ECLI:NL:TGZRZWO:2025:162 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Zwolle Z2025/8555
| ECLI: | ECLI:NL:TGZRZWO:2025:162 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 16-12-2025 |
| Datum publicatie: | 18-12-2025 |
| Zaaknummer(s): | Z2025/8555 |
| Onderwerp: | Grensoverschrijdend gedrag |
| Beslissingen: | Gegrond, berisping |
| Inhoudsindicatie: | Klacht tegen een verpleegkundige gegrond. Maatregel: berisping. Klaagster is binnen de GGZ ruim een jaar onder behandeling geweest bij de verpleegkundige. De verpleegkundige voerde wekelijks therapiegesprekken met klaagster. Klaagster verwijt de verpleegkundige dat zij haar professionaliteit heeft overschreden door een grensoverschrijdende relatie met haar aan te gaan en (behandel)informatie van (ex-)cliënten te delen met klaagster. Het college oordeelt dat de verpleegkundige onvoldoende professionele distantie heeft in haar behandelrelatie met klaagster en zij haar beroepsgeheim heeft geschonden. |
REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG
ZWOLLE
Beslissing van 16 december 2025 op de klacht van:
A,
wonende in B,
klaagster,
tegen
C ,
verpleegkundige ,
destijds werkzaam in D,
verweerster, hierna: de verpleegkundige,
gemachtigde: mr. M.F. Mooibroek, werkzaam in Utrecht.
- De zaak in het kort
1.1 Klaagster is in 2023 ruim een jaar onder behandeling geweest bij de verpleegkundige.
De verpleegkundige voerde wekelijks therapiegesprekken met klaagster. Klaagster verwijt
de verpleegkundige dat zij haar professionaliteit heeft overschreden door een grensoverschrijdende
relatie met haar aan te gaan en (behandel)informatie van
(ex-)cliënten te delen met klaagster.
1.2 Het college komt tot het oordeel dat de klacht gegrond is en legt de verpleegkundige een berisping op. Hierna vermeldt het college eerst hoe de procedure is verlopen. Daarna licht het college de beslissing toe.
2. De procedure
2.1 Het college heeft de volgende stukken ontvangen:
- het klaagschrift met de bijlagen, ontvangen op 26 mei 2025;
- het verweerschrift met de bijlagen, ontvangen op 2 september 2025;
- de brief van klaagster met de bijlagen, ontvangen op 1 oktober 2025;
- de brief van klaagster met de bijlage, ontvangen op 8 oktober 2025.
2.2 De partijen hebben de gelegenheid gekregen om onder leiding van een secretaris
van het college met elkaar in gesprek te gaan (mondeling vooronderzoek). Daarvan hebben
zij geen gebruik gemaakt.
2.3 De zaak is behandeld op de openbare zitting van 4 november 2025. De partijen zijn verschenen. De verpleegkundige werd bijgestaan door haar gemachtigde. De partijen hebben hun standpunten mondeling toegelicht. Klaagster en de gemachtigde van de verpleegkundige hebben ook pleitnotities voorgelezen en aan het college en de andere partij overhandigd.
3. De feiten
3.1 De verpleegkundige was van juni 2022 tot september 2024 werkzaam bij E als
verpleegkundig specialist in opleiding. Zij kreeg werkbegeleiding en supervisie
van een psychiater die haar praktijkopleider was. De verpleegkundige heeft medio 2025
haar opleiding afgerond.
3.2 Vanaf 15 maart 2023 tot 29 april 2024 was de verpleegkundige betrokken bij
de
behandeling van klaagster. Zij voerden wekelijks therapiegesprekken in het kader
van hulp bij emotieregulatie. In deze periode ontstond in groeiende mate een vertrouwensband
tussen klaagster en de verpleegkundige. Zij konden goed met elkaar overweg. Tijdens
de gesprekken deelde de verpleegkundige ook persoonlijke ervaringen uit haar verleden.
In het najaar van 2023 bracht de verpleegkundige klaagster enkele keren met de auto
naar huis na een behandelafspraak.
3.3 Begin januari 2024 gaf klaagster tijdens een therapiegesprek bij de verpleegkundige
aan dat zij vriendschappelijke en familiaire gevoelens voor haar begon te krijgen.
Zij vond het moeilijk om haar nog als hulpverlener te zien en zag haar liever als
grote zus of vriendin. Eind januari 2024 hielp de verpleegkundige bij de verhuizing
van klaagster. Er waren ook meerdere huisbezoeken met het oog op de behandeling van
klaagster. Tijdens deze bezoeken gingen de verpleegkundige en klaagster een aantal
keer wandelen en hebben zij ook ergens wat gedronken samen.
3.4 In april 2024 kwamen de verpleegkundige en klaagster elkaar tweemaal tegen
in een
café. De eerste keer waren klaagster en de verpleegkundige met elkaar in gesprek
toen de verpleegkundige een voorbij fietsende man herkende die zij twintig jaar geleden
had behandeld. Zij vertelde dit aan klaagster. De andere keer zat de verpleegkundige
op het terras bij hetzelfde café met haar toenmalige partner en haar zoon. Toen klaagster
langsliep kreeg zij een plek aan de tafel en alcohol aangeboden. In het gesprek kwam
de vriendin van klaagster ter sprake, met wie zij eerder die dag was gezien door de
verpleegkundige, die ook cliënt was van de verpleegkundige.
3.5 De verpleegkundige werd op 30 april 2024 tijdens een gesprek met haar manager
geconfronteerd met een klacht over de gebeurtenissen rondom de behandelrelatie met
klaagster. Op 1 mei 2024 kreeg de verpleegkundige een officiële schriftelijke waarschuwing
van haar werkgever. De verpleegkundige besloot per 1 september 2024 om ontslag te
nemen. In de maanden hierna kwamen de verpleegkundige en klaagster elkaar soms tegen
in de stad en hebben zij met elkaar gesproken (waaronder één langerdurend gesprek).
Op
6 december 2024 nodigde klaagster de verpleegkundige uit voor een kop koffie, maar
de verpleegkundige wees dat af. Daarna hebben zij elkaar niet meer gezien of gesproken.
- De klacht en de reactie van de verpleegkundige
4.1 Klaagster verwijt de verpleegkundige kort gezegd dat zij:
- haar professionele grens om werk en privé gescheiden te houden niet in acht heeft genomen;
- niet professioneel heeft gehandeld toen bleek dat de behandelrelatie grensoverschrijdend werd;
- de privacywetgeving (AVG) heeft geschonden, door informatie over (ex-)cliënten met klaagster te delen.
4.2 De verpleegkundige verzoekt het college om klaagster ten aanzien van het klachtonderdeel dat ziet op het schenden van de privacy niet-ontvankelijk te verklaren en de klacht voor dat deel niet inhoudelijk te behandelen. Voor het overige refereert de verpleegkundige zich aan het oordeel van het college. De verpleegkundige erkent dat zij in de behandelrelatie de professionele grens heeft overschreden, maar verzoekt het college ook met verzachtende omstandigheden en de context rekening te houden. De verpleegkundige vraagt het college geen (deels) beroepsbeperkende maatregel op te leggen.
4.3 Het college gaat hieronder verder in op de standpunten van partijen.
- De overwegingen van het college
De criteria voor de beoordeling
5.1 De vraag is of de verpleegkundige de zorg heeft verleend die van haar verwacht mocht worden. De norm daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende verpleegkundige. Bij de beoordeling wordt rekening gehouden met de voor de zorgverlener geldende beroepsnormen en andere professionele standaarden.
Het beoordelingskader
5.2 Binnen een behandelrelatie bevindt de patiënt zich in een afhankelijke positie ten opzichte van de zorgverlener. Het is aan de zorgverlener om de grenzen van de behandelrelatie te bewaken. Dit uitgangspunt vloeit voort uit artikel 7:453 Burgerlijk Wetboek (goed hulpverlenerschap).
5.3 Voor verpleegkundigen is deze norm verder uitgewerkt in de Nederlandse Beroepscode van Verpleegkundigen en Verzorgenden. In paragraaf 2.4 van deze code staat:
"Als verpleegkundige/verzorgende neem ik in mijn relatie met de zorgvrager (en/of zijn vertegenwoordiger) professionele grenzen in acht. Dat betekent onder andere dat ik
• geen misbruik maak van de afhankelijke positie van de zorgvrager
• geen intieme en/of seksuele relatie aanga met de zorgvrager
• mij niet schuldig maak aan intimidatie of geweld
• geen gift in natura, geld of geschenk van de zorgvrager of diens sociale netwerk
accepteer dat meer is dan een symbolisch gebaar van dank
• geen financiële banden van welke aard dan ook aanga met de zorgvrager
• aan de zorgvrager mijn eigen grenzen duidelijk maak
• mijn collega’s of leidinggevende om hulp vraag als ik merk dat de professionele grenzen dreigen te vervagen of overschreden dreigen te worden."
Klachtonderdelen a) en b) grensoverschrijdend handelen
5.4 Het college oordeelt dat de verpleegkundige de professionele grenzen heeft overschreden in haar behandelrelatie met klaagster. Hoewel de verpleegkundige erkent dat zij onvoldoende professionele distantie heeft gehouden van klaagster, voert zij ook aan dat dit moeten worden bezien binnen een (verzachtende) context. Ook ontkent de verpleegkundige dat bepaalde gebeurtenissen hebben plaatsgevonden of bepaalde uitspraken zijn gedaan. Het college ziet geen aanleiding voor twijfel aan de beschrijving van de gebeurtenissen door klaagster. Daarbij is van belang dat de door klaagster gegeven beschrijving van de gebeurtenissen zeer gedetailleerd is en de verpleegkundige hier, behalve algemene ontkenningen, onvoldoende tegenover heeft gesteld. Ook weegt mee dat de verpleegkundige op onderdelen pas later volledig eerlijk is geweest tegenover haar werkgever en opleider, zoals over het laten meerijden van klaagster.
5.5 Het gebrek aan professionele distantie door de verpleegkundige, wat tot grensoverschrijdend gedrag heeft geleid tegenover klaagster, baseert het college op het samenstel van de volgende feiten en omstandigheden:
- dat, gezien de traumagerelateerde hulpvraag en achtergrond van klaagster, het voor de verpleegkundige duidelijk was dat zij zich in een kwetsbare positie bevond;
- dat, door tijdens de gesprekken over zichzelf en haar eigen achtergrond te vertellen, de verpleegkundige een afhankelijkheid creëerde bij klaagster, die voor haar ook kenbaar was doordat klaagster dit uitsprak;
- dat, door naast de gesprekken klaagster ook te laten meerijden in de auto, haar te helpen met haar verhuizing en meermaals privé uit te nodigen voor sociaal samenkomen in een café, deze afhankelijkheid van klaagster door de verpleegkundige verder werd vergroot;
- dat de verpleegkundige klaagster heeft uitgenodigd en vergezeld naar een thema-avond mentale gezondheid, waarbij onvoldoende duidelijk was in welke hoedanigheid zij dit deed en waarbij zij dit niet op de werkvloer heeft besproken of gedocumenteerd;
- dat de verpleegkundige, ook nadat haar handelen ter discussie was komen te staan bij haar werkgever, daarvoor een waaschuwing kreeg en een afkoelingsperiode behoorde na te leven, nog enkele keren contact heeft gehad met klaagster.
5.6 Anders dan de verpleegkundige heeft aangevoerd, ziet het college op deze punten geen verzachtende omstandigheden binnen de context waarin dit is gebeurd. De verpleegkundige heeft ruime kennis en ervaring binnen de geestelijke gezondheidszorg, gezien haar jarenlange staat van dienst als verpleegkundige. Bovendien volgde zij ten tijde van het handelen een opleiding tot verpleegkundig specialist, waarin zij eenvoudig de gebeurtenissen (of haar twijfel daarover) ter sprake had kunnen brengen bij haar opleider en begeleider. Deze omstandigheden rekent het college de verpleegkundige aan, omdat zij heeft aangevoerd dat het voor haar niet duidelijk was dat zij zich destijds binnen 'grijs gebied' bevond. Verder heeft zij haar handelen eerst verdedigd door te wijzen op collega’s die het ook deden. Daar komt bij dat de verpleegkundige kon voorzien of behoorde te voorzien dat haar handelen, mede vanwege de bestaande problematiek bij klaagster, grote gevolgen zou kunnen hebben voor klaagster en dat klaagster hierdoor (verder) beschadigd zou raken.
Klachtonderdeel c) delen informatie over ex-cliënten
5.7 Voor zover de verpleegkundige het verweer heeft gevoerd dat klaagster niet
ontvangen kan worden ten aanzien van dit klachtonderdeel overweegt het college als
volgt. Klaagster kan als rechtstreeks belanghebbende als bedoeld in artikel 65 lid
1 onder a Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (Wet BIG) worden aangemerkt.
De klacht gaat over het delen van informatie door de verpleegkundige over andere patiënten
met klaagster. Dat is een gedraging in de behandelrelatie. Binnen de zorgrelatie moet
een patiënt zonder schroom alles kunnen delen met de zorgverlener. Als de verpleegkundige
gevraagd of ongevraagd informatie over (een) andere patiënt(en) met klaagster deelt
zal dit voor klaagster drempelverhogend kunnen werken om haar behandelaar (de verpleegkundige)
adequaat te informeren. Om die reden heeft klaagster een concreet eigen belang in
haar individuele gezondheidszorg en kan zij dus hierover klagen (zie ook: CTG 15 mei
2024, ECLI:NL:TGZCTG:2024:91).
5.8 Het college oordeelt dat de verpleegkundige haar beroepsgeheim heeft geschonden,
door met klaagster informatie te delen over de behandeling van anderen, zoals de vriendin
van klaagster en de man die passeerde bij het café waar klaagster en de verpleegkundige
in gesprek waren.
Het antwoord op de vraag welke informatie exact gedeeld is, waarover partijen van
mening verschillen, kan in het midden blijven. Dat de verpleegkundige kenbaar maakt
wie bij haar onder behandeling is of is geweest, leidt namelijk al tot een gegrond
tuchtrechtelijk verwijt, omdat zij dan haar beroepsgeheim schendt.
5.9 Het college zal, anders dan klaagster heeft aangevoerd, niet vaststellen dat de verpleegkundige hiermee ook de Algemene Verorderning Gegevensbescherming (AVG) heeft overtreden. Deze vaststelling valt niet binnen de reikwijdte van de taak en bevoegdheid van het college.
Slotsom
5.10 Uit de overwegingen hiervoor volgt dat alle onderdelen van de klacht gegrond
zijn.
Maatregel
5.11 Nu de klacht gegrond is moet het college oordelen welke maatregel gelet
op de aard en de ernst van het handelen, naar verwachting voldoende effect zal hebben
om herhaling te voorkomen. Voor de veiligheid en het welzijn van patiënten is het
noodzakelijk dat een zorgverlener de professionele grenzen van de beroepsgroep respecteert
en in acht neemt. De ernst van de verweten gedragingen en de persoonlijke omstandigheden
van de verpleegkundige rechtvaardigen in dit geval de maatregel van een berisping.
5.12 Voor het college weegt enerzijds als verzwarend mee dat de verpleegkundige, ondanks haar erkenning en zelfinzicht op bepaalde punten, probeert haar handelen kleiner te maken dan het is door te wijzen op verzachtende omstandigheden binnen een context die het college niet deelt. Door te benadrukken dat bepaalde uitlatingen van haar oppervlakkig zijn geweest of anders waren bedoeld dan overgekomen is bij klaagster, wekt de verpleegkundige de indruk dat zij haar handelen ten dele bagetalliseert, probeert af te schermen en daar niet volledig transparant over is. Daarbij heeft het college ook meegewogen dat de verpleegkundige niet direct open is geweest over deze kwestie tegenover haar opleider, maar pas op een later moment.
5.13 Voor het college weegt anderzijds als verzachtend mee dat de verpleegkundige twintig jaar ingeschreven staat als verpleegkundige in het BIG-register en niet eerder een maatregel opgelegd heeft gekregen. Voor de verpleegkundige heeft haar handelen gevolgen gehad bij haar werkgever, doordat zij een schriftelijke waarschuwing heeft gekregen, en zij heeft haar excuses aan klaagster aangeboden. Het college heeft ook de indruk dat de verpleegkundige heeft geleerd van de gebeurtenissen en dat zij dit voortaan zal voorkomen.
Publicatie
5.14 In het algemeen belang zal deze beslissing worden gepubliceerd. Dit algemeen
belang is erin gelegen dat andere zorgverleners en zorginstellingen mogelijk iets
van deze zaak kunnen leren. De publicatie zal plaatsvinden zonder vermelding van namen
of andere tot personen of instanties herleidbare gegevens.
- De beslissing
Het college:
- verklaart de klacht gegrond;
- legt op de maatregel van berisping;
- bepaalt dat deze beslissing, nadat die onherroepelijk is geworden, zonder vermelding van namen of andere herleidbare gegevens in de Nederlandse Staatscourant zal worden bekendgemaakt en ter publicatie zal worden aangeboden aan het Tijdschrift voor Gezondheidsrecht, Gezondheidszorg Jurisprudentie, Medisch Contact, V&VN Magazine en Nurse Academy GGZ.
Deze beslissing is gegeven door P.A.H. Lemaire, voorzitter, J.R. Hurenkamp, lid-jurist,
G.C. van der Weerd, S. Geul en R. Broeren-Woudstra, leden-beroepsgenoten, bijgestaan
door M.C. Sijtsema, secretaris, en in het openbaar uitgesproken op 16 december 2025 .
secretaris
voorzitter
Tegen deze beslissing kan in de volgende gevallen schriftelijk beroep worden ingesteld bij het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:
- Heeft u de klacht ingediend? Dan kunt u in beroep als
- het college u of uw klacht geheel of gedeeltelijk niet-ontvankelijk heeft verklaard, of
- als de klacht geheel of gedeeltelijk ongegrond is verklaard,
- het college kennelijk onbevoegd is, of
- voor zover de klacht kennelijk van onvoldoende gewicht is.
Bij een gedeeltelijke niet-ontvankelijkverklaring of een gedeeltelijke ongegrondverklaring kan uw beroep alleen betrekking hebben op dat deel van de beslissing.
- Is de klacht tegen u gericht? Dan kunt u altijd in beroep.
- Ook de inspecteur van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd kan beroep instellen.
U moet het beroepschrift richten aan het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg,
maar opsturen naar de secretaris van het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg
te Zwolle. Daar moet het zijn ontvangen binnen zes weken nadat de beslissing aan u
is verstuurd.
Als u beroep instelt, moet u € 50,- griffierecht betalen aan het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg. U ontvangt hierover bericht. Als u geheel of gedeeltelijk in het gelijk wordt gesteld, wordt het griffierecht aan u terugbetaald.