wij aan patiente hebben doorgegeven wat hij
            met [RTG: naam huisarts] besproken heeft, anders had zij gisteravond niet bij hem
            op de stoep gestaan. uitleg dat ik mijn beroepsgeheim niet kan doorbreken, dat ik
            wel andere manieren kan bedenken waarop dit gebeuren tot stand is gekomen, maar
            niets uit dossier kan delen, behalve waar mw mij expliciet toestemming voor heeft
            gegeven, zie Oregel consult met mw. dhr [RTG: voorletter verweerder] blijft mij
            beschuldigen, of ik niet goed wijs ben, stem van een vrouw op de achtergrond die
            ook vragen stelt, er moet een lek zijn etc. mijn beroep op beroepsgeheim en dat er
            volgens mijn onderzoek vanuit deze praktijk geen onoirbare dingen zijn gebeurd,
            worden weggeschoven want kan niets anders. wat mijn onderzoek inhoudt kan ik
            niet delen. meer beschuldigingen. gesprek beeindigd, dit leidt tot niets.”
S          [RTG: naam en telefoonnummer verweerder] belt terug. Wil weten welke notitie
            er is genoteerd. Ik geef hem aan dat ik eerst even moet navragen welke ha ik met
            hem kan doorverbinden. De ha waar gisteren overleg mee is geweest is vandaag niet
            aanwezig. Dhr. geeft aan dat huisartsen maar tot 17 uur werken, waarop ik aangeef
            dat wij dan telefonisch niet meer bereikbaar zijn, maar de huisartsen zeker nog aan
            het werk zijn. Hierop geeft hij aan dat hij zeker langer werkt. Dhr. geeft aan dat er
            blijkbaar mw dingen zijn verteld die vertrouwelijk zijn gezegd tegen ha. Geeft aan
            dat er een lek is in onze praktijk. Gisteravond contact gehad met mw. en daar moest
            de politie aan te pas komen om mw. weg te krijgen. Ik overleg met F
.”

En:
            “[RTG: naam huisarts] gebeld: heeft mw helemaal niet gesproken. [RTG: naam
            verweerder] wilde hulp bij aanmelding E, was bang voor klacht van mw.
            dus geen sprake van lek in onze praktijk
.”

3.6       Op 20 september 2021 vernietigde verweerder op verzoek van klaagster haar dossier.

3.7       Bij brief van 6 oktober 2021 liet verweerder de huisarts van klaagster weten dat de behandelrelatie van verweerder met klaagster in onderling overleg was beëindigd. In deze brief schreef verweerder ook dat zijn laatste contact met de praktijk niet soepel verliep, en dat (de waarnemer van) de huisarts correct had gehandeld door niet in te gaan op de gestelde vraag en het gesprek af te breken. Verweerder bood zijn excuses aan voor zijn handelen en vooral voor zijn onwetendheid.

3.8       Tussen verweerder en klaagster was daarna nog af en toe contact. Klaagster ontving naar eigen zeggen op 15 augustus 2022 een uitdraai van haar medisch dossier van de huisarts waarna ze contact opnam met verweerder. Vervolgens bood verweerder bij brief van 15 augustus 2022 klaagster een eindgesprek aan en liet weten de contacten te willen stoppen. De eindevaluatie vond niet plaats. Wel vond er een bemiddelingsgesprek plaats met een contactpersoon van de NVP, klaagster, haar zoon en verweerder over, onder meer, het noemen van klaagsters naam bij de huisarts. Dit gesprek leidde niet tot verzoening. Verweerder reageerde vervolgens schriftelijk op de uitdraai van het medisch dossier van klaagster van de huisarts.

3.9       Op 18 april 2023 schreef de zoon van klaagster een e-mail aan verweerder, dat klaagster op 12 april 2023 een politiemutatie had ingezien die was opgemaakt naar aanleiding van de telefonische melding van verweerder bij de politie op 16 juni 2021. Hij vroeg verweerder de mogelijkheden te bekijken om de registraties bij de huisarts en de politie te verwijderen. Verweerder reageerde hierop per e-mail van 20 april 2023 dat wat hem betreft de kous af was. Hij schreef: “Tenslotte: wat instanties, politie of huisartsen, opschrijven in hun rapportage is, dat is de zaak van die instanties. Niet van iemand anders. Voor bezwaar daar tegen moet je bij die instanties zijn, niet bij mij.”

3.10     Verweerder stuurde vervolgens op 10 mei 2023 een brief naar de zoon van klaagster, omdat klaagster hem bij de bakker lastig zou hebben gevallen. Verweerder schreef dat hij niet ging meewerken aan het opstellen van een brief en vroeg de zoon van klaagster zijn moeder te helpen, zodat de beschreven nare situatie zich niet zou herhalen.

3.10     Klaagster stuurde verweerder op 23 augustus 2023 een brief met chronologische beschrijving van de gang van zaken, waar verweerder niet op heeft gereageerd.

4. De klacht en de reactie van de psychotherapeut
 

4.1     Klaagster verwijt de psychotherapeut:

  1. schending van het beroepsgeheim, door zonder toestemming van klaagster haar naam te hebben genoemd bij de huisarts;
  2. dat hij haar onheus heeft bejegend.

4.2     De psychotherapeut heeft het college verzocht de klacht ongegrond te verklaren. Hij wilde de behandeling van klaagster afronden en in verband hiermee een terugvalpreventieplan opstellen. Het was in dit geval lastig het plan samen met klaagster op te stellen. Om een goed beeld te krijgen van de verschillende mogelijkheden van (vervolg)zorg voor klaagster nam verweerder contact op met het intervisieteam, met het E van G en met de huisarts van klaagster. De casus van klaagster is anoniem voorgelegd aan het intervisieteam en het E. De intentie van het contact met de (waarnemend) huisarts van klaagster was om als collega-behandelaar van gedachten te wisselen over de zorg en behandelmogelijkheden voor klaagster wanneer haar behandeling zou stoppen. Afgezien van klaagsters naam is er geen informatie gedeeld met de waarnemend huisarts. Verweerder realiseert zich dat hij, door zonder toestemming van klaagster contact met de huisarts op te nemen, niet heeft gehandeld met inachtneming van de GGZ zorgstandaard (2016).
Verweerder voelde zich verder geïntimideerd toen klaagster de brief wilde overhandigen om haar behandelingsovereenkomst te beëindigen. Het was voor verweerder op dat moment niet mogelijk het gesprek met klaagster aan te gaan en zij wilde een andere cliënt lastigvallen en samen met haar partner de spreekkamer binnendringen. Verweerder heeft daarom op dat moment de politie gebeld. Van onheuse bejegening is geen sprake geweest.

4.3     Het college gaat hieronder verder in op de standpunten van partijen.

5. De overwegingen van het college

De criteria voor de beoordeling

5.1     De vraag is of de psychotherapeut de zorg heeft verleend die van hem verwacht mocht worden. De norm daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende psychotherapeut. Bij de beoordeling wordt rekening gehouden met de voor de zorgverlener geldende beroepsnormen en andere professionele standaarden. Dat een zorgverlener beter anders had kunnen handelen is niet altijd genoeg voor een tuchtrechtelijk verwijt. Klachtonderdeel a) schending beroepsgeheim

5.2     Verweerder erkent dat hij niet volgens de GGZ zorgstandaard heeft gehandeld door contact op te nemen met klaagsters huisarts zonder voorafgaande toestemming, echter hij stelt dat hij met de beste intenties heeft gehandeld en nadien excuus heeft aangeboden aan klaagster en de huisarts. Het college stelt vast dat op grond van de Beroepscode voor psychotherapeuten (ingangsdatum 2018) een psychotherapeut de plicht heeft te zwijgen over alles waarvan hij tijdens de uitoefening van zijn beroep in contacten met cliënten op de hoogte raakt. In dit geval is niet in geschil dat klaagster geen toestemming had gegeven aan verweerder om informatie door te geven aan derden. Verder was er geen sprake van een situatie waarin verweerder zijn beroepsgeheim mocht doorbreken. Het had daarom op de weg van verweerder gelegen om voorafgaand aan het contact met de huisarts, toestemming te vragen aan klaagster.

5.3     Het bevreemdt het college ten zeerste dat verweerder niet op de hoogte was van deze verplichting en het college vindt het zorgelijk dat verweerder niet op de hoogte is en was van actuele richtlijnen hieromtrent. Dat de huisarts direct naar een naam vroeg, zoals verweerder stelt, maakt verder niet dat verweerder hiervan geen tuchtrechtelijk verwijt
gemaakt kan worden. Bovendien heeft verweerder, zoals blijkt uit de aantekeningen van het
huisartsenjournaal, meer informatie gegeven dan alleen de naam van klaagster. Verweerder heeft gelet op het voorgaande de in overweging 5.1 vermelde tuchtnorm geschonden. Voor zover klaagster stelt dat verweerder tevens zijn beroepsgeheim heeft geschonden door haar naam te noemen bij de politie, oordeelt het college dat er geen concrete aanknopingspunten zijn om aan te nemen dat verweerder bij de politie eveneens zijn beroepsgeheim heeft geschonden. Klachtonderdeel a) is gegrond.

Klachtonderdeel b) onheuse bejegening
5.4     Ter zitting is klaagster gevraagd de gestelde onheuse bejegening door verweerder nader te concretiseren. Klaagster verklaarde desgevraagd onder meer dat gesprekken met verweerder plaatsvonden tijdens een wandeling, waarbij verweerder dan een arm om haar heen sloeg en een kus op haar voorhoofd gaf. Ter zitting is verweerder gevraagd hierop te reageren, waarop hij stelde dat hij zich kon voorstellen dat hij dit gedaan had, maar dat het niet systematisch was. Een kus op het voorhoofd gaf klaagster zelf wel eens, en verweerder sloot niet uit dat hij dat ook wel eens gedaan had bij klaagster. Ook verklaarde klaagster dat verweerder zijn eigen relatieproblemen met klaagster persoonlijk besprak. Verweerder heeft dit, hoewel hij hiertoe in de gelegenheid is gesteld, niet weersproken. Het college oordeelt dat verweerder met deze bejegening/beroepshouding, een positie inneemt die schadelijk is voor de cliënt. Een meer professionele houding van verweerder was op zijn plaats geweest en dat verweerder dit zich niet realiseert, baart het college zorgen. Ook dit klachtonderdeel is gegrond.

Slotsom

5.5    Uit de overwegingen hiervoor volgt dat alle onderdelen van de klacht gegrond zijn.

Maatregel

5.6       Gelet op de aard en de ernst van het handelen van verweerder is – ter bescherming van eventuele andere cliënten – een schorsing van zijn bevoegdheid om als psychotherapeut te werken passend. Vooral het gebrek aan zelfreflectie en aan respect voor de persoonlijke levenssfeer van klaagster, naast het gebrek aan inzicht in de reikwijdte van het beroepsgeheim, zijn ernstige tekortkomingen daar waar het de professionele verplichtingen van een psychotherapeut betreft. Het baart het college zorgen dat verweerder niet doordrongen lijkt van de impact van de schending van het beroepsgeheim bij een getraumatiseerde cliënte als klaagster. Dit geldt ook voor de bejegening ten opzichte van klaagster.

Het is het college bovendien duidelijk geworden dat hierbij geen sprake is van een incident: verweerder is eerder de maatregel van een berisping opgelegd (de definitieve beslissing van het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg van 9 april 2015 is gepubliceerd onder ECLI:NL:TGZCTG:2015:123). Hoewel het college erkent dat sinds deze beslissing geruime tijd is verstreken, ziet het college in de gedragingen van verweerder een patroon. In de beslissing van 9 april 2015 van het CTG en de daaraan ten grondslag liggende beslissing van het Regionaal Tuchtcollege van 28 maart 2014, is meegewogen dat verweerder onvoldoende heeft onderbouwd waarom hij bij de desbetreffende patiënte afweek van de GGZ-richtlijn en had verweerder geen, althans onvoldoende blijk gegeven in te zien dat hij een toonaangevende rol speelde in de verstoring van de (therapeutische) relatie met zijn patiënte.

5.7       Samengevat oordeelt het college dat de wijze waarop verweerder in de onderhavige kwestie heeft geacteerd en het gebrek aan inzicht in het onjuiste van dit handelen, dusdanig ernstig, verwijtbaar en zorgwekkend is dat niet kan worden volstaan met een berisping. Het college zal daarom een voorwaardelijke schorsing opleggen voor de duur van 6 maanden.

Publicatie

5.8     In het algemeen belang zal deze beslissing worden gepubliceerd. Dit algemeen belang is erin gelegen dat andere psychotherapeuten mogelijk van deze zaak kunnen leren. De publicatie zal plaatsvinden zonder vermelding van namen of andere tot personen of instanties herleidbare gegevens.

6. De beslissing
 

Het college:

  • verklaart de klacht gegrond;
  • legt op de maatregel van schorsing van de bevoegdheid om de aan de inschrijving verbonden bevoegdheden uit te oefenen voor de duur van zes maanden voorwaardelijk;
  • beveelt dat deze maatregel niet ten uitvoer zal worden gelegd tenzij het bevoegde regionale tuchtcollege later anders mocht bepalen omdat de psychotherapeut voor
    het einde van een proeftijd van twee jaren:
    a) zich schuldig heeft gemaakt aan enig handelen of nalaten dat in strijd is met de goede zorg die hij als psychotherapeut behoort te betrachten, of in strijd is met hetgeen een behoorlijk beroepsbeoefenaar betaamt; en/of
    b) zich niet heeft gehouden aan de navolgende bijzondere voorwaarde:
    1. dat hij zich binnen twee maanden na het onherroepelijk worden van dit oordeel onder supervisie heeft gesteld van een BIG-geregistreerd gz-psycholoog of psychotherapeut, waarbij de supervisie is gericht op het voorkomen van herhaling van grensoverschrijdend gedrag binnen of vlak na een behandelrelatie, door het herkennen van risicosignalen én het aantoonbaar toepassen van professioneel grensstellend gedrag, waaronder het vermijden van privécontact, het tijdig bespreken van spanningen in de behandelrelatie, monitoren op het nalaten van lichamelijk contact met een cliënt en dat hij deze punten structureel bespreekt gedurende en binnen de supervisie, voor de frequentie en duur die deze supervisor - binnen de proeftijd - noodzakelijk acht;
  • draagt de IGJ op toezicht te houden op de voorwaarden;
  • bepaalt dat de proeftijd uitsluitend loopt gedurende de periode dat de psychotherapeut in het register is ingeschreven en bevoegd is de daaraan verbonden bevoegdheden uit
    te oefenen;
  • bepaalt dat deze beslissing, nadat die onherroepelijk is geworden, zonder vermelding van namen of andere herleidbare gegevens in de Nederlandse Staatscourant zal worden bekendgemaakt en ter publicatie zal worden aangeboden aan de tijdschriften ‘Tijdschrift voor Psychotherapie’, Medisch Contact en ‘de Psycholoog’.

Deze beslissing is gegeven door W.P. Claus, voorzitter, C.A. Bol, lid-jurist, T. Koetsier,

L. Wittkampf en R. van der Ree, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door M.H. van Ham, secretaris, en in het openbaar uitgesproken op 19 december 2025.

secretaris                                                                                           voorzitter



 

Tegen deze beslissing kan in de volgende gevallen schriftelijk beroep worden ingesteld bij het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:

  1. Heeft u de klacht ingediend? Dan kunt u in beroep als
  • het college u of uw klacht geheel of gedeeltelijk niet-ontvankelijk heeft verklaard, of
  • als de klacht geheel of gedeeltelijk ongegrond is verklaard,
  • het college kennelijk onbevoegd is, of
  • voor zover de klacht kennelijk van onvoldoende gewicht is.
     

Bij een gedeeltelijke niet-ontvankelijkverklaring of een gedeeltelijke ongegrondverklaring kan uw beroep alleen betrekking hebben op dat deel van de beslissing.

  1. Is de klacht tegen u gericht? Dan kunt u altijd in beroep.
  1. Ook de inspecteur van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd kan beroep instellen.


U moet het beroepschrift richten aan het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg, maar opsturen naar de secretaris van het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Zwolle. Daar moet het zijn ontvangen binnen zes weken nadat de beslissing aan u is verstuurd.
 

Als u beroep instelt, moet u € 50,- griffierecht betalen aan het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg. U ontvangt hierover bericht. Als u geheel of gedeeltelijk in het gelijk wordt gesteld, wordt het griffierecht aan u terugbetaald.